Een korte recensie van het boek ‘Door bloed gezuiverd’, waarin de eerwraak aan de orde komt.

 

‘Door bloed gezuiverd,

eerwraak bij Turken in Nederland’

Auteur: J. van Eck & C. van Eck

 

 

Beschrijving

In de nieuwste druk van Van Dale komt het woord eerwraak nog niet voor. Eerwraak is in Nederland dan ook een recent verschijnsel. Het heeft zijn oorsprong op het mediterrane platteland, maar door migratie komt het sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw ook in West-Europa voor.

Recensie

NBD|Biblion recensie
De titel geeft het al aan: eerwraak is het doden om bezoedelde eer te zuiveren. Eerwraak komt van oorsprong van het platteland, maar door de migratie vanaf de jaren zestig en zeventig doet het zich ook voor in de steden van Turkije en West-Europa. Onderzocht zijn dertig strafdossiers van in Nederland gepleegde eerwraken waarvan twintig in deze studie zijn opgenomen. Uitvoerig worden de begrippen eer en eerwraak beschreven, evenals huwelijk en schaking en alternatieven voor eerwraak. Een conclusie is dat er een relatie is met migratie. Het feit dat de erekwestie plaatsvindt in het buitenland, blijkt van belang bij de escalatie tot eerwraak. Door de grote sociale controle komt iemand die zijn namus (Turks voor eer) verliest, in een isolement. Voor het verminderen van eerwraak zou er een eind moeten komen aan deze sociale controle. Ontsnappen zou kunnen door een goede opleiding en werk buiten de kring van de ouderen. Zeer interessante en helder geschreven studie. Van Eck studeerde culturele antropologie en Turkse taal- en letterkunde. Zij wordt als eerwraakdeskundige bij rechtszaken betrokken.
(Biblion recensie, Trix Westeneng)

Hoe gaan Mohammed (Ahmad) en Allah om met in de islam bekende begrip ‘abrogatie’. Abrogatie betekent het annuleren en vervangen van sommige verzen in de Koran door andere verzen.

Inleiding

Mohammed (Ahmad) riep zichzelf uit tot profeet. Hij beweerde, dat de engel Gabriël Gods woord hoorde en het tot hem herhaalde. Mohammed op zijn beurt herhaalde het ook als zijnde Gods woord: de Koran.

Echter, tijdens zijn 23 jarige carrière als een religieusleider vergat Mohammed delen van wat Gabriël hem vertelde. Verder spreken enkele van deze Koranverzen elkaar tegen. Instructies, leringen, en leerstellingen waren soms niet in overeenstemming met elkaar. Verschillende mensen bekritiseerden Mohammed hierover; de inconsistenties waren duidelijk. Om deze kritieken van antwoord te voorzien bedacht Mohammed de leerstelling van “abrogatie”. “Abrogatie” betekent het annuleren en vervangen van sommige verzen in de Koran door andere verzen. De Arabische woorden gerelateerd aan dit onderwerp zijn “Nasiekh” wat betekent “datgene wat abrogeert” en “Mansoekh” wat betekent “dat wat geabrogeerd is”.

De grote islamgeleerde Arthur Jeffery schreef: “De koran is onder de heilige geschriften uniek vanwege het leren van een doctrine van abrogatie volgens welke latere uitspraken van de Profeet eerdere uitspraken van hem abrogeren, dat wil zeggen: leeg en nietig verklaren. De belangrijkheid van het weten welke verzen andere verzen abrogeren, heeft de koranswetenschap bekend als “Nasiekh wa Mansoekh” doen ontstaan, dat wil zeggen “de abrogators en het geabrogeerde” [1]

In “the Dictionary van Qur’anic Terms and Concepts”, pagina’s 5 en 6 door Muntasir Mir staat: “Koraninvoegingen zelf kunnen geabrogeerd zijn, zoals in enkele gevallen is gebeurd. Een voorbeeld van deze abrogatie is vers 24:2 dat de straf voor overspel genoemd in 4:15-16 abrogeert. Een studie van de koran laat zien dat alleen een begrensd aantal Koranverzen geabrogeerd is, en ten tweede dat de abrogatie alleen geldt voor juridische en praktische zaken, en niet voor leerstellingen en geloofszaken.” [2]

Het grote probleem met “Nasiekh wa Mansoekh” is het precies definiëren welke verzen “Nasiekh” zijn, en welke “Mansoekh” zijn. Dit omdat de Koran inherent verward is. De volgorder waarin de Koran geschreven werd, was niet chronologisch, maar volgens de lengte van de soera’s (hoofdstukken), en de Koran werd stukje bij beetje gevonden en samengesteld, wat de bepaling van de leeftijd van de verzen veel moeilijker maakt. De moslimtraditie erkent dat veel van de soera’s zelfs niet aan Mohammed in één geheel gegeven zijn en dat onder Mohammeds supervisie sommige latere verzen tot eerdere, bestaande soera’s werden toegevoegd. Sommige verzen werden in Mekka gesproken, andere in Medina. Hoe kun je dan – met een grote mate van overtuiging – weten welke verzen de meer gezaghebbende zijn?

Voor degenenen onder u die in het bijzonder in dit onderwerp geïnteresseerd zijn, raad ik Richard Bell’s “Introduction to the Quran (Inleiding tot de Koran)” [3] aan. Bell geeft ook een aantal “abrogaties” in zijn boek. Bell gaat zelfs zo ver, door de Koran te hersamenstellen en komt met een nieuwe verzameling soera’s en verzen.

Een ander moslimschrijver, Mahmoud Ayoub, vat de onzekerheid met de volgende woorden goed samen: “Tot nu toe is er onder moslimgeleerden geen algemene overeenstemming over welke verzen geabrogeerd zijn en door welke verzen.” [4]

De Hughes Dictionary of Islam zegt: “Jalalu’d-Din in zijn ‘Itqan’ geeft de volgende lijst van 20 verzen, die door alle commentatoren erkend worden te zijn geabrogeerd. De lezer wordt verwezen naar Hughes’ werk voor Jalalu’ Dins concrete lijst van 20 [5]. Ik zal er later enkele geven. Ik las dat zelfs tot 500 verzen aan toe door abrogatie getroffen kunnen zijn.

“Nasiekh wa Mansoekh” is geen zwarte-magie-wetenschap, maar het is onmogelijk om in veel gevallen precies te zijn. Dus is er zelfs onder moslimgeleerden onenigheid over.

Presentatie van Koranversen die de leerstelling van “abrogatie” vormen

Hier zijn de Koranverzen die de leerstelling van abrogatie opmaken [ 6]:

Soera 2:106: “Welk teken [of vers] Wij ook opheffen of doen vergeten, daarvoor brengen Wij

betere of daaraan gelijke.”

Soera 13:39: “Allah doet te niet [dat is: abrogeert] wat Hij wil en bevestigt wat Hij wil en bij

Hem is de oorsprong van het Boek.”

Soera 17:86: “En als Wij wilden, zouden Wij hetgeen Wij u hebben geopenbaard zeker weg

kunnen nemen…”

Soera 16:101 En wanneer Wij het ene teken [of vers] in plaats van het andere brengen – en Allah

Weet het beste wat Hij openbaart – zeggen zij: “Gij verzint slechts.”

Soera 22:52: “Nimmer zonden Wij een boodschapper of een profeet vóór u of, wanneer hij

(zijn boodschap) verkondigde, kwam de duivel ertussen.
Doch Allah doet hetgeen Satan inblaast te niet [dat is: abrogeert]. Dan bevestigt
Allah Zijn woorden…”

Dit laatste vers staat in verband met die die bekend staan als de “ satansversen”. Op een bepaald moment compromitteerde Mohammed met het heidendom en sprak een “openbaring” die afgodendienst toestond, uit. Later zei hij, dat God hem had laten zien dat hij door satan beetgenomen was en in plaats van Gods woorden satanswoorden sprak. Zijn openbaring die afgodendienst toestond, werd vervolgens verwijderd van het reciteren van de Koran en een ander “openbaring” werd daarvoor in de plaats gezet.

Presentatie van abrogerende/geabrogeerde Koranverzen

Er zijn veel gevallen van abrogatie. Vanwege de ruimte beperk ik mijzelf tot de volgende selectie:
In soera 2:142-144 vinden we de verandering van de “Qibla”, de gebedsrichting, van Jeruzalem naar Mekka.

De verandering van straf voor overspel, beginnend met levenslange opsluiting, gevonden in soera 4:15 en vervolgens volgens soera 24:2 verandert tot 100 zweepslagen. Merk op, dat deze twee voorbeelden niet het vorige ‘missende’ vers noemen, dat steniging voorschrijft voor degenen die overspel plegen.

De capaciteit aan gevechtsklare mannen voor de overwinning wordt ook geabrogeerd door het daarop volgende vers:
“O profeet, spoor de gelovigen aan om te vechten. Als er twintig onder u zijn die stand houden, zullen zij tweehonderd overwinnen en als er honderd uwer zijn zullen zij duizend der ongelovigen verslaan, omdat zij een volk zijn dat niet wil begrijpen. Maar nu heeft Allah uw last verlicht, want Hij weet dat er zwakheid in u is. Als er daarom honderd uwer zijn die standvastig zijn, zullen zij tweehonderd overweldigen en als er duizend uwer zijn zullen zij door het gebod van Allah twee duizend overwinnen. En Allah is met degenen die standvastig zijn” (soera 8: 65, 66).

De Zwaardverzen (De Roep): “Vecht en sla dood de heiden (afgodendienaars) waar je ze ook vindt” (soera 47:5), of “bestrijd de ongelovigen in Allah, totdat erg geen verzoeking meer is” (soera 8:39), of “een pijnlijke straf aan hen die het geloof vaarwel zeggen” (soera 9:3). Deze weerspreken allemaal: “Er is geen dwang in religie” (soera 2:256). Merk hier op dat soera 9 één van de laatste “aan Mohammed geopenbaarde” soera’s was”. Logischerwijs moet het dus “er is geen dwang in islam” abrogeren.

Het nachtgebed door de Koran te reciteren moet ongeveer de helft van de nacht beslaan (soera 73:2). Dit werd in die mate veranderd om het hen gemakkelijk te maken (vers 20).

Voorbeelden van Boecharie’s Hadieth

Er zijn verscheidene gevallen van abrogatie in Boechari’s Hadieth. Deze illustreren ook de verwarring vanaf de eerste dagen van de islam aangaande abrogatie. Over soera 2:184 en 2:185, de verzen over het vasten, zeggen twee Hadieth (deel 6, nummer 33, 34) dat vers 185 vers 184 abrogeert, terwijl één Hadieth zegt, dat het niet geabrogeerd was (deel 6, nummer 32). Dus zien we, dat zelfs de metgezellen van Mohammed hierover in de war waren. Een ander geval in Boechari is de abrogatie van 2:284 door 2:285, (deel 6, nummer 68, 69). Opnieuw wordt één vers geabrogeerd door het volgende, opnieuw illustrerend dat Allah niet zeker van zichzelf was.

De moslim-antwoorden

Natuurlijk zijn moslims bewust van de theologische problemen die dit onderwerp doet ontstaan. Het werpt twijfel op het karakter van zowel God als van Mohammed en het kweekt theologische verwarring. Eerlijk is daarom om hun verdediging van deze leerstelling te presenteren.
Laten we starten met Yusuf Ali’s commentaar gevonden in zijn Engelse verklaring van de koran [7]. Hier zijn enkele van zijn commentaren die abrogatie verdedigen:

Ali’s commentaar op soera 2:106:

“Wat is de betekenis hier? Als we het in algemene zin nemen, betekent het dat Gods boodschap ten alle tijd dezelfde is, maar dat de vorm kan verschillen volgens de behoeften en eisen van de tijd. Sommige commentatoren passen het ook toe op de Ayat (openbaring) van de Koran. Niets doet afbreuk hierin als we geloven in progressieve openbaring. … Er kan opzettelijke abrogatie zijn, of er kan abrogatie zijn die mensen “doet vergeten of laat vergeten.” Hoeveel goede en wijze instituties worden met het verstrijken van de tijd niet stapje bij stapje overbodig? Verder is er het graduele proces in de evolutie van het in onbruik geraken of het vergeten. Dit betekent niet dat eeuwige principes veranderen. Het is slechts een teken van Allah’s oneindige Macht dat Zijn schepping zoveel vormen kan aannemen, niet alleen in de materiele wereld, maar ook in de wereld van menselijke gedachten en uitdrukkingen.

Ali’s commentaar op soera 16:101:

“De leerstelling van progressieve openbaring van tijdperk tot tijdperk en van tijd tot tijd betekent niet dat Allah’s fundamentele wet verandert. Het is niet eerlijk om een Profeet van Allah te beschuldigen van vervalsing, omdat de Boodschap – zoals die aan hem geopenbaard is – in andere vorm is als het eerder geopenbaarde, wanneer de kern van de Waarheid dezelfde is, want het komt van Allah.”

In de “Tafsir ul-Qur’an”, van Maulana Abdul Majid Daryabadi, [8] wordt het volgende commentaar op 2:106 gegeven:

“Er is niets beschamends in de leerstelling van bepaalde wetten, tijdelijk of lokaal, die door bepaalde andere wetten, permanente en universele en verordent door dezelfde wetgever vervangen of geabrogeerd zijn, in het bijzonder in de loop van de uitvaardiging van die wet. De loop van Koranopenbaring is, door iedereen erkend, geleidelijk geweest. Het kostte ongeveer 23 jaar om de wetgeving te voltooien en te vervolmaken. Geen wonder dan, dat bepaalde, tijdelijke, mindere wetten, door bepaalde andere, blijvende en eeuwige vervangen werden. Zelfs goddelijke wetten kunnen onderworpen zijn aan goddelijke verbetering, zoals met ieder object en fenomeen in het fysieke universum van de schepping. Het moet echter duidelijk zijn dat de leerstelling van abrogatie alleen voor “wetten” geldt en zelfs tot die van mindere en secundaire belangrijkheid. Geloofstellingen, artikelen van geloof, wetsprincipes, vertellingen, vermaningen, morele voorschriften en spirituele waarheden; geen van deze is onderhevig aan abrogatie of herroeping.”

