In Israël was het de gewoonte dat een vader voor zijn zoon een rabbi of leermeester koos.

Rabbi – discipel (dl 2)

In Israël was het de gewoonte dat een vader voor zijn zoon een rabbi of leermeester koos. Die jongens gingen niet naar school, maar vormden een leefgemeenschap van discipelen. Als er dan wat gebeurde, legde de rabbi hen uit waardoor dat kwam en waarom je het beste kon doen zoals hij deed. Dat is leren door het leven. Het Hebreeuws maakt niet zo’n onderscheid als wij tussen:

– woord en daad:

– leer en leven:

– hoofd en hart:

– theorie en praktijk:

– kennis en wijsheid:

het Hebreeuwse woord dabar betekent zowel woord als daad.

dus niet: ik geloof in de juiste leer, hoe ik leef doet er niet toe

door de omgang met elkaar leerden ze hoofd en hart gebruiken

het gaat niet om de theorie maar om de praktijk.

kennis in je hoofd moet worden omgezet in wijsheid uit het hart

Jezus’ discipelen waren niet naar Jezus gekomen omdat Hij als de beste rabbi gold: het was precies andersom. Jezus zegt: “Jullie hebben Mij niet uitgekozen, maar Ik heb jullie uitgekozen. Ik heb jullie aangewezen om erop uit te gaan en blijvende vrucht voort te brengen, zodat mijn Vader jullie alles zal geven wat jullie Hem vragen in mijn naam.”

 

De offerdienst aan de hemelkoninging (ook wel moedergodin genoemd) wordt beschreven in Jeremia 7:16-20 en in 44:15-19.

Hemelkoningin (dl 3)

De offerdienst aan de hemelkoninging (ook wel moedergodin genoemd) wordt beschreven in Jeremia 7:16-20 en in 44:15-19. Wie tegenwoordig goed oplet, moet wel denken: Er is niets nieuws onder de zon!

 

In de medezeggenschapsraad (M.R.) zijn de verschillende geledingen van de school vertegenwoordigd. Christen-ouders kunnen, door zich beschikbaar te stellen voor de M.R., invloed uitoefenen op het beleid van de school.

Uit onze Handreiking voor ouders (uit 1989) nemen wij het volgende over:
Vrijwel iedere school heeft een medezeggenschapsraad (M.R.) In deze raad zijn de verschillende geledingen, zoals leraren en ouders (bij het voortgezet en hoger onderwijs de leerlingen) vertegenwoordigd. De M.R. heeft, afhankelijk van het onderwerp, een adviserende of instemmende functie over zaken als:

  • schoolwerkplan (i)
  • schoolreglement (i)
  • beëindiging, inkrimping of uitbreiding van de werkzaamheden van de school, overdracht van de school en aangaan van een fusie (a)
  • aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame relatie met een andere instelling (a)
  • deelneming of beëindiging van deelneming aan een onderwijskundig project of experiment (a)
  • vaststelling of wijziging van benoemingsprocedures (i)
  • vaststelling of wijziging van het beleid t.a.v. het toelaten of verwijderen van leerlingen (a)
  • vaststelling of wijziging van regels op het gebied van veiligheid en gezondheid (i).

Afhankelijk van het reglement van de school heeft de M.R. voor deze en andere punten adviesrecht (a) en voor sommige van deze punten zelfs instemingsrecht (i). In dat laatste geval dient het schoolbestuur een voorgenomen besluit ter instemming voor te leggen aan de M.R. De wetgever heeft vastgesteld welke zaken vallen onder het instemmingsrecht en welke onder het adviesrecht. Vanwege de mogelijke invloed op de identiteit kunnen scholen vragen om ontheffing van de plicht tot het instellen van een M.R

Christenouders kunnen, door zich beschikbaar te stellen voor de M.R., invloed uitoefenen op het beleid van de school. Zij kunnen er mede op toezien dat het beleid van de school gebaseerd wordt/blijft op de grondslag. Voorts is het voor het goed functioneren van de M.R. van belang dat alle leden van de raad hebben ingestemd met de grondslag. Gelet op de bevoegdheid van de M.R. is het wenselijk dat alleen ouders die instemmen met de grondslag van de school, deel uitmaken van de M.R. Het is dan ook gewenst dat leden van de M.R. zich laten voorlichten omtrent actuele onderwerpen die de identiteit van de school mede-bepalen.
Meedoen aan de medezeggenschapsraad

Een vader schreef ons een bemoedigende brief, waaruit wij het volgende overnemen:
Na het bijwonen van een informatieavond is mijn belangstelling voor uw vereniging gewekt. Op die avond werd er met klem op gewezen dat wij onze kinderen dienen op te voeden voor de toekomende eeuw en niet voor de tijd waarin wij zijn opgegroeid. Deze stelling heeft mij alert gemaakt op datgene wat ik mijn kinderen wel en juist niet mee wil geven. Met name het begeleiden van mijn kinderen bij datgene waar ze via de televisie (video), school, zondagsschool, spelen op straat, e.d. mee worden geconfronteerd, is voor mij erg belangrijk.

Toen mijn vrouw en ik dus voor de keus kwamen naar welke (basis-) school wij onze kinderen wilden sturen, zijn wij hier heel bewust mee om gegaan. Biddend en informerend zijn wij op zoek gegaan naar een positief christelijke school waar datgene wat de Bijbel ons leert centraal stond. Ik moet erkennen dat dit geen gemakkelijke taak is. Op het moment dat je je hierin gaat verdiepen, blijkt dat er veel meer haken en ogen aan zitten dan je in eerste instantie denkt. Gelukkig hebben wij m.i. toch een school gevonden die (in grote lijnen) strookt met onze levensopvatting als kinderen van God.

Ondanks het feit dat we heel bewust een keus gemaakt hebben voor een bepaalde school, waren wij ons er terdege van bewust dat hiermee onze verantwoordelijkheid als ouders niet ophield. Wij proberen dan ook, op een positieve manier, een vinger aan de pols te houden bij alles wat onze dochter krijgt opgediend. Dit heeft er ook toe geleid dat ik mezelf, toen er een plaats vrij kwam, heb opgegeven voor de medezeggenschapsraad, wat ik nog steeds ben.

De MR krijgt allerlei post en lectuur die door de leden van de MR doorgelezen kan worden. Deze post rouleert tussen de MR-leden. Eerlijk gezegd moet ik toegeven dat ik lang niet alle post doorlees. In de praktijk komt het erop neer dat ik alles even doorblader en alleen de moeite neem om iets door te lezen als de kop of het onderwerp me aanspreekt. Eind vorig jaar heb ik een exemplaar van het magazine van Bijbel & Onderwijs meegenomen naar een MR-vergadering. Toen ik vroeg wie van de aanwezigen het blad kende, bleek dat slechts 1 (ouder-) lid van het bestaan ervan op de hoogte was. Hierop had ik al een beetje gerekend, zodat ik meerdere exemplaren had meegenomen.

Aan iedereen heb ik er toen een exemplaar gegeven met de vraag het eens door te lezen omdat het m.i. een goede zaak zou zijn om ook dit blad met de post van de MR te laten rouleren
Op de vorige MR-vergadering kwam een lid uit het lerarenteam terug op mijn vraag inzake Bijbel & Onderwijs. Ze vertelde dat het (proef-) exemplaar zeer goed van pas was gekomen. Het team van ‘onze’ school is de laatste tijd bezig geweest met het zoeken naar een nieuwe schrijfmethode. De methode ‘Schrijfdans’ scoorde bij het personeel hoge ogen. Mede op basis van uw artikel hierover (in het nummer dat was uitgedeeld) is besloten om niet tot aanschaf van deze methode over te gaan! Tegelijkertijd kwamen er van de andere MR-leden alleen maar positieve reacties over uw blad. Om kort te gaan kwam het erop neer dat alle leden het er volmondig mee eens waren dat het blad een waardevolle aanvulling was en is op de post van de MR. U zult begrijpen dat ik zeer gelukkig ben met bovenstaande; dat ik hiervoor onze Hemelse Vader heb gedankt!

drs. R.H. Matzken

Gaat het kennis nemen van de wereldreligies zover dat onze kinderen moeten meegaan naar een viering in een hindoetempel? Wat is het holifeest eigenlijk?


Een groepsleerkracht op een christelijk instituut schreef ons een brief met de vraag hoever respect voor elkaar in een multiculturele samenleving gaat.

