Bijbel normatief

Een actuele en praktische handreiking ten behoeve van de relatie tussen de Bijbel als grondslag en de dagelijkse levenspraktijk, door dr J. Hoek, Veenendaal

Hoe is de Bijbel normatief voor ons? (folder)

Een actuele en praktische handreiking ten behoeve van de relatie tussen de Bijbel als grondslag en de dagelijkse levenspraktijk, door dr J. Hoek, Veenendaal

Ten geleide

1. Probleemstelling

2. Is de Bijbel tijdgebonden?

3. ‘Onwenselijk en onnodig’?

4. Hoe gaan we nu concreet met de Schrift om?

5. De nieuwe hermeneutiek

6. Wat we wél en wat we niet bedoelen


Ten geleide
Tegenwoordig komt op veel christelijke scholen het gevoelen naar voren dat er tussen de ‘grondslag’ en het eigenlijke schoolgebeuren geen of nauwelijks relatie is. Het standpunt ontstaat dat een christelijke school eigenlijk hetzelfde beoogt als een goede openbare school, namelijk het bijbrengen van een ‘redelijke’ en humanitaire levenshouding. Andere scholen trachten juist relaties te leggen tussen hun grondslag: De Bijbel als het gezaghebbende en door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God, en het werk in de school. Wanneer zij dit nader willen concretiseren stuiten zij echter op verschillende interpretaties van theologen en pedagogen: wat de één rechtvaardig noemt, is voor de ander juist onrechtvaardig, waar de één een oplossing meent te vinden ziet de ander juist de oorzaak van de problemen! En men meent, al of niet terecht, dat men dit ook uit de Bijbel kan afleiden! Het is om die reden dat wij dankbaar zijn voor de toestemming die dr J. Hoek ons gaf om zijn geschrift, voortgekomen uit radio-lezingen en bewerkt door drs R.H. Matzken, als brochure van Bijbel & Onderwijs uit te geven. Wij menen dat het christelijk onderwijs hiermee een praktisch-bruikbare handreiking krijgt waarmee besturen, onderwijsgevenden en medezeggenschapsraden hun voordeel kunnen doen. Juist om die duidelijkheid te krijgen in het leggen van relaties tussen de Bijbel als grondslag en de dagelijkse onderwijspraktijk, bevelen wij dit geschrift dan ook van harte bij u aan.
1. Probleemstelling
Het is een onopgeefbaar uitgangspunt voor Christenen dat de Bijbel normatief is voor heel hun denken en handelen. Soms wordt dit zó verwoord in de statuten van een christelijke stichting of vereniging: “… de Bijbel spreekt met absoluut gezag voor het hele leven, derhalve tevens voor de terreinen van opvoeding, onderwijs en wetenschap” Nu zijn er tegenwoordig vele christelijke woordvoerders die juist dit fundamentele uitgangspunt verlaten. Zij menen dat het rechte handelen en de bezinning daarop in bijv. de ethiek wèl door de bijbelse boodschap ‘geïnspireerd’ kan zijn, maar niet daardoor gemotiveerd, zeker niet in exclusieve zin. Zo stelt dr. H.M. Kuitert dat “het beroep op de Bijbel geen argument uitspaart”. De Bijbel zou er niet zijn voor de moraal, maar voor het (inspirerende) verhaal. Wie zich in een discussie over ethische vragen op de Schrift beroept, zou daarmee zijn niet-christelijke gesprekspartners onheus bejegenen. Deze kunnen hem immers in zijn motivatie niet volgen en hij verbreekt eenzijdig de communicatie. Is het volgens Kuitert en anderen om deze reden beslist onwenselijk zich op de Schrift als normatieve instantie te beroepen, het is volgens hen ook onnodig, èn onmogelijk. Onnodig, omdat er heel goed een verantwoorde ethiek kan worden opgebouwd vanuit de rede en het zedelijk besef, die de mens van nature eigen zijn. Een natuurlijke, rationele ethiek kan volstaan, met gebruik maken van algemeen inzichtelijke argumentatie. Onmogelijk, omdat de Bijbel zozeer ‘tijdgebonden’ zou zijn, zozeer een product van lang vervlogen tijden en culturen, dat ieder direct beroep op de Schrift kortsluiting moet opleveren.

