Lees- en schrijfonderwijs (dyslexie)

VERANTWOORD LEES- EN SCHRIJFONDERWIJS

Inleiding

Een kind gaat vanaf de schoolrijpheid – tussen het 6e en 7e levensjaar – in groep 3 leren lezen en schrijven. Het wil dat ook graag. Alles lijkt normaal, de ouders hebben hoge verwachtingen van hun kind. Maar plotseling krijgen de ouders van school te horen dat hun kind iets mankeert. Het kan niet of met zeer grote moeite leren lezen. Het kan de klank-teken-koppeling maar niet onder de knie krijgen. ,,Nee, het is nog te vroeg om het op dyslexie te laten testen, maar we houden ons hart vast.” Dat krijgen de ouders te horen over hun kind, dat naar hun weten niets mankeert. ,,Wij hebben ons kind toch op zien groeien? Wij hebben het toch jaren om ons heen gehad?  Zou het dan ook behept zijn met het virus dat dyslexie heet? Ach, wat voor toekomst gaat mijn kind dan tegemoet,” denken de ouders. Wat moeten ze anders denken, omdat ze altijd horen dat dyslexie niet te behandelen is. Dyslexie zou worden veroorzaakt door een foutje in de hersenen! Maar niets is minder waar. Het kind moet in het huidige onderwijs wel lees- en schrijfproblemen krijgen. Met een andere (traditionele) taaldidactiek zou uw kind niets mankeren. We zullen dat in de volgende hoofdstukjes  aantonen:

1. het taalverwervend kind,

2. het traditionele onderwijs: kleuterschool en lagere school,

3. het huidige onderwijs: het taalverwervend en schoolrijpe kind in de groepen 1, 2,

4. het schoolrijpe kind in de groepen 3 en 4.

1.het taalverwervend kind

Er is een belangrijk breekpunt in de ontwikkeling van een kind. Tot aan de schoolrijpheid verwerft het kind de taal van de omgeving. Het gaat de taal van de omgeving spreken, als de ouders tegen het kind spreken, welke taal of welk dialect dan ook. Vanaf de schoolrijpheid leert het kind de schooltaal lezen en schrijven. We geven hier de belangrijkste ontwikkelingen in de mondelinge taal van het taalverwervend kind:

1.1       het uiten van de eerste woordjes,

1.2       het gebruik van de lidwoorden (de, het een),

1.3       het gebruik van voorzetsels (onder, boven, langs, naar, enz.),

1.4       het gebruik van het woordje IK in de gesproken taal,

1.5       het gebruik van de dubbele medeklinker (toel wordt stoel; kas wordt kast),

1.6       het mondelinge vermogen om zich steeds beter te uiten in vraag -, gewone en gebiedende zinnen.

U hebt gemerkt, dat ik de zes ontwikkelingen in de taal van het taalverwervend kind niet van data heb voorzien. Dat is ook onmogelijk, omdat ieder kind op eigen wijze de taal leert spreken. Het ene kind is vroeger dan het andere. Deze kennis is belangrijk voor het kind in de groepen 1 en 2.

2.het traditioneel taalonderwijs: kleuterschool en lagere school

Het taalonderwijs moet aansluiten bij het bekende: het mondelinge taalgebruik van het taallerend kind. Ook werd er rekening gehouden met de schoolrijpheid. Daarom was er in het traditionele onderwijs de verdeling tussen niet-schoolrijpe kinderen die naar de kleuterschool mochten en schoolrijpe kinderen die naar de lagere school moesten. Met het taalonderwijs werd gewacht, totdat de kinderen schoolrijp en daardoor tot leren in staat waren. De schoolrijpheid begint meestal tussen de leeftijd van 6 jaar en 6 maanden en het 7e levensjaar. Het was bekend, dat de leerlingen die vóór 6 jaar en 6 maanden met taal begonnen vaker bleven zitten, dan leerlingen die ná die tijd begonnen. Er waren daarom scholen die halfjaarlijkse klassen aanboden. Het zou een goed idee zijn, de halfjaarlijkse klassen weer in te voeren.

De schoolrijpe leerlingen spreken dus in eenvoudige taal, maar hun spreektaal is goed genoeg om de klassen 1, 2 en 3 door te komen. Pas in de derde klas (= nu groep 5) maakten de leerlingen ook kennis met moeilijke woorden, met spreekwoorden en gezegdes.

In de eerste klas werd volgens de methode Hoogeveen – een dijk van een methode – lesgegeven. De leerlingen kregen frontaal les en moesten dagelijks het grote-mensen-alfabet opzeggen. Vervolgens leerden ze met losse letters uit de letterdoos de woorden van het AAP, NOOT, MIES tot aan SCHA-PeN leggen. Door middel van SCHAPeN leerden ze al het gebruik van de enkele a in de open lettergreep en de uh-klank (= e in de tweede lettergreep). Het was een kleine stap om het verschil tussen MIES en MIS te leren evenals boom – bom; maan – man; kiep – kip; peen – pen; kuur – keur. Zodra zij genoeg losse woorden konden opschrijven, moesten ze zinnen lezen, daarna ook schrijven, vaak al in december van het eerste leerjaar. Door deze aanpak ontstonden er nauwelijks problemen met de dubbelzetter en de open lettergreep. Ondanks die goede taaldidactiek waren er toch enkele kinderen die niet mee konden komen. Zij waren wellicht nog niet schoolrijp, of zij begrepen niet alles van de spelling. In plaats van de klankmethode in te voeren had men er beter aan gedaan de methode Hoogeveen aan te passen, zodat ieder kind normaal had kunnen lezen en schrijven. De kinderen (één of twee in een klas van 50) die achterbleven in taalontwikkeling, noemde men ook toen al taalzwak of dyslectisch.