“Op onze school besteedt men aandacht aan de vier wereldreligies. Daarbij zou het accent liggen op het informeren en respect tonen ten opzichte van elkaar. Dit jaar staat gedurende twee weken het hindoeïsme centraal in de groepen 3 t/m 8. Enkele hindoestaanse dames zullen de klassen bezoeken en de kinderen bestrooien met poeder en parfum in het teken van het holifeest; enkele leerlingen zullen een hindoestaanse school bezoeken en daar eveneens het holifeest bijwonen; een hindoe-tempel zal bezocht worden waar een viering zal worden bijgewoond en tot slot zal een hindoestaanse danseres een voorstelling geven voor alle kinderen van onze school.

Discussie over genoemde activiteiten was onmogelijk; van directiezijde werd meegedeeld, dat wij als docenten gewoon verplicht zijn het vak ‘geestelijke stromingen’ te geven en dat enkele excursies daarvan deel kunnen uitmaken. Inmiddels hebben ook enkele ouders gereageerd op deze gang van zaken. Maar wat tegen de leerkrachten werd gezegd, is ook aan de ouders meegedeeld. Kinderen van ouders die bezwaar maken, hoeven echter niet deel te nemen aan de excursies en kunnen op school blijven.”


a. Wat is het holifeest?
Als christenen in een pluriforme samenleving dienen wij bekend te zijn met de godsdienstige gebruiken van ‘Medelanders’, maar dat mag niet zover gaan dat onze kinderen, op een christelijke school, zouden moeten deelnemen aan de godsdienstige riten van dienaren van andere goden. Dat gebeurt zonder meer wanneer zij in een hindoe-tempel een viering bijwonen.

Het holifeest wordt beschouwd als een soort nieuwjaarsfeest. Hierbij moeten we wel bedenken dat in de hindoe-cultuur (bijna) alles bij het hindoeïsme ook een cultische betekenis heeft, waarbij de aanwezigen worden betrokken. Bij het holi-feest wordt de wijze herdacht hoe een koning erachter kwam wie van zijn beide kinderen goddelijk was. Hij besloot hen allebei te verbranden; wie overleefde, was goddelijk. De zoon Holi overleefde de vlammen, de dochter Holica stierf. Daarmee was zij (de vrouw!) het symbool van het kwaad dat teniet gedaan werd. Het hoeft weinig betoog dat de inhoud van het holifeest flagrant in strijd is met datgene wat de Bijbel leert over de manier waarop God handelt met het kwaad.
b. Hoe moet men in een dergelijke situatie handelen?
* U kunt uw bezwaar bij de directie of het bestuur aanhangig maken, eventueel zelfs via de ledenvergadering.
* U kunt, op democratische gronden en om des gewetens wil, ontheffing vragen om niet hieraan deel te nemen. Leg uit waarom u (en de betreffende kinderen) hieraan geen deel wenst te nemen.

 

De Bijbel is niet zomaar een bundel verhalen, maar het waarachtig getuigenis van Gods handelen in de geschiedenis van Israël en de volken. Een weerlegging van de moderne godsdienstvisie.

Het onderwerp waarover dr. J. Hoek enkele opmerkingen wil maken, is uiterst actueel. De auteur wil trachten duidelijk te maken waarom de Bijbel niet zomaar een bundel verhalen is, maar het waarachtig getuigenis van Gods handelen in de geschiedenis van Israël en de volkeren. Misschien lijkt dit het intrappen van een open deur. Maar zodra u de beschouwingen leest over de hedendaagse invulling van de identiteit van christelijk onderwijs en zodra u allerlei moderne onderwijsmethodes kritisch onder de loep neemt, verandert u snel van gedachten en ziet u hopelijk in hoe belangrijk het is op dit punt uiterst waakzaam te blijven en expliciet voor onze overtuiging uit te komen.

Onlangs las ik het boek Kleuren van een toekomst (Hilversum 1997), dat onder redactie van Tom Kroon is uitgegeven als ‘ een praktisch handboek voor de identiteit van de christelijke school’. De samensteller is docent aan de Marnix-academie te Utrecht. Hij geeft in deze bundel zelf een stevige voorzet inzake de identiteitsvernieuwing van het protestants-christelijk onderwijs en oogst daarna van elf andere auteurs voornamelijk bijval, maar toch ook hier en daar fundamentele kritiek.

Visie op de Bijbel
Nu ga ik niet het betoog van Kroon samenvatten. Het gaat mij om een centraal element uit dat betoog, namelijk de visie op de Bijbel. Kroon is daarover niet onduidelijk. Volgens hem is het beeld dat de verhalen, de liederen en het gebed in de traditionele benadering oproepen, ongeloofwaardig. Op blz. 15 verwijst hij naar de uitingen van enkele door Tom ter Bogt geïnterviewde jongeren. Een voorbeeld: ” Vroeger dacht ik wel dat God de aarde geschapen had, maar wanneer je op school zit, hoor je van allerlei natuurkundige processen, dan wordt het toch moeilijk om aan dat idee vast te houden. Ik weet niet hoe het allemaal begonnen is, maar volgens mij heb je God niet nodig om dat te verklaren.” Aan dit soort uitlatingen verbindt Kroon verstrekkende beschouwingen zoals deze: ” Het christelijk onderwijs slaagt er in het algemeen niet in om ‘de fundamentele en bevrijdende eigen bijdrage aan de culturele ontwikkeling’ niet te laten botsen met het moderne, rationele wereldbeeld. Het beeld dat de verhalen, de liederen en het gebed oproepen is nogal ongeloofwaardig. Als je gelooft, zo komt het op veel leerlingen over, dan moet je ook aannemen dat blinden weer kunnen gaan zien, dat je met één kruikje olie maandenlang koeken voor een gezin kunt bakken, enz… Christelijke scholen boeken dus tegendraadse resultaten’. In een voetnoot gaat Kroon nog verder. Wat is de reden dat uitgerekend het vanouds zo godsdienstige Nederland tegenwoordig zo hevig geseculariseerd is? Hij zoekt die reden in de wijze waarop de Nederlandse jeugd van jongs af aan op de christelijke school met godsdienst is geconfronteerd! De traditionele bijbelvertelling als katalysator van de secularisatie!

Het romantische antwoord
Kroon wijst het af wanneer men in reactie op de secularisering krachtig terugvalt op ‘ Gods onfeilbaar Woord, de belijdenisgeschriften van de Reformatie en een herstel van een opgewekt en bijbelgetrouw geloofsleven’. Hij noemt dat ‘het romantische antwoord’. In feite dus een vergeefse vlucht in het verleden dat voorgoed voorbij is. Hij wil anderzijds ook geen ‘postmoderne’ scheiding tussen godsdienstige opvoeding in het gezin enerzijds en de seculiere school anderzijds. Het gaat hem om het ‘opwekken van een spirituele levenshouding’ bij het kind, een inleiding tot een religieuze interpretatie van de werkelijkheid. De docenten op de christelijke school zouden ‘overtuigde pluralisten’ moeten zijn die de kinderen niet voorgaan in een bepaald welomschreven geloofsbelijden, maar hen willen opwekken tot geestelijk leven, als het ware een openheid creërend die nog op allerlei manieren kan worden ingevuld. Het gaat om ‘het neerleggen van een basis waarop later een zelfgekozen geloofsleven tot stand kan komen’.

Literair hoogstaande verhalen
Daartoe moet het vertellen uit de Bijbel een radicale vernieuwing ondergaan. Op blz. 23 noemt hij het vertellen ‘een van de zwakste punten van het godsdienstonderwijs’. Een breed citaat: “De wijze waarop het kind met de inhoud van de bijbel in aanraking komt, de geijkte vorm van vertellen brengt het gevaar met zich mee dat een mythisch-sacrale godsdienstigheid in de hand wordt gewerkt. De vertelling heeft dan veel weg van een gepedagogiseerd verslag van de gebeurtenissen die in vergane tijden hebben plaatsgevonden. Er klinkt niet in door dat zij berust op een weldoordacht en gecomponeerd proza of poëzie. De verhalen in de Bijbel zijn geen nieuwsberichten, geen reportage of verslag van iets, maar de verhalen vertellen van geestelijke ervaringen van goddelijke manifestaties in mensen in historische situaties”.

Hier hebt u het nieuwe dogma dat veel hedendaagse methodes voor het godsdienstonderwijs beheerst of op z’n minst geïnfiltreerd heeft. Het zou in de Bijbel gaan om literair hoogstaande vertellingen die een veelheid van interpretaties toelaten en als ‘het grote Verhaal’ op allerlei creatieve manieren verbonden kunnen worden met de kleine verhalen van mensen van nu. Maat het mag beslist niet gaan om ‘de weergave van een op schrift gestelde… gebeurtenis, die men vroeger alleen maar kon verklaren door een onwetenschappelijk beroep te doen op bovenaards ingrijpen’.