Wij vinden dat op deze wijze tekort wordt gedaan aan de autoriteit en normativiteit van de Heilige Schrift. De Bijbel is niet zozeer een boek met religieuze expressies van vroegere generaties gelovigen. De Bijbel dient zichzelf aan als het onfeilbare Woord van God, zie 2 Tim. 3:16 en 2 Petr. 1:21, als openbaring van de levende God. Hierin vindt de gelovige een schat van eeuwige wijsheid, die heel het leven wil beheersen. Zo is de Bijbel voor de Christen wel degelijk bron van normen. De Bijbel is de beslissende instantie bij morele afwegingen, en zo is de Bijbel voor de christen ‘een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad.” De gelovige kan er niet van afzien in een ethische discussie, zich expliciet op de Schrift te beroepen, of het nu gaat om zijn persoonlijke ethiek of om zijn betrokkenheid bij wat wij thans noemen de sociale ethiek. Maar wat dan te zeggen van de door moderne theologen zoals Kuitert aangevoerde bezwaren?
2. Is de Bijbel tijdgebonden?
Is het onmogelijk om zich in de twintigste eeuw te beroepen op een ‘tijdgebonden boek’ als de Bijbel? Wanneer met zo’n term als ‘tijdgebonden’ bedoeld wordt dat de Bijbel grotendeels zijn tijd gehad heeft, moet deze vraag beslist ontkennend worden beantwoord. Het etiket ‘tijdgebonden’ wordt dan geplakt op allerlei teksten waar wij moeilijk mee uit de voeten (menen te) kunnen. In plaats van de Heilige Schrift krijgen we dan een ‘veilige Schrift’. Veilig, omdat het niet meer als een mes in ons vlees kan snijden en de scherpe kanten worden afgevijld van het ‘zwaard van de Geest’ (Hebr. 4:12). Het is zeker waar dat heel de Bijbel historisch gekleurd is en dat op elke bladzijde een bepaalde cultuur wordt weerspiegeld die de onze niet meer is. Dit is binnen de Christelijke Kerk ook nooit weersproken, maar volmondig en dankbaar erkend. Het eeuwige Woord van de eeuwige God is ingegaan in de geschiedenis, God openbaart Zich in menselijke taal en spreekt ons aan in heel gewone, profane talen zoals Hebreeuws, Aramees en Grieks, en niet in een esoterische of ‘geheimtaal’ van enkele ingewijden of in extase gebrachte mensen. Daarbij worden mensen in dienst genomen om de openbaring van God te ontvangen en over te dragen: zij zijn de geïnspireerde getuigen die de woorden Gods uitgesproken hebben zoals de Heilige Geest hen deze ingaf en daarna onder de leiding van dezelfde Geest het gesprokene hebben vastgelegd. Deze menselijke openbarings-getuigen waren kinderen van hun eigen tijd.` Zij waren met heel hun denken en belevingswereld, binnen hun taalveld en woordenschat verweven met en geworteld in hun eigen cultuur. Iedere bijbeltekst is dus historisch te dateren en cultureel te lokaliseren. De Bijbel is nu eenmaal niet in de twintigste eeuw tot stand gekomen. De eerste adressanten van de Bijbel waren mensen die in heel andere omstandigheden leefden dan wij hier en nu. Het ligt dus voor de hand dat de Bijbel gekleurd en gestempeld is door de gerichtheid en betrokkenheid op de primaire adressanten.

