Geloofsopvoeding: Geloven en hedendaags cultuurbewustzijn

Het lijkt erop, dat in leven en samenleven voor velen God geen factor van betekenis meer is. Jongeren verlaten massaal de kerken, ouderen hebben geen relevante antwoorden om te laten zien wat God in hun leven doet. Geloven lijkt een aangevochten zaak, de termen “secularisatie” en “kerkverlating” lijken gegeven constatering te bevestigen. Maar, met de verwijzing naar de kerkverlating en secularisatie is nog niet alles, beter: nog niet het diepste gezegd. Uitgangsgedachte van de workshop de inleider is, dat achter de genoemde verschijnselen een fundamenteler probleemcomplex schuil gaat. Een probleemcomplex, dat kan worden gediagnosticeerd als: een onvermogen tot Godservaring. Om in deze tijd over godsdienstige opvoeding te spreken en dan net te doen alsof er niets met het hedendaagse godsdienstig beleven en ervaren (in relatie tot het hedendaagse cultuurbewustzijn) aan de hand is, lijkt een al te gemakkelijke houding. Uiteindelijk zal deze houding pedagogisch en didactisch een doodlopende weg blijken te zijn. Om dat laatste toe te lichten zullen de volgende stellingen worden uitgewerkt:

Alle opvoeding, ook geloofsopvoeding, geschiedt steeds tegen en binnen de bestaans-, ervarings- en kennisachtergrond van een bepaalde tijd en cultuur. Het is ook deze bestaanshorizon die opvoedingsmogelijkheden en –onmogelijkheden bepaalt.

We leven in een tijd waarin we de godsdienstige opvoeding, en daarmee het “geloven” van de volgende generaties, niet meer kunnen redden door aantrekkelijker pedagogische en didactische methoden en technieken aan te bieden. We zijn t.a.v. de toekomst van het christelijk geloof op een kritisch punt in de (menselijke) geschiedenis aangekomen. De vraag is nu, of dit moment van de geschiedenis een ‘point of no return’ is?

We leven in een tijd, waarin er naast het christendom, allerlei religieuze bewegingen van min of meer oosterse afkomst zich sterk maken en in concurrentie lijken met het christelijk geloof. Ook al lijkt het christendom aan de kant van de verliezende religies te staan, het religieus besef is toch nog overduidelijk aanwezig en is deel blijven uitmaken van ons hedendaags cultuurbewustzijn. Soms heeft dit besef geen naam en toont het zich als een heimwee naar iets waarvoor geen naam lijkt te bestaan.

We leven in een tijd, waarin er meer en meer kritiek ontstaat op de z.g. Gereformeerde opvoeding (herinner u maar eens Aleid Schilder’s kritiek, en die van anderen, geleerd en niet geleerd), of ten minste op die opvoeding, die er van uitgaat dat het kind van nature slecht is.

De eigenlijke thematiek van de werkwinkel is dan ook:
Hoe kunnen we een zodanige opvoeding (en zodanig onderwijs) geven, dat daardoor de weg geopend wordt naar latente religieuze verlangens en het vermogen tot Godservaring? Wij stellen een visie op christelijke geloofsopvoeding aan de orde, die bouwen wil op de latente religieuze verlangens en oervragen in de mens.

Genoemde thematiek dient wordt aan de hand van de volgende thema’s uitgewerkt:

Wat is de situatie van de moderne mens/jeugd t.a.v. geloof en kerk?

Wat is er met de mens gebeurd, waar het diens vermogen tot Godservaring betreft?

Wat kunnen de oorzaken van het onvermogen tot Godservaring zijn?

Kan het stellen van de diagnose ook de weg naar de genezing van dat onvermogen inhouden, of blijken we in de moderne tijd met een groot dilemma en daardoor met een zich sluitende hemel te zitten?

Biedt de psychologie inzicht in de religieuze of godsdienstige ontwikkeling van de mens en kunnen we met die inzichten iets beginnen?

Welke zijn de z.g. pedagogische voorwaarden waaronder geloofsopvoeding plaats kan vinden?

Wat zijn de didactische mogelijkheden om, staande binnen het moderne cultuurbewustzijn, jongeren een zinperspectief te bieden waarin de existentiële relevantie van het christelijk geloof een essentiële rol kan spelen in hun zoeken naar antwoorden op fundamentele levens- en zinvragen?

Doelstellingen van de lezing
De cursus geloofsopvoeding is er op gericht onderwijsgevenden in de basisschool en de eerste klassen van het voortgezet onderwijs (en andere belangstellenden) inzicht te geven in de aard van het moderne onvermogen tot Godservaring, en hen mogelijkheden van psychologische, pedagogische en didactische aard aan te reiken om aan te sluiten bij latente religieuze oervragen van mens en kind, om zo een therapeutisch te verstane pedagogische en didactische aanpak van de geloofsopvoeding te kunnen realiseren.

De specifieke doelstelling van onze workshop geloofsopvoeding is gericht op het bewustmaken van de deelnemers van:

  • het besef dat de mens altijd leeft vanuit een gevoel van verlangen, waardoor deze weigert “ja” te zeggen op een voortdurend gemis aan zijn of zin.
  • het besef dat de religieuze ontwikkeling van het kind steeds ontwikkelingstaken zijn, die, gericht op een toenemend besef van zingeving en -duiding, hun “motor” vinden in de religieuze oervragen van elke mens.
  • het besef, dat de religieuze ontwikkeling van het kind een innerlijke noodzaak is, ongeacht de godsdienstige invulling van de religies.
  • het besef van de pedagogische voorwaarden van geloofsopvoeding en -onderwijs.
  • inzicht in de religieuze oervragen en de betekenis van deze oervragen voor de verschillende relaties waarmee de mens in de werkelijkheid staat.
  • kennis en inzicht in het hermeneutisch omgaan met religieuze, godsdienstige en algemene levenservaringen.
  • kennis en inzicht in het Model van Didactische Analyse van L. van Gelder en de bruikbaarheid van dat model voor de didactiek van de geloofsopvoeding in de school.
  • het inzicht, dat de besproken vaardigheid te reflecteren over en het opstellen van een schoolwerkplan voor geloofsopvoeding en -onderwijs, gebaseerd op de in deze cursus gepresenteerde benadering van religieuze en geloofsvragen – wellicht – een eigentijdser vorm van geloofsopvoeding en –onderwijs kan zijn.

Drs. M.Valenkamp

 

Geloofsopvoeding in de 21e eeuw moet kinderen leren om stand te houden in een situatie waar het christendom niet meer vanzelfsprekend is en andere religies zich aandienen. Hoe dragen wij de essentie van het christelijk geloof op geloofwaardige en relevante wijze over? door drs. R.H. Matzken

Inhoud:

Voorwoord en Ten geleide

Het ABC van de geloofsopvoeding

Het geweten: speerpunt van de geloofsopvoeding

Niet alleen statisch, maar vooral dynamisch!

Niet alleen thetisch, maar ook antithetisch!

2

2

3

4

4

Geloofsopvoeding in het strijdperk van meningen

Geloofsopvoeding vanuit 2 Timotheus 3:15-17

Geloofsopvoeding naar leeftijdsgroepen

Het doel van de geloofsopvoeding

Kortom, geloofsopvoeding is . . .

5

5

6

7

7

Het ABC van de geloofsopvoeding
De meeste handreikingen over geloofsopvoeding zijn geschreven over het HOE van de overdracht, maar laten het WAT ervan dikwijls vaag of onbesproken. Aan het begin van deze handreiking stellen wij, net als in de Bijbel, het WAT centraal. Voor ons begint geloofsopvoeding met kennis van de Bijbel als Gods openbaring aan de mensen, een openbaring die zijn climax bereikt in het zenden van Gods Zoon, de Here Jezus Christus. In een enkel vers (Hebr. 1:3) wordt een definitie gegeven van wie Hij is en wat Hij heeft gedaan, als Schepper, Verlosser en Voleinder.

Geloofsopvoeding is dus allereerst bijbelcentrisch (kennis van de Schrift als Gods Woord) en christocentrisch (gericht op de unieke Persoon van Jezus Christus). Wanneer men zelf twijfels heeft over de inspiratie of het gezag van de Bijbel, of over de manier waarop erkende geloofswaarheden (zoals de verzoening) worden uitgelegd, kan men de geloofsopvoeding beter aan anderen overlaten. Anders is het voornaamste wat men overdraagt onzekerheid, of een vaag begrip van spiritualiteit, dat jonge mensen dan op hun eigen manier (en meestal verkeerd) invullen.
Het geweten: speerpunt van de geloofsopvoeding
Het speerpunt van de geloofsopvoeding is de vorming en ijking van het geweten, dat dient als Gods monitor. De Engelse, Franse, Latijnse en Griekse woorden voor ‘geweten’ (conscientia, suneidesis) betekenen allemaal: samen-weten. Alle teksten van het Nieuwe Testament leggen uit hoe dit kostbare instrument de mens – christen of niet-christen—bewust maakt van de manier hoe God over de dingen van het leven denkt. Vandaar de oproep om ons geweten zuiver te houden en het niet vanwege de zonde buiten werking te stellen. Het Hebreeuwse woord leb verwijst naar het hart; de Spreukendichter (4:23) zegt ervan: “Bewaar uw hart boven al wat te bewaren is.”

Het geweten maakt ons attent op de morele aard van de dingen die wij (van plan zijn) te doen en weerhoudt ons van onverantwoord handelen. Wanneer wij iets tegen ons geweten indoen, krijgen wij gevoelens van schuld, schaamte of vrees. Karl Barth – die wij lang niet overal kunnen volgen! – noemde het geweten eens: het vermogen om verantwoordelijk te zijn jegens God en de mensen.

Veel stromingen in de opvoeding houden geen rekening met het geweten, maar dat kan leiden tot diepe depressies en zelfvervreemding; de Spreukendichter ons immers aan: “Behoed uw hart boven al wat te bewaren is.”. Het is de primaire taak van de geloofsopvoeding om het geweten te vormen en te voeden naar Gods Woord, door de kinderen zowel besef van God als besef van zonden te leren. Bij sommige kinderen moeten daarbij allerlei beperkingen worden opgeruimd die zijn opgelegd door menselijke tradities, want zij moeten leren staan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt. Andere kinderen moeten er juist op gewezen worden dat er grenzen zijn aan de vrijheid; zij moeten leren omgaan met een vrijheid-in-gebondenheid. Vandaar de noodzaak van een bijbels denkkader, dat wordt opgebouwd vanuit de bijbelse kernbegrippen of –waarden (zie hiervoor ons EDUkatern #1, Opvoeden tot weerbaarheid vanuit het Evangelie).