‘Cape Canaveral en Cape Jeruzalem’
Kroon durft zijn benadering zelfs ‘een meer bijbelgetrouwe vertelopvatting’ te noemen.
Uiteraard krijgt hij op dit punt stevige support van de bekende ds. Nico ter Linden. Op een citaat van hem, op blz. 66, wil ik wat nader ingaan: Cape Canaveral en Cape Jeruzalem. Citaat: “Er is bij ons thuis een ernstig ongeluk gebeurd”, kwam een keer een vader mij vertellen. Hij had een zoontje van acht dat zo’n beetje alles over de ruimtevaart wist. Op school had hij het verhaal van Jezus’ hemelvaart gehoord. “Wat is dat voor verhaal?” vroeg hij aan zijn vader. Dat is precies de goede vraag. Ruimtevaart en Hemelvaart, zijn dat twee verhalen in dezelfde taal, het één over Cape Canaveral en het ander over Cape Jeruzalem? “Dan zit ik wel met een probleem”, zegt dat jongetje. “Willen jullie dat ik doorga met denken, dan zal ik moeten ophouden met geloven; willen jullie dat ik doorga met geloven, dan moet ik ophouden met denken.” De vader in kwestie wist het antwoord wel, maar hij kon het niet zeggen. Hij kon niet met die twee taalvelden spelen, en dat noemde hij terecht ‘een ernstig ongeluk’. Wij moeten leerkrachten en ouders helpen om antwoord te geven op de geloofsvragen van hun kinderen. En die komen steeds vroeger. Dus moet je al vroeg het misverstand vermijden dat een kind aan H2O denkt wanneer je het verhaal vertelt van Jezus die over de wateren gaat”.

Wat gebeurt hier? Ter Linden wijst de heilshistorische opvatting van de geschiedenis van Jezus’ hemelvaart af. Het kan dus niet werkelijk zo gebeurd zijn als in Handelingen 1 beschreven staat. In de wereld van de ruimtevaart kun je niet meer geloven in de hemelvaart. Daar kun je bij kinderen niet meer mee aankomen en doe je dat toch, dan dwing je ze een onzindelijke keus te maken tussen denken en geloven. Maar intussen heeft Ter Linden wel een grove karikatuur getekend van de historische opvatting van Christus’ hemelvaart! Alsof Lucas ook maar in de verste verte iets zou vertellen wat analogie vertoont met de lancering van een ruimteraket van Cape Canaveral. Jezus verdwijnt achter de wolk die Hem wegneemt uit het gezicht van de discipelen. Er is geen sprake van lichtjaren reizen door het heelal, evenmin van doorbreking van de zwaartekracht dankzij astronomische snelheden. In de taal van toen heet het dat Jezus’ voeten zich losmaakten van de aarde en dat Hij verdween achter een wolk. In de taal van nu zouden we kunnen zeggen dat Jezus in een andere dimensie overging en zo aan het bereik van de menselijke zintuigen werd onttrokken. Maar het gaat intussen om de heilshistorische werkelijkheid.

Tegenstemmen
Ik zei zoëven al dat Kroon behalve instemming ook fundamentele tegenspraak ontmoet in deze bundel. Ik denk dan met name aan de bijdrage van ir. Rinus Houtman, directeur van de lerarenopleiding De Driestar te Gouda, en van mevr. Kosje Guravage-Griffioen. Houtman wijst de achillespees van het betoog van Kroon aan op blz. 79. “Waar ik in de analyse van Tom Kroon moeite mee heb, is zijn vrijwel kritiekloos accepteren van het rationele wereldbeeld. Ik meen dat het een van de grondfouten van het christelijk onderwijs is geweest en vaak nog is, dat zij dit door de natuurwetenschap gecreëerde wereldbeeld zo kritiekloos heeft aanvaard en zelfs mee opgeroepen heeft. Alleen het godsdienstonderwijs bleef er wat buiten en men vertelde de verhalen gewoon als vroeger. Terecht wijst Kroon erop dat er dan spanningen optreden, maar in plaats van dan de bijbelvertelling aan te passen aan de eisen van het beperkte natuurwetenschappelijke wereldbeeld, zou je het natuuronderwijs juist in bijbels licht moeten stellen. Dan gaat het over de God geschapen werkelijkheid, die principieel anders is dan een gesloten, door natuurwetten beheerst systeem. We moeten niet bang zijn om onze kinderen iets te leren wat niet past in het gedachtengoed van onze tijd. Het gaat erom onze kinderen de grote daden van God uit de geschiedenis door te geven en Zijn geboden hen in te scherpen.” Mevr. Guravage (blz. 87) noemt de benadering van Kroon c.s. een ontledende benadering van de Bijbel die doet denken aan stenen voor brood. De Bijbel vertelt over de machtige daden van God, waardoor de mens boven zichzelf wordt uitgetild. Door de omgang met de Bijbel wordt er een wereld geopend waarbinnen wij onszelf kunnen plaatsen.

Zelf heb ik nog onlangs in de brochure Doem of doel? ‘Een christelijke visie op geschiedenis’, die verschenen is ter gelegenheid van de officiële heropening van de Christelijke Hogeschool Ede, een pleidooi gevoerd voor de hartelijke aanvaarding van de historiciteit van de bijbelverhalen.
De geschiedenis die God is aangegaan met de mensen is meer dan een verzameling parels aan een snoer van Hebreeuwse vertelkunst. Het gaat erom dat de tijd gestempeld wordt door Gods handelen. De roeping van Abraham, de uittocht van het volk Israël uit Egypte, de verbondssluiting en wetgeving bij de Horeb, het koningschap van David, de bouw van de tempel, de terugkeer uit de ballingschap, vooral de komst en het werk van Jezus Christus, het zijn niet alleen maar fragmenten van zin temidden van de onzin. Er is verbinding en samenhang tussen die gebeurtenissen. Ze rijgen zich aaneen tot een geschiedenis van heil, een reeks van Gods grote daden. Deze heilsgeschiedenis staat niet los van de concrete geschiedenis van de mensheid, maar is de zin ervan. Het gaat niet om verhalen, om sagen en mythen, maar om wat echt gebeurd is. Geloven in de Schepper snijdt ons de pas af bij elke vlucht in de mythologie. De God van de Bijbel meldt zich namelijk in de feitelijkheid en realiteit van deze wereld. Hij is de God die mensen bij hun naam roept en die ze opzoekt waar ze zijn, in hun concrete omstandigheden. Daarom staat de Bijbel vol van realistische verhalen. We ontmoeten er mensen als wijzelf. De Bijbel is alles behalve een fabeltjeskrant of sprookjesboek. Wie een mythologisch boek uit de oudheid leest of een modern sprookjesboek, weet waar hij of zij aan toe is: je wordt verplaatst naar een andere wereld waarin fantasie hoogtij viert. Lees je daarna de Bijbel, dan kom je weer tot de werkelijkheid terug. Dat Boek verhaalt van Gods daden die niet tussen hemel en aarde blijven zweven. Ze hebben effect in mensenlevens en in het leven van de volkeren, ze stempelen natuur en geschiedenis.

Profetische geschiedschrijving
We hebben gesteld dat de Bijbel geen sprookjesboek is. Wat dan wel? Een heel bijzonder relaas over geschiedenis! Niet een geschiedenisboek zoals dat op de basisschool of bij het voortgezet onderwijs wordt gebruikt. Ook niet een boek zoals dr. Lou de Jong er vele heeft geschreven over de Tweede Wereldoorlog. Profane geschiedschrijving volgens hedendaagse wetenschappelijke maatstaven is van heel andere orde dan de profetische belichting van de geschiedenis die ons in de Bijbel wordt gegeven. De Bijbel vertelt geen geschiedenis zoals moderne historici dat doen en wie volgens hun methoden de effecten van Gods werkzame en daadkrachtige Woord (dabar) wil nameten, komt teleurgesteld uit. Je kunt de roeping van Abraham, de uittocht ui Egypte of de herbouw van de tempel historisch zeker aannemelijk maken. Maar historische wetenschap die vanuit eigen vooronderstelling het Woord van God bij voorbaat uitsluit als betrouwbare historische bron, wil hiervan niet weten. Wetenschappelijke geschiedschrijving krijgt daarom de feiten als heilsfeiten niet in het vizier. Hier liggen allerlei vragen en uitdagingen om in gelovige bijbelwetenschap de aard en bedoeling van de bijbelse geschiedschrijving in het oog te krijgen.

Geschiedenis en verhaal
Vragen dus rond de aard van de geschiedschrijving in de Bijbel, maar dan wel tegen de achtergrond van de overtuiging dat we in de Schrift inderdaad met geschiedschrijving te maken hebben. Het gaat in het Woord van God niet alleen maar om verhalen, om meesterstukjes van Hebreeuwse vertelkunst, waarmee nauwelijks enige historische realiteit zou corresponderen. Niet het verhaal maakt geschiedenis, maar de geschiedenis heeft het verhaal gemaakt.

Wie zich terugtrekt uit de geschiedenis op het verhaal, kiest voor een onaanvaardbare reductie! De God van het verbond met mensen wordt zo niet meer als de Schepper en de Onderhouder van wereld en geschiedenis erkend en herkend. Die erkenning is nu juist een bron van vreugde en troost voor het geloof! Die delen van de Schrift die zich als historisch betrouwbare, zij het op verkondiging toegespitste, informatie aandienen, dienen ook als zodanig te worden aanvaard. De heilsgeschiedenis waarvan de Schrift getuigenis aflegt, is wel degelijk historisch. Gelovigen behoeven de geschiedeniswetenschap niet te hulp te roepen om te bewijzen dat de Bijbel tòch gelijk heeft. Dat kan die wetenschap per definitie niet, maar bovendien heeft het geloof in de betrouwbaarheid van de God van het Woord zo’n bewijs ook helemaal niet nodig. Evenmin kan diezelfde wetenschap aantonen dat er, om maar een voorbeeld te noemen, nooit een historische persoon met de naam Abram uit Ur der Chaldeeën zou zijn geroepen of dat er nimmer een historische Mozes zou zijn geweest die het volk Israël uit Egypte heeft geleid. Daarom is het onterecht wanneer gesuggereerd wordt dat er een keus moet worden gemaakt tussen ofwel wetenschappelijk verantwoord bezig zijn ofwel aanvaarding van de historische betrouwbaarheid van de Bijbel. Die twee kunnen zeker samen gaan en doen dat ook metterdaad in de beoefening van gelovige bijbelwetenschap.

Heilshistorische theologie
Wie de Bijbel als een bundel diepzinnige verhalen beschouwt, vervaagt en vervluchtigt Gods weg door de tijd. Daartegenover kies ik met overtuiging voor een heilshistorische theologie. Er is een voortgang in de (heils)geschiedenis. Deze krijgen we niet als een ononderbroken lijn in het vizier. Het is ingewikkelder: er is sprake van terugval, van een wisseling van donkerder en lichter in de geschiedenis van Israël en in die van de christelijke gemeente. Er is sprake van toenemende tegenstellingen in steeds heviger worsteling. Met Berkhof kunnen we zeggen, dat de geschiedenis zowel in het teken van Christus’ kruis als in dat van zijn opstanding staat en dat zowel het één als het ander in de eindtijd zich intensiveert. De donkere schaduwen in de geschiedenis worden steeds onheilspellender en de lichte plekken worden steeds bemoedigender. Maar vanuit het gedenken van Gods grote daden is er de verwachting van wat deze levende God doet en doen zal in het heden en in de toekomst. We zijn geen kunstig verdichte fabels nagevolgd, maar de tastbare Christus, en zo is ook onze toekomstverwachting geen fata morgana, maar gegronde hoop op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop de gerechtigheid eeuwig thuis zal zijn.

dr. J. Hoek

Hoe staan wij tegenover montessori-onderwijs? Kunnen christenen hun kinderen toevertrouwen aan een montessorischool?

Maria Montessori (1870-1952) was de eerste vrouwelijke arts in Italië. In haar praktijk als kinderarts kwam zijn in aanraking met zwakzinnige kinderen. Door haar studie kwam zij tot het inzicht dat de behandeling van zwakzinnigen niet in de eerste plaats medisch moet zijn, maar pedagogisch. Daarna kwam de gedachte bij haar op dat haar methode, toegepast op normale kinderen, nog een beter resultaat zou opleveren.
Het eerste Casa dei Bambini werd op 6 januari 1907 geopend. Dr. Montessori hechtte veel waarde aan de omgeving waar kinderen opgroeien. Daarom moest alles aangepast zijn aan de lengte van het kind: lage tafels en stoelen, lage kasten enz.; dit verandert naarmate het kind groter wordt.

De spel- en leerstof bestaat uit oefenmiddelen, waarmee kinderen niet bezig gehouden worden, maar waarmee zij zichzelf bezig houden. Gemeenschappelijk gebeurt er in ‘Casa’ bijna niets, alleen het gebed, het middagmaal en het stiltespel. Het kind is vrij in zijn doen en laten, maar die vrijheid heeft wel grenzen: het algemeen belang en een uiterlijke vorm: welgemanierdheid.

Aspecten van de opvoeding zijn motorische opvoeding, zintuiglijke opvoeding en intellectuele opvoeding. Montessori let niet zozeer op het aanbrengen van kennis op jonge leeftijd, maar wel op het oefenen van hun motorische en zintuiglijke functies.

Dr. Maria Montessori heeft het onderwijs uit het klassikale stelsel los gemaakt en het principe van vrijheid ingevoerd. Haar volgelingen zijn soms in uitersten vervallen. De losbandigheid van de kinderen in sommige montessorischolen heeft aan de goede naam van de methode veel afbreuk gedaan. Aan de andere kant waren er velen die de vrijheid als theoretisch gegeven aanhingen, maar bij het gebruik van materiaal sterk bindende voorschriften hanteerden. Ook deze instelling bracht het montessori-onderwijs in diskrediet.
In haar werk breekt Montessori allereerst een lans voor de individuele opvoeding van de jonge mens. In de montessoriklas zitten kinderen van ongelijke leeftijd bij elkaar. De sociale kant van de opvoeding wordt sterk geaccentueerd. Dr. Gunning merkt in dit verband op: “Wij willen ons door Montessori wel laten leiden, maar niet om de tuin laten leiden. Op haar eigen gebied, waar zij meester is op alle wapens, dat van de intellectuele ontwikkeling, voor zover die uitgaat van en verbonden is aan zintuiglijke waarneming, gaan wij gaarne met haar mee. Maar aangekomen aan de grenzen van het wonderland der kinderlijke fantasie nemen wij afscheid.”

Nu komen wij tot de tweede vraag: Kunnen christenen hun kinderen toevertrouwen aan een montessorischool? Voor het beantwoorden hiervan wijzen wij erop dat Montessori het dodend vindt voor de zelfwerkzaamheid, als opvoeders bepalen wat het kind moet doen. Hier scheiden zich onze wegen. Bij de godsdienstige opvoeding gaan wij uit van de plicht van de ouders en opvoeders dat “het kind God leert kennen, Hem dienen, liefhebben en eren.” Montessori gaat uit van de belangstelling van het kind. En als de belangstelling voor God nu ontbreekt: wat dan? Niets opleggen als er geen interesse is, zegt dr. Montessori. Als christen-ouders toch hun kinderen naar een montessori-school sturen, zullen ze hen extra-aandacht en begeleiding moeten geven, speciaal op het gebied van de persoons- en godsdienstige vorming.
Vanuit opmerkingen van P.D. Hofland in ‘Pedagogisch Denken’ voegen wij hier nog het volgende aan toe.

De opvattingen van Montessori zijn namelijk nauw verwant aan het naturalistisch denken van J.J. Rousseau. Wanneer christen-opvoeders zich tot de montessori-methode aangetrokken voelen, is dat vanwege de grote aandacht voor het individuele kind. Zij gaan dan voorbij aan het humanistische denken dat hieraan ten grondslag ligt, evenals bij een andere situatie-pedagoog als Peter Petersen, de vader van de Jenaplanscholen, wiens gedachtegoed in ons land ten grondslag lag aan zowel de basisschool als de middenschool.

Montessori beschouwde haar gedachten als een ontwerp voor een betere mondiale toekomst en heeft daarmee vele anderen (zoals Piaget) aangesproken en beïnvloed. Speciaal in onze tijd is een verbinding met ‘spiritueel onderwijs’ niet ondenkbaar, vanwege haar visie dat haar bijdrage tot een betere mondiale toekomst mogelijk zal worden wanneer “de mens de hogere psychische energie, die men nog onvoldoende kent, tot ontwikkeling weet te brengen.”

 

 Mevr. N. v.d. Giessen-Ligthart

Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP) in Bijbels perspectief
een Amersfoortse dubbelstudie
(Het boek is niet meer in voorraad. Een nieuw boekje is uitgegeven: ‘NLP-Magie in een wetenschappelijk jasje?’ van prof. dr. R. Franzke, 48 blz., € 4,25, zie webshop)

Over het beïnvloeden van de menselijke geest. De kunst om anderen te ‘belezen’ en te ‘beschrijven’, door drs. R.H. Matzken
Drie definities van NLP-deskundigen zijn:
“NLP is het beter begrijpen en hanteren van menselijke ervaring”
“NLP is het modelleren van menselijke uitnemendheid”
“NLP is een meta-model voor effectieve communicatie”.

Neuro-linguïstiek is de combinatie van minstens twee vakdisciplines: de neurologie (= de leer van het zenuwstelsel) en de linguïstiek (= de taalkunde). Doel ervan is onder meer het beheersen van de waarnemingen, door de non-verbale reacties en emoties te meten en te sturen. Bij een nadere analyse en toetsing blijkt het echter te gaan om het toepassen van technieken van Sjamanisme onder pseudo-wetenschappelijke benamingen.

Hieronder volgt de inhoudsbeschrijving van deze Amersfoortse Studie en wordt ook een eerste kennismaking afgedrukt.
DEEL 1. EEN BESCHRIJVING VAN NEURO-LINGUÏSTISCH PROGRAMMEREN

1. Een eerste kennismaking
Enkele definities* De N, de L en de P
* Niet het WAT maar het HOE
* Een nieuwe taal

2. Communicatievormen bij NLP
Representatiesystemen
Referentiesystemen
Non-verbale signalen volgens de formule VAK of VAKO
Verbale signalen: de functie van de linguïstiek
De functie van de magie

3. Het wereldbeeld van NLP
Het postmodernisme
Het neo-gnosticisme
De dieptepsychologisch denken volgens C.G. Jung
Het pragmatisme

4. Het mensbeeld van NLP
Persoonlijke groei
De leer der delen
Bewuste, onderbewuste en onbewuste

5. De epistemologie van NLP
De aspecten van een kentheorie
Het nieuwe kennen bij NLP

6. Van de spiegel naar de werkelijkheid
Omgaan met overtuigingen
“De kaart is niet het gebied”
Het eigenlijke NLP-werk

7. Technieken van zintuiglijke ervaring
Rapport van individu met begeleider
Mensen `belezen’ en `beschrijven’
Belemmeringen en hulpbronnen

8. In trance naar het onbewuste
Grenzen overschrijden, maar welke?
Vormen van trance
Hulpmiddelen voor de trance-inductie

9. Aan het werk in het onbewuste
Wandelen over de tijdlijn
Zes-staps herkaderen
Je eigen verleden veranderen
Modelleren van uitnemendheid
Programmeren

10. Ecologische grondregels van NLP
Kent NLP een ethiek?
Ecologische grondregels van NLP
De vrijheid om NIET mee te doen

11. Intercultureel modelleren
Scholen binnen NLP
Hulpbronnen van de Pragmagie
Machten buiten ons of machten binnen ons

12. Geraadpleegde bronnen van NLP in Nederland
Enkele Nederlandse instituten en cursussen
Vragen gesteld bij interviews
Nederlandse publikaties over NLP


DEEL 2. NLP BEZIEN VANUIT BIJBELS PERSPECTIEF

13. Bijbelse criteria om NLP te toetsen
Aanzet tot bijbelse grondregels
Mag men alle scheppingsstructuren gebruiken?
Definitie van het occulte
Te hanteren criteria

14. Toetsen van NLP uitgangspunten
Confrontatie van NLP grondregels met bijbelse grondregels
Het mens- en wereldbeeld van Jung
Delen van de persoonlijkheid
Het kennen van de werkelijkheid
Onze conclusie: principieel en genuanceerd

15. Toetsen van NLP methoden en praktijken
Technieken van zintuiglijke ervaring
In trance naar het onbewuste
Aan het werk in het onbewuste
Spelen met machten en krachten

16. Aanzet tot een bijbels/christelijke benadering
Een roep om discipelschap
De uitdaging van deze tijd

Eindnoten

DEEL 1. EEN BESCHRIJVING VAN NEURO-LINGUÏSTISCH PROGRAMMEREN

1. Een eerste kennismaking

Enkele definities
De eerste definitie van NLP luidt:
“NLP is het beter begrijpen en hanteren van menselijke ervaring”.

Hiermee wordt al direct de kern van ons onderzoek getroffen: Is NLP nu een methode waarmee gebieden in kaart gebracht worden die tot nu toe terra incognita (onbekend terrein) waren? Of worden hier grenzen overschreden die ons voeren naar de wereld van het esoterische of occulte, die door de Bijbel (bijv. in Deut. 29:29) terra prohibita (verboden terrein) zijn genoemd?

De eerste fundamentele vraag zal in het eerste (descriptieve of beschrijvende) gedeelte van deze studie behandeld worden. Over de tweede vraag gaat het vooral in het tweede (prescriptieve of beoordelende) gedeelte.

Lucas Derks licht zijn definitie als volgt toe:
“NLP houdt zich bezig met de studie van de structuur van de subjectieve ervaringen en de toepassing daarvan. Tot de subjectieve ervaring behoren alle bewuste en ook onbewuste gedachten. De structuur van de subjectieve ervaring kan onafhankelijk van de inhoud bestudeerd worden.”

Een tweede definitie van NLP luidt
“NLP is het modelleren van menselijke uitnemendheid.”
Ook hier worden wij direct geconfronteerd met de vraag: Hoe is dit mogelijk? Wij citeren verder: “Via `modelleren’ kan een persoon de vaardigheden van een andere persoon leren gebruiken, met inbegrip van de bijbehorende denkstrategieën. Dit is een heel effectieve manier van leren en in die zin is NLP dus een educatief principe. Met behulp van modelleren kunnen mensen bijvoorbeeld leren om effectief te communiceren.”

Wie dit even doordenkt, moet wel concluderen dat hier een gebied wordt ontsloten van vrijwel onbegrensde mogelijkheden. De verwachtingen hierover zijn hooggespannen; zo schrijft Thomas Rückerl in zijn Lexicon van NLP: “Iedereen kan alles leren!” Hoewel niet iedere NLP-er bereid is dit toe te geven, betekent dit dus dat ieder mens alles kan leren wat ieder ander mens ooit heeft geleerd of gedaan.

In het aanbod van cursussen komt nog een derde definitie voor. Daarmee is het toepassingsgebied van NLP sterk verbreid en (met name bij het bedrijfsleven) de weerstand verminderd, omdat zo de mening heeft postgevat dat het hier gaat om zgn. neutrale technieken:

“NLP is een meta-model voor effectieve communicatie.”
NLP helpt mensen–individuele personen zowel als mensen die in een organisatie samenwerken–om ten goede te veranderen. Het laat zien hoe groot de invloed is van de verbale èn nonverbale communicatie en hoe we die invloed kunnen versterken en gericht gebruiken. In deze zin is NLP een professionele, sociale technologie die zich richt op communicatie en het implementeren (invoeren) van verandering.
De N, de L en de P
De naam Neuro-Linguïstisch Programmeren is eigenlijk bij toeval gekozen. In eerste instantie gaat het hierbij om de wederzijdse beïnvloeding en verrijking van de twee disciplines van de grondleggers van NLP, Richard Bandler en John Grinder, namelijk de gedragswetenschappen en de linguïstiek. Hierbij staat de N (van neuro) voor de stelling dat al ons gedrag het resultaat is van neurologische processen. De L (van linguïstisch) staat voor de fundamentele aanname dat we onder meer de taal gebruiken om die processen te ordenen en weer te geven. De P (van programmeren) staat voor het proces waarbij elementen van een (intern communicatie-)systeem zo kunnen worden georganiseerd dat een bepaald resultaat wordt bereikt.

Het is juist deze combinatie die NLP maakt tot iets nieuws, wat bovendien veel krachtiger is dan de bestaande technieken uit de gedragswetenschappen. Wij zullen elementen tegenkomen die op zichzelf niet nieuw zijn, zoals regressietherapie of non-verbale communicatie. Wanneer men nu stelt dat er binnen de NLP zeker elementen zijn die heel goed door christenen gebruikt kunnen worden, gaat het meestal om sommige bouwstenen. Maar het is juist de combinatie, beter gezegd de context, waarin al deze elementen hun krachtige werking krijgen.
Niet het WAT maar het HOE
De meeste cursussen over management, communicatie en educatie geven aan WAT er moet gebeuren om het gewenste resultaat te bereiken. Het kenmerkende van NLP is nu dat zij aangeven HOE dit gebeurt, en wel op een manier waarmee iedereen kan scoren.

Wezenlijk bij NLP is de verandering van de huidige staat naar de gewenste staat. Dit proces van transformeren gaat veel verder dan alles wat tot nu toe bekend was. Het brengt mensen vaak tot verbazing en zelfs verrukking vanwege het bijna natuurlijk-eenvoudige van het proces zelf en duurzame resultaten die worden geclaimd. Met andere woorden: weinig inspanning en veel resultaat, dat spreekt vooral de generatie aan die omstreeks 1985 sterk pragmatisch is gaan denken.

Karakteristiek voor NLP is dat deze verandering of transformatie niet plaats vindt in het bewuste van de mens, maar in diens onbewuste.
Het is net als met de Bulgaarse Losanov-methode (ook wel superleren of suggestopedie genoemd). Daarbij is `leren’ niet een inspannend proces maar juist zeer ontspannend, omdat het grotendeels plaats vindt in het onbewuste. Het gaat daarbij steeds om structuren, niet om inhouden; om processen, niet om handelingsschema’s; om toegang tot bronnen van kennis, niet om het overdragen ervan. Daardoor kan NLP als psychotechniek ook zo `neutraal’ en niet-bedreigend overkomen want, zo zegt men, wij houden ons helemaal niet bezig met uw waarden en normen!
De charme van NLP is bovendien dat deze transformatie tot het ware IK (of het nieuwe WIJ) met zijn ongedachte potenties, bijna vanzelf verloopt.
Een nieuwe taal
De beoefenaars van NLP spreken onderling een taal die voor een buitenstaander vreemd aandoet, maar wel te leren is. En buitenstaander voel je je zeker tijdens de vele kennismakingsdagen en cursussen over NLP. Het is opmerkelijk dat de meeste deelnemers al bekend zijn met NLP, zij zijn erop uit om steeds verder ingewijd te worden in deze wonderbaarlijke techniek. Sommigen geven eerlijk toe dat zij eraan verslaafd zijn en van tijd tot tijd weer een nieuwe cursus volgen om bij te tanken en hun energie weer op te laden!

De taal die bij NLP wordt gebruikt bestaat uit een groot aantal begrippen waarmee de neurologische processen en de onderlinge relaties worden benoemd, zoals `rapport’, `ankeren’ en `modelleren’. Deze begrippen zullen in de tekst worden toegelicht. Daarenboven zijn de meest gebruikte begrippen in een register opgenomen met verklaring en verwijzing. Dergelijke begrippen zijn dienstbaar aan de communicatie in het bewuste denken.
Daarnaast maakt NLP gebruik van lichaamstaal. Deze nonverbale communicatie is de manier waarop wij toegang hebben tot datgene wat zich binnen de mens afspeelt. Deze communicatie verloopt meestal onbewust en wordt dan ook veel betrouwbaarder geacht dan bewuste verbale communicatie.
De belangrijkste poorten tot het onbewuste zijn de vijf zintuigen, die ons presenteren wat zich binnen de mens afspeelt. Van deze vijf zijn er drie de belangrijkste en daarvan is er bij iedereen meestal één die de andere overheerst: het visuele, het auditieve of het kinesthetische (betreffende het voelen of tasten).

 

Als je erover nadenkt, is het niet minder dan een wonder: iemand zet zijn gedachten in zwarte kriebeltjes op een witte ondergrond en een andere persoon ontcijfert die kriebeltjes en maakt zich de gedachten achter de kriebeltjes eigen. Het schrift is een uitvinding geweest, die de mensheid een ongelooflijk groot perspectief aanreikte.

Ik kan me mijn verbazing nog herinneren. Eerste klas van de lagere school, zoals dat toen nog heette. We hadden een jonge, mooie juf met hoge hakken en kort haar. Daar keken we van op bij ons op school. Van huis uit had ik een fikse portie wantrouwen tegen alles wat ‘modern’ was. Hoge hakken en kort haar, dát was modern. Ik vermoedde dat de juf lippenstift gebruikte en dat ging nog verder!

Maar, modern of niet, deze juf bezat de kunst om het geheim door te geven. Je kwam in de klas en je was nog een kleuter, die eigenlijk alleen maar spelenderwijs dingen tot je genomen had. Het leren zou nu beginnen, je keek er naar uit en je was er ook een beetje bang voor. Jawel , je kon je naam al wel schrijven en ook de namen van je broer en zussen. Maar dat was natekenen, dat had het geheim niet minder geheimzinnig gemaakt. Maar de juf had er slag van, ze leerde je eerst letters en dan woorden en daarna zinnen.

Je leerde herkennen, kiezen en plakken. Eigenlijk niet veel moeilijker dan de kleuterschool, dacht ik opgelucht. Het lezen was vooral herkennen, het schrijven vooral kiezen en plakken. Zo eenvoudig was het eigenlijk: ‘Eerst duidelijk, dan snel’. Noem eens een mooiere titel voor een schrijfmethode? De wereld ging open, mede door de boekjes van Van der Hulst. Dat was een wereld die me tot tranen toe ontroerde. Nog voel ik het, vooral bij het zien van het omslag van “De Kleine Zwerver”. Aan lezen bleek emotie vast te zitten. Het lezen deed iets met me. Nooit dacht ik, “het zal wel verzonnen zijn” al was dat wel de troost die mijn moeder mij voorhield, wanneer ik er weer niet van kon slapen. ‘Het is niet echt gebeurd, iemand heeft het gewoon bedacht,’ zei mijn moeder. Maar het voelde als echt. Ik wist zeker dat ergens, ergens, op de wereld zo’n hondje rondliep met zijn kop naar beneden, op zoek naar een nieuw baasje en “de honger in zijn hondenmaag beet”. Hij had een rafelig touw om zijn nek en het was bitter koud, ook dat nog.

Lezen doet groeien
Lezen geeft de lezer het boeiende besef dat de wereld groter is dan gedacht.
Lezen bevredigt je nieuwsgierigheid, het bevestigt je deelname aan het leven. Al lezend ben je toetsend bezig. Je zet steeds jezelf tegenover de personen, die je ontmoet in het verhaal. Je twijfelt mee als er getwijfeld wordt, je kiest, je zoekt, je verdwaalt en komt weer thuis. En dat allemaal in het vertrouwde hoekje van de bank of onder je eigen dekbed. Je doet ervaringen op, kennis, vaardigheden, je leert emoties van elkaar te onderscheiden. Je gaat mee in de spanning, je voelt de ontroering, de opwinding, de vertedering, de schrik, het gevaar, de verrassing, de eenzaamheid, de opluchting. Je verliest jezelf in een fictieve wereld.

Soms kom je even bovendrijven in de realiteit, als je moeder roept dat het eten klaar is. Of als je mobieltje gaat. Dan ervaar je een innerlijke omschakeling. Eén seconde heb je wel nodig om van de ene wereld naar de andere te reizen. Dat is het moment waarop je pas goed beseft, hoe ver weg je was van de realiteit. Dat je in een verzonnen werkelijkheid zat en dat je dacht dat het echt was. En daarmee is bewezen, dat lezen iets met je doet. Als je dat beseft, weet je dat het dus niet risicoloos is.

Het komt bij je binnen
Een verhaal neemt bezit van je, het komt bij je binnen. Als je dat te sterk uitgedrukt vindt, dan zeg ik het anders. Het verhaal wil ergens heen en het neemt de lezer mee.
Heel veel verhalen hebben een soort zoektocht (queeste) in zich. De hoofdpersoon heeft een weg te gaan en je loopt als lezer met hem of haar mee. Op die tocht ontmoet de hoofdpersoon obstakels waar hij doorheen of overheen moet. Die obstakels zijn vaak conflicten, tegenvallers, uitdagingen, waardoor er van de hoofdpersoon veel inventiviteit, energie en moed wordt gevraagd. Hij komt slechts met moeite vooruit, er is steeds een nieuwe hindernis te overwinnen. Hoe groter het gevecht, hoe meer de lezer ervan overtuigd raakt, dat het einddoel de moeite waard is. Een geluk dat je zomaar in de schoot geworpen wordt, wordt nauwelijks als geluk ervaren. Wanneer de hoofdpersoon zonder slag of stoot zijn doel bereikt, zal het verhaal weinig boeiend zijn. Nee, pas als het heel veel moeite heeft gekost, dan is er opluchting en de roes van de overwinning. Heeft de lezer het soms gemakkelijk? Heeft ook hij niet zijn eigen ravijnen en klippen te bedwingen? Daarom is het zo goed om je eigen weg te toetsen aan de weg van de persoon uit de verzonnen werkelijkheid. Je verzucht zomaar vanzelf: ‘Ja, dat komt me allemaal heel bekend voor….’ Je ervaart herkenning en dus voel je begrip, ja soms zelfs verwantschap

Tegenstelling en conflict
Wij leven niet in een harmonieuze wereld, de wereld om ons heen is vol tegenstellingen en conflicten. Daar maakt de schrijver gebruik van, hierdoor kan hij de hoofdpersoon menselijk en herkenbaar maken. Een geschiedenis zonder tegenstelling en conflict levert weinig te vertellen op voor de schrijver. En weinig leesgenot voor de lezer. Juist in die tegenstelling en het conflict zitten de raakvlakken en de identificatiepunten met de lezer. Armoede is pas echt armoede, als je er rijkdom naast zet en geluk wordt pas echt geluk, als er ook sprake is van ongeluk. De schrijver kan in de worsteling van zijn hoofdpersoon laten zien, wat er speelt in de samenleving: waar de voetangels en klemmen liggen, hoe men argeloos zomaar ergens intuint, hoe vertrouwen soms beschaamd en soms gehonoreerd wordt. Elk mens ervaart in de samenleving tegengestelde belangen. Wat jij wilt, wil de ander ook, dus is het vechten om die plek. Daarbij ontstaan vanzelf gevoelens als naijver, jaloezie, wraakzucht.

Dit zijn negatieve drijfveren van menselijk handelen. Daarnaast zijn er natuurlijk ook positieve drijfveren, je kunt als schrijver een goed mens scheppen. Iemand die zich geeft voor de samenleving, iemand die redt, vergeeft en heel maakt. Maar hoe vertel je zijn verhaal? Juist, je plaatst hem tegenover de teloorgang, het lijden, de meedogenloosheid. Want als er niets gered hoeft te worden, hebben we geen held nodig. Boeken en verhalen gaan ten diepste over deze dingen, over strijd en bevrijding, over licht en duisternis, over wat wij als goed ervaren en wat wij als kwaad ervaren. De lezer die zich overgeeft aan deze fictieve wereld, maakt onbewust ook keuzes en raakt beïnvloed door de beslissingen die de hoofdpersoon neemt.

Goed en kwaad
Met opzet schreef ik in de vorige alinea ‘wat wij als goed ervaren en wat wij als kwaad ervaren’.
Er staat niet dat wij ‘het verschil tussen goed en kwaad’ leren. Want onze geest is beïnvloedbaar en onze moraal is soepeler dan we zelf denken.
Een verhaal is een verzonnen werkelijkheid, maar ook een illusie. Er worden verwachtingen geschapen, de lezer projecteert dat wat hij leest op zijn eigen werkelijkheid. Met het verhaal leeft de lezer, nadat hij het boek heeft dichtgeslagen, verder en het laat iets achter, een stukje droom om te koesteren of een ontgoocheling om te verwerken.
Dat is niet gering. Dat heeft zijn weerslag op het handelen van de lezer. Op hoe hij antwoordt op een vraag van een van zijn huisgenoten, of op hoe hij de telefoon opneemt. Het is van invloed op hoe hij reageert bij de eerst- volgende tegenslag of bij de eerstvolgende beslissing.
Wat heeft het boek hem opgeleverd? Vertrouwen of wantrouwen, mededogen of meedogenloosheid?
Met welk beeld van de samenleving gaat de lezer zijn eigen leven weer in? Is er iets opgebouwd of is er iets afgebroken? Is hij wijzer of armer geworden? Heeft hij geleerd dat een gewaarschuwd man voor twee telt of is hij eerder bereid grenzen te overschrijden? Heeft hij bagage of ballast opgedaan?

Bagage of ballast
Ik ben van mening dat een boek waarin het leven meedogenloos geschetst wordt en dan bedoel ik in zijn totaliteit meedogenloos, een boek waarin geen plaats is voor zachtheid en medemenselijkheid, waarin geen ontferming of barmhartigheid te vinden is, geen goed doet aan de samenleving. Het tilt je nergens op een hoger plan, het overweegt nergens herstel of redding. Het blijft bij onherroepelijk en onherstelbaar, het schetst enkel de onherbergzaamheid van het bestaan. Zo’n boek komt de chaos van voor de schepping niet te boven. Zo’n boek is misschien boeiend geschreven, meeslepend en herkenbaar en ook nog helemaal van deze tijd, maar het is voor mij ballast en geen bagage. Ik ben niet gegroeid, ik ben gekrompen. Er is mij enkel de zinloosheid van alles voorgehouden, ik vind geen hoop en geen moed.

Natuurlijk gaat het in mijn eigen werk ook over de machteloosheid en teloorgang, ik kan geen boek schrijven over een roze wereld, want die wereld bestaat niet. Maar ik probeer in elk verhaal een rol te scheppen voor overleven, voor moed, al is dat soms de moed der wanhoop, voor de hoop die overeind houdt. Er moet een wonder kunnen gebeuren ook al zou dat voor het eerst zijn in het leven van mijn hoofdpersoon. Ik wil niet focussen op wat ik om me heen zie zonder ruimte te scheppen voor een hoger toekomstperspectief. Ik wil de beweegredenen en de drijfveren van mijn hoofdpersonen onder de loep leggen en daar samen met de lezer naar kijken. Zit daar misschien iets in wat wezenlijk verschil maakt, iets wat boven dit aardse uitgaat, is er een spoor van het andere: Iemand groter dan wij zelf? Een glimp van God? Aldus probeer ik iets bloot te leggen van de zielenroerselen van mijn hoofdpersonen. Ik bedenk meer vragen dan antwoorden, want antwoorden zijn er niet altijd. Ik probeer het herkenbaar te maken, ik wil weten waarom een mens is, zoals hij is.

Hoe zit dat met verlangen, is het puur het materiële verlangen naar ‘meer’ of zit er een spoor in van verlangen naar ánders? Wat betekent houden van? Gaat dat over geven en nemen of over vragen en krijgen? Wat doet macht met een mens en wat heeft dat met verantwoordelijkheid te maken? Ik wil nadenken, samen met de lezer over de complexiteit van de menselijke gevoelens. En dat is veel meer dan het lijkt, want wat de een als een deugd of een goede daad kwalificeert, zal door de ander worden doorgeprikt als eigenbelang of egoïsme. Je schept als schrijver een fictieve wereld, maar één die op de een of andere manier een afspiegeling is van de echte wereld. Ik wil geen foto, maar een röntgenfoto. Ik wil meer laten zien dan de buitenkant. Het is vaak anders dan het lijkt…. Niet om de lezer de verzuchting te laten slaken: “ Ja, zo zijn we nu eenmaal”, maar als een uitgangspunt om verder te komen met je eigen keuzes, met je eigen weg. Want wie ziet dat het anders kan, die wil misschien wegen zoeken om het anders te doen, of anders te worden.

De verantwoordelijkheid van de schrijver
Is dat nu wel van belang? Een boek is toch mooi of niet mooi? Oscar Wilde schreef:’Er bestaat niet zoiets als een moreel of een immoreel boek. Een boek is goed geschreven of slecht geschreven. Als kunstenaar hoef je niets te bewijzen.’ Oké, denk ik dan, bewijzen hoeft ook niet, maar de wereld, die ik schep, is wel het tijdelijke verblijf van mijn lezers. Dat wat ik laat zien, dat wordt door vele ogen als zodanig gezien. Ik heb de mogelijkheid daaraan verschillende ladingen te geven. Literatuur doet iets met je, al schrijvend en al lezend. Dat betekent niet dat als de schrijver een verwerpelijke levenshouding beschrijft, dat hij die dan ook meteen propageert. Een rauwe tekening van de werkelijkheid kan nodig zijn, het betekent niet dat de schrijver het eens is met de geschetste situatie of de handelingen die daarin plaatsvinden. Natuurlijk moet ik je laten schrikken en je mag je zeker ook wel eens erg schamen voor de hoofdpersoon waarmee je oploopt.

Het ligt er maar aan hoe ik je laat kijken naar wat er gebeurt. Ik moet het kwaad wel tonen, maar mag het niet showen. Er zit een groot verschil tussen tonen en showen en toch is dat verschil in veel gevallen maar lastig te benoemen. Tonen is laten zien, showen is aanlokkelijk maken. Het is voor mij balanceren op een dun lijntje. Het kwaad moet het kwaad blijven. Zolang je als lezer nog schaamte, walging of schuldgevoel ervaart, ben je jezelf nog. Maar als je het kwaad voorgeschoteld krijgt en je het niet meer als zodanig herkent, als er geen belletjes gaan rinkelen, zeg maar, dan ben je een grens over gegaan.

Nu denk je misschien alleen aan boeken waarin grof wordt verhaald over sex, geweld of criminaliteit, maar er is meer. Neem nu het hanteren van macht, het uitbuiten van liefde, het normaliseren van egocentrisch gedrag. Ook daar moet een christenschrijver een protest laten horen of inbouwen. Het hoeft niet altijd expliciet, juist liever niet hardop, het is vaak veel effectiever om impliciet, tussen de regels, te schrijven. Op die manier wordt de moraal door de lezer zelf uitgepakt, dan is het geen oplegging, maar een ontdekking.

Lezen is niet risicoloos
De lezer aanvaardt dat wat hij leest als een mogelijke gang van zaken, die werkelijkheid kan worden. Als de schrijver het herkenbaar en invoelbaar brengt, wordt het verhaal aannemelijk voor de lezer. Zo wordt lezen een avontuur, de wereld gaat open. Al lezend raak je betrokken en dat is meer verrijkend dan het turen naar een beeldscherm of het wedstrijdelement bij een computergame. Als we een voorstelling maken van wat we lezen, dan maken we gebruik van de gave die de Schepper speciaal voor mensen bedacht: het vermogen ons een fictieve wereld te scheppen. Fantasie en inlevingsvermogen maken het leven waardevoller, doordat we ons dingen kunnen voorstellen, zijn we meer mens tussen mensen. Maar laat zowel de schrijver als de lezer zich voor ogen houden, dat het medemenselijkheid moet opleveren. Het gebeurt helaas ook dat een verhaal ons enkel onmenselijkheid wil bijbrengen. Dus is het noodzaak dat de lezer kritisch blijft en met zichzelf afspreekt: wel alles weten, niet alles eten.

 

Joke Verweerd

 

Bijzondere scholen hebben de mogelijkheid om per vak eigen kerndoelen te formuleren. Bijbel & Onderwijs geeft hiertoe een aanzet met kerndoelen voor

  • de alpha-vakken, zoals moderne talen
  • de bèta- of exacte vakken, zoals natuurkunde
  • de gamma- of wereldoriënterende vakken.


ALPHA-CLUSTER:

ALGEMENE KERNDOELEN MODERNE (EN KLASSIEKE) TALEN

1 Inleiding
In Communicatief Onderwijs leren leerlingen taal gebruiken met verschillende functies in verschillende communicatieve situaties en leren zij nadenken over hun taalgebruik ter verbetering van hun taalgebruik. Taal is bovendien het voertuig van hun denken. Tenslotte is taal ook het instrument dat de HERE God gebruikte om Zichzelf aan ons te openbaren: het geloof is juist uit het gehoor.

Andere onderwerpen zijn:

2 Denkkaders vormen en beoordelen

3 Taal als uitingsmiddel

4 Taal als communicatiemiddel

5 Levensstijl en ethiek

6 De grenzen van de esthetica

7 Abstract/logisch kunnen denken

8 Het belang van goed taalonderwijs
BETA-CLUSTER:

ALGEMENE KERNDOELEN EXACTE VAKKEN

1 Inleiding
In de basisvorming kunnen leerlingen kennismaken met de grondslagen van de natuurwetenschappen en het werken met de disciplines die dit vereist.

In de schepping wordt de majesteit van God zichtbaar. De verschillende natuurwetenschappen bestuderen deze geschapen werkelijkheid op zodanige wijze dat de leerlingen Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid leren doorzien, Rom. 1:20.

In de verschillende vakken kunnen de toepassingen van de wetmatigheden die God in de schepping gelegd heeft, begrepen worden en leren leerlingen deze te integreren in hun dagelijks bestaan.

Andere onderwerpen zijn:

2 De vakken

3 Didactiek in de natuurwetenschappen

4 Het doel van de natuurwetenschappen

5 Het natuurwetenschappelijk wereldbeeld
a. Modellen en theorieën
b. Een overmoedig wereldbeeld
c. Evolutieleer-Scheppingsleer
d. Het materialisme
e. Het reductionisme
f. Het kosmologisch holisme

6 Het misbruik van de natuurwetenschappen

7 Neutraal bestaat niet


GAMMA-CLUSTER:

ALGEMENE KERNDOELEN WERELD-ORIËNTERENDE VAKKEN

1 Inleiding
In de gamma-vakken gaat het om beschrijvende vakken: Economie, Geschiedenis/ Staatsinrichting, Aardrijkskunde en Verzorging, waarin de leerling zich oriënteert op de samenleving om hem heen. Deze beschrijving beoogt de leerlingen een breed kader te geven waardoor zij in staat zijn hierin als ‘mondige burger’ een plaats in te nemen. Het kernprobleem dat zich hierbij voordoet is nu het volgende:

Als beschrijvende (descriptieve) vakken worden deze vakken geacht ‘waardevrij’ gegeven te worden. Maar dat is, zeker in de leeftijd van 12 tot 15-jarigen, een onmogelijkheid: de leerlingen verkeren dan juist in een gevoelige vormende periode waarin het zoeken naar identiteit resp. het zich vereenzelvigen met personen, situaties enz. uitermate wezenlijk is. Daardoor fungeren deze vakken nu juist voor een groot deel als ‘prescriptieve’ vakken: de leerlingen nemen hieruit allerlei zaken over die bepalend zijn voor hun wereldvisie en levensstijl.

Andere onderwerpen zijn:

2 Mens- en wereldbeeld

3 Grondbegrippen van het ‘nieuwe denken’ tegenover ‘bijbels holisme’

4 Rentmeesterschap en levensstijl

5 Cultuurvisie

6 Toekomstvisie

 

Vakgerichte kerndoelen zijn vastgesteld voor:

Alpha-vakken: kerndoelen Nederlands en kerndoelen Godsdienst

Bèta-vakken: kerndoelen Biologie

Gamma-vakken: kerndoelen Geschiedenis.

 

Aanzet tot specifieke kerndoelen voor Biologie, toegepast op het christelijk onderwijs en gericht op persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke roeping.
Onderstreept = in afwijking en als aanvulling op de vanuit de overheid vastgestelde kerndoelen.


Algemeen:

a. De leerlingen zijn zich bewust dat het leven door God gegeven is en erkennen de Goddelijke orde die God in de schepping gelegd heeft.

b. De leerlingen hebben kennis van de creatie- en evolutietheorie, en zij hebben daarbij geleerd onderscheid te maken tussen feiten en meningen.

c. De leerlingen hebben respect en gevoel van verantwoordelijkheid voor levende organismen en het leven in zijn totaliteit.

d. De leerlingen zijn vertrouwd met de toepassingen van biologische kennis in het dagelijks leven, zoals die nodig zijn voor bewust consumentengedrag, bewust omgaan met de eigen gezondheid, en het verantwoord omgaan met het milieu.

e. De leerlingen herkennen biologische aspecten in een maatschappelijke situatie en kunnen georiënteerd op de Bijbel positieve en negatieve elementen hieraan onderscheiden; mede daardoor kunnen zij een gemotiveerd standpunt bepalen en beslissingen nemen over het eigen gedrag en dat van anderen.

f. De leerlingen hebben sociale vaardigheden ontwikkeld in het samen bezig zijn.


Gericht op het vak:

g. De leerlingen zien in hoe binnen de biologie kennis verzameld kan worden en hoe uit deze kennis gegevens geput kunnen worden voor een verantwoord omgaan met planten, schimmels, bacteriën, dieren, mensen en biosfeer.

h. De leerlingen hebben kennis van en inzicht in biologische verbanden, waaronder de relaties die er bestaan tussen de bouw van organismen en de functie van de delen ervan.

i. De leerlingen hebben kennis van en inzicht in de onderlinge samenhang in de biosfeer en debeherende rol die de mens daarin speelt.


Gericht op vervolgonderwijs, beroep en levensvulling:

j. De leerlingen hebben kennis gemaakt met die onderdelen van de biologie die een bijdrage kunnen leveren aan de keuze van vervolgonderwijs.

k. De leerlingen beheersen die onderdelen van de biologie die een basis kunnen vormen bij een verdere opleiding, toekomstig beroep of levensvulling.