Willen wij de Schrift verstaan en eigentijds vertolken, dan is derhalve een zogenaamd ‘hermeneutisch procédé nodig. Onder ‘hermeneutiek’ is in dit verband te verstaan de theorie achter de praktijk van exegese en toepassing, dit geldt overigens voor alle geschriften, zowel die van de oudheid als voor literatuur en wetsteksten. Het gaat er dan om de boodschap van een Schriftgedeelte zó te formuleren dat deze door een mens in de twintigste eeuw evenzeer kan worden verstaan als die boodschap door de eerste adressanten kon worden opgevat, en daarbij is dus evengoed een taalkundige als een culturele ‘vertaling’ nodig. Belemmeringen die optreden door historische en culturele afstand en verschillen dienen dus in een vertolkingsproces te worden weggenomen. Zo is bijv. in Palestina ‘bouwen op zand’ een domme zaak, omdat de regen het kan wegspoelen, men dient daar de ‘bouwen op de rots’. Maar in het venige en kleiïge Nederland dient juist zand te worden gestort voordat met bouwen wordt begonnen: hier heeft ‘bouwen op zand’ dus juist een positieve klank! Op deze wijze krijgt de tekst dezelfde zeggingskracht als die hij voor de eerste hoorder of lezer heeft gehad. Dit procédé kan alleen verantwoord plaatsvinden vanuit een eerbiedige luisterhouding. Daarbij zal duidelijk worden wat de wezenlijke boodschap is die de tekst bevat en wordt waar nodig gezocht naar een ‘cultureel equivalent’ dat voor ons verstaanbaar is. Biddend en in afhankelijkheid van de Heilige Geest mag de Kerk in de eigen tijd en cultuur komen tot een interpretatie en een relevante applicatie van het Woord. Deze kan boven de letterlijke betekenis van de gegeven tekst uitgrijpen, als het ware in het verlengde daarvan liggen, maar mag daar nooit tegenin druisen.

Het is dus van het grootste belang zich als bijbellezer zoveel mogelijk en met gebruikmaking van de beschikbare hulpmiddelen in te leven in de historische situatie van de oorspronkelijke hoorders en lezers van het Bijbel-woord. We mogen het zo zien dat het mede de rijkdom van Gods Woord uitmaakt, dat het is ingegaan in de tijd. De Bijbel is niet kant en klaar in één keer uit de hemel komen vallen. Het is geen tijdloos boek met abstracte formules, maar het is een bloed-warm, levensecht boek. Zo is het ook een Woord voor deze tijd en voor mensen hier en heden. Tegelijkertijd beseffen wij dat God door Zijn Geest de eigenlijke Auteur is van heel de Schrift. Mensen zijn in dienst genomen door de Geest, maar dan wel zó dat de overmacht van de Geest heeft behoed voor iedere verkeerde of onjuiste inbreng van deze bijbelschrijvers. Het is dus niet zo dat we bijvoorbeeld in de brieven van Paulus nu eens de feilloze stem van de (Heilige) Geest en dan weer de feilbare stem van de mens Paulus zouden beluisteren. Met volle inschakeling van de hele mens Paulus schonk de Geest ons in al deze brieven, evenals in alle andere bijbelboeken, de onfeilbare en gezaghebbende Schrift.

Wanneer we zo de Schrift als eeuwige waarheid van de eeuwige God ontvangen, betekent dit dat elk in een bepaalde situatie gegeven Schriftwoord in zijn zeggingskracht die situatie overstijgt. Zo spreekt Paulus in Corinthiërs over de hoofdtooi der vrouw, “terwille van de engelen,” en geeft hiermee een ‘eeuwige waarheid’ aan ons door, ook al werd deze waarheid daar uitgedrukt op een wijze die hoort bij de cultuur van die dagen. Elk bijbelwoord heeft mij dus wat te zeggen, sterker nog, door elk bijbelwoord moet ik mij laten gezeggen. Deze overtuiging rust op de gelovige aanvaarding van heel de Schrift als openbaring van de levende God. En daarom is het heel wel mogelijk en zelfs noodzakelijk zich ook tegen het einde van de twintigste eeuw te beroepen op en zich te laten leiden door de Schrift.
3. ‘Onwenselijk en onnodig’?
Het is voor christenen een bittere ervaring dat hun beroep op de Schrift steeds minder weerklank vindt in de samenleving en hen meer en meer in het isolement dringt. Maar zij zouden hun identiteit opgeven wanneer zij hun expliciete en consistente beroep op de Schrift zouden opgeven teneinde dit isolement te voorkomen of te doorbreken.
Bovendien leert de Schrift ons dat de redelijkheid en het zedelijk besef van de mens sterk overschaduwd en aangetast zijn door de zonde. Het menselijk geweten faalt en dwaalt dikwijls: wat goed en wat kwaad is moet de mens aangezegd worden. Het optimistisch mensbeeld van de pleitbezorgers voor een natuurlijke moraal kunnen Schriftgelovigen dan ook niet delen. Overigens mogen christenen nooit van de nood een deugd maken door zich moedwillig te isoleren. Het is een uitdaging om in het christelijk getuigenis te pogen om de goedheid van Gods gebod op een voor alle mensen inzichtelijke wijze in het licht te stellen. Zonder Gods normen ook maar enigszins aan te passen aan wat in de wereld ‘in’ is en opgeld doet, moeten bij de presentatie van het gebod alle onnodig vervreemdende elementen vermeden worden, zoals het gebruik van een ‘tale Kanaäns’. Dan kan blijken dat we in een Bijbels appèl toch het geweten van de mensen aanspreken, vgl. Romeinen 2:15.
Maar het kan ook zijn dat de gewetens als met een brandijzer zijn toegeschroeid (1 Tim 4:2) en zo door de leugen overmand, dat er geen vatbaarheid meer is voor de waarheid.
Er kan zoiets als een traditie van vervreemding van het Woord Gods optreden die generaties en zelfs hele culturen omvat. Dan vallen klankbord en klankbodem voor het christelijk appèl weg en wordt juist op alles wat met het Christendom te maken heeft geprikkeld gereageerd. Natuurlijk is ook het tegengestelde mogelijk, wat wij kunnen opmerken in tal van zogenaamde ‘zendingslanden’.

Zagen wij in het vorige gedeelte dat het heel goed mogelijk is zich op de Schrift te beroepen, dit is ook noodzakelijk, omdat buiten de Schrift de mens geen enkele betrouwbare oriëntatie heeft. Zijn eigen hart is onbetrouwbaar, zijn geweten kan ingaan tegen de geopenbaarde wil van God, zijn cultuur kan volslagen vervreemd zijn van het bijbels denken. De enige betrouwbare weg voor de mens van alle tijden en van alle culturen is dan ook zich te laten onderwijzen en opvoeden, zich ook te laten weerleggen en corrigeren (1 Tim.3:17) door het Woord van God dat alle tijden en culturen omspant.
4. Hòe gaan we nu concreet met de Schrift om?
Aan het beroep op de Schrift moet de eis worden gesteld dat dit ‘consistent’ geschiedt, dat wil zeggen overeenkomstig de regels waarop met geschriften dient te worden omgegaan. Vaak klinkt immers het verwijt dat er nogal willekeurig met de Bijbel wordt omgegaan: sommige teksten worden wel, andere niet aangevoerd ter fundering van een christelijk handelen.
Bepaalde Schriftplaatsen schijnen een voorkeurspositie in te nemen, voor andere lijkt een blinde vlek te bestaan, en hoewel wij toegeven dat de mens geneigd is de Schrift te lezen vanuit zijn eigen ‘Sitz im Leben'(de manier waarop hij tegen de dingen aankijkt), toch is een objectief verstaan van de bedoeling van de Auteur zowel mogelijk als noodzakelijk om te komen tot een subjectief toepassen ervan in de eigen situatie. Hier komt de vraag op naar het selectie-criterium. Niemand zal de stelling willen verdedigen dat ieder moreel voorschrift dat wij in de Bijbel aantreffen, vandaag de dag letterlijk moet worden opgegeven en nagekomen: dat geeft blijk van een naïef biblicisme dat wij beslist afwijzen! Ten aanzien van sommige voorschriften geldt deze geldigheid wel (zoals het gebod tegen toverij), ten aanzien van andere niet (zoals de levitische spijswetten, of de heilige kus). Hòe is de Bijbel nu normatief voor ons? Met de Amerikaanse theoloog McQuilkin zouden we het zó kunnen zeggen: het volledig erkennen van het gezag van de Schrift brengt met zich mee dat ál wat de Schrift leert universele geldigheid heeft, tenzij de Schrift zèlf duidelijk maakt dat een bepaald gegeven slechts een betrekkelijke geldigheid heeft. Dit komt dus neer op een ‘Ja, tenzij’ ten opzichte van de normativiteit van de bijbelse gegevens, waarbij het ‘tenzij’ door de Schrift zèlf wordt aangegeven en ingevuld.

Dit laatste is bijzonder wezenlijk. Het criterium van de selectie ligt dus niet buiten de Schrift, maar in de Schrift zelf. Vanuit de bijbelse verbanden, met name gelet op de voortgang van Gods openbaring in het Oude en Nieuwe Testament, kan het duidelijk worden dat een bepaald voorschrift in de eens gegeven vorm niet meer toepasbaar is in de veranderde (heils)historische situatie, zoals het onderscheid tussen reine en onreine dieren. Of dat de weergave van een bepaalde gebeurtenis heel duidelijk gebonden is aan de voortgang van het heil, zonder daarmee algemene geldigheid te hebben (descriptief en niet prescriptief), zoals het ‘alles gemeenschappelijk hebben’ in Hand. 2 of de genezing door de schaduw van Petrus in Hand. 5. Met name door latere Godsopenbaring kan blijken dat een eerder gegeven gebod inmiddels vervuld is, bijvoorbeeld de voorschriften van Mozes inzake de scheidbrief (Matt. 5:31-32, 19:8), het gehele systeem van de levitische offeranden (Hebreeënbrief), de spijsoffers (Matt. 7:18, Hand.10:15), de besnijdenis en daarmee alle andere rituele handelingen die het oude Israel van het omringende heidendom moesten onderscheiden (Hand.15, Galatenbrief). Zo komen wij op het gebied van de interpretatie van de tekst, dat ligt tussen de bedoeling van de auteur in de context van zijn tijd, en de toepassing voor ons in de context van ónze tijd. Daarbij stellen we allereerst vast of het argument van de tekst verankerd is in een eerdere openbaring, bijv. de schepping en de val achter 1 Tim. 2, of omgekeerd, of een Oudtestamentisch gebod een duidelijke herhaling heeft in het Nieuwe Testament, zoals het verbod van waarzeggerij en toverij uit de Pentateuch en het gebod zich te onthouden van afgoderij in 2 Cor. 6. Hiermee wordt gedemonstreerd dat de auteur het bevel niet verankert in een heersende culturele situatie maar in de geopenbaarde raad van God.

Vervolgens stellen wij vast wat het theologisch/ethisch principe is dat aan de tekst ten grondslag ligt: is dit principe prescriptief (voorschrift) of descriptief (beschrijvend)? Dit houdt ook in dat wij nagaan of er een ‘afstand’ (distantie) is tussen het principe dat hieraan ten grondslag ligt en de expliciete uitspraak van de tekst. Wanneer er zo’n ‘afstand’ blijkt te zijn kan dit ons wijzen op een culturele uitspraak die geen supra-culturele geldigheid heeft, zoals de heilige kus die Paulus de gelovigen in Corinthe elkaar laat geven. Hieruit blijkt dan ook of hetgeen wordt onderwezen uitgaat boven het cultureel bepaalde van die tijd en plaats waarvoor/waarin het geschreven werd. Indien dat zo is, dan geldt dit natuurlijk ook voor ons (bijv. gij zult niet stelen, niet echtbreken, geboden die verband houden met de heiligheid van God en de relatie waarin de mens staat tot God als Diens beelddrager). Is dat niet het geval, dan moeten en zullen wij zoeken naar een geschikte uitdrukking van het principe in ónze cultuur Zo wordt bijv. de verhouding tussen slaven en meesters opnieuw geactualiseerd in de houding van de werknemer t.o.v. zowel de vakbonden als de werkgevers en wordt in Joh.13 het gebruik van de voetwassing als illustratie en uitdrukking genomen van het wezenlijke principe van het dienen, niet als een voorschrift aan de kerk der eeuwen.

