Vier grote raadsels van de schepping voor de biologie

Is het wel waar?

Aanhangers van de scheppingsleer (creationisten) wordt vaak verweten dat ze de ‘onbegrijpelijke wonderen van de natuur’ aangrijpen om daarmee te bewijzen dat er wel een Schepper moet zijn: “Het zit te mooi en te complex in elkaar – dat moet God wel gedaan hebben.”
Er is een eigenaardige geschiedenis gaande aangaande dit onderwerp. Zodra we, natuurwetenschappers, een wonder kunnen begrijpen en uitleggen is God als oorzaak niet meer nodig. Naarmate onze kennis over de (levende) natuur toenam, verdween de ‘noodzaak’ van een Schepper stapje voor stapje uit de natuurwetenschap: De onbegrijpelijke, bovennatuurlijke “Acts of God” werden begrijpelijk en natuurlijker, dus waren het geen goddelijke daden meer. Wij leven nu in een tijd waarin wij als ‘aanhangers van de idee van de goddelijke schepping’ als achterlijk of onwetend worden beschouwd. Creationisten worden steeds weer op een zijspoor gezet: ‘onwetenschappelijk’, ‘geloof is geen wetenschap’, ‘wil je de geschiedenis van de aarde in die paar duizend jaar proppen?’ ‘Wie nu nog in schepping gelooft, is gelijk aan iemand, die gelooft dat de maan van groene kaas is’, enzovoort.
Kinderen in de schoolbanken willen niet voor achterlijk enz. worden versleten, dus lijken dit wel argumenten om het geloof van de zondagsschool als achterhaald te beschouwen. De grote zekerheid van leerkrachten of tv-presentatoren, die de evolutietheorie aanhangen, straalt overtuiging uit. Het lijken wel evangelisten, brengers van goed nieuws, die de onwetenden moeten bekeren. En dan slaan we de spijker eigenlijk precies op de kop, want ze dragen een overtuiging, een geloof uit. Een geloof dat zeker weet van de dingen die ze niet kunnen zien (een variant op Hebreeën 11:1), want ze menen gelijk te hebben, omdat de wetenschap achter hen staat. Kijk maar in de ….encyclopedie, of kijk maar naar Teleac… In hun ogen moet het concurrerende creationistische geloof bestreden worden.

Schepping en/of evolutie
Voor een goed verstaan van de discussie over schepping en/of evolutie moet goed voor ogen worden gehouden dat het enerzijds in de grond van de zaak een botsing tussen twee geloofsopvattingen is. Voor velen is de darwinistische evolutieleer een prachtige aanleiding om niet in God te hoeven geloven. Het is een vrucht van de Franse revolutie met het “geen god, geen meester” principe. Want in God geloven is ook geloven in alles wat er bij hoort, zoals het rekenschap af leggen van onze daden…en dat is niet zo leuk, daar wil de ontwikkelde vrije mens vanaf, tenslotte…..
Anderzijds zijn evolutionisten zo overtuigd van hun gelijk, dat ze vrijwel elk ‘wonder in de natuur’ claimen als aanwijzing of bevestiging van hun kijk op de wereld. Dat is lastig, omdat je als aanhanger van de scheppingsleer dat eerst op z’n juiste plaats moet zetten en daarmee evolutionistische (nep)argumenten moet weerleggen, voordat je verder kunt. Daarom lijkt het alsof creationisten steeds tegen de evolutietheorie zijn en dat ze niets te bieden hebben hoe het dan wel zit. Maar dat heeft het scheppingsmodel wel. De micro-evolutie heeft bijvoorbeeld een duidelijke plaats in de Basistypenbiologie. Alleen beschouwen we micro-evolutie meer als de variabele aanpassing van organismen met een uitgebreid ingeschapen erfelijk potentieel waarbij we de natuurlijke selectie meer als een conservatieve kracht zien, die (de meestal schadelijke) mutaties uitschakelt.

Vier grote raadsels?
Voor dit artikel kunnen we verder niet uitgebreid op van alles ingaan. Ik zal me beperken tot een paar voorbeelden ter illustratie. Welke zijn die vier grote raadsels of geheimen, die de biologische en aanverwante wetenschappen op hun pad hebben?

Ten eerste het ontstaan van leven uit het levenloze, de abiogenese. De wetenschap heeft onvoorstelbaar veel aan het licht gebracht hoe levende cellen zijn georganiseerd met DNA, RNA, eiwitten, moleculaire machientjes enzovoort. Er zit een zeer diepe kloof tussen het levenloze en het levende. Weliswaar kunnen eenvoudige bouwsteentjes (zoals bepaalde aminozuren) van de biologische onderdelen van een cel op natuurlijke wijze worden gevormd. Maar dat is maar een fractie van wat nodig is, met volstrekt verkeerde verhoudingen en met allerlei levendodende bestanddelen. Een levende cel kan alleen maar voortgebracht worden door een al bestaande cel via de complexe celdeling. De ‘eenvoudigste’ cel (met alle andere echte celeigenschappen) moet tenminste zo’n 300 genen, complexe brokken informatie, bezitten om in een reeds zeer beschermd milieu te kunnen overleven.

Ten tweede, de embryonale ontwikkeling van bevruchte eicel tot volwassen individu: al die miljarden cellen komen ‘op hun plaats’ terecht. Elke cel van ons lichaam heeft alle informatie van het hele lichaam, maar gebruikt slechts dat deel wat voor zijn speciale taak nodig is. De cellen van ons netvlies kunnen licht waarnemen, de cellen in onze knieholte niet… Er komt in de ontwikkelingsbiologie wel steeds meer informatie beschikbaar over regelgenen en andere, niet direct aan het DNA gebonden eigenschappen van een cel. Een uitgebreid nieuw onderzoeksgebied met vele mogelijkheden, ook op medisch terrein. Alles lijkt wel doelbewust ontworpen…

Ten derde, het ontstaan van al die verschillende soorten organismen met al die verschillende bouwplannen. Al kun je grote groepen organismen samenvoegen tot groepen als Hoofdafdelingen of Stammen, zoals een evolutionist zegt. Meteen zal een darwinist zeggen: “Maar dat hebben wij opgelost met onze wonderschone theorie!” Toegegeven, dit grote raadsel schijnt te zijn opgelost voor de biologie, de evolutionistische biologie wel te verstaan. De creationistische biologie heeft de Basistypenbiologie ontwikkeld, die al de ‘bevindingen en hypothese van evolutionistische kant’ op dit gebied beantwoordt, zoals eerder gezegd..

Ten vierde, misschien wel het grootste raadsel, natuurwetenschappelijk gezien, is het bestaan van de menselijke geest. Hoe kan uit materie iets geestelijks, zoals gedachten en taal ontstaan? Nu proberen evolutionisten de geestelijke eigenschappen wel te bagatelliseren en te reduceren tot eigenschappen van de materie, maar dat is geen eenvoudige zaak om het daarmee af te doen. Volgens de Bijbel mogen wij weten dat we zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en is door Hem ons onze geest ingeblazen.

De evolutietheorie pretendeert een algemene theorie voor de hele biologie?
Elke serieuze aanval kunnen de aanhangers naar eigen zeggen pareren. Een voorbeeld uit Bionieuws 11 (6-6-2003):
“En opnieuw wordt er gezaagd aan de poten van de stoel van de evolutietheorie. De zaag heet dit keer Intelligent Design en is tien jaar geleden bedacht door de Amerikaanse jurist Philip Johnson.”….
“En nu deugt de evolutietheorie niet, omdat complexe systemen niet door toeval kunnen ontstaan. Opnieuw staan biologen zuchtend op om geduldig de theorie te verdedigen en te verklaren. Onder hen de Amsterdamse biochemicus, Piet Borst…” (Gaby van Caulil, hoofdredacteur)
Borst is een felle darwinist, die het niet kan laten te sneren tegen andersdenkenden, zoals christenen, die de Bijbel aux serieus nemen op het gebied van de schepping en de ouderdom van de aarde. Een uitspraak van Borst over de ‘belachelijke idee van een Schepper-knutselaar’ is hiervoor treffend en citeer ik uit zijn column tegen Intelligent Design, uit het NRC van 3 maart:
….”Naarmate we meer details leren kennen van die ogenschijnlijk zo perfecte natuur, beginnen de compromissen meer op te vallen. Een knutselaar is geen ontwerper en knutseloplossingen zijn vaak knullige oplossingen. Dat begint al met ons DNA, dat vol oude rommel zit, resten van virussen, die een tijd lang rondgesprongen hebben in het genoom van onze voorouders totdat ze uiteindelijk zijn getemd. Zo’n 45 procent van ons totale DNA bestaat uit deze rommel. Geen ontwerper zou dat hebben ingeprogrammeerd.”….

Volgens hem zit ons DNA dus vol met rommel, het zogenaamde junk-DNA, DNA dat nergens voor codeert, maar een rest is van een miljoenen jaren durende evolutionaire geschiedenis. Maar onlangs bleek alweer dat deze, reeds jaren eerder door hem geponeerde gedachte iets al te makkelijk evolutionistisch vooringenomen is. We weten nog maar zo weinig van de werking van de erfelijkheid, ook behorend tot de vier raadsels, dat allerlei vooroordelen ronduit hooghartig zijn. Een zogenaamd pseudo-gen blijkt wel een functie te hebben (Nature begin mei). En al eerder is naar voren gebracht dat DNA grote delen bevat die niet coderen, omdat ze als bouwsteen dienen, zeg maar een tussenstukje om het wel coderende deel vast te houden en te plaatsen. Het lijkt een beetje op de vroegere argumentatie van de rudimentaire organen, waar we er wel 180 van hadden. In het voortgaande onderzoek bleken de meeste van deze zogenaamde resten uit ons evolutionaire verleden levensbelangrijke functies te hebben. Ook de paar nog wel genoemde rudimentaire organen hebben functies.

Vogellongen
Nu ben ik zelf bioloog, geef les in biologie en behandel de evolutietheorie naast de creatietheorie. We bewegen ons zo goed mogelijk op het natuurwetenschappelijke vlak, maar dan ook compleet. Dan behandel ik ook wel eens de weggelaten problemen voor de evolutietheorie, die je niet vindt in de evolutionistisch geschreven leerboeken. Vanuit de idee van de doelmatige, ontworpen schepping kan je namelijk ook belangrijke ontdekkingen doen. Dat is toch een van de voorwaarden van goede wetenschap: onderzoek stimuleren en nieuwe ontdekkingen doen? “Zouden er misschien dingen te vinden zijn, die je vanuit het scheppingsontwerp zou kunnen ontdekken, maar niet vanuit het darwinisme?” Een voorbeeld uit de eigen praktijk.
De biologieleerboeken zijn hoofdzakelijk thematisch van opzet, dat wil zeggen dat een onderwerp als “ademhaling” behandeld wordt voor achtereenvolgens planten, wormen, insecten, vissen, amfibieën, reptielen en zoogdieren. De evolutionaire keten vissen-amfibieën-reptielen-zoogdieren komt zo goed uit de verf. Waarom niet de ademhaling van vogels behandeld? De vogels zijn volgens het evolutiemodel toch afstammelingen van de dinosauriërs/reptielen? Uitgebreid wordt dat in een ander hoofdstuk aannemelijk gemaakt met de ontwikkeling van vogelveren uit reptielenschubben, hoewel dat ook al een hele toer is. Hoe maak je erfelijk gezien een complexe veer uit een schub? Vogels laten zelf ook schubben groeien op hun poten, maar reptielen laten geen veren groeien. Hoe zouden ze aan die informatie moeten komen? Geleidelijk ontwikkeld? En vliegen is ook geen koud kunstje. Daar is een stevig superlicht met lucht gevuld skelet voor nodig, enz, enz… Maar we hebben tenslotte Archeopteryx, de oervogel met tanden in z’n bek, als ‘missing link’. In het scheppingsmodel is dit dier op te vatten als een (uitgestorven) Basistype. al zijn er zulke eigenaardigheden in z’n bouw, dat sommigen nog steeds aan een vervalsing blijven denken. (zie bijv. mijn artikeltje Archaeopteryx, vat vol tegenstrijdigheden, Bijbel&Wetenschap 134, 1990)

Maar waarom wordt nu toch niet naar het ademhalingssysteem gekeken? Ik denk dat dat al te veel gevraagd is. Het ademhalingssysteem van vogels is zo volstrekt uniek en anders opgebouwd dan de genoemde reeks dieren, inclusief de mens. Vogels hebben een soort ‘turbolongen’, die zelf nauwelijks van vorm veranderen. Dat doen wel de blindzakken, die werkelijk overal in de vogel zitten, tot in de holle botten toe (zie figuur 1).De vogellong maakt tweemaal gebruik van de lucht. De eerste maal bij het inademen, de tweede maal bij het uitademen. Tussendoor stroomt de lucht in de blindzakken, die als blaasbalgen door de spieren en het skelet van de vogel beurtelings onder druk worden gezet. De longen zelf hebben geen longblaasjes zoals bij ons, maar bestaan uit lange buisjes, parabronchiën (zie figuur 2), waar de haardunne bloedvaatjes omheen gespiraliseerd zijn. De lucht stormt letterlijk door de buisjes en staat snel z’n zuurstof af aan de zelfs daarop aangepaste rode bloedlichaampjes. Als ik namelijk met mijn leerlingen de twee verschillende typen bloed microscopisch bestudeer, dan vallen enig dingen op. Als vogels dezelfde platte dropvormige en kernloze bloedlichaampjes zouden hebben als wij, dan zouden ze hun haarvaten mijns inziens verstoppen. Onze bloedlichaampjes hebben deze vorm, omdat ze het meest geschikt zijn voor ons systeem van ademhaling met de miljoenen longblaasjes. De vogels hebben daarentegen evengrote maar ellipsoïde, zeer gestroomlijnde bloedlichaampjes. Deze vorm wordt in stand gehouden door de compacte kern in het bloedlichaampje. Dit type bloedlichaampje moet dezelfde zuurstofopnamecapaciteit (verhouding van oppervlakte-haemoglobinevolume ) hebben als ons type bloedcel, maar is geschikt om zeer snel te kunnen stromen door de haarvaatjes rond de parabronchiën. Vogels hebben een enorm efficiënte manier van ademhaling, geheel geschikt voor hun actieve vliegende levenswijze. Is een reptielen-ademhalingssysteem ook nog eens door toeval en selectie om te bouwen tot dat van de vogels? Laten we het maar niet noemen, moeten de schrijvers van de leerboeken gedacht hebben….Ik vind het daarentegen een prachtig voorbeeld van Design!

Als voor biologen de evolutionistische argumentatie uiteindelijk stokt, wordt de datering van de aardlagen en de miljoenen jaren opgevoerd. Er moeten argumenten worden gezocht buiten het eigen vakgebied….- Dat is een ander onderwerp, maar een voorzet kan gegeven worden. In ‘ons model’ zijn de aardlagen niet langzaam in miljoenen jaren gevormd, maar snel in catastrofale perioden.
Figuur 1
Figuur 2

Drs. H. R. Murris docent biologie Evangelische Hogeschool, Amersfoort en Pieter Nieuwland College, Amsterdam

figuur 1

figuur 2