Leren: de kunst van de verwondering

De dichter Horatius behandelt in zijn beroemde Ars Poetica de klassieke vraag of de kunstenaar zijn genie te danken heeft aan natuurlijk talent of aan een met-hard-werken-verkregen vakmanschap. Het antwoord is al even klassiek als de vraag zelf. Talent en discipline kunnen niet zonder elkaar: ´ze hebben elkaars hulp nodig en werken in vriendschap samen´[1] Wie wil excelleren in kunst of sport heeft een ruime mate aan talent nodig alsook een stevige portie discipline om zijn talent te ontwikkelen en tot ontplooiing te brengen. Niemand die z’n gezonde verstand niet heeft verloren, zal het willen tegenspreken.

Leren als kunst

Leren is een kunst en en ze begint met verwondering. Verwondering over “al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat wel luidt” (Fil. 4:8) – kortom, alles wat in de rijkgeschakeerde scheppingswerkelijkheid verwondering verdient. Het is evident dat een kind dat zich nooit ergens over verwondert, ook niet de behoefte gevoelt iets te willen weten.

Verwondering is altijd een gave. Ze overkomt ons en we kunnen haar niet afdwingen. De meeste kinderen komen niet vanzelfsprekend met de Hohe Messe van Bach in aanraking en ook als dat wel zo zou zijn, is er niet de garantie dat ze erdoor geraakt worden. Ook kunnen kinderen niet alleen geboeid raken door het goede, maar evenzeer door het kwade. De fascinatie voor geweld of het occulte betreft evenzeer een ervaring van het sublieme als de aanblik van de Grand Canyon.

De eerste taak van de leerkracht is dan ook het kind in aanraking te brengen met de dingen die het weten waard zijn. Van het kind kan onmogelijk verwacht worden, dat het zelf weet welke deze dingen zijn. Anderzijds mag van de onderwijzer wel verwacht worden, dat hij weet heeft van de dingen in deze wereld die onze verwondering verdienen en welke niet.

De belofte van het Nieuwe Verbond

Hiermee raken we aan het specifiek christelijke van opvoeding en onderwijs. De apostel Paulus laat in het zevende hoofdstuk van zijn Romeinenbrief zien dat de natuurlijke mens machteloos staat ten opzichte van de eisen van de Torah. De Torah wijst hem wel zijn plichten aan, maar geeft hem niet de kracht die plichten na te komen. Sterker nog, volgens dezelfde apostel staat de Torah in ons aller harten geschreven, maar houden wij die kennis in ongerechtigheid ten onder (Rom. 1:18). Is er voor het christelijk onderwijs dan nog wel een uitweg?

Tegenover de machteloosheid van de wet in Romeinen 7 stelt Paulus de belofte van het Nieuwe Verbond in Romeinen 8: wat de wet niet kon doen, omdat de zonde sterker was dan de wet, dat hebben Christus en de Geest nu gedaan. Met de komst van Christus en de Geest schept God een nieuwe mensheid, uit Jood en heiden. Deze nieuwe mensheid ontleent zijn identiteit niet meer aan de Torah, maar aan de gave van de Geest. De ‘Geest des levens’ is Gods antwoord op de ‘wet der zonde en des doods’ (Rom. 8:2).[2]

Het is ontegenzeggelijk zo dat de christelijke opvoeder niet over de Geest kan beschikken. Wel kent hij het woord van Christus: “Indien dan gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven degenen die Hem bidden.” (Luk. 11:13). De werkelijkheid van de christelijke opvoeding, zegt de gereformeerde pedagoog Herman Bavinck ergens, vindt haar fundament in de belofte van God en vangt aan in het gebed van de ouders. Het is aan de ‘wisselwerking’ tussen belofte en gebed dat de christelijke opvoeding haar karakter ontleent.

‘Thinking God’s thoughts after Him’

Nu komt het erop aan natuur en genade, algemene en bijzondere openbaring niet tegen elkaar uit te spelen. De genade doet de natuur niet te niet, maar herstelt haar in haar oorspronkelijke luister. Hier opent zich het perspectief op wat werkelijk ‘leren’ genoemd kan worden: it is thinking God’s thoughts after Him. Leren is het op het spoor komen van de gedachten die God in Zijn schepping gelegd heeft. Maar wat betekent dat?