Mahmoud M. Ayoub, in zijn “The Quran and Its Interpreters (De koran en zijn interpretators)”, [4, pagina 139] citeert uit een aantal beroemde Koran-tafsiers (commentaren). Hier zijn enkele van deze commentaren op 2:106.

“Wahadi zegt, dat dit vers naar beneden gezonden was, omdat de metgezellen zeiden: “Zie je Mohammed niet, hoe hij zijn mensen beveelt om iets te doen, vervolgens hun verbiedt om het te doen en hun beveelt het tegenovergestelde te doen? Vandaag zegt hij het zus en morgen verandert hij erover van gedachten. De Koran is niets meer dan de woorden van Mohammed. Het is samengesteld uit woorden die elkaar tegenspreken.” Dus zei Wahidi, God zond vers 101 van al-Nahl (soera 16) naar beneden en dit vers (Wahidi, p.32: zie ook Zamakhshari, I. p. 303). Tabari interpreteert abrogatie (naskh) ruim als “wat we [dat is: God] abrogeren ten aanzien van het voorschrift van een vers dat we veranderen, of dat we met een ander vers vervangen, dus dat wat wettig is kan onwettig worden en dat wat onwettig is, kan wettig worden; dat wat toegestaan is, kan verboden worden en dat wat verboden is, kan toegestaan worden. Dit echter kan alleen worden gedaan ten aanzien van geboden en verboden… maar verslagen of vertellingen kunnen noch worden geabrogeerd noch kunnen zij abrogeren” (Tabari, II, p. 471-472; zie ook Shawkani, I, p 125-126).”

 

Vergelijking met de Bijbel

Leert de Bijbel de leerstelling van abrogatie, zoals die in de islam geleerd wordt? In het geheel niet. Vergelijk Mohammed en de Koran met Mozes en de Torah. Gedurende 23 jaren was Mohammed een religieusleider en in die tijdsperiode werden veel verzen in de Koran geabrogeerd. Echter Mozes besteedde 40 jaar met de Israëlieten zwervend in de onherbergzame omgeving van de Sinaï. Niet één vers van de wet werd geabrogeerd. Toen de Israëlieten zondigden werden zij gestraft. Niets werd veranderd om zaken voor de Israëlieten gemakkelijker te maken. De Wet moest worden gehoorzaamd. Daar viel niet over te onderhandelen. Daarentegen werden in enkele van de geabrogeerde Koranverzen veranderingen gemaakt om het leven voor de moslims (bijvoorbeeld het nachtgebed) gemakkelijker te maken of om straffen (bijvoorbeeld, de straf op overspel) aanvaarbaarder te maken. Met als gevolg dat God met Zijn woord, met Zijn Wet en met Zijn verlangens compromitteerde om het Mohammeds volgelingen gemakkelijker te maken.

Onderzoek het Nieuwe Testament. Kwam Jezus op Zijn woorden terug? Zei Hij, dat hij dingen gemakkelijker zou maken voor iemand die Zijn kruis niet wilde dragen?

Er wordt soms gezegd, dat Jezus de oudtestamentische Wet “abrogeerde”. Iemand die bekend is met het Nieuwe Testament weet, dat christenen geloven dat de oudtestamentische Wet niet langer op de gelovigen in Christus van toepassing is. “Want Christus is het einde van de wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.” (Romeinen10:4) Jezus Zelf zei, dat Hij kwam om de Wet te vervullen en een Nieuw Verbond in leven te roepen. “Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden” (Mattheüs 26:28).

Dus hoewel we zeiden, dat de Wet niet op ons van toepassing is, betekent het niet dat de Wet geannuleerd of vernietigd is. Hij is daarentegen vervuld. Hij blijft gelden voor degenen aan wie het gegeven was, die niet in Christus zijn. Ten tweede, het Oude Testament voorspelt, dat een Nieuw Verbond op een dag zal gelden.

“Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn… want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” (Jeremia 31:31-34)

Daarom is de realisatie van het Nieuwe Verbond niet zomaar toevallig en is relevant voor christenen. Dit was lang van tevoren voorspeld en veelomvattend.

We geloven in progressieve openbaring. Het Oude Verbond van de Wet, zoals gegeven aan Mozes, werd vervangen door het Nieuwe Verbond van genade, die Jezus introduceerde. Deze ontwikkelingen vonden gedurende 1500 jaren plaats. Vergelijk dat met Mohammeds 23 jaren. Vergelijk de Bijbelse aankondiging van een Nieuw Verbond lang, voordat het tot stand kwam, met hoe Mohammed zijn theorie van abrogatie creëerde. Mohammed kondigde het nooit aan, hij sprak 2:106 alleen uit, nadat de niet-moslims hem aanspraken op zijn koerswijziging.

Daarom kan in het Bijbelse geval geen willekeur bij God worden verondersteld. In dit licht is het onacceptabel dat in een periode van 23 jaren of een avond, een behoefte aan verandering of correctie nodig is. Het is één van tweeën: of God is niet alwetend of de verslaglegger deed een correctie.

Commentaar van andere geleerden

Er zijn gematigde moslims die bereid zijn te bespreken wat “abrogatie” betekent in de context van een alwetende God. De moslimgeleerde Ali Dashti [9] schrijft:

“Je moet altijd beseffen, dat de meeste koranwetten en verordeningen geformuleerd werden als antwoord op willekeurige gebeurtenissen en smeekbedes van gegriefde personen. Dat is waarom er enkele inconsistenties in zijn en waarom er abrogerende en geabrogeerde verordeningen zijn… De koranwetten zijn kort en waren onvolledig voor de behoeften van de grote moslimgemeenschap die gedurende anderhalf eeuw na de dood van de Profeet ontstond.”, pagina 54.

Ten aanzien van soera 33:52: “Laten volgens Zamakhshari’s opinie Aisja’s woorden zien dat vers 52 door gewoonte geabrogeerd werd door vers 50 (“O profeet, Wij hebben voor u… wettig gemaakt…”). Echter, een geabrogeerd vers wordt verondersteld te komen na het geabrogeerde.

Niettemin blijft Soyuti in zijn verhandeling over Koranproblemen, genaamd ol-Etqan, vasthouden dat in dit geval het eerdere vers het latere abrogeerde” (pagina 128).

“Een verschillend, maar niet minder verbazingwekkende zaak vergt enig aandacht. Het betreft de aanwezigheid van abrogerende en geabrogeerde verzen in de Koran.

De Korancommentatoren en theologen verzamelden en legden alle gevallen van abrogatie uit. Een eerder geopenbaard vers werd geabrogeerd door een volgend geopenbaard vers met een verschillende of tegenstrijdige betekenis.

Het veranderen van gedachten na het nemen van een beslissing of het maken van een plan is een normale en veelvoorkomende gebeurtenis in levens van mensen, die niet alle relevante feiten op ieder moment kunnen weten… Het is echter in tegenspraak met de rede dat God, die alwetend en almachtig is, Zijn geboden moet reviseren…

Het is juist, omdat God tot alles instaat is en dat Hij niet een vers zou openbaren en het vervolgens zou abrogeren. Omdat alwetendheid en almacht essentiële kenmerken van de Schepper zijn, moet Hij in staat zijn om geboden uit te vaardigen die geen revisie nodig hebben. Ieder nadenkend persoon die in Eén Almachtige God gelooft, is gebonden om te vragen waarom Hij een gebod zou uitspreken en het vervolgens zou intrekken”(pagina’s 154, 155).

De islamgeleerde, A. Guillaume, die islamitische wetenschap doceerde aan de Universiteit van London, Princeton, en de Amerikaanse Universiteit van Beiroet, [10] geeft commentaar op het zwaardvers 9:5 dat andere verzen abrogeert. Hij schrijft in “Islam”: “Echter het is veel moeilijker om de woorden van een boek aan te passen dat door God zelf gedicteerd is. Een geïnspireerde man kan soms fouten maken; een geïnspireerd boek kan dat niet…” (pagina 187).

In “Behind the Veil (Achter de sluier)”, [11] pagina 220, stelt de schrijver:

“In Asbab al-Nuzul, p. 19, zegt de Suyuti dat: “Ibn Abbas zelf zei: “ Soms daalde de openbaring ‘s nachts neer op de profeet en vervolgens vergat hij het tijdens de dag, dus zond God dit vers 2:106 naar beneden.”

En op pagina 226:

“De abrogator gaat het geabrogeerde vooraf. In deel 3, p. 69 merkt de Suyuti op: “In de koran is er geen abrogator (vers) zonder voorafgegaan door een geabrogeerd (vers) met uitzondering van twee verzen, en sommige voegden er een derde aan toe, terwijl anderen er een vierde aan toevoegden.” (Al Itqan)

Ik beveel alle geïnteresseerde lezers aan om het boek “Behind the Veil (Achter de sluier)” van de Voice of the Maryrs te lezen. Het bevat een weide scoop van de fouten en problemen in de islam.

Bespreking

Soera 4:82 “Denken zij dan niet na over de Koran? Was deze van iemand anders dan van
Allah dan hadden zij zeker menige tegenstrijdigheid daarin ontdekt.”
Soera 10:64 “De woorden van Allah kennen geen verandering …”
Soera 6:34 “Er is niemand die de woorden van Allah kan veranderen.”

Ik wil mijn positie over dit onderwerp gelijk duidelijk maken: Ik geloof, dat Mohammed feilbaar was, dat zijn “openbaringen” gedeeltelijk waren gebaseerd op zijn eigen vleselijke begeerten en niet op Gods wil. En dat, toen hij de regels veranderde, hij de leerstelling van abrogratie uitvond om zichzelf te beschermen.

Lees soera 4:82 opnieuw. Omdat de Koran veel discrepanties kent, bijvoorbeeld abrogatie, is hij logischerwijs niet van Allah. “Allah” kon de moslimwereld een hoop verwarring, twijfel en uitleg besparen, als Hij direct van het begin af aan een betere tekst gegeven zou hebben.

Lees soera 10:64 en 6:34 opnieuw. Schijnbaar waren Gods woorden veranderd. Sommige werden zelfs vergeten! Hoe dan praat je oprecht de tegenstelling goed? Verandert Gods woord of niet? Of betekent God die de Koran abrogeert dat Gods woord verandert? Deze “god” lijkt in verwarring te zijn.

Hoewel sommige van de abrogaties dan wel geen serieuze tegensprekingen mogen zijn, blijft het een probleem vanwege de bewering dat de Koran “nazil” is. Dat wil zeggen “naar beneden uit de hemel gebracht” zonder tussenkomst van menselijke handen. Dit betekent, dat de originele “on-geschapen” in de hemel bewaarde tabletten, waarvan de Koran voortkomt (soera 85:22) ook deze abrogaties bevatten. Hoe kunnen deze dan Allah’s eeuwige woord zijn?

Analyse

Laten we enkele van de abrogaties onderzoeken en ze vergelijken met de moslim-antwoorden. Laten we kijken of ze werkelijk steek houden, dat wil zeggen tegen kritisch onderzoek opgewassen zijn.

Allereerst, de verandering van de Qibla. Dit betrof dat de moslims 160 graden draaiden en tot Mekka zich bogen in plaats van tot Jeruzalem. (Gedurende een tijd richtten de moslims zich naar Jeruzalem om te buigen en te bidden. Later, in Medina, zei Mohammed, dat God hem verteld had om je naar Mekka te richten.)

Zoals iedere westerse islamgeleerde je zal kunnen vertellen, veranderde Mohammeds de Qibla ondermeer, omdat de joden in Medina hem en de islam verwierpen. Hier zijn de Koranverzenr:

“De dwazen onder het volk zullen zeggen: “Wat heeft hen van hun Qiblah, die zij volgden, afgekeerd?”… Wij bepaalden de Qiblah, die gij volgdet slechts, opdat Wij hem, die de gezant van Allah volgt, onderscheiden van degene die hem de rug toekeert. En dit is inderdaad zeer moeilijk, behalve voor hen, die Allah heeft geleid…. Waarlijk, Wij zien uw aangezicht zich naar de hemel wenden, daarom zullen Wij u tot beheerder maken van de Qiblah, die u behaagt. Wend daarom uw aangezicht naar de Heilige Moskee en waar gij ook moogt zijn, wendt uw aangezicht daarheen.” (soera 2:142-144)

Dus was het “zeer moeilijk”? Was het net zo moeilijk als Abrahams beproeving [om zijn zoon te offeren]? Nee. Was het zeer moeilijk om getrouw te zijn en te blijven ondanks vervolging? Nee. Was het zeer moeilijk om ontberingen te verdragen vanwege een missie? Nee. Alles wat zij moesten doen, was slechts hun lichamen 160 graden te draaien. Is dat wat “Allah” “zeer moeilijk” noemt?

Je mag denken, dat het een geloofsbeproeving was, zoals de Koran impliceert. Maar was het dat werkelijk? Verduurden veel van deze moslims niet reeds vervolging in Mekka? Zij reisden daarom toch honderd mijlen om naar Medina te verhuizen? Was het draaien van hun lichaam daarom een werkelijke beproeving voor hen? Hadden veel moslims in Medina voor zijn komst in Medina niet gezegd, dat zij hem als hun profeet zouden ontvangen? Dus zou het hen uitmaken, als hun profeet zei: “Keer je naar het zuiden, in plaats van het noorden”? Ik denk het niet. Je hoort moslims hierover nooit morren, zoals je dat wel hoort over het vernederende Verdrag van Hoedaibia.

