In de tijd van de Koningen waren de Israelieten opgedeeld in een Noordrijk (Israël) en een Zuidrijk (Juda).

Diaspora of verstrooiing (dl 3)

In de tijd van de Koningen waren de Israelieten opgedeeld in een Noordrijk (Israël) en een Zuidrijk (Juda). In het Noordrijk had men weinig interesse in de dienst van de God van Israël (de tempel lag immers in het Zuidrijk) en vereerde men de afgoden, zoals kalveren en de baals. Op grond daarvan moest de profeet Amos profeteren:“De inwoners van Israël zullen zonder enige twijfel slaven in ballingschap worden, ver van hun vaderland.” Kort daarop voerden de Assyriërs de bevolking van Israël weg en gingen zij de verstrooiing (de diaspora)in. Gedurende al die eeuwen bleef de herinnering aan Jeruzalem levend en behielden zij hun identiteit, zonder op te gaan in de volken temidden waarvan zij leefden.