Bijbelkritiek (De geschiedenis van de vroege oudtestamentische bijbelkritiek)

De geschiedenis van de vroege oudtestamentische bijbelkritiek

Hebt u al eens meegemaakt dat uw kind thuiskwam met de mededeling, dat de godsdienstleraar heeft verteld dat er twee (en wel meer) scheppingsverhalen in de Bijbel staan? Misschien heeft hij of zij uw kind wel verteld, dat de Bijbelverhalen meestal niet echt gebeurd zijn. Mogelijk heeft de leerkracht uw kind daarbij de (schrale) troost gegeven, dat het niet om de feiten, maar veeleer om de boodschap gaat. Welk antwoord heb je dan als ouder? Het lijkt er dan op, dat je als ongeletterde gelovige staat tegenover de harde feiten van de wetenschap,  die alles al heel lang zonneklaar heeft bewezen. Deze bijbelkritische stellingen kunnen op een aantal manieren worden weerlegd. Een van de manieren is om te letten op de oorsprong en geschiedenis van het bijbelkritisch oudtestamentisch onderzoek. Welke intenties had men en welke invloed hebben deze gehad op de observatie van feiten?

 

Voorgeschiedenis in de oudheid: Ezra als herschrijver van de wet

Het startpunt voor bijbelkritisch denken is gelegen in de oudheid. Er bestaat een traditie in de vroege kerk, waarin Ezra een belangrijke rol speelt in de totstandkoming van het Oude Testament. Tegen de tijd van de Babylonische ballingschap waren de Heilige Schriften door een brand verloren gegaan. Door zijn gebed verkrijgt Ezra het vermogen om binnen 40 dagen de verloren geschriften aan vijf schrijvers te dicteren. Vooronderstelling bij deze theorie is de overtuiging dat één gezaghebbende tekst van de Bijbel altijd bewaard werd in de tempel. Wanneer er andere versies van de Bijbel hadden bestaan, konden deze teksten immers gewoon worden overgeschreven. In dat geval was geen bovennatuurlijk ingrijpen nodig geweest, zoals in het geval van Ezra, die een niet meer aanwezige tekst reconstrueerde. Deze opvatting is voor het eerst verwoord in 4 Ezra 14: 19-48 (apocrief boek) en is later door verschillende kerkvaders overgenomen. Door de overname van deze traditie maken de kerkvaders duidelijk dat de Pentateuch niet rechtstreeks van Mozes stamt, terwijl de boeken toch door hem zijn geschreven.

 

Islamitisch Spanje: eerste radicalisering van de Ezra-traditie

De zojuist geschetste opvatting is op zichzelf genomen natuurlijk niet bijbelkritisch. Het vormt echter wel een bedding voor de vroege bijbelkritiek. Dit zien we vooral gebeuren in Spanje, waar sprake was van islamitische heerschappij gedurende de middeleeuwen. Hoewel er ook voorbeelden bestaan van islamitische geleerden die van mening waren dat Ezra de wet nauwkeurig heeft gekopieerd, bestaan ook tegengestelde benaderingen. Een voorbeeld hiervan is Ibn Chazm (994-1064). Zijn negatieve waardering houdt verband met de toenemende islamitische polemiek met Joden en christenen. Ibn Chazm is van mening dat de Pentateuch na de ballingschap verloren was gegaan. Uit het geheugen zijn fragmenten naar boven gehaald. Ibn Chazm betoogt, dat de schriftgeleerde Ezra bewust de Bijbelse teksten heeft vervalst. Honderd jaar na Ibn Chazm reikt Samu’al al-Maghribî, een Joodse bekeerling tot de islam, het motief aan voor de vervalsingen door Ezra. Dit houdt verband met het feit dat het Davidische huis is gevallen en met het feit dat de Aäronitische priesterfamilie op dat moment aan de macht is. Ezra wilde, met het oog op de consolidering van de macht van de Aäronitische familie, het Davidische huis in diskrediet brengen. Overigens zij opgemerkt dat de islamitishe geleerden belang hadden bij de formulering van bijbelkritiek, want de argumentatie diende om het ongelijk van de christelijke en joodse bijbel aan te tonen.