3.het huidige onderwijs: het taalverwervend en taallerend kind in de groepen 1 en 2

In de groepen 1 en 2 zitten zowel taalverwervende als taallerende kinderen. Zij zitten in de klas in groepjes wanordelijk door elkaar, wat onrust veroorzaakt. De taalverwervende kinderen zijn nog met hun mondelinge taalverwerving bezig, zijn nog niet schoolrijp en kunnen nog niet opzettelijk leren. Zij zijn nog bezig hun mondelinge taal te vervolmaken. Ga in dit stadium NOOIT knoeien aan het taalvermogen. Laat de natuur zijn gang gaan. Als het later  in groep 3 op de traditionele manier les krijgt, zult u zien, dat deze kinderen hun taalachterstand wel inhalen. De taallerende kinderen daarentegen zijn al schoolrijp en kunnen wel opzettelijk leren. Voor deze groep, meestal hoogbegaafden, is het huidige onderwijs een regelrechte ramp. Zij krijgen dan al te maken met de verklanking, zoals dat hieronder is beschreven. In plaats van 2 jaren moeten zij 4 jaren met verklanking doorstaan. Het onderwijs kweekt op deze manier de hoogbegaafde onderpresteerder.


4.het huidige onderwijs: het schoolrijpe kind in de groepen 3 en 4

De stelling dat men moet aansluiten bij het bekende is sinds begin 1960 volledig losgelaten. Het mondelinge taalgebruik van het schoolrijpe kind is allang niet meer de norm waar men zich aan houdt. Het leert geen zinnen meer schrijven, maar krijgt wekelijks 20 woorden te leren. Dat is nutteloos, omdat het brein geen woordenboek is. Het zit als een kleuter in ordeloze groepjes in een daardoor rumoerige klas. Het alfabet is niet meer de basis van de taaldidactiek. Ook na jaren op school kan het kind het alfabet niet of met moeite foutloos opzeggen. Wat heeft het dan op school geleerd? In plaats van het alfabet leert de leerling een betekenisloos alfabetversje, dat als kenmerk heeft dat het kind daardoor alfabetletters vergeet. Waarom moeten de leerlingen leren dat de enkele a, e, i, o, u klinken als de klanken in de woordjes bal, bel, bil, bol en bul, hoewel de a, e, i, o, u in het alfabet heel anders klinken? Om ze van de wijs te brengen? Men zou het wel gaan denken! Ook gebruikt men de letternamen van het alfabet niet meer om te leren spellen. In plaats daarvan gebruikt men klanken. Een ‘vier-letter-woord’ als BOOM wordt thans in ‘3 klanken’ ontbonden (buh, o, mm). Afgezien van het feit dat 4 nooit 3 kan zijn, kan ‘buh, o, mmm’ nooit het woordje BOOM zijn, maar eventueel wel de woordjes BOM of BOMEN. Geen wonder dat de leerling over de spelling na gaat denken. Dat wordt er niet beter op, als dezelfde leerling de zgn. dubbelzetter en de open lettergreep moet schrijven. Omdat hij foute regels heeft geleerd, schrijft hij bijvoorbeeld BOOMEN i.p.v. BOMEN en BOMEN i.p.v. BOMMEN. Dat kind is niet dom, maar doet wat het heeft geleerd. Deze leerling heeft dyslexie ontwikkeld. Het zit dus niet in zijn genen, het zit in het verkeerde taalonderwijs. Vooral het kind met veel rekenaanleg is de dupe van dit onderwijs. We willen meer bètastudenten, maar die komen niet ver, omdat zij hun eigen taal dus ook een vreemde taal niet meer kunnen leren. Het verklankend taalonderwijs duurt officieel tot eind groep 4, maar in de groepen 5 – 8 krijgt de leerling steeds weer met verklanking te maken als de dubbelzetter en de open lettergreep weer moet worden uitgelegd. Dan worden de verkeerde taalregels weer van stal gehaald. Iedereen begrijpt, dat de leerling levenslang schrijfproblemen houden, tenzij de traditionele methode alsnog wordt aangeleerd.

5.conclusie

Ouders, als uw kind in de groepen 1, 2, 3 en 4 achterblijft in taalontwikkeling, laat dan NOOIT testen, maar koop een taalboekje uit de jaren vijftig. Begin met het alfabet dagelijks op te laten zeggen. Zodra dat goed gaat, laat u de woorden in dat boekje zo veel mogelijk spellen om de verklanking weg te halen. Ga dan één zin per dag dicteren. Werk met uw kind nooit langer dan 15 minuten per dag.

Drs. W. de Haan