De profeet Samuël en het spiritisme (1Sam 28)

Een vraag die zich steeds weer voordoet, is: Was het werkelijk de profeet Samuël die op een spiritistische séance verscheen? Om die vraag te beantwoorden moeten we het volgende bedenken.

Wat is spiritisme?

Spiritisme (Latijn spiritus= geest) wil zeggen: verkeer met geesten resp. met demonen of gevallen engelen. Het is een noodlottig misverstand te denken dat het een overleden mens of zijn menselijke geest is, die door een spiritistisch medium verschijnt of spreekt. De Bijbel laat ons zien dat een dodenbezweerder iemand is die een geest van dodenbezwering (Totenbeschwörergeist, familiar spirit) heeft (Lev 20:27; Deut 18:11; 1Sam 28:7) – precies zoals een waarzegger een geest van waarzeggerij heeft (Lev 20:27). Het is dus niet een mens (een overledene), maar een gevallen engel (demon), die iemand in bezit genomen heeft en zich voordoet als een mens. Zo’n demon materialiseert zich tegenover een spiritistisch medium en meestal overeenkomstig de verwachting van degene, die een “dode” laat oproepen! Een spiritistisch medium is dus iemand die een dienstknecht is van spiritistische geesten – niet van overleden mensen.

Vaak wordt dodenbezwering in één adem genoemd met waarzeggerij resp. wordt de geest van dodenbezwering in één adem genoemd met de geest van waarzeggerij (Lev 19;31; Lev 20:6,27; Deut 18:11; 1Sam 28:3,9; 2Kon 21:6; 2Kron 33:6; Jes 8:19; Jes 19:3). Destijds was spiritisme een belangrijk middel van waarzeggerij (necromantie of waarzeggerij d.m.v. het raadplegen van “doden”). Spiritistische waarzeggerij of het raadplegen van “doden” is dus eigenlijk niets anders dan een direct raadplegen van demonen! In het moderne spiritisme zijn er nog vele andere vormen van spiritistische waarzeggerij zoals tafeldans, glasdans, het ouija-bord.

Andere vormen van spiritisme

Het spiritisme omvat veel meer dan “alleen” dodenbezwering of het raadplegen van “doden”. Tot spiritistische beïnvloeding behoren onder meer: materialisatie of het verschijnen van demonen in de gestalte van overleden mensen. In spiritualistische zin verschijnen demonen in de gestalte van Bijbelse figuren of personen uit de kerkgeschiedenis zoals in Samuël, Johannes de Doper, de apostelen, Maria. Demonen kunnen zelfs de gestalte van de Heere Jezus en van God aannemen (vergelijk de verschijning aan Joseph Smith, de grondlegger van de sekte van de mormonen). Naast materialisaties bestaan o.a. levitatie of het vrij zweven van het menselijk lichaam of althans het gevoel van vrij te zweven, telekinese of het occult bewegen van voorwerpen op een afstand, spiritistische genezingen.

Ook probeert een mens invloed op overleden personen uit te oefenen door gebed voor overledenen, dodenmissen, doop voor overledenen of verzegeling van overledenen.

Het gebed tot overledenen om hulp, raad, bescherming, genezing enz. behoort evenals het verkeer met spirit guides zoals Mozes Berg (Children of God), Mrs. Elisabeth Kübler Ross, Raymond Moody en vele andere doen, eveneens tot het spiritisme.

Ook kan iemand bij bewustzijn, in trance, onder hypnose of in een coma of klinisch dood enz. een visueel of auditief medium zijn. Al zulke ervaringen, waarnemingen en “inzichten” zijn dan occult gestuurd.

Gods verbod van spiritisme.

God verbood en verbiedt uitdrukkelijk het oproepen en ondervragen van geesten kortom ieder verkeer met demonen (Lev 19:31; Lev 20:6,27; Deut 18:11; Jes 8:19-23).

Spiritisme is immers in de éérste plaats een grove aantasting van God Zelf, van Zijn Persoon, Zijn majesteit en heiligheid. God zegt in dit verband: “Ik ben de Heere, uw God.” En “Zal een volk niet zijn God vragen?” In de context van Lev 20 zegt God: “Heiligt u dan en weest heilig, want Ik ben heilig” en van Deut 18: “Gij zult onberispelijk staan tegenover de Heere, uw God.”

Spiritisme is ook overtreding van Gods Woord. Ook het verbod op spiritisme behoort tot Gods wet, waarvan geschreven staat dat ze “toegevoegd zijn om de overtreding te doen blijken” ( Gal 3:19) en “opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden” (Rom 7:13). Paulus zegt dat hij “de zonde niet zou hebben leren kennen dan door de wet” (Rom 7:7). Wij zouden niet hebben geweten dat spiritisme grove zonde tegenover God is dan door Zijn Woord. Het was en is een grove zonde als men zich niet tot de levende God wendde en wendt. Het is echter een dubbele zonde als men zich dan ook nog tot Gods vijand, de vorst der duisternis met zijn demonen wendde – met alle gevolgen van dien voor ziel en lichaam. Je zou niet graag de kost willen geven aan al diegenen, die door een of andere vorm van spiritisme met de psychiater of een psychiatrische inrichting in aanraking kwamen of zelfs zelfmoord pleegden. Satan is nu eenmaal eerst de vader der leugen, waarbij zijn demonen zich voordoen als overledenen, daarna de grote aanklager en tenslotte de moordenaar van den beginne (Joh 8:44)! Toverij, waarzeggerij en spiritisme in al hun vormen op zich zijn niet alleen een gruwel in Gods oog, maar evenzeer ieder, die zich daarmee inlaat (Deut 18:12).

1Sam 28 – een uitzondering op Gods verbod?

Er zijn christenen die 1Sam 28 misverstaan en menen dat God “bij uitzondering” de zonde van spiritisme zou hebben toegelaten. Dat zou betekenen

  • dat God bij uitzondering in 1Sam 28 de grove zonde van spiritisme niet als zonde tegen Zijn Persoon zou aanrekenen – in tegenstelling dus tot de bovengenoemde Bijbelteksten.
  • dat God bij uitzondering de grove zonde van spiritisme niet als overtreding van Zijn Woord zou aanzien en dus niet zou straffen. Dat is in tegenspraak met 1Kron 10:14 en Lev 20:6.
  • dat bij uitzondering de grove zonde van spiritisme géén open deur voor de machten der duisternis zou betekenen met alle gevolgen van dien, inclusief zelfmoord. Dat wordt in 1Sam 31:4 en 1Kron 10: 13 en 14 weerlegd.
  • dat bij uitzondering in 1Sam 28 de overleden profeet Samuël aan grove zonde tegenover de heilige God en aan overtreding van Gods Woord zou hebben meegewerkt. Zou dan Samuël, die zijn leven lang Gode welgevallig “anderen predikte” (1Sam 7:15) nog ná zijn dood “zelf afgewezen” moeten worden (1Cor 9:27)?De voorstanders van de zgn. uitzonderingstheorie vergeten, dat ze zich daarmee aan de kant van de door God verworpen Saul scharen en diens ernstige zonde van spiritisme bagatelliseren en legitimeren. Trouwens, waar halen zij dan de absolute maatstaf vandaan, wanneer in onze tijd iemand zich op 1Sam 28 zou beroepen, bewerende, dat hem of haar “bij uitzondering” de overleden ……. was verschenen? Waar staat geschreven dat God spiritisme bij één uitzondering toeliet? Waarom niet in 5 of 10 of 100 uitzonderingsgevallen? En hoe konden én Saul in 1Sam 28:3 én Samuël in 1Sam 28:15 tegelijkertijd Gods wil doen? Dat is uitgesloten. Saul laadde een dubbele zonde op zich door éérst alle spiritisten en waarzeggers het land uit te zetten, maar later zelf bewust spiritistische waarzeggerij te zoeken (28:8).

Een demon in de gestalte van Samuël verscheen.

Dat God géén uitzonderingen ten aanzien van Zijn Persoon en Woord toelaat wordt uit het volgende duidelijk:

  1. De Heere antwoordde Saul niet (1Sam 28:6,15), ook niet door de profeten – dus ook niet door Samuël, indien deze toen nog had geleefd! Waar God niet meer tot God Saul sprak, had ook de overleden spreekbuis van God (de profeten) geen woord voor Saul – dus ook de overleden Samuël niet! Waar God niet door Zijn lévende dienstknechten sprak – hoeveel te minder kan Hij door een overléden dienstknecht hebben gesproken!
  2. “God was van Saul geweken” (1Sam 28: 15 en 16). Dat geschiedde niet pas in hoofdstuk 28, maar reeds zo’n 13 jaar tevoren, sinds 1Sam 15:23. Daar God van Saul was geweken, was ook Samuël van hem geweken (1Sam 15:35). Zonder opdrachtgever had immers ook Samuël geen opdracht meer voor Saul.
  3. Daar God zelf niet meer tot Saul sprak en al vele jaren van hem was geweken, bestaat er maar één mogelijkheid: óf Samuël sprak vanuit zijn “zondige, oude natuur”, dus uit eigen wijsheid na zijn dood. Dat zou betekenen dat Gods knechten ook na de dood de zonde nog zou aankleven. Óf een demon nam de gestalte van Samuël aan en sprak. Het is echter uitgesloten dat Samuël, die tijdens zijn leven Gode gehoorzaam en slechts “Diens mond” was, ná zijn dood zónder God en dus vanuit zijn “zondige hart” sprak. Het is evenzeer uitgesloten dat Samuël, de knecht Gods, die tijdens zijn leven Saul moest aanzeggen, dat God hem verwierp, omdat hij Gods Woord verworpen had (1Sam 15:22 en 23), na zijn dood diezelfde Saul tot verwerping van Gods Woord (i.c. ten aanzien van spiritisme) zou hebben verleid! Kon een spiritiste werkelijk Samuël oproepen, was deze natuurlijk nooit verschenen en had hij geen woord gezegd – niet eens om Saul tot bekering te bewegen en op de zonde van spiritisme te wijzen (Lucas 16: 29,31).
  4. Het is uitgesloten, dat een door God verworpene nota bene door middel van de grove zonde van spiritisme een overleden knecht van Gód kan laten “opkomen”. De hoogmoedige vraag van de vrouw: “Wie moet ik u laten opkomen?” betekent niet dat ze ook werkelijk in staat is iedere gelovige en ongelovige naar believen “op te roepen” (1Sam 28:11).
  5. Het spiritistisch medium herkende zelf merkwaardigerwijze Samuël niet (1Sam 28:13)! Ze zegt: “Ik zag goden uit de aarde opstijgen.” Elohim betekent goden of geesten (meervoud). Het was Saul die weliswaar zelf niet “Samuël” zag, doch uit de beschrijving van de spiritiste “begreep” dat het Samuël was (1Sam 28:14). Dat is logisch. Immers, hij had het bevel gegeven “Samuël” op te roepen (1Sam 28:11). Dus verscheen een demon in de gestalte van Samuël, geheel overeenkomstig de verwachting van Saul! Zoals eerst Saul de spiritiste had bedrogen (1Sam 28:12), zo wordt hij nu zelf door demonen bedrogen. De bedrieger demonisch bedrogen! Dat is nog veel erger dan het bedrog dat Jakob, de bedrieger, Laban, had aangedaan (Genesis 29:25 en Genesis 30). Vergelijk 2Tim 3:13. Waar haalde de “overleden” Samuël” de mantel vandaan?
  6. De inhoud van het spiritistische gebeuren
  •  “Waarom hebt gij mij verontrust en mij laten opkomen?” (1Sam 28:15). Het begint met een leugen, want het was niet Samuël.
  • “Waarom raadpleegt gij mij?” (vers 16). De 2e leugen. Saul raadpleegt demonen. Saul zegt zelf tot de spiritiste: “Wil mij wáárzeggen” (vers 8). Hij wist dus dat hij waarzeggerij liet plegen! Waarzeggerij heeft nooit met mensen, doch altijd met demonen te maken, voorzover er geen foefjes bij komen.
  • “De Heere is van u geweken” – een beetje waarheid, die Saul allang wist (1Sam 15:23,26; 16:14; 18:12; 18:15).
  • Een verdere leugen: “Zoals Hij door mijn dienst gesproken had” (vers 17). God had niet door de dienst van demonen gesproken!
  • Een waarheid: “Omdat gij niet naar de Heere geluisterd hebt” i.v.m. Amalek (vers 18).
  • Het is de vraag of “op deze dag” waarheid is. Het was warempel niet de eerste keer dat de Filistijnen tegen Israël optrokken.
  • Een béétje waarheid, die Saul echter reeds uit Gods Woord in Deut 28:25 kende (vers 19a). De demon verzwijgt echter wat in 1Kron 10:13 en 14 staat: “Ja zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had, en niet de Heere had geraadpleegd!” Ook dat is een aanwijzing dat nooit Samuël hier gesproken kan hebben.
  • De 4e of de 5e leugen: “Morgen zult gij met uw zonen bij mij zijn” (vers 19). Niet eens Saul, laat staan zijn zoon Jonathan kwam na de dood in het rijk der demonen!
  • De voorspelling van de dood van Saul en zijn zoons op de volgende dag kan nooit van Samuël komen, maar is louter waarzeggerij. Afgezien van de vraag of overledenen de toekomst kunnen overzien, is het alleen de Heere, die het uur van het sterven kent en beschikt. Aangezien God niet meer tot Saul sprak, is het ondenkbaar dat God wel het stervensuur aan de overleden Samuël bekend zou hebben gemaakt, opdat deze dat op een spiritistische séance aan Saul zou meedelen (…..). Het is niet de eerste en niet de laatste keer dat demonen de dag van het sterven aankondigen. Interessant is het dat de demon géén antwoord op de dringende vraag van Saul “…. opdat gij mij bekend maakt wat ik moet doen” (vers 15) geeft! Als ware dienaar van de mensenmoorder van den beginne is het de demon maar om één ding te doen: Saul tot zelfmoord te bewegen (Joh 8:44; 1Sam 31:4).

De gevolgen van de spiritistische waarzeggerij voor Saul waren:

  • Saul viel in zijn volle lengte op de grond – “slain in the spirit”, inderdaad: geslagen door een demonische geest.
  • Saul pleegt zelfmoord, daarmee is de spiritistische waarzeggerij zelf vervullend. Dat noemt men “zelfvervullende profetie”. Daarom staat er in 1 Kron 10:13: “Zo stierf Saul, omdat …..” De vraag kan opkomen: waarom staat er dan niet: Daarna sprak de demon tot Saul? Bij nader onderzoek blijkt dat de Bijbel in zulke gevallen de situatie niet gedetailleerd weergeeft. Als we bijv. Marc 5:1-20 lezen (de bevrijding van de bezetene in het land der Gerasénen), zien wij dat soms het woord “hij” of “hem” voor de mens i.c. de bezetene zelf gebruikt wordt. (Marc 5:2-5, 6b, 18-20) en soms voor de onreine geest(en) (Marc 5:6a,7-17). Het was niet de mens, aan wie de Heere Jezus de vraag stelde: “Hoe is uw naam?” en het was niet de mens die antwoordde: “Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk” al sprak de overste van dat legioen wel via de mond van die bezetene. Evenals een spiritistische demon door de mond van die spiritiste te Endor sprak. Dat 1Sam 28:15,16 zegt: “Daarna sprak Samuël ……” bewijst niet dat het inderdaad ook de overleden profeet Samuël was, die sprak! Wij mogen ook niet vergeten dat hier een spiritistische séance weergegeven wordt, waarbij ook niet “Samuël” op directe wijze, doch slechts via het spiritistisch medium sprak.  Datzelfde zien wij bijv. in Hand 16:17. In vers 16 staat uitdrukkelijk dat de waarzegster uit Filippi “een waarzeggende geest had”. In vers 17 echter staat: “…. zij (de vrouw) riep luid …..” Een gedetailleerd en gedifferentieerd verslag zou zijn geweest: De waarzeggende geest riep via de vrouw luid …. Paulus kon duidelijk tussen de vrouw en die geest onderscheiden. Hij wendde zich dan ook niet tot die vrouw, maar tot de waarzeggende geest en gelastte hém van haar uit te gaan (vers 18).  

“Daarna sprak Samuël tot Saul …..” (1Sam 28:15).

Het verslag van 1Sam 28 is óf door de zondige Saul óf door de zondige spiritiste gedaan. De spiritiste wist, dat Saul de dodenbezweerders en andere waarzeggers uit het land had verwijderd (vers 9). Ze had zich waarschijnlijk verborgen weten te houden en was zo aan de door God bevolen doodstraf ontkomen (Lev 19:31). In plaats van dat ze daarna uit dankbaarheid voor Gods onverdiende genade met haar zonde van spiritisme brak, volhardde zij er in. In haar onboetvaardigheid was ze dan ook bereid een spiritistische séance te houden, toen dat van haar gevraagd werd. Ze kent geen vreze Gods, die de zonde haat. Ze is alleen bevreesd voor de doodstraf (vers 9). Ze schrikt bij de verschijning van een demon in de gestalte van Samuël dan ook niet vanwege haar zonde, maar voor Saul, die zij herkent (vers 12)! Zo verhard is ze. Deed zij het verslag aan anderen, sprak zij van “Samuël”, die verschenen was, omdat Saul dat “begreep”. Deed Saul voor zijn dood nog iemand het verslag, had hij het natuurlijk ook over “Samuël”, omdat hij hem bij zijn “opkomen” nu eenmaal verwacht had.

Wat een blijde en rustige zekerheid dat nooit en te nimmer een spiritist(e) ons of andere kinderen van God naar believen kan “oproepen” na ons overlijden – ook niet bij “uitzondering”!

Els Nannen