pdd-nos

Aan de orde komen: omschrijving termen, PDD-NOS en ADHD, het Diagnostisch en Statistisch handboek van Psychische Stoornissen en Diagnostische Criteria voor Autisme.

ASS (AUTISME-SPECTRUM-STOORNISSEN)

Omschrijving
Het autismespectrum strekt zich uit van de zware DSM-IV classificatie ‘Autisme’ tot de lichtere varianten PDD-NOS en Stoornis van Asperger (AS) (Vermeulen, 2002). ‘Lichter’ verwijst naar de ernst of hoeveelheid van de symptomen, niet naar de consequenties ervan voor het dagelijks functioneren (Serra, Minderaa, Van Geert & Jackson, 1999). Klinisch gezien kunnen deze kinderen in interactie en communicatie flink gehandicapt zijn (Tanguay, Robertson & Derrick, 1998). De samenvattende classificatie ASS geeft aan, dat er stoornissen zijn op de volgende drie gebieden: wederkerige sociale interactie; verbale en non-verbale communicatie; verbeelding, vaak samengaand met een opvallende voorkeur voor een rigide, stereotiep en repetitief patroon van activiteiten en/of interesses (Wing, 1992).
Bij ASS is sprake van een grote diversiteit aan individuele verschijningsvormen waarbij de sociale tekorten als kernproblematiek worden beschouwd (van der Gaag, 2003). De kern van deze sociale tekorten is een gebrek aan empathie. Dit is het vermogen om zich te kunnen indenken en invoelen in de gedachten, gevoelens en intenties van een ander en daar adequaat naar te handelen. Binnen het autismespectrum beschikken kinderen met hogere cognitieve intelligenties vaak wel over basale capaciteiten binnen het sociaal-emotionele domein, maar deze worden in het alledaagse leven niet vanzelfsprekend toegepast (Serra et al., 1999). Daardoor zijn de communicatie- en interactieproblemen in een testsituatie niet gemakkelijk te herkennen. Het tekort aan ‘geautomatiseerd aanvoelen’ wordt in een dergelijke overzichtelijke situatie door het verstandelijke begrip (cognitie) gecompenseerd.

PDD-NOS en ADHD.
PDD-NOS staat voor ‘Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified.’
(Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anders Omschreven). Soms wordt PDD-NOS aangeduid als atypische persoonlijkheidsstoornis, atypische PDD of atypisch autisme Er dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen ADHD en PDD-NOS, maar soms ook overlappen deze diagnoses elkaar en worden beide diagnoses toch samengesteld bij één kind (van der Gaag, 2003). ADHD is evenwel géén autisme-spectrum-stoornis (ASS) in tegenstelling tot PDD-NOS dat wel binnen het autismespectrum valt.
Van PDD-NOS wordt gesproken als er een beperking is in de ontwikkeling van sociale vaardigheden of in de verbale en non-verbale communicatievaardigheden, indien er sprake is van stereotype gedrag, terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis. Met andere woorden, indien men vaststelt dat er kenmerken van autistisch gedrag aanwezig zijn, maar deze niet specifiek genoeg zijn om de diagnose autisme te stellen.

DSM
De term ‘Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified’ is opgenomen in de DSM om gedrag van kinderen te omvatten/omschrijven waarbij er een aantoonbare tekortkoming is in sociale interactie (ook wel sociaal ‘snapvermogen’ genoemd), communicatie, en/of stereotype gedragspatronen of interesses, maar als de volledige kenmerken voor autisme of een andere duidelijk benoemde PDD niet zijn gehaald.
Terwijl tekortkomingen in de relaties met leeftijdsgenootjes en ongewone gevoeligheden kenmerkend zijn, vertonen de sociale vaardigheden minder gebreken dan bij het klassieke autisme het geval is. Een diagnose van autisme wordt gesteld indien een individu zes of meer van twaalf symptomen vertoont, die drie grote gebieden bestrijken: sociale interactie, communicatie en gedrag. Als kinderen afwijkend gedrag vertonen, maar niet aan de criteria voldoen voor autisme, kunnen zij de diagnose krijgen van PDD-NOS. Omdat er veel gelijkenis is in het gedrag dat gepaard gaat met autisme en PDD-NOS zijn de behandeling en onderwijsbehoeften veelal hetzelfde voor beide diagnoses.

DSM IV Diagnostische Criteria voor Autisme
Diagnostische Criteria voor Autistische Stoornissen.
(Het volgende is afkomstig uit het Diagnostisch en Statistisch handboek van Psychische Stoornissen: DSM IV.)
Tenminste zes (of meer) items van (A), (B), en (C), met minstens twee van (A), en een van (B) en (C) kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende:
· opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek (welke sociale wisselwerking regelt),
· tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau,
· een gebrek in het spontaan delen van plezier, interesses of prestaties met andere mensen, (bijv. door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar andere mensen)
· Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid (bijv. doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als “mechanisch hulpstuk” bij spelletjes),
· Kwalitatieve tekortkomingen in communicatie zoals blijkt uit minstens een van de volgende:
· vertraging in, of een totaal gebrek aan de ontwikkeling van de gesproken taal (welke niet gevolgd wordt door een poging dit te compenseren door alternatieve mogelijkheden van communicatie, zoals gebaren of mimiek),
· bij individuen met goede spreekvaardigheid, opvallende tekortkomingen in het starten of onderhouden van een gesprek met anderen,
· stereotype of herhaald gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik,
· een gebrek in gevarieerd, spontaan fantasiespel of sociaal imitatiegedrag overeenkomstig het ontwikkelingsniveau.

Opvallend beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende:
· overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie,
· blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele handelingen of rituelen, stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam),
· hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten,
· vertragingen of abnormaal functioneren in ten minste één van de volgende gebieden, binnen de eerste drie levensjaren:
sociale interactie,
sociaal taalgebruik,
imitatie- of fantasiespel.

De stoornis kan niet verklaard worden als Rett’s syndroom of Childhood Disintegrative Disorder
Een kind met PDD-NOS neemt dikwijls iets te letterlijk. Zo is er een verhaal van een jongen van elf die niet begon aan de opgaven van het verkeersexamen. Wat was nou het geval? Op de foto’s van verkeerssituaties stond een kind op een mountainbike. Bij elke foto werd gevraagd: “Wat zou jij doen?” Het jongetje had geen mountainbike, maar een gewone fiets. Hij kon de vragen dus niet beantwoorden.