De bekende Amerikaanse apologeet Cornelius van Til heeft hier eens een prachtig voorbeeld van gegeven. Volgens Van Til betekent het feit, dat twee keer twee vier is voor de gelovige iets anders dan voor de ongelovige. ‘Twee keer twee is vier’ is een numerieke wetmatigheid. Deze numerieke wetmatigheid is een van de vele wetmatigheden in de schepping. De vraag die zich nu voordoet, aldus Van Til, is of deze wetmatigheden op zichzelf staan of dat ze uitdrukking zijn van de wil en de natuur van God. Voor de gelovige is dat het geval, voor de ongelovige niet.[3] Kennis heeft voor de christen dus een geheel andere lading dan voor de niet-christen, zelfs als het een eenvoudig rekensommetje betreft. De wereld is door de goddelijke Logos geschapen en ook ‘twee keer twee is vier’ is uitdrukking van deze goddelijke Wijsheid. Niets wat deel uitmaakt van de schepping is derhalve profaan.

Toch staat niet alle kennis op dezelfde hoogte. In de klassieke traditie is altijd – en terecht – onderscheid gemaakt tussen morele en instrumentele kennis. Instrumentele kennis is die kennis die ons in staat stelt onszelf in ons levensonderhoud te voorzien of ons leven te veraangenamen. Ze is technisch van aard en kan ons bijvoorbeeld leren hoe we onze voedselproductie efficiënter kunnen regelen. Morele kennis daarentegen leert ons hoe we leven moeten en onderscheidt tussen deugd en ondeugd, goed en kwaad. Het is deze kennis waar het in opvoeding en onderwijs in de eerste plaats op aankomt.

De bronnen van het leren

Waar doen we deze kennis op? In de eerste plaats is er natuurlijk de Heilige Schrift. Op christelijke scholen dient de Bijbel de kern van het curriculum uit te maken. Zoals in de middeleeuwen de filosofie de dienstmaagd was van de theologie, zo scharen zich op de christelijke school de verschillende vakken rondom het Bijbelonderwijs. Daaromheen scharen zich de vakken, die we wel met het woordhumaniora aanduiden: de letteren, de geschiedenis en de filosofie. Mogelijk vraagt iemand: waarom zouden deze vakken zo’n centrale plaats in het leerplan van christelijke scholen dienen in te nemen? Riekt deze gedachte niet al te zeer naar humanistisch onderwijs?

Het antwoord op deze vragen is: nee. Na de Heilige Schrift vinden we de condition humainnergens dieper gepeild en met groter verbeeldingskracht getekend dan in de grote werken van literaire, geschiedkundige en filosofische schrijvers. En het is juist door de verbeeldingskracht dat kinderen worden geïnspireerd de goede voorbeelden na te volgen en de slechte te verwerpen.[4] Ook in dezen dienen we natuur en genade elk hun eigen plaats te gunnen. Daarbij zou het een goed idee zijn – naar analogie van het middeleeuwse trivium – kinderen al vroeg de beginselen van de logica bij te brengen om hen helder en zuiver te leren denken.

Het bijbelonderwijs en de humaniora worden gevolgd door de natuurkundige vakken. Daarmee krijgen ze niet ‘slechts’ een ondergeschikte plaats toebedeeld, maar komen juist ten volle tot hun recht omdat – alweer – de mens belangrijker is dan de natuur en de geest belangrijker dan de materie. De vakken die te maken hebben met beroepsmatige vorming, hoe nuttig ook, bevinden zich aan de rand van het curriculum, omdat ze instrumenteel van aard zijn.

Pas wanneer de vragen over het ‘waarom’ en het ‘wat’ van het leren zijn beantwoord, komt de vraag aan de orde ‘hoe’ kinderen moeten leren. Het is tekenend dat de discussies over onderwijsvernieuwingen zich vooral toespitsen op deze hoe-vraag en het verklaart waarom het huidige onderwijs inhoudelijk is verschraald.

 


[1] Ars Poetica, 411.411.

[2] Gordon Fee, God’s Empowering Presence: the Holy Spirit in the letters of Paul, 1994, 516.

[3] “Antitheses in Education” in Louis Berkhof en Cornelius van Til, Foundations of Christian Education, 1990, 7.

[4] Andreas Kinneging, Geografie van goed en kwaad, 2005, 251.