Wij kunnen nu als conclusie stellen dat de vormen en uitdrukkingen in de Schrift zowel supra-cultureel als lokaal-cultureel zijn bepaald. In het eerste geval is datgene wat wordt beschreven of geboden van universele betekenis, in het tweede geval kunnen de culturele vormen zich wijzigen al naar gelang de verschillende context. De algemene of de beperkte geldigheid van een Schriftwoord wordt dus bepaald door normen die aan de Schrift zelf zijn ontleend, niet met behulp van een buitenbijbels filter, dus niet eigenmachtig of eigendunkelijk, 2 Petr.1:20-21. Wij mogen dus niet ‘selecteren’ vanuit het moderne levensgevoel, het veranderd zedelijk gedrag of de gewijzigde situatie, de wetenschappelijke ontdekkingen of de technische ontwikkelingen, het optreden van emancipatoire processen of iets dergelijks. Slechts door studie van de Schrift zelf, door de Schriften voor zichzelf te laten spreken, kunnen hier verantwoorde beslissingen genomen worden. De Schrift is haar eigen uitlegster en dient dus ook zelf uitsluitsel te geven over de aard van haar spreken, en dus van haar normativiteit voor óns leven. Het beginsel van de Reformatie is dat voor de uitleg van de Bijbel moet worden uitgegaan van de zgn. grammatikaal- historische methode. Dat betekent dat de boodschap van de Bijbel niet wordt bepaald door bijv. de traditie der kerk, maar evenmin door wat ik ervan vind! Er bestaan eenvoudige, objectieve regels van de taal, zoals wij ook de regels vonden die te maken hebben met de interpretatie van historische geschriften. Welnu, God heeft gebruik gemaakt van menselijke taal om daarin volkomen duidelijk te zeggen wat Hij bedoelt, en wat Hij bedoelt, heeft Hij ook zo gezegd, of zoals iemand zei: “When the normal sense of the Scriptures makes common sense, seek no other sense.” Op deze twee regels: de grammatikale of taalregel en de historische of cultuurregel doen wij een beroep tegenover rechters, politici of opiniemakers, wanneer zij te maken krijgen met de uitleg en toepassing van de Heilige Schrift. Daarnaast geldt voor ieder christen dat de leiding van de Heilige Geest onontbeerlijk is om vanuit de Schrift Gods wil voor zijn leven te kennen. Daartoe is nodig een eerbiedige luisterhouding, waarbij wij in geen enkel opzicht heersen over, maar in alle opzichten ons buigen onder het Woord. Het belangrijkste hierbij is de biddende omgang met de Schrift; bovendien is de leiding van Gods Geest nodig om de gevonden bijbelse normen toe te passen in de eigentijdse situatie. Deze situatie moet grondig gepeild worden in een aandachtige openheid voor wat vanuit het heden op ons afkomt. Het gebod moet immers tot gelding komen in een wezenlijk rapport met de situatie. Overigens doet de situatie geen inbreuk op de geldigheid van het gebod. De relativering van het gebod aan de situatie mag niet leiden tot enige relativering van het gebod door de situatie.
5. De nieuwe hermeneutiek
Steeds meer worden orthodoxe Christenen in kerk en samenleving geconfronteerd met een nieuwe hermeneutiek, die niet meer (zoals in de voorheen gangbare hermeneutiek het geval was) de regels voor uitleg en toepassing van Gods Woord aan de Bijbel zelf wenst te ontlenen, maar een dialoog met de Bijbel wenst aan te gaan vanuit het eigentijdse levensbesef. Wij zullen die toelichten aan de hand van een tweetal voorbeelden. Het eerste voorbeeld daarvan is te vinden in een artikel ‘Flikkerij als roeping’ in Elseviers Magazine van 1 maart 1986. Rex Brico citeert hierin zgn. flikker-theologen als de hervormde predikanten Franz Joseph Hirs en Rinse Reeling Brouwer. Zij vergelijken de homo-bevrijding met de Exodus, de uittocht uit Egypte door Gods bevrijdend handelen. Hun homoseksualiteit zien ze als een charisma, een genadegave, ten dienste van heel het lichaam der kerk. Zo kunnen zij een pleidooi voeren, niet maar voor acceptatie, maar voor de huldiging en honorering van de homoseksuele praxis binnen de kerken. Zij willen daarbij ook niet weten van de toepassing van het monogame huwelijksmodel op de homofiele relatie. Ook ‘wie zijn lijf openlijk met velen deelt’ zou heel best trouw kunnen zijn in de bijbelse zin van het woord!