Geloofsopvoeding vanuit 2 Timotheus 3:15-17
De woorden van Paulus in 2 Timotheüs 3:15-17 zijn van toepassing op allen die vanuit de Bijbel hun kinderen/leerlingen willen onderwijzen in de navolging van Christus. Hieronder volgt een schematische opzet van een pedagogische invulling van discipelschap, uitgaande van de trits Gezin – Kerk – School.

 

Allereerst: tonen van de weg der zaligheid Gezin Kerk School
Dan: om op te voeden en te onderwijzen:

Persoonsvorming:

zich stellen onder-wijzing

Opbouwen van een bijbels denkkader,

zich stellen onder-richting

Gezin Kerk School

School

Dan: Weerleggen: van verkeerde denkkaders,

Weerbaar maken

Corrigeren: terugbrengen op de rechte weg

Gezin Kerk

Kerk

School

Helaas is deze ideale situatie in veel gevallen niet toepasbaar. In dit geval kan een van de andere instanties (een deel van) de functie van de geloofsopvoeding overnemen.

Het doel van de geloofsopvoeding
Blijkens 2 Tim. 3:17 staat Paulus het volgende doel van de geloofsopvoeding voor ogen:
“opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.”
Wij kunnen dit als volgt vertalen naar de opvoeding:

* van het leven kunnen genieten, zonder anderen te beschadigen

* goede relaties met het andere geslacht en zo mogelijk met de peergroep

* weerbaar tegen de sekten, het occulte en New Age

* bestand tegen de bekoring van alcohol, nicotine, drugs, gokken enz.

* in staat om voor zichzelf te zorgen en waar mogelijk anderen te helpen

* betrokken bij het behoud van natuur en milieu

* een goed en kritisch staatsburger

* voorbereid op de toekomst en de ontmoeting met God

* altijd bereid tot verantwoording van de hoop die in ons is.


Kortom, geloofsopvoeding is . . .
. . .
consequent beleven en voorleven wat het geloof in God voor je persoonlijk betekent. Een groot deel van de geloofsopvoeding is non-verbaal, namelijk het voorbeeld van de omgang met God in het dagelijks leven. De verbale geloofsopvoeding: het doorgeven van het geloofsgoed volgens Deuteronomium 6 en 1 Timotheüs 6, heeft dit non-verbale geloofsklimaat als klankbodem. Wanneer ouders of kinderen van elkaar merken dat dit niet klopt, moet dit wederzijds worden erkend en beleden.

. . . een goede band met de kinderen onderhouden, ook al belanden zij thans in een wereld van “goden waarvoor de vaderen niet gehuiverd hadden” (Deut. 32:17). Juist dan moeten ouders en opvoeders hun kinderen niet alleen laten. Dan blijkt vaak dat onze postmoderne tijd weer veel meer lijkt op bijbelse tijden, zoals die in Richteren en Handelingen beschreven zijn.

. . . kinderen leren standhouden in een antithetische situatie. Wij zouden die tegenstellingen liever voor hen uitschuiven naar de puberteit, maar dat is erg moeilijk wanneer zij al op kleuterleeftijd worden geconfronteerd met occulte spelletjes, video’s, boeken en computersoftware. Hierin hebben ouders wijsheid nodig om te onderscheiden tussen datgene waarvan zij de kinderen moeten weghouden en waarvoor zij hen toch–onder goede begeleiding—weerbaar moeten maken.

. . . in de praktijk beleven en doorgeven dat “de Here nabij is”, dat “het Woord nabij is”.

Daarentegen moeten we het occulte herkennen en op afstand houden. Het eerste betekent ook dat wij kinderen voorgaan met Gods Woord, geleid door Gods Geest, te gaan naar de nieuwe tijd, ook en juist als het gaat om krachten en machten en om de toekomst, van de eenentwintigste eeuw.

. . . de bedreigingen in het licht van de grootheid van God vertalen als uitdagingen.

Het grote bijbelse voorbeeld zijn de twaalf verspieders uit Numeri 13 en 14. Zij zagen allemaal zowel de reuzen-mensen als de reuze-druiven. Tien van hen bezweken voor de bedreiging, maar twee zagen die als een uitdaging en mochten als enigen van het miljoenenvolk het beloofde land binnengaan.

. . . samen met de spreukendichter (15:15) zeggen: “Voor de blijmoedige is het altijd feest”. Blijdschap en feest werkt altijd aanstekelijk, niet in de laatste plaats bij kinderen.

“De vreugde van de HERE zal uw sterkte zijn.”

 

Steeds meer ouders komen een keer per week bij elkaar om voor de school te bidden (bij het voortgezet onderwijs ook leerlingen). Een verslag van zo’n gebedsgroep: waarvoor zoal wordt gebeden en hoe dat bij de school leeft.

Op de vraag waarom moeten er gebedsgroepen zijn voor onze scholen, wil ik graag het volgende aan u vertellen. Ik spreek hier over twee christelijke basisscholen. Een aantal moeders die iedere veertien dagen bij elkaar kwamen voor bijbelstudie, bespraken ook eens de situaties op school. Ze kwamen tot de conclusie dat er overal gebedsgroepen voor zijn, maar waarom eigenlijk niet voor de school. Als ouders zijn wij ook verantwoordelijk voor het beleid dat op scholen gevoerd wordt en waarmee onze kinderen (dus wij als ouders) te maken hebben.

Uitgangspunt was dat de bijbel het ons zegt. Bidt voor de hooggeplaatsten en de verantwoordelijken. De Here Jezus leert het ons in Zijn woord. Hij zelf was ook vaak in gebed. Het is dus een soort opdracht.

Waar wordt zoal voor gebeden?
1a. In deze tijd b.v. voor vervanging van (langdurige) zieke leerkrachten
b. Klassen waar onderling problemen zijn met leerlingen

2a. Leerkrachten en hun gezinnen e.v. bijzondere omstandigheden.
b. Gezinnen van leerlingen die in bijzondere omstandigheden verkeren.

3. Voor goede leermethoden die vanuit christelijk fundament ontwikkeld zijn, waarbij occulte zaken worden gemeden.

4. Voor degene die naar een leerkracht toe zal gaan om te vertellen dat er getwijfeld wordt aan de christelijk inslag van b.v. een bepaald boek wat voor gelezen wordt of het gebruik van mandala’s. (Dit wordt als een van de moeilijkste dingen ervaren en is de enige verantwoordelijkheid die de gebedsgroep op zich neemt.

5. Inzicht voor bestuur, directie, leerkrachten en remedial teachers, om in deze tijd ook een duidelijke christelijke visie, geënt op Gods woord, uit te dragen aan de leerlingen en het te volgen beleid.

6. Dat een ieder die direct betrokken is bij de school en bij de leerlingen, een persoonlijke relatie mag hebben met Jezus Christus.


Leeft het bij de school en overige ouders?
Bij de school is het afhankelijk hoe de leerkracht zelf in het geloof staat.
Dit geldt natuurlijk ook voor de ouders. De gebedsgroepjes zijn niet groot, ongeveer vijf personen.
Deze komen echter wel trouw bij elkaar in een huiskamer op een vaste tijd, vaste plaats één keer per vier weken. Van tevoren laat één van de bidders zich door de school op de hoogte brengen van eventuele gebedspunten die vanuit de school komen. In de loop van de tijd is er een open en eerlijk contact ontstaan. Zelfs heeft een van de schoolteams het voorbeeld van de gebedsgroep gevolgd door de handen te vouwen toen zij geen uitkomst in een bepaalde zaak meer zagen. Dit verdient eigenlijk een vervolg.

Voor nieuwe komende bidders wordt uitgelegd hoe de bidstond verloopt zodat men zich snel thuis kan voelen. Per slot van rekening is er één christelijk geloof, maar er zijn wel verschillende kerken en gemeentes met ieder zijn eigen visie en inbreng waaruit de kinderen op deze scholen zitten. De gebedsgroepjes hebben nu ongeveer acht jaar ‘ervaring’ en zien graag dat iedereen zich erin kan vinden. Wel moet duidelijk zijn dat ze beslist niet verantwoordelijk zijn voor situaties, veranderingen e.d. en daardoor ook geen doorgeefluik zijn.


Zijn er gebedsverhoringen?
Ja, ik kan hierover natuurlijk niet inhoudelijk op ingaan, maar men ervoer wel in bepaalde situaties, zowel de school als de gebedsgroepen, een bijzondere soms snelle verandering. Deze wordt toegedacht aan de kracht van het gebed! Want dat is waarvoor wij op de bres moeten gaan.

Gebed voor kracht = kracht door gebed.

 

 

Fantasiereizen zijn niet zo onschuldig als het lijkt: in wezen zijn het hypnose-technieken en technieken van astrale projectie. Ondanks de grote gevaren worden deze in toenemende mate ingevoerd bij het onderwijs, door prof. dr. R. Franzke Ten geleide

Bij de meeste ouders en onderwijsgevenden zal het nog niet bekend zijn: op onze scholen vindt één van de grootste revoluties plaats uit de geschiedenis van het onderwijs! Momenteel worden namelijk allerlei methoden en programma’s van onderwijs ingevoerd, die in de regel volledig onbekend zijn aan de ouders en besturen, en door de leraren veelal niet begrepen worden.
Daartoe behoren ook de zogenaamde fantasiereizen, die zouden dienen tot ontspanning en om kinderen rustig te maken. Hierdoor zouden de kinderen beter gaan presteren en zich beter kunnen concentreren. Hun persoonlijkheid zou zich beter kunnen ontplooien, evenals hun voorstellingsvermogen.