Voor de achtergrond hiervan, zie Tabari’s commentaar [12]:

Pagina 24 van deel 7: “…de meerderheid (van de vroege moslimgeleerden) zegt, dat de Qibla veranderd werd… 18 maanden na de komst van (Mohammed).”

Pagina 25 van deel 7: De Profeet richtte zich gedurende 16 maanden naar Jeruzalem, en toen hoorde hij dat de joden zeiden: “Bij God, Mohammed en zijn metgezellen wisten niet waar hun Qibla was, totdat we hen leidden.” Dit vond de Profeet onaangenaam en hij richtte zijn gezicht naar de Hemel en zei: “We zagen het keren van uw gezicht naar de Hemel.”

In werkelijkheid zegt de inleiding (geschreven door W.M. Watt) op deel 7 van Tabari: “De verandering van de Qibla en de instelling van het vasten (Ramadan) zijn niet pure religieuze zaken, maar zijn aan politieke zaken verbonden. Mohammed was eerder overtuigd geworden, dat de openbaringen die hij ontving in essentie identiek waren met die aan de basis van het joden- en christendom liggen; hij verwachtte daarom, dat de joden uit Medina hem als profeet zouden aanvaarden. Met als gevolg, toen hij naar Medina kwam, hij teleurgesteld werd te ervaren dat de joden verre van plan waren zijn profeetschap te aanvaarden en meer geneigd waren om grappen over zijn openbaringen te maken. Slechts één of twee werden formeel moslims.” pagina xxiii.

Nu dan, laten we de verandering van de Qibla vergelijken met wat moslim-apologeten schreven. Kijk (hiervoor) s.v.p. wat Ali en Daryabadi eerder schreven om abrogatie te rechtvaardigen.

Hoe vervulde het veranderen van de Qibla de behoeften van de moslimgemeenschap? Het maakte niet uit welke richting zij zich richten om te bidden. Hoe kan dit progressieve openbaring zijn? Hoezo voortschrijdend? En als de verandering in Qibla werkelijk nodig was, waarom kostte het Allah dan 18 maanden om de boodschap bij Mohammed te krijgen? Waarom werd het pas “geopenbaard”, nadat de joden hem bespotten?

Een tweede voorbeeld: neem de abrogatie van de bekwaamheid van de strijders. Eerst zegt Allah dat 100 moslims 1000 heidenen kunnen verslaan. Dan verandert God deze verhouding, omdat de moslims te zwak waren en zegt Allah dat 100 moslims 200 heidenen kunnen verslaan.

Natuurlijk maakt dit zaken gemakkelijker voor de moslims. Zij hoefden niet met 1 tegen 10 te vechten, maar 1 tegen 2. Maar kende God hun bekwaamheden dan niet voor Hij van gedachten veranderde? Dit type van onwetendheid is gewoon voor mensen, maar niet voor God. Bovendien gezien het feit dat moslims de joden ruim in aantal overtroffen en vier oorlogen tegen hen verloren, moet je jezelf afvragen of Allah werkelijk wist waarover hij aan het praten was.

Conclusie

Mohammeds “abrogatie” presenteert een wishy-washy beeld van God. Moslims vertrouwen op een God die zich niet aan Zijn woord hoeft te houden. Deze “god” had zijn gedachten niet op orde. Mohammeds doctrine tast Gods geloofwaardigheid aan door Hem neer te zetten als onwetend, onzeker en onbetrouwbaar. Vanwege deze verwarring van “god”, weten moslims vandaag de dag niet zeker welke regels van toepassing zijn in hun religie. Mohammeds “god” lijkt al met al te menselijk.

Omdat Mohammed delen van de Koran vergat en of om dingen gemakkelijker voor zichzelf of anderen te maken, verzon hij de verzen over abrogatie. Zoals met veel van zijn andere “openbaringen” werden zij bedacht als een antwoord op een bepaalde behoefte of situatie. Zelden werden zij van tevoren geopenbaard. God lijkt in Mohammeds zak te zitten en Mohammed grijpt er wanneer nodig een “openbaring” uit. Zoals in het liedje over Felix de kat “whenever he gets in a fix, he reaches into his bag of tricks”, zo gebruikt Mohammed zijn “god” om uit netelige situaties te komen of om zaken naar zijn hand te zetten. Mohammed hevelt de last over op God. Opnieuw moet God de consequenties dragen van zijn daden.

Vragen

· Wat zegt het moslimconcept van abrogatie volgens u werkelijk over de natuur en het karakter van God, Zijn kennis, oordeel en wijsheid?

· Wat zegt de volgorde van abrogatie verzen ons over de Koran. Is het logisch dat een vers wordt gevolgd door een vers dat het annuleert? Of sterker, dat een eerder vers een later vers annuleert? Waarom was het latere vers dan geopenbaard?

· Is het waarschijnlijker dat Mohammed verward was, loog, of geestelijk misleid was, toen hij de Koran uitsprak en het concept van God die Zijn woorden abrogeert schiep?

· Als de koran in de hemel bestaat als een volmaakt boek, waarom zou hij verzen bevatten die geabrogeerd zijn geworden? Als deze verzen werkelijk moesten worden geabrogeerd en zelfs vergeten zijn, waarom waren zij er dan in eerste instantie?

Silas

Referenties

[1] “Islam: Muhammad and His Religion”, pagina 66, Arthur Jeffery, Bobs Merril.
[2] “Dictionary of Qur’anic Terms and Concepts”, Muntasir Mir, Garland
[3] “Introduction to the Quran”, Richard Bell, R. & R. Clark
[4] “The Quran and its Interpreters”, 20, Mahmoud Ayoub, SUNY.
[5] “Hughes Dictionary of Islam”, pagina 520, P. Hughes, Reference Book
[6] Korancitaten zijn uit de Nederlandstalige interpretatie van de koran die op het web te vinden is.
[7] “The Meaning of the Holy Qur’an”, Yusuf Ali, Amana Corporation.
[8] “Tafsir ul-Qur’an”, Maulana Abdul Majid Daryabadi, Darul – Ishaat
[9] “23 Years: A Study of the Prophetic Career of Mohammad”, Ali Dashti, Mazda.
[10 ] “Islam”, A. Guillaume, Penguin.
[11] “Behind the Veil, Unmasking Islam”, Voice of the Martyrs.1-918-337-8015.
[12 ] “The History of al-Tabari”, M. V. MacDonald, SUNY.


Bijbelcitaten zijn uit de NBG-vertaling © 1951 Nederlands Bijbelgenootschap.

Korancitaten (tenzij anders vermeld) zijn uit de Nederlandstalige interpretatie van de koran die op het web te vinden is.

Andere citaten zijn rechtstreeks uit het Engels vertaald

Laatste bewerking: Januari 2007 (gebaseerd op: Rev A: 5-20-98)

Met toestemming van de auteur is dit artikel vertaald; de originele titel luidt: Ahmad, Allah, and Abrogation

De beoordelingen van het boek van Paul Young zijn in Duitsland en Amerika anders dan in ons land. De Bijbelse waarheid is in geding.

‘DE UITNODIGING’[1]
van de auteur Paul Young

Auteur
William Paul Young woont in Canada. Hij is de zoon van een zendelingenechtpaar op Nieuw Guinea. Een emotionele band met zijn ouders heeft hij nooit gehad, leden van de Papoea-stam hebben hem seksueel misbruikt en dierbaren zijn te vroeg en plotseling uit zijn leven weggerukt. Young bleef overeind door al het kwaad wat hem was aangedaan en dat hij anderen aandeed in een ‘hut” te stoppen, een plek die zo diep verborgen lag, dat hij zelfs onbereikbaar leek voor God. In eerste instantie schreef Young het boek voor zijn kinderen om te laten zien dat God veelzijdig en oneindig is. Centraal staat de vraag: ‘Waar is God bij pijn en verdriet?’

Inhoud
Mack is een man die ‘het grote verdriet’ met zich meedraagt. Een last die ontstond, toen hij tijdens een kampeervakantie met zijn kinderen zijn vijfjarige dochter Missy verloor aan een verknipte moordenaar. Na een zoektocht worden in een verlaten hut aanwijzingen van een brute moord gevonden. Vier jaar later ontvangt de rouwende Mack een briefje – schijnbaar van God – met de uitnodiging om opnieuw die vreselijke hut te bezoeken.
Na het betreden van zijn ergste nachtmerrie (= de hut) verandert die  in een paradijselijke plek. Mack maakt kennis met God, gepersonifieerd in een Afro-Amerikaanse vrouw die zich ‘Papa’ noemt. Ook maakt hij kennnis met timmerman Jezus en met Saruya, een verpersoonlijking van de Heilige Geest. Er ontspint zich een aftastend en vervolgens diepgaand gesprek met op de achtergrond de bijna kosmische vraag: ‘Waar is God in de gewone mensenwereld die zo vol is van pijn en verdriet? Waarom greep hij niet in bij de ontvoering van Missy en hoe moet het verminkte gezin omgaan met vragen over schuld en vergeving?’ Mack komt tot nieuwe inzichten over God en zijn eigen leven.

Beoordelingen uit ons land
Het laat je, los van alle kaders, opnieuw nadenken over wat Gods liefde nu werkelijk inhoudt. – EO Visie

[…] knap gecomponeerd en toegankelijk geschreven […] – Nederlands Dagblad

Wie graag aan theologische scherpslijperij doet, heeft handenvol werk aan dit boek. Maar dat laat onverlet dat ‘De uitnodiging’ een verrassende en uitdagende roman is. – Friesch Dagblad

Het boek geeft op zijn minst een fris en nieuw beeld van God. – De Stentor

Technisch is het een goed boek. Het leest vlot, de schrijfstijl is prettig en zal een breed publiek trekken. Ook de indeling van het verhaal is goed. Het taalgebruik is eenvoudig gehouden, maar komt zeker niet simpel over. Er zijn regelmatig passages die een korte overdenking tot gevolg hebben. Gewoon om het even goed tot je door te laten dringen. De citaten van bekende personen aan het begin van een hoofdstuk zijn niet willekeurig gekozen, maar vormen een daadwerkelijke toevoeging aan de roman. Al met al een prima prestatie voor een debuutroman.

Ongetwijfeld zullen er mensen zijn die moeite hebben met de personen van God in dit boek. Het blijkt echter niet de bedoeling te zijn van Young om God als een zwarte vrouw neer te zetten. Hij wil ons wijzen op het feit dat God zich op vele manieren kan laten kennen en dat wij mogen doordringen tot Zijn Vaderhart. Wanneer je zo naar het verhaal van Young kijkt, kun je God beter leren begrijpen. In de Bijbel lezen we over God in een wolkkolom en vuurkolom bij de tocht door de woestijn, als mens bij Abraham en Lot, als man bij Jacob en uiteindelijk natuurlijk als De Zoon des Mensen die in de wereld kwam als bewijs van Gods liefde.  Sommige beelden vond ik heel mooi: God als werkwoord i.p.v. zelfstandig naamwoord bijvoorbeeld. Of het idee dat voor God het instituut kerk niet bestaat. Andere spraken me minder aan: de relatie tussen mens en God als horizontale cirkel. Het gedeelte van het lopen over het water vond ik wat gekunsteld. – www.boekenmening.nl

Beoordeling uit Duitsland door Wolfgang Bühne[2]
Waarom men voor dit boek moet waarschuwen.

1. Het boek gaat in tegen het tweede gebod. Het geeft een beeld van God dat niet overeenkomt met de Heilige Schrift, waarin God zich heeft geopenbaard, maar is een product van  menselijke fantasie, humanistische, esoterische voorstellingen. Dat is godslastering, zelfs al heeft de auteur de beste bedoelingen.

2. Het boek werd volgens de schrijver niet als ontspanningslectuur geschreven, maar met het uitdrukkelijke doel een “ accuraat beeld van het wezen en karakter van God te laten zien”. Maar het tragische is, dat de lezer hier een volledig verkeerd beeld van God krijgt, waarbij o.a. de gerechtigheid en heiligheid van God verborgen is en de lezer daardoor misleid en bedrogen wordt. Het kameraadschappelijke “papa” in het boek komt niet overeen met de God van de Bijbel, die geen mens zal zien en leven (Ex 33: 20) en “voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten” (Openb 20: 11).

3. Het probleem van de zonde, de realiteit van hel of eeuwige verdoemenis wordt gerelativeerd of ontkend. Er wordt een evangelie van het goede gevoel gesuggereerd, dat de lezer niet tot erkenning van eigen verlorenheid brengt en Jezus Christus niet als Heer van ons leven onder het oog brengt. Daniel Hames zegt hierover: ‘De drie-enige God wordt een ‘werkwoord’, de natuur van Christus wordt opgedeeld en Zijn kruisdood van elke betekenis ontdaan. Het heil heeft vervolgens niets meer met persoonlijk geloof in Jezus te maken maar geldt automatisch voor alle mensen.’

Winfrid Kuhn zegt het als volgt: ‘Drie vrolijke personen die de ziel een beetje masseren, kunnen de werkelijkheid van Gods wezen niet beschrijven. Woorden als zonde, Gods gerechtigheid en alle andere centrale Bijbelse getuigenissen blijven onvermeld of worden verzacht. Zelfs eeuwige verlorenheid wordt gerelativeerd.’

Het is duidelijk dat de schrijver in zijn roman traumatische gebeurtenissen die hij als kind of als jongere thuis of in zijn omgeving meemaakte, verwerkt heeft. Het dubbelleven, farizeïsche arrogantie, gebrek aan geloofwaardigheid en het vaak formele christelijke leven zonder warme betrokkenheid tot de Verlosser, lijkt de achtergrond van het boek te zijn. Er wordt zo een karikatuur van het christen-zijn gemaakt waarbij Bijbelse dogmatiek, consequente navolging, bindend gemeenteleven en de erkenning van autoriteitsstructuren in diskrediet raken. Daarom waarschijnlijk ook de sterke nadruk op relaties, liefde, “papa God”, spiritualiteit, intuïtie en gevoel.

Daarmee zijn dit soort publicaties bij alle kritiek op de inhoud en de eenzijdigheid tegelijkertijd een sterke uitdaging om onze eigen erkenning van en leven als navolger van de Here Jezus aan een kritische zelfbeproeving  te onderwerpen. We zouden de vraag moeten stellen of in ons persoonlijk leven evenals in ons gemeenteleven echte karaktertrekken van  onze Here Jezus te zien zijn, die ons alleen in de Bijbel getoond worden en of er een overeenkomst in leer en leven bij ons te zien is.
www.ekklesia-nachrichten.com

Beoordeling 1 uit de Ver. Staten (USA) door Warren Smith[3]
God in alles?

Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur (Gal 5:9).

De uitnodiging wordt beschreven als een christelijke roman en leest als een waar gebeurd verhaal, maar is een allegorische novelle. Het boek bevat postmoderne spirituele ideeën en leringen dat het Bijbels christendom uitdaagt. ‘De Uitnodiging’ is een fictief voertuig dat bepaalde religieuze begrippen op de kop zet en tegengestelde spirituele scenario’s presenteert. Er worden dingen in beschreven die echt lijken, maar het niet zijn. Het boek spreekt over Gods liefde en vergeving. Paul Young werkt in dit betrokken en emotionele verhaal toe naar de newage-leer dat God in alles en iedereen is.

Deze leer zegt, dat God niet alleen transcedent (= boven ons), maar ook immanent (in iedereen en alles is). Volgens newage-kenners dé sleutel tot alle magie en mysteries. Volgens newage-leider Benjamin Creme zal de Nieuwe Wereld Religie worden gebaseerd op deze “zo boven, zo beneden” leer (De terugkeer van Christus en de Meesters van de Wijsheid).  De Bijbel maakt echter duidelijk dat de mens niet goddelijk en de mens niet God is (Ez 28:2; Hosea 11:9).
Het boek lijkt ogenschijnlijk de diep gevoelige zaken rond de moord op een kind te beschrijven. De lezer wordt door het verhaal geraakt op een emotioneel niveau. Het gebruik van poëtische vrijheden om zijn hoogst subjectieve en vaak on-Bijbelse, spirituele inzichten over te brengen, wordt echter steeds problematischer naarmate het  verhaal vordert. Dit wordt het duidelijkst als hij de persoon van “Jezus” gebruikt om plotseling  de fundamentele leer van de NewSpirituality/New World Religion te introduceren. “God, die de oorzaak/grond is van  alles wat bestaat, woont in, rondom en door alle dingen” (pag. 112).[4]

De ‘Jezus’ in ‘De Uitnodiging’ is niet de ‘Jezus’ van de Bijbel
Zonder Paul Young en zijn boek verkeerde motieven toe te schrijven, lijkt het gebruik van spirituele creativiteit een christelijke instemming te geven aan de new age/nieuwe spiritualiteit van de ‘Nieuwe Wereld Religie’. Zijn vermenging  van waarheid en dwaling kan erg verwarrend zijn voor de lezers en God is niet de auteur van verwarring ( 1Cor 14:33). Dwaling is als zuurdesem, een beetje zuurdesem doortrekt het geheel. Dit te vergoelijken is ontrouw aan God en aan zijn Woord en gevaarlijk voor diegenen voor wie Christus stierf.
Voordat christenen een of meer exemplaren van dit boek kopen, moet hun duidelijk worden wat deze schrijver uiteindelijk leert en wat ze aan vrienden en medegelovigen doorgeven.
Herescope, 21 juni 2008

Beoordeling 2 uit de USA
Het boek heeft een boodschap. Ik zag hiervan een sterk voorbeeld in het tijdschrift “Well-being”uit 1992 waar het newage-inzicht werd beschreven als komende van de ‘innerlijke geest’ van de auteur. Veel mensen geloven in het kwaad, de zonde en duistere krachten. Het is de bedoeling  dat u het tegengestelde leert, dat er geen duivel, geen hel, geen zonde en schuld is, behalve in de creatieve geest van de mensheid.
‘De Uitnodiging’ brengt een soortgelijke ontkenning van de werkelijkheid. Door het negeren of herdefiniëren van zonde en schuld wordt een inclusief, maar vals christendom gebracht. Door ook satan buiten beschouwing te laten, verzwakken ze Gods waarschuwing voor misleiding.

Roger Oakland, auteur van het boek ‘Faith Undone’ zinspeelde op deze verandering  in zijn artikel “Mijn reis naar de Rethink-conferentie”. “Al bijna tweeduizend jaar hebben veel belijdende christenen de Bijbel als grondslag voor het christelijk geloof gezien. De visie van de Rethink-conferentie is echter dat het christendom, zoals wij dat kennen, op z’n retour is en vervangen moet worden. Sprekers beweerden, dat het christendom opnieuw moet worden overdacht, wil de naam van Jezus Christus op aarde blijven.” Geen ruimte voor de historische Jezus? Moet er een nieuwe voorstelling van God komen om hem passend te maken voor de groter wordende universele kerk? Dat lijkt de doelstelling van  de vrouwelijke god in ‘De Uitnodiging’. Ze zegt het volgende tegen de hoofdpersoon Mack:

“Dat ik voor jou verschijn als een vrouw en  mij papa laat noemen, is om je beeldvorming  te mengen en je te helpen niet zo snel terug te vallen in je religieuze ideeën.” Ziet de heer Young zo het christendom?

‘The Shack’ is geschreven als een persoonlijke belijdenis dat de lezer betrekt in virtuele dialogen met een speelse, cultureel relevante god. ‘De Uitnodiging’ biedt geen standaard voor goed of fout, er is dus geen noodzaak van Bijbelse bekering. Het ongewenste in de  Bijbel wordt genegeerd. In de kerk gaat het om relaties en delen met elkaar. In ‘De Uitnodiging’ ontmoet de lezer een toegeeflijke God die zich onderwerpt aan menselijke gewoontes. Ze kijken door de sluier tussen leven en dood, zien de vreugde die daar heerst en praten met geliefden, subtiele voorbeelden van dodenoproepen, wat in de Bijbel verboden wordt. Hij ervaart zelf het astrale reizen, in het boek ‘vliegen’ genoemd.

“Wat een geweldige mogelijkheid biedt de verbeelding,” zei de fictieve Jezus, “die kracht alleen al maakt jullie zoals wij.”

De dialogen, die ontstaan nadat Mack de hut betreden heeft, versterken de nieuwe visie op God. Volgens ‘de vrouwelijke god’  is er geen opstanding en terugkeer van de ‘nieuwe  Jezus’ naar de hemel geweest.

De Bijbel zegt het anders. Trouwens noch God, noch de Heilige Geest zijn ooit door een mens gezien. Maar hier zien we de drie-eenheid in menselijke vorm op aarde. In tegenstelling tot de ware God, oefent deze valse drie-eenheid geen gezag uit over de mens. Dit moet de hedendaagse postmoderne kerkleiders aanspreken, zij schuwen woorden als soevereiniteit en  autoriteit. Een God die de standaard bepaalt voor alle tijden zou hen in hun belangrijkste doel kunnen belemmeren: inclusieve relaties en authentieke gemeenschap. Zonde, schuld en het gezag van God worden ontkend. Zelfs Gods genade is nietszeggend.

Net zoals andere virtuele ervaringen wakkert het lezen van ‘De Uitnodiging’ de verbeelding van de goedgelovige aan. Het plant percepties die nieuwe overtuigingen schept, in een open geest. Te midden van deze  misleidingen biedt de ware God hoop:

‘Wanneer je bij mijn Woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden’ (Joh. 8: 31 en 32).
Bron. www.crossroad.to

 


[1] Oorspronkelijke titel is ‘The Shack’ (= De Hut’), 284 blz., paperback, ISBN 978904351550, uitg. Kok, € 18,95.

[2] Redacteur van het Duitse blad ‘Topic’.

[3] Warren Smith is auteur van het boek ‘Doelgericht misleid’. Hij kent de newage-beweging van binnenuit.

[4] In zo’n zin merk je het pantheïsme! (opmerking redactie).

DEZELFDE GOD? 

Een lezing van de arabist prof. dr. Hans Jansen bij de publicatie van het boek ‘Dezelfde God? Jezus, heilige Geest, God in het christendom en in de islam’ van dr. Marc Durie.

Iedereen weet, dat de  islamitische geloofsbelijdenis luidt: ‘Er is geen god dan Allah en Mohammed is zijn gezant.’ Dat zijn twee interessante mededelingen. Van de eerste van die twee mededelingen is het een toehoorder niet direct duidelijk of die wel echt over de islam gaat. De woorden ‘Er is geen god dan Allah’ geven die niet eerder een oordeel over de andere godsdiensten dan de islam? Wie eens rustig over die formule nadenkt,  kan moeilijk een andere conclusie trekken, dat die formule hoofdzakelijk een oordeel geeft over de godsdienst van mensen die geen moslim zijn.

Het is uitzonderlijk dat een godsdienst in zo’n belangrijk document als de officiële kortste vorm van de eigen geloofsbelijdenis het niet over zichzelf heeft, maar over de concurrentie. En dat nog wel aan het begin van de formule. Dit roept vragen op. Met welk recht doet de islamitische geloofsbelijdenis een zo stellige mededeling over het geloof van andere mensen? En nog wel een negatieve, agressieve mededeling? Ligt daar onderzoek aan ten grondslag?

Is er ook maar één andere godsdienst die hetzelfde of iets dergelijks doet? Bij mijn weten bestaat er geen enkele andere godsdienst die al in zijn geloofsbelijdenis het heeft over wat anderen geloven en dat dan ook nog in negatieve zin. Het is tegen alle regels van de beleefdheid in om anderen ongevraagd mee te delen dat ze fout zijn. Zeker wanneer die ander jou vriendelijk heeft welkom geheten en jou onbekommerd in de gelegenheid stelt te delen in de voordelen van zijn eigen maatschappelijke ordening.

De geloofsbelijdenis van het christendom gaat in ieder geval geheel over het christendom. Die geloofsbelijdenis begint met de woorden ‘ik geloof in één God, de Almachtige, Vader’, credo in unum Deum patrem omnipotentem. Dat is, anders dan bij de islamitische geloofsbelijdenis het geval is, een uitspraak over de inhoud van het eigen geloof. De christelijke geloofsbelijdenis gaat over het christendom en verder nergens over. Het is inderdaad haast onvoorstelbaar dat een geloofsbelijdenis niet over het eigen geloof zou gaan, maar over dat van anderen. Toch, in het geval van de islam is het toch echt zo en accepteren we het als normaal.

Bij het horen van de islamitische geloofsbelijdenis rijzen er een aantal vragen. Hoe weten de moslims dat eigenlijk, dat niet-islamitische eredienst geen aanbidding is van de ene God, de almachtige Vader? Waar is die kennis op gebaseerd? Wat gaat het bovendien de moslims aan wat anderen geloven? Met welk recht matigen ze zich daar een oordeel over aan en dan nog wel een negatief oordeel? Waarom accepteren wij zulke hoogmoed en zulke hovaardij? Uit angst? Omdat we ons Theo van Gogh herinneren en ieder van ons de volgende kan zijn?

Zoals altijd is er meer aan de hand. Wij hier in het westen spreken nu wel van ‘de islamitische geloofsbelijdenis’, maar de moslims zelf gebruiken een andere term. In het jargon van de islam heet wat wij ‘de islamitische geloofsbelijdenis’ noemen, ‘het getuigenis’, ash-shahaada, zoals het getuigenis voor een rechtbank. Dat is een juridisering van het geloof.

De islamitische formule legt niet een emotie vast, of een gevoel, of een overtuiging, want wie voor de rechtbank staat, wordt niet gevraagd naar zijn gevoel, zijn emotie of zijn overtuiging. Die wordt bevraagd over wat hem uit eigen wetenschap of waarneming bekend is. Door over ‘getuigenis’, shahaada, te spreken, geeft het systeem van de islam aan de formule ‘er is geen god dan Allah’ een waarde die maar matig bij een geloofsbelijdenis past. De formule trekt het

geloof de juridische sfeer in. Als het een ‘getuigenis’ is, hoort het bij een rechtbank thuis en is het geen geloofsbelijdenis.

In het christendom daarentegen wordt het woord credo, ‘ik geloof’, gebruikt, en dat geeft de verhoudingen goed weer. Ook in het jodendom: ani ma’amiin be-emoenah sheleema, ‘ik geloof’. In het Arabisch van de islam luidt het correcte woordgebruik evenwel ashhadu, ‘ik getuig’, an laa ilaaha illaa ‘llaah, ‘dat er geen god is dan Allah’, maar op grond waarvan getuigt een moslim dit?

Het woord ‘getuigenis’ is hier toch werkelijk anders gebruikt dan wij het in het westen gebruiken. Wie bij een rechtbank in een strafzaak een getuigenis aflegt over zaken die hij uitsluitend van anderen heeft gehoord, maar waarvan hij wel gelooft, dat ze waar zijn, mag blij zijn, als hij niet wegens meineed gepakt wordt. In ieder geval wordt zijn getuigenis door een echte rechtbank niet geaccepteerd.

Het woord ‘getuigenis’ wordt hier door de moslimse theologie dan ook oneigenlijk en op misleidende wijze gebruikt en dat is mogelijk ook de bedoeling. Het eerste deel van de shahaada, de ‘geloofsbelijdenis’, is eerder een strijdkreet dan een getuigenis. Als moslims elkaar voor de gek willen houden door een strijdkreet als geloofsbelijdenis te presenteren en ‘getuigenis’ te noemen, is dat bedenkelijk, maar als ze er ons ook mee voor de gek willen houden, dan is alleen een besliste afwijzing van deze misleiding op zijn plaats.

Het eerste deel van de islamitische geloofsbelijdenis gaat niet over de islam, het is geen credo en gaat dus gaat niet over geloof en het wordt dan wel ‘getuigenis’ genoemd, maar het is een strijdkreet. Het is zeker geen getuigenis in de bij ons gebruikelijke betekenis van dat woord. Verder is alles in orde.

Het tweede deel van de shahaada luidt: ‘Mohammed is de gezant van God.’ Dat is wat vorm en inhoud betreft traditioneler. De islam leert, dat er iemand die Mohammed heette, rond het jaar 570 van onze jaartelling in Mekka geboren is, in 611 door God als profeet is geroepen en in 632 in Medina is gestorven. Deze Mohammed moet voor alle moslims het hoogste voorbeeld zijn,uswa Hasana, Q 33:21.

Dat is problematisch, want wat de islam zelf over Mohammed overlevert, roept bij niet-moslims ernstige bedenkingen op. De islam zelf vertelt honderden verhalen over Mohammed. Als die verhalen waar zijn, kan Mohammed dan wel een gezant geweest zijn van dezelfde God die op de Sinai de tien geboden (Dt 5:6-21) gegeven heeft? In de verhalen die de islam zelf over Mohammed overlevert en doorgeeft, overtreedt Mohammed, het hoogste voorbeeld voor goede moslims, de tien geboden meerdere malen. Hij roept bovendien zijn volgelingen op tot het plegen van handelingen die volstrekt in strijd zijn met deze geboden. De Koran noemt God nergens ‘Vader’, maar kan Mohammed dan wel een gezant zijn geweest van dezelfde God die door Jezus zijn Vader genoemd wordt? Er zijn hier toch wel een paar lastige en onaangename vragen te stellen.

Mohammed heeft opgetreden als veldheer, als krijgsheer, als slavenhaler en als slavenhandelaar. Is dat te rijmen met ‘Wat gij de geringste uwer broeders hebt gedaan, hebt ge mij gedaan’? In de oudheid werden mensen die een oorlog hadden verloren nu eenmaal eerst krijgsgevangene en vervolgens slaaf, maar zou dezelfde God die wij min of meer uit de Bijbel denken te kennen, een gezant uitsturen om mensen te gaan vangen als waren het konijnen en die mensen als hij ze eenmaal gevangen heeft, vervolgens al hun bezit en hun vrijheid te ontnemen en tot slaaf te maken?

De islam leert, dat Mohammed een zeer jong meisje gehuwd heeft. Maar Mohammed is het hoogste voorbeeld. God wil volgens Koran 33:21 Mohammed aan ons allemaal tot voorbeeld

stellen. Zou de God die dat wil, dezelfde God zijn die wij volgens de Bijbel ‘Vader’ mogen noemen? Zou de God van wie de Bijbel ons voorhoudt, dat hij de Vader van elk mens wil en kan zijn, kleine meisjes ten huwelijk willen geven aan de vrienden van de grootvader van dat kleine meisje?

De islam leert, dat er voor het sluiten van een huwelijk getuigen nodig zijn, maar voor het uitspreken van een verstoting niet. Ook leert de islam, dat een man die zijn vrouw verstoten heeft, die verstoting mag herroepen zelfs zonder dit aan de vrouw in kwestie mee te delen. Deze ‘wetgeving’ (tussen aanhalingstekens!)  leidt er toe, dat een vrouw nooit zeker weet of ze nu wel of niet gescheiden is en of ze kan hertrouwen. Als ze hertrouwt, loopt ze het risico dat een boze eerste echtgenoot haar van ontucht beschuldigt en maar al te graag de eerste steen komt werpen. Moeten wij geloven, dat een zo onredelijke zo vrouwvijandige wet gegeven is door dezelfde God als die van de Bijbel? Jodendom en christendom hebben niets dat ook maar in de buurt komt van dit soort onredelijke regelingen.

De islam leert ook, dat Mohammed gezegd heeft: ‘Doodt elke jodenman die in uw handen valt’,man Zafirtum bihi mijn rigaal al-Yahuud, fa-qtuluuh. De Bijbel, het Oude en het Nieuwe Testament, zijn Joodse documenten die door Joden zijn geschreven. Is het te verwachten dat de God van de Bijbel een gezant uitstuurt met zulke opvattingen? Een gezant die opdracht geeft de Joden uit te roeien? En die in Medina ook daadwerkelijk aan dat uitroeien heeft deelgenomen?

Wie zijn wij om te beoordelen wat God wel en niet zal doen, maar de Bijbel schetst God toch eigenlijk als liefhebbend en redelijk. Ondanks dat niet alle bijbelschrijvers precies hetzelfde godsbeeld hebben, is er weinig moed voor nodig om te zeggen dat onredelijkheid de God van de Bijbel vreemd is. Maar het zou wel heel onredelijk zijn, als de God van de Bijbel, nadat hij zich als redelijk heeft laten kennen in de verhalen die de Bijbel vertelt, de mens de opdrachten geeft die hij volgens de Koran en de islam de mens gegeven heeft. Dat zou het toppunt van onredelijkheid zijn. De God van de Bijbel kan dus niet de God van de Koran zijn.

Toch stellen moslims in gesprekken met Joden en christenen dat het jodendom, het christendom en de islam alle drie dezelfde Ene God aanbidden. Ze kunnen die stelling volhouden, omdat er een islamitische geloofspunt bestaat, dat leert dat kerk en synagoge, rabbijnen en priesters, de tekst van de Bijbel en de opdrachten die de Bijbel geeft, verdraaid hebben, zeg maar vervalst hebben. Wat de Bijbel over God beweert, heeft dan ook geen enkele waarde voor moslims en kan dus ook niet door christenen gebruikt worden om aannemelijk te maken dat de God van de islam niet identiek kan zijn met de God van de Bijbel.

Hebben joden en christenen inderdaad geknoeid met hun heilige boeken? Het met opzet verdraaien en vervalsen van de heilige teksten is een ernstige beschuldiging die een grove belediging impliceert jegens al die joodse en christelijke professionals die eeuwen lang alles in het werk gesteld hebben de tekst van de Bijbel zo goed als maar enigszins mogelijk was te bewaren.

De bekende Joodse middeleeuwse geleerde Maimonides was dan ook van mening dat het niet was toegestaan aan moslims les over de Bijbel te geven. Christenen, betoogde hij, hadden vaak wel verkeerde ideeën over de betekenis van de Bijbeltekst, want ze zagen in allerlei verzen ten onrechte allerlei ‘de hen bekende allegorieën’, haremazim ha-yedu. Christenen geloofden, legt Maimonides uit, dat deze allegorieën verwezen naar hun eigen Jezus van Nazareth, die ze meenden terug te kunnen vinden in de bijbeltekst, maar desondanks geloofden christenen tenminste, dat de Bijbel de Bijbel was. Moslims daarentegen geloven dat niet en geven daarmee een forse motie van wantrouwen af, die persoonlijk beledigend is voor alle dienaren der kerk. Uit onwennigheid met zulk beledigend gedrag wenden we maar voor het

niet op te merken.

De situatie van de Arabische christenen maakt het probleem waar we het nu over hebben ingewikkelder dan het al is. Arabischtalige christenen gebruiken het woord ‘Allah’ in hun bijbelvertalingen en hun liturgie. Zo spreekt een Arabischtalige pastoor van ‘Allah de Vader, Allah de Zoon, Allah de Heilige Geest’. Ook de joodse bijbelvertalingen gebruiken het woord ‘Allah’ voor het Hebreeuwse Elohim.

Het eiland Malta is katholiek en Arabischtalig. Ook de streng katholieke Maltezers noemen GodAlla, zij het zonder ‘h’ aan het einde. Het eiland Malta is een solide verdedigingsveste tegen de opmars van de islam, niemand kan de Maltezers van sympathie voor de islam verdenken. Toch, ook zij, gebruiken het woord Alla. We kunnen er niet omheen: Alla(h) is in het Aramees, het Arabisch en het Maltees Arabisch het gewone woord voor ‘God’.

God is die Hij is en het gaat er niet om hoe Zijn voor- en achternaam luiden, maar waar het om gaat is, wat hij van de mens vraagt. De God van de Bijbel vraagt zulke andere dingen van de mens dan de God van de islam en de Koran, dat er geen enkele twijfel kan bestaan: het gaat niet om dezelfde God.

Er is een goede verklaring voor de moslimse opvatting dat het daarentegen toch om dezelfde God gaat. Moslims willen graag dat christenen  tot de islam toetreden. Dat is in principe een sympathiek trekje van de islam. Als het om dezelfde God gaat, is een overstap van het christendom naar de islam eigenlijk maar een klein stapje. Moslim moedigen ons aan dat kleine stapje nu maar te zetten. Zo’n klein stapje is immers snel en gemakkelijk gezet.

Nu, het is beslist geen klein stapje, wat alleen al blijkt uit het feit dat de islam op de overstap van de islam naar het christendom de doodstraf stelt. Het gaat dan toch echt om hetzelfde kleine stapje, maar wie dat kleine stapje in omgekeerde richting zet, wordt door de islam met de doodstraf bedreigd en het blijft lang niet altijd bij een dreiging. De islamitische bewering dat het om dezelfde God gaat, is niet veel meer dan een trucje van mensen die zieltjes willen winnen. Het is misleiding.

Het adres van de God van de Koran en de God van de Bijbel zal wel hetzelfde zijn: per adres de Schepper van hemel en aarde. Maar de aard van de God van de Koran wordt door de islam en de Koran zo gepresenteerd dat joden en christenen weinig anders kunnen zeggen dan, dat ze de God van de Bijbel daar niet in herkennen. God is redelijkheid en liefde, leert de Bijbel. God is barmhartig, leert de Koran. Liefde en barmhartigheid lijken op elkaar, maar zijn waarachtig niet hetzelfde. Liefde is horizontaal en kan wederzijds zijn. Barmhartigheid is eenrichtingsverkeer, niet wederzijds en gaat alleen van boven naar beneden. Liefde en barmhartigheid zijn twee verschillende dingen, want niemand gaat ooit uit barmhartigheid met een ander naar bed.

Recruteerders en missionarissen mogen natuurlijk trucjes gebruiken en kraaltjes en spiegeltjes uitdelen, als dat de goede zaak vooruit helpt. Maar liever geen valse kraaltjes uitdelen aan mensen die beter weten, of beter zouden moeten weten. De kraaltjes en spiegeltjes die de moslims uitdelen door te zeggen dat hun God dezelfde is als die van kerk en synagoge, die kraaltjes en spiegeltjes zijn vals.

In het verlengde van deze kraaltjes en spiegeltjes ligt een ander, ook belangwekkend islamitisch betoog. Jezus wordt door de islam erkend, zeggen de missionarissen van de islam. Ze vertellen er alleen niet bij als wat Jezus door de islamitische theologie erkend wordt. Ze vertellen er niet bij in welke hoedanigheid Jezus door de islam erkend wordt. Volgens de leer van de islam is Jezus van Nazareth een profeet geweest als Habakuk of Noach. De islam leert, dat Jezus één van de vele profeten is geweest in de lijn die begint bij Adam en die eindigt bij Mohammed.

 

Zo’n gewoon profeetschap van dertien in een dozijn is christenen eigenlijk niet genoeg. Christenen geloven, dat Jezus meer dan alleen een profeet is geweest, dat Hij uniek geweest is, niet een van de vele collega’s van Habakuk, maar de eniggeboren zoon van God, Filium Dei unigenitum, ex Patre natum ante omnia saecula, ‘geboren uit de Vader voor alle eeuwen’,Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero, genitum non factum, consubstantialem Patri, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren niet gemaakt, gelijk van wezen met de Vader.

Christenen geloven bovendien, dat Jezus onder Pontius Pilatus gekruisigd is, geleden heeft en begraven is, passus et sepultus est. De islam en de Koran ontkennen, dat Jezus gekruisigd is. Van de erkenning van Jezus door Koran en islam blijft dan wel heel weinig over. Over de opstanding van Jezus heeft de islam al helemaal niets te zeggen. Laten wij er ook het zwijgen dan maar toe doen.

Terwijl het Nieuwe Testament leert, dat Jezus een Jodenman geweest is, leert de Koran dat Jezus moslim was. Ik denk niet, dat de kerken er goed aan doen de Joodse Jezus van het Nieuwe Testament in te ruilen voor een moslimse Jezus. Aan de theologische faculteit van de universiteit van Utrecht liep desalniettemin tot voor kort een hoogleraar rond die in volle ernst beweerde, dat de Koran een ‘betere’ kijk had op de rol van Jezus in de heilsgeschiedenis dan de kerken. De hoogleraar noemde in de titel van zijn oratie uit 2005 de Koranverzen 19:16-40 zelfs meteen maar ‘een correctief evangelie’. Het lijkt mij heerlijk om zo onnozel te zijn. Ik kan mensen die zulke dingen beweren alleen maar benijden. Alhoewel, om dit soort ongevraagde meeloperij met de moslims te karakteriseren is de term ‘knettergek’ nog niet zo verkeerd.

Ik ken Mark Durie nog uit zijn tijd in Leiden. Ik vond het maar zielig dat hij daar dag in dag uit college liep bij al die oude heren die voor de Tweede Wereldoorlog nog in Leiden bij Snouck Hurgronje gestudeerd hadden. Ik heb hem toen dus ernstig onderschat. Hij was destijds bezig met een soort universitaire archeologie, academische oudheidkunde en ik hoop, dat hij ook over die dingen ook nog eens schrijft. Maar nu hebben we een boek van zijn hand, dat ons kan sterken in de strijd die er tegenwoordig woedt tussen de islam en de rest van de wereld. Wij hebben die strijd niet gezocht. We zijn er door een keten van toevalligheden in terecht geraakt. Maar nu die strijd eenmaal woedt, kan ik u alleen maar voorhouden: ‘Strijd de goede strijd, en grijp naar het leven waartoe ge geroepen zijt.’

Amersfoort, 22 september 2009

Wat is je houding t.o.v de veranderingen in het onderwijs op de school van je kind(eren)?

Inspelen op veranderingen in het onderwijs


Meestal lopen de scholen (besturen en schoolteams) daarbij voorop. Als regel vallen die veranderingen in twee groepen uiteen:
* urgente veranderingen, die te maken hebben met vorm en procedure en
* wezenlijke veranderingen, die te maken hebben met inhoud en identiteit.

Iedere school reageert zo goed mogelijk op urgente veranderingen, want hiermee is het voortbestaan van de school gemoeid. Vaak kost dit bijna alle tijd die de school beschikbaar heeft om aan vernieuwing te besteden. Het gevolg is dat er nauwelijks tijd overblijft om aandacht te besteden aan veranderingen die het wezen van de school bepalen. Dan wordt de prioriteit bepaald door de vraag: Is de continuïteit van de school ermee gediend? Is dat niet het geval, dan wordt het naar het tweede plan verschoven.

Het inspelen erop kost veel tijd en geld en moet in de vrije uren gebeuren. Liefst ook nog budget-neutraal, een mooi woord voor: het mag niets extra kosten. Toch zijn die veranderingen boeiend en is iedereen van de noodzaak overtuigd, zodat de tijd en het geld er toch komen. Niemand wil immers de vooruitgang tegenhouden en die vooruitgang begint bij de (jonge) mens, dus bij het onderwijs!
Daardoor is er vaak niet eens tijd om na te denken over de wezenlijke veranderingen. Hieronder staat een handreiking om christenen te helpen inspelen op veranderingen. Het is een aanzet.


Wat voor veranderingen bepalen de (christelijke) identiteit van de school?
Vanuit onze contacten met ouders constateren wij een aantal ingrijpende veranderingen die van alle kanten op ons afkomen. Die veranderingen maken, dat veel zaken die vroeger vanzelfsprekend waren, dit voor velen niet meer zijn. Of dat allerlei zaken de school binnenkomen, die het karakter ervan ten diepste aantasten. Sommigen zien die veranderingen als een bedreiging. Dat hoeft niet zo te zijn. Alles was vroeger niet ideaal. Zie de veranderingen als een uitdaging, zodat je op een creatieve manier erop in kan spelen.

Mens- en wereldbeeld
Bij velen is het bestaande mens- en wereldbeeld de afgelopen jaren ingrijpend gewijzigd. Daarbij ruimt het seculaire, materialistische denken het veld voor het nieuwe postmoderne denken. Ineens is het weer ‘in’ om te spreken over de religieuze dimensie, het spirituele en heeft men oog voor het goddelijke in de natuur. De andere religies zijn niet meer iets van verre continenten, maar op veel scholen ontmoeten we kinderen van die religies in onze klas. Hoe spelen wij daarop in, met andere woorden: hoe bereiden we al die leerlingen voor op de eenentwintigste eeuw?

Omgaan met de Bijbel, eerbied voor God
Vroeger had ‘Bijbelse geschiedenis’ en ‘godsdienstonderwijs’ een nogal geïsoleerde plaats. Tegenwoordig is dat veel minder het geval en wordt ‘godsdienstonderwijs’ een erkend vak, waarvan de cijfers meetellen bij de toetsen. Vaak wordt hiervan ook de naam veranderd, bijvoorbeeld in levensbeschouwelijke vorming, of in wereldreligies of levende godsdiensten. Kun je in deze tijd nog wel belangstelling vinden voor onderwijs dat van de Bijbel uitgaat? Hoe geven wij lessen uit de Bijbel, als een groot deel van de leerlingen niet meer uit christelijke milieus komt? In de praktijk blijkt dat de leerlingen van nu meer belangstelling hebben voor geestelijke of ‘spirituele’ zaken dan vijf of tien jaar geleden.
Opvoeding met of zonder vaste waarden en normen
Wij leven in een tijd die grote moeite heeft met vaststaande waarden en normen, die voor alle mensen zouden gelden. Vroeger dachten de mensen daar al verschillend over en dat leidde tot verschillende schooltypen:
* scholen die uitgingen van de Bijbel, al of niet verbonden aan een bepaalde kerk,
* scholen die uitgingen van humanistische waarden zoals menselijke waardigheid en tolerantie,
* scholen die zich baseerden op spirituele idealen zoals de Vrije scholen, enz.

Veel jongeren zijn hun oriëntatie in het leven kwijtgeraakt. Steeds meer wordt gevraagd naar waarden en normen. In het leskatern ‘Ieder mens waardevol?!’ (zie webshop) worden Bijbelse maatstaven aangereikt.
De multiculturele school
De multiculturele school is een school waarin ruimte is voor kinderen afkomstig uit diverse culturen en waar die kinderen ook worden voorbereid om burgers te zijn in een multiculturele samenleving. In de praktijk blijkt dat scholen dat heel verschillend invullen, bijvoorbeeld door het samen vieren van elkaars feesten. Daarbij wordt vaak niet uit elkaar gehouden waar het gaat om culturele zaken en waar het gaat om religieuze handelingen. Aan het eerste kunnen we gewoon deelnemen, maar aan het tweede niet, want dan zouden wij afbreuk doen aan ons eigen belijden en het respect voor de religie van anderen.

Een christelijke school is een school die ruimte aan leerlingen uit allerlei culturen biedt. Net als in de Handelingen der apostelen kan het christelijke zich op allerlei manieren uiten, maar daarin is geen ruimte voor rituele handelingen waarmee andere geesten of goden worden geëerd of aangeroepen.
Ecologie in de ban van ‘moeder Gaia’
De laatste jaren is er een algehele reactie op het welvaartsdenken waar te nemen. Men heeft ingezien, dat er grenzen zijn aan de groei en dit heeft geleid tot een ecologisch bewustzijn, dat nog lang niet genoeg tot iedereen is doorgedrongen. Terecht wordt op de scholen grote aandacht besteed aan natuur- en milieuonderwijs.
In de praktijk slaat dit vaak naar het andere uiterste door. Veel projecten over natuur en milieu gaan uit van de zgn. diepte-ecologie, die de aarde als een levend organisme beschouwt waarmee de mens op mystieke wijze is verbonden. Dit leidt tot projecten met allerlei vormen van primitieve natuurreligies, zoals het communiceren met bomen met behulp van praatstokjes of het aanroepen van ‘Gaia’ als de moedergodin aarde.

Natuur- en milieuonderwijs behoort uit te gaan van het Bijbelse begrip ‘verantwoord rentmeesterschap’. Bij het voortgezet onderwijs kan dit begrip een onderdeel zijn van het vak economie, waarbij leerlingen leren rekenen met de zgn. eco-factor.
Het occulte is dichtbij
Eén van de karakteristieken van het nieuwe denken is het opnemen van het esoterische (naar binnen gerichte) denken in de samenleving. Het lijkt er wel eens op alsof de wereld terugkeert naar de periode van vóór de kerstening. Deze `Wiederverzauberung der Welt’ komt tot uiting in een vloed van mystieke en magische lectuur. Zo gaat bijna een derde van de kinderboeken over occulte thema’s op een wijze die de kinderen hier eerder voor uitnodigt dan er tegen waarschuwt. Denk aan de thema’s van de kinderboekenweek, zoals ‘In ’t holst van de nacht’ of ‘Heksenketel’. Ook methoden maken zich hieraan schuldig.

De deelsite ‘Occult en Licht’ geeft informatie over diverse occulte verschijnselen.
Moderne leermethoden
Door allerlei oorzaken, waaronder bovengenoemde, hebben veel kinderen op school gedrags- en concentratiemoeilijkheden. In toenemende mate komt dit tot uiting in pesten en ook in faalangst of examenvrees.
In veel gevallen tracht men deze kwalen te bestrijden met behulp van animistische of spiritistische technieken, zoals kinderyoga of ‘een reis naar binnen’. Daarbij leert het kind om zijn eigen geleidegeest op te roepen, wat soms leidt tot nieuwe kwalen zoals `stemmen in je hoofd’. Er is zelfs een hele nieuwe pedagogiek ontstaan: de spirituele pedagogiek, waarbij het kind de toegang krijgt tot de ‘onbeperkte bronnen van het kosmisch onbewuste’.

Omdat NLP (= Neuro-linguïstisch programmeren)  op de moderne methoden invloed heeft,  is van prof. dr. R. Franzke, hoogleraar pedagogiek in Hannover, een brochure over dit fenomeen vertaald (zie webshop).

Seksuele voorlichting
Voorlichting over seksualiteit op de scholen is geen vraag meer maar een feit. In de oude spelling was sexualiteit een geschenk van God in het huwelijk, met de nieuwe spelling isseksualiteit voor de meesten een produkt waarover je kunt beschikken, mits het maar ‘veilig’ wordt gedaan. Deze verandering komt vooral tot uiting in de moderne literatuur en voorts in het vakgebied ‘Gezond gedrag’ op de basisschool en het nieuwe vak ‘Verzorging’ bij het voortgezet onderwijs.

Alternatieven zijn de methode ‘Genoeg is meer dan veel’ voor het basisonderwijs en het boek ‘Zorg nou zelf’ voor het voortgezet onderwijs.

Evolutionisme verplicht?
In een tijd waarin veel wetenschappers zich afkeren van de evolutietheorie, wordt de kennis ervan voor het voortgezet onderwijs verplicht gesteld! Hiermee worden leerlingen voorbereid op de wereld van gisteren, in plaats van hen toe te rusten voor de wereld van morgen!

Ga uit van beide richtingen: evolutionisme (dat leert dat al het waarneembare ‘vanzelf’ is ontstaan) en creationisme (dat uitgaat van een intelligentie buiten het systeem van het waarneembare). Zie de deelsite ‘Evolutie? Nee!’

Maatregelen van de overheid
De fusiegolf heeft zowel het voortgezet als het basisonderwijs overspoeld. Daardoor werden veel scholen gedwongen tot het samengaan met scholen van een andere identiteit, zodat leerkrachten van de ene school ook op de andere aangesloten scholen konden lesgeven. De overheid erkende, dat deze fusies consequenties hadden op de identiteit van de scholen en wilde dat tot uitdrukking brengen in de zgn. schoolgids.

In  ‘Identiteit van de schoolgids’ worden wegen gegeven om binnen het kader van de wettelijke bepalingen toch de identiteit van de eigen school zo duidelijk mogelijk te profileren. Hierbij gaat het onder meer om vragen als ‘ Wat is nu eigenlijk christelijk onderwijs?’ en ‘Hoe gaan we op school met de Bijbel om?’
De Bijbel leert ons geen religie, maar biedt ons een relatie
Juist in deze tijd is wel bijzonder actueel dat christelijke scholen als vanouds ‘Scholen met de Bijbel’ zijn. Van groot belang is het omgaan met de Bijbel als het Woord van God zoals in de reformatie wordt beleden. Haar ‘Sola Scriptura’ drukt uit, dat er geen andere macht naast of boven de Bijbel staat: geen traditie, geen filosofie, geen natuurwetenschap of psychologie. Een tweede uitgangspunt van de reformatie is het besef dat de Bijbel zichzelf uitlegt, waarvan ook alle bijbelvertalers zijn uitgegaan.
Even actueel is de vraag van Jezus Christus aan zijn discipelen: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” (Mattheüs 16:15) Veel mensen in onze tijd vinden de Here Jezus een groot profeet (“de grootste behalve Mohammed”), of een groot en inspirerend voorbeeld. Maar wat de mensen –en dus ook de kinderen– nodig hebben is geen verheven doel of innerlijke verlichting, maar verzoening met God. Het christendom is immers geen religie, maar een relatie die God ons aanreikt.

De Australiër, dr. Marc Durie, vergelijkt in dit boek de Here (JHWH) van de Bijbel met de Allah van de Koran en toont vanuit studie van de geschriften van de islam en het christendom aan, dat de Here God en Allah in veel opzichten verschillen. Zij hebben zulke verschillende persoonlijkheden en capaciteiten, dat van hen niet gezegd kan worden, dat ze dezelfde God zijn. Uitg. Victory Publications, 158 blz., € 14,75

INHOUD

Inleiding

DEEL 1: JEZUS OF ISA?

Hoofdstuk 1: Isa, de islamitische Jezus

Hoofdstuk 2: Is de Koraanse geschiedenis geldig?

Hoofdstuk 3: De ware Jezus van Nazaret

Hoofdstuk 4: De geschiedenis vervalst

DEEL 2: HEILIGE GEEST OF ROEH AL-QOEDOES?

Hoofdstuk 5: Roeh Al-Qoedoes in de Koran

Hoofdstuk 6: De heilige Geest in de Bijbel

DEEL 3: WIE IS DE HEER GOD?

Hoofdstuk 7: Wat staat er op het spel?

Hoofdstuk 8: De goddelijke naam

Hoofdstuk 9: Een kwestie van verkeerd beschouwde identiteit

Hoofdstuk 10: De auteur van het kwaad

Hoofdstuk 11: De inwonende God

Hoofdstuk 12: JHWH is heilig

Hoofdstuk 13: Naar Gods beeld

Hoofdstuk 14: Wie heeft God lief?

Hoofdstuk 15: Is God trouw?

Hoofdstuk 16: Een slotwoord

Bijlage 1: Vergelijkende overzichten

Bijlage 2: Gesprekspunten voor dialoog met moslims

CITATEN

  • De evangeliën getuigen van de kruisiging van Jezus Christus, maar – zoals we gezien hebben – wordt het getuigenis van de evangeliën in de islam niet aanvaard.
  • De traditionele visie van moslims is, dat Isa zonder te sterven aan het kruis van de aarde werd opgenomen. Bijbelse profetie is niet hetzelfde als islamitische profetie.
  • De Bijbelverhalen zijn rijk aan historische details, waarvan vele door de archeologie bevestigd worden.
  • Het manuscriptbewijs voor de Griekse geschriften is overweldigend.
  • De legende van de Isa van de Koran is op geen enkel erkende vorm van historisch bewijs gebaseerd.
  • Mohammed nam veel elementen van zijn leerstellingen en religieuze praktijken over van de joden en de christenen die hij in Mekka en Medina ontmoette.
  • In de hele Bijbel wordt de heilige Geest geopenbaard als de  levengevende, vernieuwende, heiligende aanwezigheid van de levende God. Niet alleen moeten moslims geloven, dat ‘we dezelfde God aanbidden,’ maar deze idee is ook altijd een centrale component van de boodschap van de islam aan christenen en joden geweest.
  • JHWH werd aan Mozes als Gods naam bij de brandende braamstruik geopenbaard.
  • ‘Deze naam’, zei God tegen Mozes, ‘is ‘mijn naam voor altijd.’
  • De god die Mohammed proclameerde bestaat niet.
  • In tegenstelling tot Allah heeft JHWH geen gemeenschap met het kwaad en hij kan er zelfs niet naar kijken. Anders dan de Bijbel spreekt de Koran niet van Allah die dichtbij komt of ergens in woont.
  • Als we de Koran zorgvuldig bestuderen en hem met de Bijbel vergelijken, kunnen we concluderen dat het concept van de heiligheid van Allah niet centraal staat in de islam.
  • In het christelijk denken vindt het navolgen van het voorbeeld van God zijn volle focus in de Here Jezus.
  • De liefde van Allah in de Koran is voorwaardelijk. De liefde van JHWH in de Bijbel is een geschenk van genade.
  • JHWH is onveranderlijk en altijd trouw aan Zijn Woord. Allah handelt zoals hij wenst. Hij is niet verplicht om tegenover mensen waarheidsgetrouw of eerlijk te zijn.
  • De islam beschouwt zichzelf als het ware christendom en jodendom, zodat Allah zoals hij inde Koran geopenbaard wordt, de ware God van de christenen en de joden moet zijn

 

 

Allah en God gelijkstellen strijdt met eerste gebod

Een predikant uit de PKN, ds. Peter Pit, gaat ervan uit, dat God en Allah dezelfde zijn. Hij vindt het ‘onzinnig’ om je af te vragen of Allah en de God van de Bijbel twee verschillende goden zijn. Ds. Bas Luiten, vrijgemaakt gereformeerd predikant in Zwolle, geeft een weerwoord.

Eén God

Inderdaad is er maar één God. Toch verbiedt God ons andere goden te aanbidden. Bestaan die andere goden dan? Nee en ja. Ze bestaan, omdat en voor zover mensen die bedenken. Al die goden hebben ook namen. Het ligt voor de hand dat die meestal te maken hebben met de hoogste macht, het ontstaan van de aarde en haar vruchtbaarheid. Dus lijken al die namen op elkaar. Ook kan de enige ware God met meerdere namen worden aangeduid, in allerlei talen en culturen. Dat zou verwarring kunnen geven, ware het niet dat Hij zichzelf noemt naar zijn werken. Zo presenteert Hij zichzelf in de Tien Geboden als de God die zijn volk uit Egypte heeft geleid. Daaraan is Hij herkenbaar. Iedere god die dat niet heeft gedaan, is een andere god. Vervolgens bleef het niet bij een uittocht uit het diensthuis toen. God geeft ons een uittocht uit het rijk der duisternis, uit de macht van de satan en de dood. Die bevrijding schenkt Hij ons in en door zijn geliefde Zoon, Jezus Christus. Iedere god die dat niet doet, is een andere god. We moeten dus uitgaan van zijn openbaring. Pit gaat in zijn bijdrage voorbij aan wat God over Zichzelf zegt. Pit gaat uit van ervaring, van wat mensen over God zeggen.

Vader en Zoon

Nu mag ik niet oordelen over harten van mensen, over wie behouden zal worden en wie niet. Daarover wil ik dan ook geen enkele uitspraak doen. Dat even als kanttekening, om niet verkeerd over te komen. Want het is een ingrijpend woord, dat God ons ter verkondiging geeft. Ik hoor Jezus Christus zeggen tot de joden die Hem verwerpen, dat zijn Vader daarom niet hun Vader is. De god die zij aanbidden is niet de Vader van Jezus Christus (Johannes

8:37-47). Dit is Gods eigen woord. De Geest zegt: ‘Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader’ (1 Johannes 2:23). Vader en Zoon zijn één, ze zijn niet los verkrijgbaar. Dat geldt voor alle mensen, ook voor joden en moslims die Jezus Christus niet als Zoon van God en als Verlosser aanvaarden. Jezus Christus is voor iedere christen de herkenning van de enige ware God. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem. Daarom rust op ons de verantwoordelijkheid, zijn getuigen te zijn en de volken tot zijn leerlingen te maken. Toen onze Heer Jezus verscheen aan Paulus, om hem tot zijn dienaar te maken, zei Hij: ,,Ik zal je daarbij beschermen tegen je eigen volk en tegen de heidenen, naar wie Ik je uitzend om hun de ogen te openen, zodat ze zich van de duisternis naar het licht keren, en van de macht van satan naar God. Door het geloof in Mij zullen ze vergeving van hun zonden krijgen, en samen met allen die mij toebehoren, zullen ze deel krijgen aan mijn koninkrijk’ (Handelingen 26:17-18). Hier blijkt zonneklaar, dat er bekering zal zijn van de afgoden naar de enige ware God, uit de duisternis naar het licht, uit het rijk van satan naar het koninkrijk van God. Hoe? Door geloof in Jezus Christus! Dat is cruciaal. Paulus schrijft aan de Efeziërs dat zij in de tijd dat ze Christus niet kenden, zonder hoop en zonder God (!) leefden in deze wereld (Ef. 2:12). Geen sprake dus van een glijdende schaal, zo van ‘zonder Christus ken je God een beetje en met Christus ken je Hem helemaal.’ Nee, wie de Zoon niet heeft, heeft ook de Vader niet.

Religieus gevoel

Dat laat onverlet dat Paulus kan inspelen op aanwezige kennis en een religieus gevoel, zoals bijvoorbeeld in Athene. Maar dat is een ander verhaal, zoals ook de vraag hoe wij moslims het beste kunnen benaderen. Wat in de opdracht van Paulus cruciaal is, is het voor Pit niet. In zijn artikel gaat hij volledig aan Jezus Christus voorbij. Op die manier verdedigt hij zijn stelling dat God en Allah dezelfde zijn. De afstand tot de islam is voor hem niet groter dan het verschil tussen vrijgemaakt-gereformeerd en evangelisch. Daarmee ontkent hij het wezenlijke onderscheid tussen onchristelijk en christelijk. In de afgelopen dagen heb ik intensief mailwisseling gehad, eerst met de redactie, vervolgens ook met Peter Pit. Want wat hier gebeurt, is naar mijn diepe overtuiging ontheiliging van God. Hij is de Vader van onze Heer Jezus Christus, zijn geliefde Zoon, die aan het kruis gestorven is tot redding van velen. Hij geeft zijn eer aan geen ander. Hem gelijkstellen aan een god zonder zoon is volgens mij zonde tegen het eerste gebod. Schrijf ik nu mijn opinie? Ik meen te schrijven vanuit het hart van ons algemeen, ontwijfelbaar christelijk geloof.

 

Bron: ND, 9 september ’09

Dr. Lothar Gassmann richt zich in een open brief tot de ouders, waarin hij de verantwoordelijkheid voor de jonge mensen benadrukt.

Open brief aan ouders

En toen Jezus de scharen zag, werd hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voorgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben” (Mattheus 9: 36).
Lieve ouders,

Als je nu door de straten van onze steden en dorpen gaat, word je met ontferming bewogen.
Je ziet steeds vaker jongeren met een lege blik in de ogen, slordig haar, perverse sieraden en kapotte kleding. Al je hun naar hun hobby’s vraagt, krijg je te horen: disco’s, feesten, dansen en plezier maken. Steeds meer jongeren komen in de ban van alcohol, nicotine en andere drugs, van rock-, techno-, en hiphopmuziek, van frustratie, agressie, occultisme en seksuele ontucht. Het zijn mensen met ontwrichte gedachten die niet tot geloven in staat zijn (2Tim 3:8).

Waren ze nu altijd al zo? Nee, maar ze worden zo gemaakt – door invloeden in hun omgeving, vooral door slechte voorbeelden van bepaalde “jongerenbladen” in de muziekscene en in de massamedia, waar tegenwoordig geen taboes meer bestaan, maar waar naar het motto “alles is geoorloofd” gehandeld wordt. Hier groeit in een groot deel van onze maatschappij een generatie op die met God en met Zijn Woord niet of nauwelijks iets weet te beginnen, die van het reddende geloof ruw afgehouden of weer afgebracht wordt.

Deze mensen zijn verleid en in de strik van satan geraakt. Voor hun verleiders, of het nu bepaalde rocksterren en dj’s, schrijvers van occulte boeken en pornografische jongerentijdschriften of makers van tv- en radioprogramma’s zijn, geldt het woord van Jezus Christus: “Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee. Wee de wereld om de verleidingen tot zonde. Want er moeten verleidingen komen, maar wee de mens, door wie de verleiding komt” (Mattheus 18: 6,7).
Voor degenen die verleid zijn, geldt echter: “En toen Jezus het volk zag, werd hij met ontferming over hen bewogen: daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben.”

Jezus veracht de mensen die nog ver weg zijn, jong of oud, niet. Hij weent om hen. Ze doen hem verdriet. Hij spreidt Zijn liefde over hen uit en nodigt hen op deze manier uit terug te komen van de verkeerde weg. Hij wil ook hun Redder en Verlosser zijn. Het heil en het eeuwige leven is ook voor hen. Jezus Christus zegt: “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, tot bekering” (Lucas 5: 31,32).

Wenen ook wij om de verlorenen, die nog ver van Christus leven? Zoeken we hen op? Vertellen we hun, dat er een vervuld leven mogelijk is, een leven ver van drugs en alle vormen van onreinheid en verslaving, een leven in liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal 5: 22 e.v.). Leven we het hun voor?

Laten we creatief zijn omwille van de verlorenen, uit liefde. We hebben hun betere alternatieven te bieden:

  • een vervuld leven in Jezus Christus in plaats van frustratie, agressie en verslaving,
  • goede, geestelijke muziek, waarin de Heer geloofd en geprezen wordt in plaats van verstorende, afstompende en perverse en onreine ritmes die de gedachten manipuleren,
  • werkelijke, diepgaande liefde in het huwelijk, die zich geheel en uitsluitend aan de ander wil toewijden in plaats van seksuele uitspattingen en perversie, die geest, ziel en lichaam aantasten (denk bv. aan geslachtsziekten en aids),
  • een echt levensdoel, als je weet waar je vandaan komt, waar je heengaat en wie je dient (God)  in plaats van een zin- en doelloos bestaan en een van dag tot dag vegeteren,
  • een leven in gemeenschap met God en geloofsgenoten in wederzijdse liefde en behulpzaamheid in plaats van een geïsoleerd bestaan of een bestaan met gelijkgestemden aan de rand van agressiviteit en criminaliteit.

Jezus weent, want ze zijn als schapen die geen herder hebben. En eens waren wij allemaal ook zo. Maar de Heer heeft ons, terwijl wij nog midden in de wereld leven, door zijn liefde uit deze wereld getrokken, zodat wij Hem en elkaar in liefde kunnen dienen.

Laten wij ook degenen die nog ver van Hem zijn in liefde tot onze Heer en Heiland Jezus Christus leiden.

Jezus Christus is Heer!!

 

Dr. Lothar Gassmann

 

Deze brief is een uittreksel uit de brochure: “Onze kinderen en de tijdgeest. Wat komt op onze kinderen af, hoe kunnen we hen helpen?”

 

 

Literaire producten zijn niet autonoom, zij vallen ook onder de Bijbelse norm.

LITERATUUR IN ZICHT!

Literatuuronderwijs mag weer. Die wetenschap geeft veel docenten Nederlands in het voortgezet onderwijs een gevoel van opluchting en nieuwe motivatie voor hun vak dat ze met de invoeringvan de tweede fase met lede ogen uitgehold zagen worden. Juist het lezen van boeken, het zich verdiepen in schrijvers en stromingen, het overbrengen van kennis en het aanmoedigen van leerlingen tot lezen gaf kleur aan hun vak. Veel leraren knapten af op de gevoelde ‘reductie van het vak Nederlands tot louter communicatieve vaardigheden’.

Nu er weer enige ruimte is voor literatuurgeschiedenis en het ‘lezen voor de lijst’ zijn er nieuwe kansen voor leraren en leerlingen. Dat vraagt naast motivatie en inspiratie ook om kwalitatief goede lesmethoden. Met dat doel voor ogen nam een aantal christendocenten in 2005 het initiatief voor een ‘eigen’ methode literatuurgeschiedenis, verhalen en gedichten die in 2008 verscheen onder de naam Literatuur in zicht!

Eigen methode noodzaak?

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs hebben scholen niet de gewoonte methoden voor de eigen, laten we zeggen christelijke kring te ontwikkelen. Een goede voorbereiding op de moderne maatschappij vraagt natuurlijk om gedegen kennismaking en soms pijnlijke confrontatie met opvattingen en verschijningsvormen in de samenleving en niet om wereldvreemde opvoeding en afscherming. Docenten hebben de taak jongeren hierin te begeleiden en te wapenen. De school biedt met alle vakken, maar zeker met godsdienst, Nederlands, maatschappijleer en geschiedenis volop gelegenheid tot verkenning, zodat leerlingen in een vervolgopleiding aan hogeschool en universiteit niet bij de eerste de beste slogan onderuitgaan. Maar dat neemt niet weg, dat men bij methodekeuze kritisch en selectief te werk moet gaan.

Bij het screenen van de bestaande methoden Nederlands stuitten de initiatiefnemers op lesboeken die ongelimiteerd teksten van schrijvers opnemen waarin het moderne levensgevoel tegelijkertijd zowel uitgangspunt als doel is en zonder enige kritische notie als volstrekt normaal wordt beschouwd. Lezers worden erin ondergedompeld. De keuze van de samenstellers lijkt ook nog eens bepaald door het doel zo heftig mogelijk te shockeren: lezen boeit alleen nog als alles mag en alles kan, geen taboes meer als het gaat over vloeken, schunnig taalgebruik, ongebreidelde seksualiteit, spot met God, de Bijbel en het christendom.

Natuurlijk geldt dat niet voor elke schrijver en elk werk, maar methodeschrijvers kiezen nogal eens voor auteurs die baanbrekend en spraakmakend zijn. Van Wolkers en Reve, de koplopersvan de moderniteit in de jaren ’70 zijn de meesten wel op de hoogte, maar daarna is het voortgegaan. Wie vandaag leest wat uit het werk van Zwagerman en Giphart opgenomen is, zal de vraag voelen opkomen: lees ik nu porno of literatuur? Voorheen namen methodeschrijvers teksten op waaronder stond: naar…. Je wist dan, dat een tekst aangepast was. Vloeken konden zo verwijderd worden. Dat is allemaal voorbij.

Bijbelse normen

Kritiek spuien is een ding, maar wat stelt de christelijke kring er tegenover? Eindredacteur Leo Kosten verwoordt het zo:

‘Waar staan wij voor? Voor goed onderwijs, waarin onze identiteit uitkomt. Als we met de moderne methodes alleen maar moeten zeggen, dat het literaire werk volgens Bijbelse principes niet deugt, zijn we niet goed bezig. Zeker, het element van waarschuwen en onderscheiden van de geesten hoort bij ons vak. Wij willen dat niet kwijt. Maar graag zullen wij ook laten horen wat dan wel goed is. Juist in het laatste decennium is er goed christelijk werk verschenen, dat geen vermelding krijgt in een seculiere methode. Wat wij willen? De aandacht voor identiteitsvreemde auteurs verminderen en zeker aandacht vragen voor positief-christelijke auteurs. Van het laatste decennium noemen we onder andere de volgende prozaïsten: Louis Krüger, Pieter Nouwen, Ronald Westerbeek, Vonne van der Meer Marianne Witvliet en Jaap Zijlstra. Als dichters die kwaliteit leveren, vermelden we alleen de namen van Koos Geerds en Henk Knol.’

Conclusie: een literatuurmethode voor de christelijke school anno 2009 zal er beslist anders uitzien dan wat de markt biedt. Dat komt onder andere door de nadruk die deze school blijft leggen op het lezen, door het accent dat ze legt op wat christenen in verschillende tijden hebben voortgebracht, maar ook door de kritische blik die ze werpt op de literaire producten die in de loop der eeuwen door kunstenaars voortgebracht zijn. De leerstof geeft aanknopingspunten voor kennismaking met seculiere schrijvers in het kader van toerusting en vorming. Bij het bespreken van literatuur is Gods Woord het richtsnoer, omdat het uitgangspunt is dat literaire producten niet autonoom zijn, zij vallen ook onder de Bijbelse norm.

Lezen

Over de waarde van lezen zeggen de auteurs-samenstellers in hun visie op literonderwijs mooie dingen:

‘Lezen is een nuttige bezigheid. Een van de doelstellingen van het literatuuronderwijs is het kweken van ontvankelijkheid voor het (literaire) woord. Wie leert goed verhalen te lezen, oefent zich daarmee in een belangrijke vaardigheid. Wie stijlen en vormgevingen verkent, doet belangrijke ontdekkingen voor zichzelf. Receptie kan leiden tot productie.

De leerlingen zullen hun referentiekader verbreden door kennis te nemen van literatuur. Elke keer als ze een boek lezen, gebeurt dat. De ene keer wordt er een geografische grens verkend, een andere keer is het een historische. Reisliteratuur en koloniale literatuur zijn voorbeelden van de eerste verkenning, een historische roman en romans en gedichten uit het verleden zijn voorbeelden van een tweede verkenning. Wie leest, maakt kennis met het onbekende. Dat daagt uit, stimuleert en zorgt er ook voor, dat leerlingen leren vergelijken en relativeren.

Lezen is ook een aangename bezigheid. In deze eeuw met zo veel zogenaamde vrije tijd is het goed, leerlingen de waarde van lezen bij te brengen. Veel tijd wordt er opgeslokt door media die het beeld een dominante plaats toekennen. Het beeld kan enerzijds erg confronterend en diepborend zijn, maar aan de andere kant geldt, dat het zien van veel beelden de oppervlakkigheid in de hand werkt. In een tijd van ontlezing die beeldgericht is, willen wij leesplezier stimuleren en een goede leessmaak bevorderen. Lezen brengt tot verwondering: door woorden worden gedachten en beelden opgeroepen, vergezichten gevormd. Maar lezen draagt ook bij aan de vorming van de persoonlijkheid, zeker in de puberteit.’

De taak van de docent Nederlands is in het literatuuronderwijs een zeer wezenlijke. Ook al beschikt hij over een goede methode, dan nog is hij degene die als gids zijn leerlingen binnenleidt in de fascinerende wereld van de literatuur en die verrassende, verwonderingwekkende vergezichten laat zien. Als opvoeder levert de docent een bijdrage aan de persoonlijke ontwikkeling, de literaire smaakontwikkeling en vorming van leerlingen.

Inhoud

Bekijken we de leergang Literatuurgeschiedenis, dan krijgen teksten uit voorgaande eeuwen weer volop de aandacht vanuit het principe dat het heden alleen goed te begrijpen is uit grondige kennismaking met het verleden. De Nederlandse literatuurschat, waarvoor niemand zich hoeft te schamen, mag niet in de vergetelheid raken. Ze getuigt namelijk ook van de christelijk-joodse traditie waardoor de beschaving van West-Europa eeuwenlang is gestempeld. Het boek volgt de chronologie van de verschenen werken in acht hoofdstukken, van middeleeuwen tot de periode vanaf 1980. Het vwo kan deze leerstof over drie jaar verdelen, het havo over twee jaar.

Twee belangwekkende hoofdstukken over literatuur sluiten de editie af, nl. Info en kritiek enEthiek. In het eerste gaat het over recensies van boeken en de waarde daarvan, in het laatste komen thema’s aan de orde als ‘God in de moderne literatuur’, ‘Modern leven en seks’ en ‘Vloeken in de moderne literatuur’. Tekstfragmenten geven voldoende stof en aanleiding om met leerlingen hierover in gesprek te gaan.

Heeft de keuze voor het opnemen van werken van christen-auteurs niet het gevaar in zich dat aan de kwaliteitscriteria concessies wordt gedaan? Oordeelt u zelf: het eerste gedicht hieronder is van predikant-dichter Jaap Zijlstra en is in deze methode opgenomen. De inleidende tekst vertelt leerlingen, dat ze erop bedacht moeten zijn dat woorden polyinterpretabel zijn. Dat wil zeggen: er liggen meer betekenissen in de woorden verborgen dan je op het eerste gezicht ziet. Wie aan het graven gaat, zal steeds meer ontdekken. En dat is juist een van de wezenlijke kenmerken van literatuur: het blijft gedachten en verbeeldingen opleveren. En natuurlijk kan je niet om de Bijbelse geschiedenis uit Genesis 32 heen voor het volledige begrip.

Pniël

Gestalte,

ik geef mij gewonnen,

overvleugel mij,

klapwiek mij neer.

Deze nacht

– een doorwaadbare plaats

in de stroom van de tijd –

heeft U de hand aan mij gelegd.

Ik, de geslepene

– een edelsteen aan Gods vinger,

een scherpe steen in de slinger –

een geraakte ben ik geworden.

Gedoopt met een nieuwe naam

– een sjibboleth –

klim ik uit het water,

kom ik aan het licht.

Ik laat het stromen over mijn gezicht,

over mijn handen

en mijn nieuwe land,

ik, Israël.

Ook de keuze uit de gedichten van Ida Gerhardt zet lezers aan het denken. Het gedicht Ichthusuit de bundel Het levend Monogram heeft onmiskenbaar een religieuze ondertoon en een enorme zeggingskracht.

Ichthus

De vis, getrokken door mijn hand

en éven vrij nog van de golven,

zal straks gewist zijn van het strand

en door de grote vloed bedolven.

Maar in het water, dat hem nam

zwemt levende het Monogram.

Geheime trek van tij en maan:

Hij zal op alle kusten staan.

Prachtig toch? Lezen, herlezen, zachtjes voor jezelf opzeggen, declameren: het schept alleen maar meer vreugde. Dat gunt Literatuur in zicht! aan alle gebruikers.

 

drs. Arie van Groningen

senior onderwijsadviseur /oavo

Driestar-educatief

Vasten in de maand ramadan

Uitleg begrip
De ramadan is de 9e  maand van het islamitische maanjaar. Het is de vijfde ‘zuil’ van de islam en voor moslims een heilige maand. Immers, in deze maand zou Mohammed door de engel Gabriël zijn eerste openbaring van de koran ontvangen hebben, in de 27e “nacht van de bestemming”[1].     Nergens wordt het wezen van de islam – de oefening van gehoorzaamheid en onderwerping onder de wil van Allah – zo duidelijk als in de vastenmaand ramadan”[2]. Deze verplichte vasten is als een “innerlijke voorbereiding op het persoonlijk aannemen van Allahs geopenbaarde woorden. … Het wordt tot toetssteen van de onderwerping aan Allah. In enkele islamitische landen wordt iedere moslim met gevangenisstraf vervolgd, die openlijk deze vasten breekt”[3].   Omdat de islamitische tijdrekening het maanjaar volgt, dat elf dagen korter is dan het zonnejaar, verandert het begin van de ramadan door alle jaargetijden heen. Moslims moeten zich van zonsopgang tot zonsondergang onthouden van vast en vloeibaar voedsel, van roken en van geslachtsverkeer… Deze verplichte vasten is een “innerlijke voorbereiding op het persoonlijk aannemen van Allahs geopenbaarde woorden…   De ramadan eindigt met drie dagen ‘feest van het breken van de vasten’, bij de Turken ‘suikerfeest’ genoemd. Tijdens de ramadan moeten alle moslims wel wereldwijd zich “als een gesloten strijdgemeenschap” tegen niet-moslims aaneensluiten, maar het strijden zelf is dan “een ernstig vergrijp”(2:217)[4]. Militante moslims houden zich echter niet aan de traditionele wapenstilstand in de ramadan. Na de ramadan is de situatie totaal anders:    “Wanneer de heilige maanden voorbij zijn, dood dan hen die Allah iemand anders als goddelijk toevoegt, waar u hen ook maar vindt; grijpt hen, omsingelt hen en loert op hen (andere vertaling: stelt een valkuil voor hen op)!” (9:5). Dit vers in de koran wordt veelzeggend het zwaardvers genoemd.

Ramadan of Bethlehem
Wanneer we de islamitische betekenis van de ramadan tot ons laten doordringen, dan kunnen we als wedergeboren christenen over de ramadan alleen maar bedroefd en bezorgd zijn. De nacht van de 27e van die maand is de ‘heilige nacht’ van de islam, die “beter is dan duizend nachten” door de openbaring van de koran.   Christenen daarentegen vieren een heel ander herdenkingsfeest: de geboorte van Jezus Christus in Bethlehem, anders gezegd: Gods Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Dat inspireerde tot het lied: “Stille nacht, heilige nacht”. Jezus Christus is “het Woord Gods” in Persoon (Op 19:13) – niet de koran. Jezus Christus is Gods laatste Woord, “het woord der Waarheid” (Joh 17:17) – niet Mohammed. Christenen gedenken niet een boek, maar een Persoon, Gods Zoon, die mens geworden was om te zoeken en redden wat verloren is en uiteindelijk om in onze plaats de rechtvaardige straf van de heilige God op onze zonden aan het kruis op Golgotha op Zich te nemen.   Kunnen we als christenen dan wel met onze klas, onze jeugdkring, onze gemeente enz. deelnemen aan de islamitische ramadan en ‘vieren’ dat een antichristelijke profeet een antichristelijke en antisemitische openbaring zou hebben gekregen, die niet alleen Jezus’ historische zoendood aan het kruis en Zijn opstanding uit de doden ontkent, maar vooral ook Jezus Christus als Gods Zoon loochent en onze medegelovigen onder de ex-moslims, die Hem als zodanig belijden, met de doodstraf bedreigt?

 


[1] De naam van de soera luidt: De bestemming; zie ook 2:184-185
[2] paul Gerhardt Buttler: Der Ruf vom Minarett
[3] Abd al-Masih: Islam und Okkultismus, 45-46
[4] gebruikt is de koranvertaling van Kramers