Een tweede voorbeeld vinden wij in het recent verschenen boek van Paul Knitter: No other name?, beschreven in het tijdschrift ‘Wereld en Zending, 1986/2. In dat boek worden teksten die tot nu toe exclusivistisch werden opgevat, uitgelegd als ‘belijdende’ en niet als filosofische teksten. Dat houdt in dat Hand. 4:12 (“Er is geen andere naam waarin wij behouden moeten worden) en Joh.14:6 (“Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij”) moeten worden uitgelegd als ‘descriptief’, namelijk een authentiek verslag van wat de vroege Christenen, de primitieve kerk, beleden. Jezus als ‘de zoon van God’ (Matt.16:16, enz.) en als ‘de ene middelaar tussen God en mensen’ (1 Tim. 2:5) passen niet in het kader van ‘andere incarnaties, individuen die dezelfde volheid van God-menselijke eenheid bereikten of verkregen als in Jezus werd verwerkelijkt’. Door veel missiologen werd dit boek positief ontvangen, als ‘een belangrijke stap in de richting van de dialoog met de levende religies.’ Deze nieuwe hermeneutiek, die al sedert Kant grote invloed heeft uitgeoefend, gaat niet meer uit van de tekst, maar van de relatie van de tekst tot de lezer. Hier wordt dus bewust een subjectief element ingebracht, wat ook blijkt uit de inkleuring van de exegese door de eigen ervaring, of ‘Sitz im Leben’. Een bekende uitspraak van de moderne hermeneut Gadamer is dat ‘het verstaan behoort tot de zin van datgene wat verstaan wordt’. Hiermee wordt de kern weergegeven van diens filosofische hermeneutiek: Er bestaat niet zoiets als historische, objectieve waarheid die object van onderzoek is, integendeel, hermeneutiek richt zich op het gesprek, niet op de tekst, de tekst is slechts drager van de relatie tussen de verstaander en datgene wat hij zoekt te verstaan. Slechts zó is het te verstaan dat uit de roeping van Israël een strategie voor een seculiere homo-beweging wordt afgeleid, of dat door de eeuwen erkende kernteksten van het belijden der kerk worden teruggedrukt naar een mooie geloofsbelijdenis der primitieve kerk. Vanuit de moderne, filosofische hermeneutiek mag dit legitiem zijn, vanuit de opvatting van orthodoxe Christenen is deze uitleg taalkundig absurd en theologisch blasfemisch. Het is nauwelijks voorstelbaar dat vertegenwoordigers van beide opvattingen zich naar de naam van Christus noemen en zich op één en dezelfde Bijbel beroepen. Maar het moge duidelijk zijn dat hier niet beslissend is of men conservatief of progressief van aard is, maar welke hermeneutiek men aanhangt. En de keuze voor de klassieke of de nieuwe hermeneutiek hangt weer samen met de opvatting over de aard van het Schriftgezag: komt de Bijbel op ons af als autoritatieve Godsopenbaring die om een eerbiedige luisterhouding vraagt, of is er sprake van een ‘relationeel gezag van de Schrift’, gerelativeerd door de eigentijdse ervaring van ‘de mondige bijbellezer’?
6. Wat we wèl en wat we niet bedoelen
Voor alle duidelijkheid willen wij het volgende benadrukken: orthodoxe Christenen in Nederland vragen niet de vrijheid om medemensen die anders denken en leven dan zij, op grond van allerlei vooroordelen onheus te kunnen behandelen. Integendeel, alle vormen van echte discriminatie (dus het maken van ongerechtvaardigd onderscheid) willen zij van ganser harte helpen bestrijden.
Bescheiden, maar beslist komen wij op voor het goed recht van de klassieke hermeneutiek en daarmee voor het onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van de Schrift, hetgeen consequenties heeft voor onze levenswandel en de inrichting van allerlei levensverbanden. De pluriformiteit van onze maatschappij en cultuur wordt vandaag de dag uitdrukkelijk beleden en voor velen als een groot goed beschouwd. Laat de overheid zich dan nog eens grondig bezinnen of zij niet bezig is door middel van zogenaamde anti-discriminerende wetgeving deze pluriformiteit principieel aan te tasten! Echte anti-discriminatie-wetgeving is gewenst en nodig. Deze laat echter de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs inzake stichting, richting en inrichting, de vrijheid van meningsuiting en van vereniging en vergadering onverlet.Het zou een verregaande grensoverschrijding zijn, wanneer de overheid zich zou opwerpen als scheidsrechter in een theologisch debat, waarbij zij de aanhangers van de nieuwe hermeneutiek met subsidies zou belonen en de handhavers van de klassieke hermeneutiek in hun vrijheid zou beknotten. Hiertegenover stellen wij dat de klassieke hermeneutiek uitgaat van strict-objectieve begineselen die enerzijds zijn verankerd in de Bijbel zelf en anderzijds worden bepaald door de wetmatigheden van het omgaan met geschiedenis en taalkunde.