Noot van de vertaler: Over dit onderwerp heeft Bijbel & Onderwijs reeds tal van publicaties het licht doen zien. In een persoonlijk contact met dr. Franzke waren wij beide verrast toen wij ontdekten hoe wij met dezelfde problematiek bezig waren geweest. Prof. Franzke heeft samen met anderen in Duitsland breed onderzoek gedaan en de resultaten ervan gedocumenteerd in diverse boeken en Anti-Okkultismus-INFO’s vastgelegd. Weliswaar gaat het hier om de situatie in Duitsland, maar die komt op tal van punten overeen met de situatie in Nederland en Vlaanderen. Waar nodig, wordt op onze eigen situatie ingegaan.

Wat zijn fantasiereizen?
Fantasiereizen: een onschuldige klinkende naam voor allerminst onschuldige hypnose-technieken. Een vluchtige blik op de hypnose-literatuur toont al aan dat ‘fantasiereizen’ een wetenschappelijke erkende inleiding tot hypnose zijn. Ze worden door hypnotherapeuten gebruikt wanneer zij hun patiënten in een toestand van trance willen brengen. Daarbij moeten de patiënten zich ontspannen en zich voorstellen op een andere plaats (weide, strand, berg) te zijn dan waar zij zich momenteel met hun lichaam bevinden.
Hieruit mag geconcludeerd worden dat met behulp van ‘fantasiereizen’ onwetende en weerloze kinderen en jongeren tijdens hun lessen op school worden gehypnotiseerd resp. gebracht in een toestand van trance, zonder dat hen dit wordt meegedeeld en zonder dat hun ouders en opvoeders hiervan op de hoogte zijn!

Maar fantasiereizen zijn nog veel meer: het zijn technieken van astrale projectie, d.w.z. zij zijn aanleiding tot reizen van de ziel buiten het lichaam (uittredingen) en zelfs tot astrale reizen. Er wordt mee beoogd dat men zijn eigen lichaam verlaat om naar een andere wereld of tijd te vliegen en te reizen.

Wie kennis neemt van de betreffende literatuur van de esoterica (de naar binnen gerichte werkelijkheid), zal het zonder enige twijfel moeten beamen: ‘Fantasiereizen’ zijn in werkelijkheid astrale reizen, d.w.z. reizen die buiten het lichaam plaatsvinden. Dit blijkt ook uit de toepasselijke formuleringen van de auteurs. Wanneer het gaat om de ‘terugreis’, dient men ‘hierheen’, ‘in deze ruimte’, ‘in de groep’ terug te komen, en tegenwoordig schroomt men niet te spreken van ‘in je lichaam terugkeren’. Dat kan immers alleen wanneer je het eerst hebt verlaten! Wij noemen enkele voorbeelden van formuleringen die hierbij worden gebruikt:

  • “En nu keer je weer in deze werkelijkheid en in je eigen lichaam terug”
  • “Kom weer in dit lokaal en je eigen lichaam terug”
  • “Kom terug in je lichaam en let op de verandering”
  • “Keer dan langzaam weer in je lichaam terug, dat je als jouw eigen lichaam beschouwt… Je lichaam wordt lichter, je begint te zweven… En dan, heel langzaam, keer je weer tot de normale lichaamsgrootte terug.
  • “Dan leerde ik om mijn lichaam te beheersen en kon ik snel en langzaam vliegen….
    En je geest kan vrij zweven. Je zweeft deze kamer uit en komt in een andere plaats…

Dat het hier beslist niet om onschuldige ‘fantasiereizen’ gaat, blijkt ook uit de talloze formules die men hanteert (“Je hoeft niet bang te zijn”), evenals uit de zorgvuldige procedure om ‘terug te keren’. Uitdrukkelijk wordt ervoor gewaarschuwd geen fouten te maken en altijd weer langs dezelfde weg terug te keren. Ook de waarschuwing tegen ‘bijwerkingen’ toont aan dat hier nog van alles mis kan gaan.

Wanneer het bij deze ‘fantasiereizen’ werkelijk alleen maar zou gaan om fantasie, waarom wordt er dan zoveel nadruk gelegd op de procedure om terug te keren? Dan zouden de kinderen alleen maar hun ogen moeten opendoen! Maar deze waarschuwing is heel reëel, omdat de gevolgen enorm kunnen zijn, zoals we zullen opmerken bij paragraaf 3.

Overeenkomst met magie, heksencultus en sjamanisme
“Diepe lichamelijke ontspanning, een tot rust gebrachte geest en het verlangen om te reizen, zijn factoren die bij zeer veel succesvolle projecties op de voorgrond staan”
De kunst om het lichaam te verlaten wordt algemeen aan heksen, tovenaars en sjamanen toegeschreven. Inderdaad komt het fenomeen van reizen-buiten-het-lichaam in de literatuur over heksen, magiërs en sjamanen telkens weer aan de orde. Hierin wordt ook verteld wat iemand moet doen die een reis buiten het lichaam wil ondernemen.
Volgens de eigentijdse sjamaan M. Harner is “de sjamaan specialist van een trance waarin zijn ziel het lichaam verlaat, naar de hemel vliegt of in de onderwereld afdaalt.

Franzke’s onderzoek omvat de belangrijkste sjamanen- en magie/heksenliteratuur
Hierin wordt weergegeven op welke wijze sjamanen, tovenaars en heksen buiten hun lichaam weten te treden en hoe zij zich ‘astraal’ kunnen verplaatsen. Hieronder geven wij hiervan enkele kenmerken met het doel om het gebruik ervan in het onderwijs te herkennen, niet om ermee te gaan experimenteren!

  • een rustige plek die wordt verduisterd en waarbij een kaars wordt aangestoken
  • met de groep een kring vormen en dan met de rug op de grond gaan liggen
  • zich makkelijk installeren en zich geheel ontspannen, bijvoorbeeld m.b.v. autogene training, yoga of meditatie

“Hoe meer ontspannen je bent, des te makkelijker zal je de spirituele wereld kunnen binnentreden (Oertli)

  • de zintuiglijke waarneming zoveel mogelijk beperken en zo mogelijk geheel uitschakelen
  • de ogen sluiten (eventueel. blinddoeken) en de oren toestoppen
  • zich diep concentreren op de adem en zijn lichaam bewust waarnemen
  • met behulp van trommelmuziek en/of wierook de geest leegmaken en in zichzelf op zoek gaan
  • het denken uitschakelen en de geest concentreren op één bepaald punt
  • een opening of tunnel visualiseren, bijvoorbeeld met behulp van mandala’s
  • door middel van visualisatie zich voorstellen op een andere plaats te zijn en zich daar te wensen
  • de blik naar boven richten, een mantra chanten en dan . . .

Gevaren en risico’s
Fantasiereizen zijn uitermate gevaarlijk en de zogenaamde droomreizen kunnen ware nachtmerries zijn. Dat blijkt uit de literatuur over dit onderwerp.
De sjamaan Oertli waarschuwt: “Het op onachtzame wijze betreden van de spirituele wereld kan tragisch aflopen. Daar zijn slechte elementen, die in plaats van ons te helpen, ons schade toebrengen. Mij zijn gevallen bekend van mensen die als gevolg van onvoorzichtige contacten, niet in staat waren om in onze wereld terug te keren, arbeidsongeschikt werden en/of zich onder psychiatrische behandeling moesten stellen” …”Zij ontmoeten daar monsters, slangen, spinnen en dergelijke wezens.”(pag.38f, 208)

Iets dergelijks schrijft de magie-deskundige Ulrich: “Astrale wandelingen (kunnen) voor de onwetende zeer gevaarlijk zijn. Alle elementen van laag allooi, zoals demonen, geesten, zwarte magiërs zijn er alleen maar in geïnteresseerd om de zielenkrachten van de nietsvermoedende reiziger af te tappen en die voor hun eigen doelen te misbruiken.”
Brennan wijst erop dat “de esoterische literatuur vol waarschuwingen staat dat (reizen-buiten-het-lichaam) de gezondheid in ernstige mate kunnen aantasten—tot aan hartaanvallen en beroerten toe. In ieder geval is het uiterst onaangenaam.” (pag. 33). Zelf had hij “het gevoel alsof hij waanzinnig zou worden en moest sterven” (pag. 26). Een collega van hem schrijft dat “het een van de meest onaangename en beangstigende ervaringen is geweest die hij ooit heeft gehad.” (pag. 42)

Over de ernstige gevaren van de fantasiereizen en verwijzingen naar de psychiatrie hebben mij ook jarenlange beoefenaars van Transcendente Meditatie bericht. De sjamanen- en heksenliteratuur toont aan dat reizen-buiten-het-lichaam

  • bijna altijd horrortrips zijn, ontmoetingen met agressieve en boosaardige horrorwezens
  • iemand krankzinnig en geestesziek kunnen maken
  • de seksuele driften (van de kinderen!) kunnen stimuleren en vergroten
  • tot doodsvisioenen en zelfs tot de dood kunnen leiden, wanneer het lichaam levenloos achterblijft en de ziel niet meer in het lichaam kan terugkeren.

“Wanneer wij in trance of rituelen onze herinneringsruimten openen, is dat ten dele zeer bedreigend.”

In een heksenboek wordt op de vraag of trancereizen gevaarlijk zijn en of men altijd zonder schade terug kan komen, het volgende vermeld: “Ik zoek de mensen uit waarmee ik zoiets doe. Het is niet voor iemand die psychisch onstabiel is en onder sterke angsttoestanden of depressies lijdt. Het gevaar dat iemand uitflipt, zou ik niet willen provoceren.
Iemand als C. Goldner (‘Psycho’), die grote kritiek op de esoterica heeft en die als volksverlakkerij bestempelt, schrijft over trancereizen: “Als riskant gelden met name cassetten en CD’s, die de esoterische vakhandel over elk denkbaar thema aanbiedt. Wanneer men zulke tapes zonder begeleiding gebruikt … bestaat het gevaar dat men uit de geïnduceerde droom- of waanwereld niet (!!!) of slechts ten dele de weg tot de werkelijkheid terug kan vinden.”

Toepassing in het onderwijs
Niettemin vormen fantasiereizen inmiddels een vast onderdeel van de moderne didactiek alsmede van alle nieuwe programma’s voor het onderwijs, zoals

  • Klasse 2000 (Duitsland!)
  • Lions Quest
  • De school beweegt.

Daarbij leren kinderen om hun lichaam te verlaten, iets wat voorheen aan heksen, tovenaars en sjamanen was voorbehouden, kortom, zij moeten leren ‘vliegen en zweven’ (vgl. Bauer/Behriger)
Dat dergelijke ‘fantasiereizen’ uiteindelijk magische sleutelkwaliteiten zijn, wordt ook door het ministerie voor cultuur, jeugd en sport bevestigd: “Mandala’s en fantasiereizen zijn … enerzijds te beschouwen als deels magische elementen van de traditionele theorie- en zinsystemen, anderzijds horen zij tot het repertoire van de door New Age gevormde en esoterische gedachten en leefwerelden…”(Schulverwaltung BW, 1/99).

In een artikel van het tijdschrift Praxis Schule (juli 1999) hebben feministen duidelijk gemaakt dat ‘de ideale schoolleidster’ in het kader van de moderne ‘geleidecultuur’ aan scholen de techniek van de fantasiereizen moeten bijbrengen en beheersen.
En opdat voortaan geen enkele leerling zich meer aan buitenlichamelijke ervaringen kan onttrekken, wordt alle leerstof geschikt gemaakt voor de computer en in de onmiddellijke toekomst nog slechts in ‘virtuele werkelijkheid’ gepresenteerd. Op die manier worden de kinderen gedwongen om in andere (tover)werelden te duiken, met onwerkelijke fabel- en horrorwezens in contact te treden en te communiceren. Net zolang totdat de leerlingen hun eerste buitenlichamelijke en transcendente ervaringen opdoen, geestelijk in de war raken en (aan deze schijnwerelden) verslaafd zijn geworden.

Dit astrale en esoterische leerprogramma wordt aangevuld met klassikale uitstapjes naar zinparken, zinscholen, fantasieparken en door ministerieel voorgeschreven klassentochten naar de ‘virtuele werkelijkheden’ van de Expo.
Het kan nog erger. Het ziet ernaar uit dat in de toekomst alle informatie alleen nog maar in ‘pakketten’ wordt aangeboden, d.w.z. in een pakket met een occulte of magische praktijk. Thans reeds moeten veel kinderen van de basisschool elke letter die zij in groep 3 leren, in een fantasiereis uit de ‘fantasiewereld’ ophalen.Nu al moeten de gedachten voor klassewerk op een ‘fantasiereis’ in de geest geschouwd en vervolgens opgeschreven worden: Schrijf op wat je (in de ‘fantasiewereld’) hebt gezien, gevoeld, gehoord, beleefd…

Niemand die psychisch gezond is, en zeker geen (op de Bijbel georiënteerde) christen, zal op zo’n ‘fantasiereis’ ook maar iets beleven wat hierop lijkt. Hij zal niets zien, niets horen, niets voelen; hij zal geen ‘innerlijke beelden’ of visioenen krijgen, geen ‘innerlijke stemmen) of audities horen en lichamelijk niets beleven. Wat zou hij dan moeten schrijven, tekenen, berichten? Scholieren zonder die magische vermogens van trance-inductie, astrale projectie en visualisering hebben in de ‘school van de toekomst’ dus geen kans. En toch is er in Duitsland geen enkele pedagoog die deze huidige trend in de pedagogiek met afkeer volgt, terwijl er bijv. in Nederland duizenden ouders een petitie aan het parlement tegen occulte praktijken in de school hebben ondertekend. (dit was een initiatief van Bijbel & Onderwijs)

Aanbevelingen
a. In de eerste plaats: Maak uw kind geestelijk weerbaar door het tot onze Heiland te leiden, zodat het een discipel van Jezus Christus wordt.” In moderne taal gezegd: “Zorg dat het kind de Here Jezus als zijn Gids heeft.”

b. Houdt uzelf en uw kinderen verre van alle vormen van fantasiereizen. Onschuldige fantasiereizen bestaan niet en je kunt er ook niet ‘op verantwoorde manier mee omgaan’. Ook niet wanneer duizenden psychologen, psychotherapeuten, hypnosedeskundigen en esoterici het tegendeel beweren.
Het hele uitgangspunt is in wezen vals en verwerpelijk. Na enige oefening voeren fantasiereizen

  • tot een veranderde, tranceachtige bewustzijnstoestand
  • tot buitenlichamelijke ervaringen (uittredingen)
  • tot contacten en communicatie met onzichtbare wezens en machten, en tenslotte
  • tot bovennatuurlijke bekwaamheden.

Dergelijke praktijken horen niet in de school thuis. Zij zijn in strijd met het recht en de wet op grond van:

  • de plicht van de overheid om qua wereldbeschouwing en religie neutraal te zijn
  • de menselijke waardigheid
  • het principe van tolerantie en het respecteren van andersdenkenden
  • de vrijheid van geloof, van geweten en van godsdienst
  • allerlei bestaande nationale (onderwijs) wetten en gemeentelijke verordeningen

In een vrije samenleving mag niemand gedwongen worden om zich te laten hypnotiseren en/of de (quasi) rituelen van magie, sjamanisme en die van het Verre Oosten te beoefenen.
Daarom aarzelen we niet om fantasiereizen een vorm van geweld tegen onwetende en weerloze kinderen te noemen. Het is een vorm van geweld tegen de ziel en een wederrechtelijke aantasting van de persoonlijkheid en mensenrechten van de kinderen. Ouders en onderwijsgevenden dienen te beseffen dat tegen aantasting van het leven en de vrijheid een recht op noodweer bestaat.

 

 


Feitengevolgen voor normen en waarden

INHOUD

Inleiding

1. Het probleem

2. Onjuistheden in de schoolboeken

3. Een uitdaging voor de jeugd: logisch denken!

4. Wat zijn de gevolgen

5. De kern van het probleem

6. Eindconclusie

Verklaring van enkele gebruikte termen

Nu volgt een gedeelte uit de brochure “Evolutie”

INLEIDING

IS DAT ZO??

De Nederlandse overheid is ervan overtuigd dat de evolutietheorie bewezen is. Daarom is de leerstof over evolutie verplicht gesteld. In deze brochure wordt nagegaan of dat uitgangspunt juist is. Een aantal zaken dat in schoolboeken over de bovengenoemde theorie wordt vermeld, zal door ons nader bekeken worden. Verder wil B & O de aandacht vestigen op de samenhang die bestaat tussen de evolutieleer en “waarden en normen”.

Ten aanzien van schepping/evolutie gaan we van de volgende punten uit.

• Noch schepping, noch evolutie is natuurwetenschappelijk te bewijzen.
• Betreffende de oorsprong van de mens gaat het om een keuze tussen twee geloven: geloof in de schepping of geloof in de evolutie.
Uiteraard heeft de keuze consequenties.
• Door de overdracht van het evolutiemodel wordt leerlingen een bepaald mensbeeld (reductionistisch materialistisch) bijgebracht. • In het onderwijs dient ook het bijbelse catastrofemodel gepresenteerd te worden.

1. HET PROBLEEM: DE OORSPRONG VAN DE MENS

Met evolutie bedoelt men een geleidelijk proces waarbij een steeds hogere chemische en biologische ordening en zelfs intelligentie ontstaat. Dat proces zou begonnen zijn met de vorming van het heelal door de “Big Bang” (grote knal). De evolutietheorie veronderstelt dat het leven op aarde als volgt is ontstaan:

  • uit atomen ontstonden eenvoudige moleculen,
  • deze eenvoudige moleculen reageerden met elkaar tot meer samengestelde moleculen,
  • door toeval ontstond zo genetisch materiaal,
  • daardoor konden eenvoudige cellen groeien,
  • deze levende cellen ontwikkelden
  • zich gedurende miljoenen jaren tot de huidige, levensvormen, o.a. de mens.

Op scholen, universiteiten, in tv-programma’s en boeken gaat men er vanuit dat we een evolutionaire oorsprong hebben en is op grond daarvan een evolutietheorie opgesteld. Er is echter een groeiend aantal geleerden dat vraagtekens plaatst bij die theorie. We gaan, zoals in de inleiding vermeld wordt, schoolboeken kritisch bekijken.

2. ONJUISTHEDEN IN DE SCHOOLBOEKEN

2.1 De ontwikkeling van het embryo zou herhaling van de evolutie aantonen.

In een schoolboek kan men bijvoorbeeld lezen:“In de afbeelding zijn steeds drie stadia uit de embryonale ontwikkeling van vijf gewervelde dieren en de mens getekend. Door de overeenkomst in de eerste stadia van de embryonale ontwikkeling wordt het aannemelijk dat deze gewervelde dieren een gemeenschappelijke voorouder hebben.”

De werkelijkheid ziet er echter heel anders uit, zode als te zien is op de foto van de rij embryo’s in het beginstadium:
Duidelijk is te zien dat de figuur uit het schoolboek niet is gebaseerd op de werkelijkheid maar op tekeningen van Haeckel uit de 19e eeuw. Deze tekeningen van Haeckel zijn bedrog, zoals onlangs nog eens weer vermeld is in het toonaangevende blad “Science” (zie voetnoot). De gekleurde weergave in het schoolboek versterkt het idee van echtheid en werkt daardoor de misleiding in de hand. De embryo’s lijken in het geheel niet op elkaar en kunnen dus ook niet wijzen op een gemeenschappelijke voorouder.

Literatuur: Elizabeth Pennisi, ‘Haeckel’s Embryos: Fraud Rediscovered’, Science 277(5331):1435, September 5, 1997.
‘Embryonic fraud lives on’, New Scientist 155(2098):23, September 6, 1997.

2.2 Rivierdalen zouden gevormd zijn gedurende miljoenen jaren

Een schoolboek vermeldt bijvoorbeeld als vaststaand feit:“De rivier de Colorado begon zich pas 65 miljoen jaar geleden in te snijden in de gesteenten. Dat kwam, doordat het gebied langzaam omhoog werd gestuwd. De stroomsnelheid nam toe en de erosie werd sterker. Zo werd de Grand Canyon uit de oudere gesteenten geschuurd.”

Wat niet vermeld wordt:
De bewering in het schoolboek is gebaseerd op het in de 19e eeuw geformuleerde ‘uniformiteitsprincipe’, dat stelt dat de snelheid van geologische processen in verleden en heden altijd hetzelfde zijn geweest. De dikke lagen gesteenten zouden in de loop van miljoenen jaren afgezet zijn en vervolgens zou de Grand Canyon daarin uitgeslepen zijn.
Het probleem is, dat water niet gelijktijdig kan meanderen (slingeren) en vast materiaal doorsnijden. Immers, een rivier meandert, doordat het zachte materiaal wijkt voor de druk van het water, iets wat ook waar te nemen is aan de stromingspatronen van regenwater op een zandheuvel. De Grand Canyon is niet alleen diep, maar meandert ook. Dit wijst erop dat deze canyon gevormd werd toen de lagen nog betrekkelijk zacht waren en dat de Grand Canyon onder bv. catastrofale omstandigheden, waarbij de erosie enorm versneld is, in hoog tempo gevormd is.

Dat is niet in overeenstemming met wat in het schoolboek staat over miljoenen jaren.

(zie http://www.creationism.org/topbar/grandcanyon.)

2.3 Gesteentelagen zouden wijzen op honderden miljoenen jaren

In een schoolboek lezen we bijvoorbeeld:
“De sedimentlagen zijn zeer geleidelijk afgezet gedurende vele miljoenen jaren.”
Er zijn aanwijzingen van het tegengestelde: namelijk dat lagen in korte tijd afgezet werden.

De afgebeelde fossiele (versteende) bomen lopen door meerdere gesteentelagen heen, die van elkaar verschillen. Sommige bomen steken zelfs ondersteboven of in vallende toestand door de lagen heen. Dit is moeilijk te verklaren volgens het gangbare evolutiemodel dat veronderstelt dat de sedimentlagen na elkaar gedurende miljoenen jaren gevormd zijn.

Dergelijke fossielen zijn echter eenvoudig te verklaren, door aan te nemen dat de bomen tegelijk met de overige materialen (zand, kalk, modder of klei) aangespoeld zijn tijdens een enorme natuurramp en vervolgens samen met de sedimenten versteend zijn. (Een bijbelgelovige ziet hierin een duidelijke aanwijzing voor de zondvloed).

Dergelijke fossielen noemt men polystrate fossielen (meerdere-lagen fossielen).

(zie http://www.apologeticspress.org/rr/rr2000/r&r0012b.html)

http://www.icr.org/pubs/imp/imp-316.

2.4. Fossielen zouden evolutie aantonen

In een schoolboek staat bijvoorbeeld: “veel aanwijzingen over de evolutie van het leven op aarde heeft men verkregen door fossielen te bestuderen. Fossielen zijn overblijfselen of resten van planten en dieren die geconserveerd zijn in steenafzettingen”.
Volgens de evolutieleer is er een ontwikkeling van minder complexe levensvormen naar meer complexe. Daarop baseert men de veronderstelling dat lagen met minder complexe levensvormen ouder zijn dan lagen met meer complexe levensvormen. Van speciaal belang daarbij zijn de gidsfossielen. Dat zijn fossielen van planten of dieren waarvan wordt verondersteld dat ze slechts gedurende een bepaalde periode geleefd hebben en dus kenmerkend zijn voor de laag waarin ze voorkomen en daardoor (relatieve) datering van de afzetting mogelijk maken.

Enkele feiten

De meeste fossielen zien er uit als schepsels die tegenwoordig nog leven: mosselen, slakken, zeesterren, enz.
Af en toe ontdekt men echter ‘levende gidsfossielen’: planten of dieren die voorheen alleen als gidsfossiel bekend waren en waarvan plotseling levende exemplaren opduiken. Deze gidsfossielen worden daarmee onbruikbaar voor de datering van gesteenten. Tot 1938 werd bijvoorbeeld een laag waarin een fossiele Coelacanthus gedateerd op 70 tot 220 miljoen jaar oud was, omdat deze vis uitsluitend in die periode werd geacht voor te komen…..totdat men in 1938 en ook daarna levende exemplaren van deze soort aantrof in de buurt van Madagascar! Dergelijke vondsten doen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de datering van gesteenten door middel van gidsfossielen.

Er is ook een heel andere verklaring mogelijk voor de opeenvolging van fossielen in de gesteentelagen door uit te gaan van de wereldwijde catastrofe die in de Bijbel beschreven staat als de zondvloed, die grote modderstromen tengevolge gehad zal hebben. Eerst worden de zwakke weekdieren bedolven. Landdieren zullen het stijgende water zo lang mogelijk ontvluchten door hoger te klimmen en de mens, als intelligent wezen, zal middelen gebruiken om zo lang mogelijk boven water te blijven.

Boeken met een twee-modellen benadering:
Twee modellen; R.B.Bliss. distributie Novapres ISBN 9063960018
Oorsprong van het leven; R.B.Bliss, G.A.Parker. distributie Novapres ISBN 907004823X
Fossielen, sleutels tot het heden R.B.Bliss, G.E.Parker, D.T.Gish . Distr.Novapres ISBN 9063960026

2.5. Feilloze ouderdomsbepalingen.

Behalve de relatieve datering van een gesteente met behulp van gidsfossielen, heeft men ook de beschikking over radioactieve dateringsmethoden. Bij deze dateringsmethode maakt men gebruik van het verschijnsel dat radioactieve stoffen (bv. uranium) in de loop der tijd spontaan uiteenvallen. Hoe minder van de oorspronkelijke stof over is, des te langer heeft het vervalproces geduurd. Uit de overgebleven hoeveelheid radioactiviteit berekent men dan een zogenoemde absolute ouderdom. Schoolboeken gaan er van uit dat ouderdomsbepalingen via radioactiviteitmetingen een absoluut juiste datering geven.

Er wordt iets vergeten:

Er wordt vergeten de randvoorwaarden er bij te vermelden. We nemen als voorbeeld de radioactieve datering volgens de kalium/argon-methode, die gebruikt wordt voor datering van stollingsgesteente. Radioactief kalium (het “moederelement”) gaat langzaam over in radioactieve “dochterelementen”, o.a. het gas argon. Hoe ouder het gesteente is, des te minder radioactief kalium en des te meer radioactief argon er zal zijn. De verhouding tussen de hoeveelheden radioactief kalium en argon kan men meten. Vervolgens trekt men deze waarde door naar het tijdstip waarop alleen radioactief kalium aanwezig was. Op deze wijze dateert men stukjes lava (een stollingsgesteente) die in een sedimentgesteente gevonden worden en vervolgens stelt men daarop de ouderdom van de laag vast.

Aan deze methode kleven minstens drie bezwaren:

1. Men weet niet hoeveel argon-40 inde lava aanwezig was, toen het gevormd werd (toen het stolde). Deze hoeveelheid wordt berekend uit de aanwezige hoeveelheid argon-36. Bij die berekening gaat men er van uit dat de verhouding argon-36 tot argon-40 bij het stollen van de lava gelijk was aan die in de atmosfeer destijds en dat die verhouding in de atmosfeer nu nog hetzelfde is.

2. Aangenomen wordt dat de vervalsnelheid van kalium-40 al die miljoenen jaren gelijk gebleven is.

3. Een derde veronderstelling, waarvan uitgegaan wordt bij radiometrische datering is dat het systeem “gesloten” geweest is, sinds het gesteente gevormd werd. Dat wil zeggen er kwam niets bij en er verdween ook niets uit het gesteente (door bijvoorbeeld regenwater).

Illustratie van de dateringsmethode met radioactieve stoffen.
Je kunt alleen berekenen hoe lang de kraan heeft gestroomd. (1) als je weet hoeveel water er aan het begin in de bak zat, (2) als de kraan altijd even snel heeft gestroomd, en (3) als het systeem altijd ‘gesloten’ is geweest, dwz. als er geen water in of uit is gelekt.

Figuur naar: Hobrink; Evolutie, een ei zonder kip. Uitg.Gideon ISBN 9060673387

2.6. Homologe (overeenkomstige) organen zouden wijzen op evolutie.

In een schoolboek kunnen we lezen: “Behalve fossielen zijn er nog andere argumenten voor de evolutietheorie. Er bestaan veel overeenkomsten tussen verschillende soorten organismen. Je ziet in de .guur dat de beenderen in het skelet grote overeenkomst in bouw vertonen. Deze dieren hebben dan ook waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder gehad”.

De jeugd wordt op een dwaalspoor gezet!

Een dergelijke overeenkomst hoeft niet te beteken dat er een afstammingsrelatie bestaat tussen deze dieren en de mens. Het kan even goed wijzen op een ontwerper die voor elk schepsel hetzelfde basisbouwplan heeft gebruikt., Een auto-ontwerper kan ook steeds van eenzelfde basisontwerp uitgaan: elke auto heeft (4) wielen, en een aandrijvingsysteem.

Beoordeling van de evolutieleer in de schoolboeken

De schoolboeken brengen de evolutieleer als vaststaand feit en presenteren dit met onvolledige en zelfs onjuiste gegevens uit het verleden en onlogische redeneringen. Wat moeten de leerlingen nu geloven?

 

 

Francis A. Schaeffer (1912-1984) was een Amerikaanse theoloog en filosoof, die na de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland met zijn vrouw Edith het l’Abri-werk startte, dat al geruime tijd ook in Nederland aanwezig was. Schaeffer begon als agnost, maar vond in de Bijbel de antwoorden op de grote levensvragen. Al lezend kwam hij tot bekering en volgde een studie theologie. Hij werd predikant in de Presbyteriaanse kerk, maar liep daar al snel tegen het moderne relativiteitsdenken op, dat hij met alles wat in hem was bestreed. Deze harde strijd vervreemdde mensen van elkaar, wat hem grote persoonlijke problemen opleverde. Hij verhuisde naar Europa, waar hij een taak zag in het verscheurde en ontredderde werelddeel. Schaeffer had ervaren dat alleen de Schrift, het evangelie, de antwoorden heeft op de bangste vragen. De Amerikaanse kerkstrijd bracht Schaeffer tot de erkenning dat Gods waarheid alleen tegelijk met zijn liefde moet worden gepraktiseerd en dat die combinatie alleen in de kracht van de Heilige Geest stand kan houden. Deze ervaring en dit inzicht begon hij in woord en geschrift uit te dragen, wat hem in de ogen van de strijdende kerkelijke partijen tot een verrader maakte. Hij werd ontslagen, zijn salaris werd ingehouden. Vanaf dat moment besloten hij en zijn vrouw, zich alleen op God te verlaten en uit Zijn hand te leven, omdat God de Levende is. Zo ontstond l’Abri, waar ieder welkom is die vragen of problemen heeft met betrekking tot het christelijk geloof en zijn consequenties in de breedste zin.

Schaeffers uitgangspunt was dat de westerse cultuur God heeft afgezworen en om die reden ook de hoop heeft opgegeven om tot eenheid van kennis te komen. Wie dit opgeeft, komt “onder de lijn van de wanhoop” en moet leven in tegenstrijdigheden. Schaeffer heeft velen ervan doordrongen, dat de Bijbel waarheid spreekt over alle terreinen van het leven: schepping, mens, kosmos en geschiedenis, over de hele realiteit en dat het loslaten van die waarheid de grote bron is van de verscheurdheid, het relativisme en de wanhoop van de “moderne mens”. Elke keer was het voor hem een vreugde als in gesprek en (soms) debat bleek dat de Bijbel volledig rechtop blijft in de confrontatie met alle denksystemen ter wereld. Schaeffer voorzag, dat het verder loslaten van de Bijbel zou leiden tot het vervagen van het onderscheid tussen werkelijkheid en fantasie. Onze tijd vertoont daarvan alle tekenen. De laatste maanden van zijn leven heeft de doodzieke Schaeffer nog verscheidene Amerikaanse universiteiten bezocht met zijn boodschap van de dreigende “Evangelical Disaster” (de evangelikale ramp), nl. het loslaten van de volledige grammaticale, letterlijke lezing van de Bijbel als de onwankelbare bron voor geloof, leven en kennis.

De situatie op Harvard en andere universiteiten

De Harvard universiteit is in 1636 opgericht met als devies: “Voor de glorie van Christus”. Daar leek de laatste tijd niet veel meer van over te zijn. Godloochenaars en christenhaters, als wijlen prof. Stephen J. Gould, zetten de toon. Op vrijwel alle Amerikaanse universiteiten bepaalt een kleine atheïstische elite toon, sfeer en inhoud van het onderwijs. Onder meer door hun werk werd “wetenschap” gelijk aan evolutionisme, werd Bijbelse chronologie tot miljarden jaren, werd zin en doel vervangen door libertinisme (= doen waar je zin in hebt).

Toch bestonden er op Harvard en vele andere universiteiten actieve groepen christenstudenten en wetenschappelijke medewerkers, die door bijbelstudie en onderling pastoraat een tegenwicht vormden. Maar ze bereikten niet de niet-christenen en de wetenschappelijke staf, waardoor hun invloed op de inhoud van het wetenschappelijk onderwijs vrijwel nihil was. Voor velen was deze situatie een doorn in het oog.

Kelly Monroe en de hooploosheid

Een jonge vrouw, Kelly Monroe, werd de grote inspirator en katalysator van een heilzaam veranderingsproces. Na enkele andere studies volgde zij een opleiding aan de theologische faculteit van Harvard en werd daar getroffen door de geestelijke leegte in die wereld. De totale hoop-loosheid, het grote aantal zelfmoorden, de algemene desinteresse in de studies, juist in een instituut dat de opvoeders van de volgende generaties opleidt, troffen haar zo diep dat zij, om haar geloof te bewaren, afhaakte en naar huis ging, maar zij kwam op verzoek van vrienden terug als ‘chaplain’ aan die faculteit. Via gesprekken met velen over hun zoektocht naar een leven vol hoop, zin en doel moedigde zij studenten, afgestudeerden en professoren aan om op te schrijven, hoe hun levensverhaal hen had geleid om de waarheid te vinden in de persoon van Jezus Christus. Niet de waarheid van religie of wat ook, maar de waarheid van het Leven, met alle aspecten, ook het wetenschappelijke aspect. Het uiteindelijke streven is, om ook het onderwijs aan de universiteiten weer onder het beslag van Christus te brengen. De crisis in onze cultuur kan niet worden gekeerd of we moeten de toekomstige opvoeders opvoeden in Christus. En de universiteit is hiervan het brandpunt.

Veritas

Deze groep christenen daagde hun eigen wetenschappelijke gemeenschap uit om hun plek aan de rand te verlaten en naar voren te komen om de moeilijkste vragen over leven en waarheid onder ogen te zien. De vorm van een ‘forum’ werd geschikt gevonden om dat te doen. Vanaf 1992 bestaat zo het “Veritas Forum” (= forum van de waarheid). Samen met anderen schreef Kelly een boek (‘God vinden op Harvard’) waarin ze hun persoonlijke vragen, lijden, zoektochten en ontdekkingen deelden met de Harvard-gemeenschap. Onlangs verscheen een vervolg (‘God vinden buiten Harvard’), waarin de geschiedenis van deze beweging door Kelly Monroe wordt geschreven. Op de meeste Amerikaanse universiteiten bestaat nu zo’n Veritas Forum.

Schepping – Bijbel – Christus

Een grote persoonlijke teleurstelling stelde Kelly voor het dilemma of ze iemand wilde vergeven die haar groot leed berokkend had. Door dat te doen, ervaarde ze de vrijheid die Jezus Christus geeft en ook acute genezing van een slopende ‘ziekte van Lyme’. In de loop van de tijd werden drie woorden belangrijk voor dit werk: Schepping – Bijbel – Christus. In deze volgorde. Zij ontdekte dat intellectuele en zelfs dieprakende gesprekken en discussies altijd ‘iets’ misten, iets dat wezenlijk is en dat ontbrak, iets dat richting geeft aan gesprekken en deze inkadert en dat vrijwel altijd verhinderde dat er werd doorgestoken naar echte achterliggende vragen. Door haar eigen liefde voor de schepping, als gave van God, kende ze de grenzeloze dankbaarheid en vreugde van alleen en met anderen in die schepping bezig te mogen zijn, in wandelen en trekken, skieën, bergtochten, het banjeren langs het strand en door schorren en slikken, het zitten kijken naar zich ontwikkelend onweer, een ondergaande zon en het verschijnen van de sterren. Ze merkte hoe juist deze ervaring als een vreugdevolle ruimte om je heen staat. Juist daarbinnen komen dan de echte vragen in het goede kader te staan. Zo onmiskenbaar is Gods ontzagwekkende intelligentie, zijn onmetelijke kracht, dat je alleen maar diep onder de indruk kunt zijn van deze grootsheid en schoonheid en op je plaats wordt gezet ten opzichte van deze Schepper.

Dan komen de vragen over de Bijbel als bericht van God aan ons ook in het juiste perspectief te staan. Zou die God die dit alles bedacht, ontwierp, tot werkelijkheid deed worden en het van moment tot moment onderhoudt, niet in staat zijn om ons in gesproken en beschreven taal mee te delen wat Hij aan ons kwijt wil? Die vraag is dan al beantwoord. Het is vanaf dat ogenblik geen interessante religieuze vraag meer, maar iets dat ons in ons diepste wezen raakt. We moeten er iets mee. Je kunt dit boek alle vragen stellen, het is open daarvoor. Kelly Monroe zegt daarover: “Eén boek komt dan als geen ander naar voren als het om waarheid gaat. De Bijbel beschrijft met snijdende precisie mijn menselijk hart, mijn angst en de grootspraak van de mens zonder God. De Bijbel maalt niet om vage spiritualiteit, menselijke mythologie, maar biedt kracht voor een werkelijk en overvloedig leven.” Zij zegt dit vanuit eigen overvloedige ervaring. Zij zegt ook: “Het is ook het enige boek dat de wereldgeschiedenis omspant vanaf het prille begin tot het grandioze einde!”

Het derde woord is: Christus. In Hem komen al de genoemde dingen samen. In Hem wordt met explosieve kracht Gods Waarheid duidelijk. Zoals de Bijbel zegt (Efez. 1:10), dat alles onder één hoofd, onder Christus, zal worden bijeengebracht. Eén van de regels van Harvard luidt: “…laat iedere student overwegen dat het hoofddoel van zijn leven en studie is om God te kennen, Jezus Christus, Die het eeuwige leven is…”. Dat was in de wetenschappelijke praktijk totaal uit zicht geraakt.

Schaeffers onderwijs keert terug

In dit Veritas werk komen Schaeffers inzichten, maar dan toegespitst op de wanhoop van onze tijd, opnieuw aan de orde: het moderne denken vervreemdt niet alleen van God, maar daarmee ook van de realiteit, ook van de echte rede (Schaeffer: Escape from reason). Het is dan ook niet vreemd dat verschillende mensen uit Schaeffers omgeving ook hier weer opduiken, o.a. Os Guinness1.

Ook in Nederland?

Binnen deze context wordt het wetenschappelijke debat op een heel ander niveau gevoerd. Schepping, Bijbel en Christus zijn nu uitgangspunten in plaats van op timide manier te verdedigen zaken. Natuurlijk gaat dat niet zonder slag of stoot. Satan geeft zijn zo mooi gewonnen prooi zo maar niet uit handen, maar Jezus heeft hem overwonnen en dat is te merken!!! Veritas Forums worden in toenemende mate ook op buitenlandse universiteiten gestart en ook in Nederland broedt er al het een en ander. Op 20 april 2007 werd in de EO-kapel in Hilversum een bijeenkomst georganiseerd om te zien of Veritas ook in Nederland vruchtbaar kan zijn. We hopen daarover meer te horen.

Rinus Kiel

1 Eén van zijn boeken heet: ‘Tijd voor de waarheid’ met als ondertitel: ‘Onafhankelijk leven in een wereld van leugens, hypes en rumoer’.

 

Niet echt mooi om te zien, wel apart

De laatste tijd kom je ze steeds vaker tegen en in veel winkels worden ze te koop aangeboden: dromenvangers. Ze zijn er in allerlei vormen en maten. Ze worden veel als cadeau gegeven. Ze zien er wel min of meer grappig uit. Op veel scholen mogen de kinderen ze tijdens een les maken. Is een dromenvanger ‘gewoon’ een onschuldige decoratie of zit er meer achter? Op het eerste gezicht vond ik ze niet mooi om te zien, maar wel apart. Dat is natuurlijk een kwestie van smaak. Toen ik voor het eerst een dromenvanger zag, dacht ik: “Wat een raar ding!” Er kwamen toen vragen bij mij op.

Wat is een dromenvanger?

De naam geeft het voorwerp een extra lading. Waarom geef je zo’n voorwerp die naam? De naam suggereert dat het met dromen te maken heeft en dat riekt naar verborgen, bovennatuurlijke en/of occulte bezigheden.

Herkomst

Als je de herkomst nagaat, worden er twee volkeren genoemd: de (Amerikaanse) Indianen en de (Australische) Aboriginals. Hoewel de mythe bij de Aboriginals anders is, hebben zij wat betreft de dromenvangers hetzelfde principe en dezelfde doelstelling.

Beide culturen bezitten van origine een zeer complexe godsdienst, waarbij zij geloven dat de ‘natuur’ verweven is met de geestenwereld (hun goden). De godsdienst speelt een belangrijke rol in het dagelijks leven.

Het jaar werd verdeeld en bij elk deel hielden zij ceremoniën met het doel de geesten voor hun hulp te bedanken. Hierbij vereerden zij het land, dat in hun geloof, evenals het leven, heilig is.

Wat doet een dromenvanger?

Beide culturen geloofden dat de goden (of de geesten van de voorouders) hun boodschappen konden doorgeven. Zij gingen er vanuit dat dit onder andere via dromen mogelijk was. De inhoud van de dromen waren voor hen erg belangrijk. Naast hun geloof in ‘goede geesten’ geloofden zij eveneens in ‘kwade geesten’.

Als wij verband tussen deze ‘geesten’ en dromen leggen, dan kunnen wij ons een voorstelling maken dat een nachtmerrie daarom door hen heel anders wordt uitgelegd dan door ons. Goede dromen waren volgens hen afkomstig van goede geesten of goden en kwade, nare dromen van de boze geesten. Om die boze dromen te weren, gebruik(t)en zowel de Indianen als de Aboriginals dromenvangers.

De werking

De (occulte) ‘werking’ van de dromenvanger is als volgt te omschrijven. Een dromenvanger hangt per definitie boven de slaapplaats van de eigenaar. Dromen waarvan zij zeggen dat het boodschappen van geesten/goden zijn (!), ‘vliegen’ gedurende de nacht door de lucht op zoek naar hun doel (de mens). De dromenvanger vangt alle dromen, maar fungeert volgens hen als een soort membraam die de goede dromen ongehinderd doorlaat en de eigenaar bereikt. De goede droom verlaat het ‘vangnet’ via de veren die er aan zitten, of via de draden met kralen en dergelijke die er aan hangen. De goede dromen vallen zodoende op de slapende persoon.

De dromenvanger is voor hen een soort ‘wachter voor de nacht’. De kwade, nare dromen worden uit de lucht gefilterd. Die dromen worden ‘gevangen’ in het web van de dromenvanger. In de ochtendzon verbranden deze kwade dromen, zodat ze de rust van de persoon niet verstoren. Het bezitten van een dromenvanger is voor hen daarom heel belangrijk. Zodra er bijvoorbeeld een baby wordt geboren, schenkt men er al één aan het kind. De ouders geloven dat zij hiermee hun geliefde kind een ‘vredig’ begin van zijn (nachtelijk) leven bieden.

Rituele inzegening

De mensen maakten deze dromenvangers veelal zelf en gebruikten daarvoor (en hoe kan het anders) materieel uit de natuur. Soms deed de sjamaan dat, want de vanger moest  door hem ritueel ingezegend worden.
Er zijn diverse firma’s die handig op de nieuwe hype inspelen. Zij stellen dat een in de fabriek gefabriceerde dromenvanger geen spirituele werking heeft. Zij bieden een met de hand vervaardigde dromenvanger aan die uit speciale materialen samengesteld is.

Een ritueel (dit is occult!) ingezegend voorwerp is een voorwerp dat aan demonen gewijd is.  De vraag is dus: “Waar stelt men zich voor open?” Wil een christen een voorwerp in zijn bezit hebben, dat in de afgodendienst gebruikt kan worden en waarvan God zegt dat het een gruwel is?

Afwijzing!

Inmiddels zijn er een paar dingen genoemd waarvan een christen afkeer zou moeten hebben. Graag wil ik ze nog even op een rijtje zetten.
– Dromen zijn boodschappen van (overleden) voorouders of goden.
– De natuur is een onderdeel van de religie/godsdienst die als god vereerd wordt.
– Niet de levende God is de Wachter over ons, maar een ‘dode’ dromenvanger.

De conclusie is dus afwijzend, omdat het in huis hebben van occulte voorwerpen of zaken die aan de afgoden gewijd zijn voor God geestelijk overspel is.

T. H. Ligtenberg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Acht stellingen die we op grond van de bijbel geloven en niet geloven.  

1. We geloven,
dat engelen door God geschapen wezens zijn met een eigen wil en persoonlijkheid (Joh. 1: 3, Hebr. 1: 6, Col. 1: 16).

We geloven niet,
dat engelen geen werkelijke wezens zijn, maar slechts een metafoor van goed en kwaad.

2. We geloven,
dat de bijbel slechts twee groepen engelen (geestelijke wezens) onderscheidt: de gevallen engelen, waarvan Satan oorspronkelijk de hoogste in rang was en de engelen die voor altijd trouw aan God zijn gebleven (Ez. 28, Jes. 14: 11-14). De duivel of Satan en zijn handlangers gaan zowel bruut (als een leeuw, 1Pet. 5: 8) ,als verleidelijk (als een vermomde engel van het licht, 1 Cor. 11: 14) te werk.

We geloven niet,
dat er een ‘grijs’ gebied is, waarin engelen nu nog voor of tegen God kunnen kiezen, of waarin mensen ‘neutraal’ met onzichtbare machten contact kunnen maken.

3. We geloven,
* dat de oude natuur van de gevallen mens een aanknopingspunt is voor de verzoeking en beïnvloeding door de machten der duisternis. Door het verzoenend offer van Jezus Christus kan de persoon die zich aan Christus heeft overgegeven uit genade en geloof weer met God leven door de Heilige Geest en het Woord van God (1 Cor. 2: 13 -15).

* dat de bijbel de verering en aanbidding van engelen als bemiddelaars afwijst (Col. 2: 12, Op. 19: 10, Op. 22: 9)

We geloven niet,
* dat gevallen geesten alleen in de perceptie van mensen bestaan en dat ze in werkelijkheid geen contact maken met mensen.
* dat contact of hulp van heilige engelen gezocht moet worden.

4. We geloven,
* dat gevallen engelen (demonen) mensen willen en kunnen verwarren,  misleiden en psychisch en geestelijk ruïneren (2 Cor. 4: 4, 2 Cor. 11: 3).  We betreden het terrein van toverij, als we met behulp van de gevallen geestelijke wereld natuurlijke en bovennatuurlijke dingen gaan manipuleren (Lev. 19: 31, 20: 6, 27, Deut. 18: 9 -14, Hand. 13: 6 -10, Hand. 8: 9 -24). De bijbel roept ons op de geestelijke wapenrusting op te nemen (Ef. 6: 10 -20), de duivel in geloof te weerstaan (1 Pet. 5: 8, 9).
* dat de engelen die de Schepper trouw gebleven zijn – hoewel zij dienende geesten zijn – zich niet door mensen laten manipuleren, maar hun opdrachten slechts van de Schepper ontvangen.
* dat een heilige engel (= bode) door God uitgezonden wordt (Hebr. 1: 14) en Zijn Woord volvoert (Ps. 103: 20).
* dat er geen enkele aanwijzing en geen enkel voorbeeld van een gebed van een mens tot God met hulp van engelen is.
* dat de heilige engelen die God met een opdracht stuurde, de gestalte van een mens aannamen, zodat communicatie mogelijk was (Gen. 18: 1 – 15, Gen. 19, Richt. 13: 1 – 21).
* dat slechts de gevallen engelen zich door mensen laten bevragen en aanbidden en daarop wonderen kunnen verrichten, die echter alle uiteindelijk de vernietiging van de mens en de schepping tot doel hebben.

We geloven niet,
dat de invloed van gevallen engelen op de mens, slechts een hersenspinsel of een metafoor voor angst is, maar dat het gaat om een reële strijd tussen licht en duisternis, tussen leven en dood.

5. We geloven,
dat vooral de christenouders, -leerkrachten en -voorgangers de taak hebben om kinderen te beschermen, te leren, te waarschuwen en op te voeden en voor te leven,  hoe ze met de (gevallen) geestelijke wereld  moeten omgaan (Deut. 6: 4 – 9, Ef. 6: 1,2).

We geloven niet,
* dat kinderen zelf mogen experimenteren, of door schade en schande zelf ‘wijs’ kunnen worden in dit opzicht.
* dat de opdracht alles te toetsen uit 1Thes. 5: 21 een stimulans is om op ontdekkingstocht in de occulte wereld te gaan.

6. We geloven,
dat de aanvallen van de boze, vooral gericht zijn op kinderen, omdat ze gemakkelijker in hun denken te beïnvloeden zijn. Deze aanvallen zijn vele, maar hebben vooral als doel de ontkenning van de enige God en verder het aanmoedigen contact te leggen met de gevallen geestelijke wereld (2 Cor. 11: 3,  Col. 2: 20 – 23) om geholpen te worden.

We geloven niet,
dat er voor de kinderen enige hulp buiten Jezus Christus om is.

7. We geloven,
dat de kinderboekenweek met het thema “Toveracademie” een middel is waarmee kinderen in de invloedssfeer van de boze en dus van de duisternis gebracht worden. We moeten dan ook  als ouders, opvoeders, leerkrachten/docenten en pastores onze geestelijke verantwoordelijkheden nemen  (zie stelling 5) ten behoeve van de geestelijke gezondheid van onze kinderen.

We geloven niet,
dat het uitproberen en het gebruik maken van allerlei vormen van toverij een onschuldige of vrijblijvende bezigheid is. God verbiedt immers alleen wat schadelijk voor de mens en een aantasting van Zijn heiligheid is (Deut. 18: 13 en 14).

 

 

 

 

 

 

 

 

In maart 2002 verscheen bij uitgeverij Multimedia te Doorn ’De Zwevende Bijbel – Schriftgezag in een postmoderne tijd.’ In deze brochure geeft auteur drs. R.H. Matzken, in overleg met enkele andere theologen, zijn visie op de toenemende verwarring over het omgaan met de Bijbel.

Deze ontwikkelingen werden reeds voorzien door de christenapologeet dr. Francis Schaeffer in zijn laatste boek ‘The Great Evangelical Disaster’ (1984) . Nu blijkt pas echt goed hoe groot de invloed is van dit post-orthodoxe denken op gemeenten, onderwijs en gezondheidszorg. Als bijlage zijn de Verklaringen van Chicago afgedrukt over onfeilbaarheid en gezag resp. verstaan en uitleggen van de Heilige Schrift.

Sinds kort is ook in zgn. bijbelgetrouwe kringen sprake van een “herbezinning op de Bijbel die moet leiden tot een nieuwe Schriftbeschouwing”. Gesteld wordt dat “een grondige discussie over gezonde en verantwoorde leesregels bittere noodzaak zijn.”
Uit het veelbesproken boek ‘Ontketende liefde – een evangelische theologie voor de 21e eeuw’ kunnen wij afleiden dat het daar niet bij zal blijven. In dit boek stellen Clark Pinnock en Robert C. Brow namelijk ook essentiële christelijke leerstukken aan de orde, waaronder de verzoeningsleer, die zij uit ‘de sfeer van de rechtszaal’ trekken naar de door hen gemodelleerde ‘God van creatieve liefde’.

Enkele bekende tijdschriften hebben reeds aan deze ontwikkelingen een themanummer gewijd. Het tijdschrif ‘Bijbel en Wetenschap’ wijdde in 2001 drie nummers aan ‘de nieuwe Schriftvisie’ en hield vervolgens op te bestaan! Geconstateerd wordt dat nu ook in orthodox-evangelische en reformatorische kringen onderscheid wordt gemaakt tussen een ‘onopgeefbare kern’ (zoals de verzoeningsleer) en een ‘verhandelbare periferie’ (zoals de onfeilbaarheid van de Bijbel). Anderen stellen dat absolute waarheid onkenbaar is en dat ieder mens vanuit de Bijbel zijn eigen waarheid kan opbouwen en voeden. En wat vroeger gold als ‘geestelijk’ blijkt meer aan te spreken wanneer het wordt gebracht als iets ‘spiritueels’!


Inhoud van de brochure

1.2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11

12

13

Er is wat aan de hand!Hoe wordt hier nu op ingespeeld?

Schriftkritiek in drie golven

Fundamentalist of fundamenteel

Het grote misverstand

De absolute waarheidsclaim

Logisch en rationeel

Relativering van de leer

Bijbeluitleg op de helling

Aanzet tot een bijbelse repliek

Geestelijk of spiritueel

Een sprekende of een schrijvende God?

Ethische klaarheid

 

Als bijlage zijn de zgn. Verklaringen van Chicago opgenomen, waarvan wij hier enkele stellingen citeren uit de Eerste Verklaring over Onfeilbaarheid en gezag, resp. de Tweede Verklaring over Verstaan en uitleg van de Heilige Schrift.

Artikel I/6

Wij bevestigen . . . Wij ontkennen . .
. . dat de gehele Schrift en al haar delen, tot en met de woorden zelf van het origineel, gegeven werden door goddelijke inspiratie. . . dat de inspiratie van de Schrift op een juiste wijze kan worden bevestigd aangaande het geheel zonder de delen, of aangaande bepaalde delen, maar niet aangaande het geheel.

Artikel I/12

Wij bevestigen . . . Wij ontkennen . .
. . dat de Schrift in haar geheel onfeilbaar (‘inerrant’) is, vrij van dwaling en bedrog. . . dat de bijbelse onfeilbaarheid beperkt is tot geestelijke en godsdienstige onderwerpen, zoals die welke slaan op de verlossing, en dat uitspraken op het gebied van geschiedenis en wetenschap feilbaar zouden zijn.
. . dat wetenschappelijke hypotheses over de geschiedenis van de aarde mogen worden gebruikt om datgene wat de Schrift leert over schepping en zondvloed omver te werpen.

Artikel II/2

Wij bevestigen . . Wij ontkennen . .
. . dat zoals Christus God en Mens is in één Persoon, zo ook de Schrift ondeelbaar Gods Woord in menselijke taal is. . . dat de nederige, menselijke vorm van de Schrift falen met zich meebrengt, evenmin als de menselijkheid van Christus, ondanks zijn vernedering, zonde met zich meebracht.

Artikel II/14

Wij bevestigen . . Wij ontkennen . .
. . dat de bijbelse weergave van gebeurtenissen, toespraken en uitspraken overeenkomt met de historische werkelijkheid, ook al worden zij aan ons gepresenteerd in een verscheidenheid van literaire vormen. . . dat enige gebeurtenis, toespraak of uitspraak die is opgenomen in de Schrift, bedacht is door de bijbelschrijvers of door de tradities die zij hebben verwerkt.

Artikel II/21

Wij bevestigen . . Wij ontkennen . .
. . de overeenstemming tussen bijzondere openbaring en algemene openbaring, en daarmee van het onderwijs van de Bijbel met de feiten van de natuur. . . dat enig wetenschappelijk feit onverenigbaar zou zijn met de ware betekenis van enige passage van de Schrift.

 

Onlangs zei iemand voor de tv dat volgens de Nederlandse wet alles mag worden gezegd en geschreven, mits het maar niet aanzet tot haat en (fysiek) geweld. Alles mag gezegd – dus ook halve waarheden, kwetsende, beledigende, spottende, cynische, treiterende, provocerende woorden, inclusief vloeken, ja zelfs Godslasteringen! Dat moet kunnen. Of niet soms? Verbaal geweld is ‘in’. Het lijkt wel of sommige Nederlanders er plezier in hebben en er zelfs trots op zijn, helden in het schelden. Alles moet immers kunnen! ? Alsof verbaal geweld niet tot innerlijke pijn, tot ergernis en woede, tot haat en fysiek geweld zou (kunnen) uitlokken. Hoort bewust uitlokken soms ook tot de ‘vrijheid van meningsuiting’? Evenals een minachtende of agressieve toon?

Waar zijn wij mee bezig?

Wordt het niet hoog tijd dat wij ons realiseren dat er een Hogere Rechter is aan wie wij – ook wij Nederlanders – “rekenschap van ieder ijdel woord op de dag van het oordeel” moeten geven? (Mat. 12:34-37). Wat moeten onze (klein)kinderen en onze jonge mensen wel denken, die een voorbeeld zoeken én volgen voor hun omgang met medemensen. Beseffen journalisten, columnisten en andere schrijvers, beseffen kunstenaars, filmmakers, cabaretiers, maar ook vakbondslieden, politici en niet te vergeten de media wel dat zij een voorbeeldfunctie hebben? Trouwens, wij allen als volwassenen hebben dat. Waar zijn de bijbelse normen en waarden gebleven, ja zelfs alleen al normen van fatsoen en van respect voor de medemens? Wat voor atmosfeer zijn wij zelf als Nederlanders aan het creëren? Zijn er niet zelfs landgenoten, die in de tweede of derde wereld hebben gewerkt en zich na hun terugkomst niet meer thuis voelen in eigen land – met name zendelingen? Door de Ik-cultuur van landgenoten? En dan verlangen wij van buitenlanders dat zij zich volkomen integreren in ónze maatschappij. Integreren in onze egocentrische, verkilde en verharde maatschappij met een decadent en respectloos klimaat en met een ruw en banaal taalgebruik …

De ene werkelijkheid

Het is en blijft een feit: de islam is een politieke religie, een religie ook van (eer)wraak en geweld, van het zwaard. De koran en de hadith (de overlevering van het leven van Mohammed, van zijn woorden en daden) vormen de religieuze basis. Het is droevig dat de islam de wereld in twee fronten indeelt: in het “Huis van de vrede” (overal daar, waar de islam staatsgodsdienst is en de sjaria staatswet, met opheffing van de eigen landswet) en het “Huis van de oorlog” (alle andere landen). Het is de islam (koran) – niet iedere moslim – die aan alle niet-moslim landen de oorlog heeft verklaard, dus ook aan Nederland.

Wij mogen de ogen er niet voor sluiten dat de koran de joden verafschuwt en ieder christen vervloekt die Jezus Christus als zijn of haar “HEERE en God” belijdt zoals Thomas deed. Het is de koran die op talloze plaatsen oproept tot geweld tegen de “ongelovigen” (alle niet-moslims). Het is de koran die het geestelijk uitgangspunt is voor iedere moskee, voor iedere islamitische school en andere instelling, voor iedere imam (vooral buitenlandse) en iedere moslim godsdienstonderwijzer evenals voor iedere moslim onderwijskracht. Het is de koran die naast de hadith de inspiratiebron van iedere (jonge) moslim is die zijn godsdienst serieus neemt. Kritiek op de koran moet kunnen, maar dan wel zakelijk, met respect en een bewogen hart voor de moslim naaste.

De andere werkelijkheid

In tegenstelling tot de islam is het bijbels christendom niet gebaseerd op “oog om oog, tand om tand”. In tegendeel (Rom. 12:17-21). De overheid heeft natuurlijk haar eigen verantwoordelijkheid. Maar ons persoonlijk antwoord kan en mag nooit verbaal geweld zijn, nooit provocatie tot lichamelijk geweld. En wat is eigenlijk ónze inspiratiebron voor gedachten, woorden en daden, voor onze omgang met de naaste? En zijn wijzelf nog tot in het diepst van onze ziel geraakt wanneer onze God en hemelse Vader gelasterd of met onze Here en Heiland Jezus Christus de spot gedreven wordt? Een christen kent geen eerwraak. Maar drijft de eer van de heilige, levende God ons nog op de knieën en tot een moedig getuigenis?

Ik vrees dat er iets meer in het geding is dan de vrijheid van meningsuiting of beter gezegd, iets ánders. Is het niet in diepste wezen de roep om vrijheid van zondigen tegen God en de medemens, om emancipatie van God en Zijn geboden? Is er niet een nauw verband tussen (gebrek aan)respect voor God en (gebrek aan)respect voor de medemens? Het grootste probleem is niet de islam, maar is de afval van de drie-enige God en Zijn Woord in het post-christelijke Westen.

“Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten! Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten” (Gal. 6:7)