 

Middeleeuws christendom: handhaving van de Ezra-traditie

Gedurende de middeleeuwen verschijnt steeds opnieuw de stelling dat Ezra de Bijbel opnieuw op schrift heeft gesteld. Het Mozaïsch auteurschap van de Pentateuch en andere heilige boeken wordt echter niet ter discussie gesteld. Men is van mening dat Ezra deze werken betrouwbaar had overgeleverd. Wel bestaat bij een aantal middeleeuwse geleerden de overtuiging, dat na Mozes fragmenten zijn toegevoegd. Hierbij speelt Ezra een rol. Er zij gewezen op Abaelardus, die de mening verdedigt, dat Deuteronomium 33 en 34 door Ezra waren toegevoegd. Voorts zij gewezen op Alphonsus Tostatus († 1455), die van mening was dat de Pentateuch een aantal uitwijdingen kende: Deut 34: 5vv. stamt van Jozua en de opmerkingen over Og en Jaïr in Deut 3: 11, 14 zijn door Ezra toegevoegd. Een mededeling uit de oosterse kerk is afkomstig van Photius, de patriarch van Constantinopel (9e eeuw), die in zijn Amphilochia ingaat op de vraag waarom de Schrift onduidelijk is. Inzake de Pentateuch geeft hij als antwoord, dat in de ballingschap de Bijbel verloren was gegaan, totdat Ezra de Bijbel opnieuw op schrift heeft gesteld.

 

Reformatie: gemengde ontvangst

De (niet-bijbelse) overlevering dat de wet verloren was gegaan en dat Ezra deze had herschreven is niet onopgemerkt in kringen van de reformatie gebleven. Hierop bestaan twee verschillende reacties, een positieve en een negatieve.

Een negatieve is van vader en zoon Buxtorf die zich verzetten tegen de rol die Ezra gespeeld zou hebben in de totstandkoming van de nieuwe Bijbel. Als representanten van een orthodoxe stroming binnen het protestantisme zien ze dit als een aanval op de leer van de letterlijke inspiratie van de Heilige Schrift. Ondanks dit verzet tegen de Ezra-traditie handhaaft deze zich. In toenemende mate geeft deze traditie ruimte voor bijbelkritiek. Een hoofdstroom binnen het protestantisme handhaaft de Ezra-traditie. Vooral binnen remonstrantse kringen leidt dit tot relativering van de gedachte, dat de Pentateuch door Mozes is geschreven. In toenemende mate ontstaat de gedachte dat hieraan zaken zijn toegevoegd.
Katholicisme in de 16e eeuw

Vooral in rooms-katholieke kring is een verdere uitwerking van de Ezra-traditie aanwijsbaar. Andreas Masius († 1573), een rooms-katholieke jurist, verdedigt deze traditie. Hij voert aan, dat Ezra alleen of samen met geleerde tijdgenoten uit verschillende annalen de Pentateuch, Jozua, Richteren, Koningen en andere boeken heeft samengesteld. Inzake het auteurschap van de Pentateuch verdedigt hij, dat die door Mozes geschreven is. Gelijktijdig betoogt hij, dat geleerde mannen door de eeuwen heen de tekst hebben uitgebreid om hem begrijpelijker te maken. Deze zaken treden vooral naar voren in de inleiding op het commentaar op Jozua. Eveneens treden ze naar voren in Masius’ commentaar op Jozua 10:13 en 19:47. In het uitvoerige bijbelcommetaar van de Belgische rooms-katholieke exegeet Lapide (1567-1637) staan in diens Deuteronomiumcommentaar enkele opmerkingen die erop wijzen dat hij van mening was, dat Ezra de eindredactie van de Pentateuch verzorgde.

 

De radicalisering van het Ezra-traditie in de 17e eeuw bij Spinoza

De eerste belangrijke bijbelkriticus was de 17e eeuwse Nederlandse filosoof en vrijdenker Spinoza. Kenmerkend voor deze verlichtingsdenker is dat hij Ezra beschouwt als schrijver van de Pentateuch. Hierbij gaat hij ervan uit, dat vrijwel alles wat is geschreeven niets met Mozes te maken heeft. De consequentie van deze stelling is dat de verhalen uit de tijd van Mozes (14eeeuw v. Chr.) slechts een verhaal uit  de tijd van Ezra (5e eeuw v. Ch.) vormde. Daaarmee wordt de Pentateuch  tot een docunment dat onhistorisch is en daarmee is de inzet tot de radicale bijbelkritiek gegeven. Van belang zijn de wortels van het denken zoals Spinoza die heeft gegeven:

1.      Voor Spinoza bestond de noodzaak om de Pentateuch te beschouwen als een document dat ongeveer 1000 jaar na Mozes is geschreven. Deze was gelegen in zijn filosofie, waarin er geen plaats was voor een God die ingreep in onze werkelijkheid. God is bij hem identiek aan de wereld en daarom uitsluitend in staat te handelen in overeenstemming met de natuurwetten. In dat licht was geen plaats voor wonderen of voor het spreken van een persoonlijk God. Dit denken contrasteert met het feit, dat God in de Pentateuch wonderen doet en persoonlijk spreekt. Deze zaken kan Spinoza wegverklaren door aan te nemen, dat de Pentateuch slechts historische fictie is. Een radicalisering van de al anwezige Ezra-traditie past goed in dit kader.

2.      Spinoza stond met zijn denken niet alleen. In zijn tijd bestonden al verlichtingsdenkers als Hobbes en De la Peyrère die soortgelijke gedachten uitten. Geen van hen was echter zo radicaal als Spinoza. Men zou kunnen aannemen, dat het bijbelkritisch denken van Spinoza een radicalisering van het denken van deze geleerden vormde. Duidelijk is, dat we te maken hebben met een denken dat zich in de  kleine kring van verlichtingsdenkers verspreidde.

3.      Het is tevens mogelijk dat Spinoza zijn denkbeelden ontleende aan de eerder genoemde islamitische geschriften uit de middeleeuwen.  Het zou kunnen zijn dat Spinoza in de tijd dat hij in Rijnsburg en Den Haag leefde via de Leidse bibliotheek kennis nam van de werken van Ibn Hazm. Het probleem is dat deze werken pas in later tijd in het bezit van de bibliotheek kwamen. Het is eventueel wel mogelijk dat hij kennis heeft gehad van deze teksten via de argumentaties van Joden met moslims uit de middeleeuwen. Via tegenargumeten heeft Spinoza dan kennis gehad van denkbeelden van geleerden als Ibn Hazm. Zekerheid valt vooralsnog niet te geven, maar de gelijkenis tussen Spinoza en denkers als Ibn Hazm is te groot om uitsluitend op toeval te berusten.

Doorwerking van het denken van Spinoza

Na de zeventiende eeuw werkte het bijbelkritische denken door. In de 18e eeuw bleef het beperkt tot de kleine kring van denkers uit de verlichting. Daarnaast kreeg het aanhang in kerken als de Doopsgezinden en de Remonstranten, kerken waar geleidelijk de vrijzinnigheid doordrong. Bredere aanhang kreeg het bijbelkritische denken in de loop van de negentiende eeuw.Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw werd de ontwikkelling van de bijbelkritiek gevoed door het sociaal evolutionisme. In dit licht dient vooral de Leidse oudtestamenticus Abraham Kuenen te worden genoemd. Er werden modellen ontwikkeld, waarin het schriftkritische denken verder werd verfijnd. Los van alle verdere ontwikkelingen blijft men echter voortbouwen op het model, dat ooit werd ontwikkeld door Spinoza. Kern van zijn denken is dat de wet een laat verschijnsel in de godsdienstgeschiedenis van Israël is en dat we er daarom van uit moeten gaan, dat de daar beschreven gebeurtenissen niet historisch zijn.

Conclusies

Onderzoek naar de geschiedenis van de Schriftkritiek leert ons, dat verschillende theorieën in hoge mate bepaald zijn door vooronderstellingen. Bij middeleeuwse islamitische geleerden was dit de behoefte om zich af te zetten tegen jodendom en christendom. Bij Spinoza hield het  verband met verlichtingsdenken en in de negentiende eeuw heeft het sociaal darwinisme een belangrijke rol gespeeld. Deze vooronderstellingen hebben een bepalender rol gespeeld in de ontwikkeling van theorieën dan men zich vaak bewust is.

 

Drs. Cees Stavleu

Drs. Stavleu is auteur van de Studiebijbel Oude Testament, predikant van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom en docent Oude Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede