In de meeste Westerse landen is de vraag (opnieuw) actueel of het moslima’s moet worden toegestaan in het openbare leven door middel van het dragen van de hoofddoek nadrukkelijk uiting te geven van hun religie.

Frankrijk is geneigd dit – evenals Turkije – geheel te verbieden op grond van de scheiding tussen kerk en staat. Andere landen staan het dragen van de hoofddoek door moslima’s toe. Duitsland treedt zelfs op tegen scholen of werkgevers die het dragen niet toestaan: Verboden te verbieden! (recente uitspraak van het Hooggerechtshof te Karlsruhe)

De publieke opinie maakt zich meestal nogal makkelijk af van de vraag of de Nederlandse samenleving het in het openbaar dragen van een hoofddoek door moslima’s moet toestaan of verbieden. Zelfs de vraag of instellingen op grond van hun eigen identiteit het recht hebben het dragen van een hoofddoek te verbieden, wordt verschillend beantwoord.

Men houdt daarbij geen rekening met de wezenlijke functies van deze hoofddoek, zowel voor de moslims zelf als voor de Nederlandse rechtstaat. Gebruik makend van onze ‘vrijheid van godsdienst’ en ‘vrijheid van meningsuiting’ demonstreren de hoofddoekdragende moslima’s hun onderworpenheid aan de sjaria, waarmee zij zich feitelijk onttrekken aan het Nederlandse rechtsysteem en internationale verdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.)

Zij die verantwoordelijk zijn voor de verhoudingen in onze samenleving dienen volgens dr. Hans-Peter Raddatz uit Munchen) de volgende zaken goed te overwegen:

  • Het dragen van de hoofddoek (hijab) is voor elke moslima verplicht. Turkije heeft het openbaar dragen ervan verboden op grond van de feitelijke discriminatie jegens vrouwen die zo’n hoofddoek niet wensen te dragen.
  • De religieuze hoofddoek is het symbool voor de verhouding tussen mannen en vrouwen die zich niet alleen achter gesloten deuren maar ook in de openbare ruimte manifesteert. De dynamiek ervan is niet – zoals wij graag ‘wensdenken’ – dat de democratische vrijheid van het openbare leven zal doordringen in de gezinnen, maar veeleer omgekeerd, dat de onvrijheid en ongelijkheid binnen de families in toenemende mate ons sociale klimaat gaat beïnvloeden.
  • Hiermee manifesteert de islam als religie zich steeds meer als een politieke rechtsorde die berust op de strenge scheiding der geslachten. In deze orde is de hoofddoek beide: – het invoeren van een aan ons wezensvreemde, man-gedomineerde rechtsorde – het afschermen van de openbare Nederlandse rechtsorde.
  • In naam van de zogenaamde godsdienstvrijheid ondersteunen de hoofddoekdragende moslima’s op non-verbale maar niet minder effectieve wijze de roep van de moskee en de moslimorganisaties tot het propageren van een godsdienst die binnen haar eigen kring de onvrijheid van godsdienst en de dominantie van de man over vrouw en kinderen als religieuze voorschriften moet erkennen en doorvoeren.
  • Een ander effect van het toelaten van de hoofddoek – naast het gedogen van de ongelijke positie van moslima’s – is een inbreuk op de geloofsvrijheid van kinderen, niet-moslims, moslims die wensen te integreren en vooral degenen die de islam vaarwel gezegd hebben.

Wie het dragen van een hoofddoek door moslima’s op grond van de vrijheid van godsdienst wil toestaan, gaat daarmee voorbij aan de centrale betekenis van de verhulling der vrouw in het islamitische rechtssysteem. Dit impliceert het gaandeweg overgeven van steeds meer terreinen van het democratische rechtssysteem aan de immer doorgaande ‘sjariatisering’ van de Westerse samenleving.

De heilige oorlog toen en nu

door Wilmos Oosterhoff

Wat vandaag in Indonesië gebeurt is niets nieuws, het gebeurt al zolang als de islam bestaat. Het past precies in de tactiek van de heilige oorlog. Zo noemen ze het ook: jihad (heilige oorlog). Zoals het goed geweest zou zijn als onze politici in de jaren ’30 ‘Mein Kampf’ van Hitler gelezen hadden, zo zou het goed zijn als onze politici van nu kennis namen van de jihad, zoals die sinds Mohammed gevoerd wordt. Er zijn (islamitische) boeken vol over geschreven. Een moderne Nederlandse handleiding voor de heilige oorlog doen we aan het eind van dit artikel hierbij.

Nooit meer Kerstfeest op de Molukken. Dat was de leus van de jihadstrijders die afgelopen zomer met een paar duizend man vanuit Ambon en Atjeh naar de Molukken gegaan zijn om daar de christenen uit te roeien. Duizenden christenen, jonge mannen, kleine kinderen en oude vrouwen, zijn al vermoord. Een veelvoud van dit aantal is gevlucht. De vluchtelingen zijn bijna nergens welkom in Indonesië. De meerderheid van moslims, gehersenspoeld door de eenzijdige media, ziet hen als christenen die de moslims wilden uitroeien en nu hun verdiende loon krijgen. De christenen in Sulawesi en Papoea zijn bang dat de strijd met de vluchtelingen naar hun gebied overslaat. Ze beseffen niet dat de strijd sowieso naar hun gebied zal overslaan als de jihadstrijders op de Molukken hun taak volbracht hebben. De gevechten zijn namelijk niet spontaan, ze worden gedirigeerd. Er zit een plan achter. En de christelijke wereld staat erbij en kijkt ernaar.

Rijk van de islam
De wereld wordt verdeeld in twee kampen: dar al islam en dar al harb (rijk van de islam en rijk van de oorlog). Onder het rijk van de islam worden alle landen beschouwd waar de islamitische wetgeving, de sjaria, van kracht is. Christenen en joden worden in die landen gedoogd als ‘houthakkers en waterdragers’, z.g. dhimmi’s. Als de dhimmi’s dezelfde rechten willen als de moslims, moeten zij zich tot de islam bekeren. Onder het rijk van de oorlog (dar al harb) worden alle landen beschouwd waar dat nog niet het geval is. Ze heten ‘rijk van de oorlog’, omdat zij in feitelijke staat van oorlog zijn met het rijk van de islam. Ook als er niet werkelijk gevochten wordt, is er toch sprake van oorlog. Het einddoel van de jihad is dat de hele wereld door de islam (sjaria) geregeerd wordt. Om dat doel te bereiken zijn alle middelen toegestaan, zoals prediking, propaganda, educatie, indoctrinatie, het maken van slaven en die gedwongen bekeren, liegen en bedriegen, omkopen en regelrechte oorlog.

Let wel, het doel is niet dat iedereen moslim wordt, maar dat de hele wereld door de islam geregeerd wordt. De uitnodiging om moslim te worden (dawah), prediking of evangelisatie dus, is een middel om dit doel te bereiken, maar in veel gevallen is oorlogvoering effectiever. Hierin heeft Mohammed het voorbeeld gegeven. Vanuit Medina heeft hij in de zevende eeuw het hele Arabische schiereiland met het zwaard tot de islam bekeerd, en van daaruit brachten zijn opvolgers het Midden-Oosten met het zwaard onder de heerschappij van de islam. Hier zijn de Arabieren erg trots op, ze dromen nog steeds van die gloriedagen van de islam. De vlag van Saoedi-Arabië toont niet voor niets het zwaard van de islam, een groot zwaard in een groen veld.

Wanneer moslims in een land de meerderheid vormen en de sjaria is er niet van kracht, dan zullen fundamentalistische moslims de invoering van de sjaria boven aan hun prioriteitenlijst zetten. Zij proberen dit doel te bereiken met alle middelen, van politiek tot terreur. Om de fundamentalisten de wind uit de zeilen te nemen, geven veel regeringen die onder die terreur lijden steeds meer toe aan de fundamentalisten. De gevangenissen van Egypte zitten vol met fundamentalisten, maar tegelijk krijgen zij steeds meer hun zin en wordt Egypte steeds meer een moslimstaat. Hetzelfde geldt voor veel islamitische landen waar de sjaria nog niet (geheel) is ingevoerd, zoals Pakistan.Doelwitten

De islamitische landen waar de sjaria nog niet heerst, zijn dus het eerste doelwit voor de jihad. Het tweede doelwit zijn de buurlanden. De moslimwereld grenst in het zuiden aan Zwart Afrika. Er is een strategie bedacht om heel Afrika voor de islam te winnen. Op 28 november 1989 werd in Nigeria de ‘Islam in Afrika Organisatie (IAO) opgericht. Er werd een strijdplan opgesteld om geheel Afrika te islamiseren. Het (uitgelekte) plan bevat veel punten, die een kopie lijken van christelijke zendingsstrategieën, zoals de inzet van ‘tentenmakers’.

Andere punten zijn minder onschuldig, zoals het besluit

  • “ervoor zorg te dragen dat alleen moslims worden aangesteld in strategische nationale en internationale posities in de lidstaten.”
  • “om alle vormen en vertakkingen van alle niet-islamitische religies in de lidstaten (zoals christendom, ahmadiyya en alle andere voor moslims onacceptabele vormen van godsdienst.) uit te roeien.”
  • “ervoor zorg te dragen dat alleen moslims gekozen worden op alle politieke posten van de lidstaten.”
  • “ervoor zorg te dragen dat vóór de volgende Islam in Afrika Conferentie alle Westerse vormen van wetgeving en rechtssystemen zullen zijn vervangen door de sjaria.”

Deze strategie zien we in uitvoering in landen als Soedan en Nigeria die in de frontlinie liggen. In Nigeria kiezen steeds meer deelstaten voor de sjaria, wat weer tot hevige protesten van de christenen leidt, dikwijls uitlopend op enorme vechtpartijen met veel bloedvergieten. In Soedan heeft de islamitische regering al in 1983 de sjaria ingevoerd. In 1991 werd dat nog eens aangescherpt met de doodstraf op afval van de islam. De bevolking van het zuiden verzet zich hevig tegen de islamitische wetgeving en is in opstand gekomen. Dat geeft de regering weer een voorwendsel om de zuiderlingen uit hun gebied te verdrijven, zodat zij naar het islamitische noorden vluchten, waar zij in versneld tempo worden gearabiseerd en, naar men hoopt, geïslamiseerd.Indonesië

Aan de oostgrens van het islamitische rijk ligt Indonesië. Het is de staat met de meeste moslims van de wereld, officieel zo’n 180 miljoen op een bevolking van 210 miljoen (in werkelijkheid zijn er waarschijnlijk veel minder moslims). Als je deze enorme archipel als één land beschouwt, is het een land waar de moslims verre in de meerderheid zijn, maar waar de sjaria niet van kracht is. Zo gezien valt het onder de eerste prioriteit. Je kunt Indonesië ook zien als een aantal eilanden, waarvan sommige, zoals Java en Sumatra, overwegend islamitisch zijn en andere, zoals Ambon en Papoea (nog) niet. Voor deze gebieden geldt dan de tweede prioriteit. Zij moeten gewonnen worden voor de islam. Het feit dat Indonesië als één land geldt, maakt de verovering veel gemakkelijker. Het transmigratieproject, waarbij miljoenen moslims uit het overbevolkte Java hervestigd worden in dunbevolkte gebieden, komt de islamisten hierbij goed van pas. Intussen wonen er op Papoea (Irian Jaya) meer Javanen dan Papoea’s. Nog even en alleen de naam Papoea, die de provincie sinds kort van president Wahid mag voeren, zal het enige zijn dat nog herinnert aan de oorspronkelijke bevolking. De Papoea’s voelen zich nu al vreemdelingen in hun eigen land.

Door de slachtpartijen op de Molukken zijn we de slachtpartijen op Oost-Timor uit 1999 al bijna vergeten. Maar ze pasten precies in de tactiek van de jihad. De Oost-Timorezen zijn katholiek: dus dar al harb. Dezelfde strijdgroepen, bestaande uit een stelletje ongeregeld, losgelaten uit diverse gevangenissen en bewapend door het leger, is nu overgebracht naar Papoea om daar “de orde te bewaren”.

Op de Molukken houdt de Laskar Jihad huis. “Nooit meer kerstfeest op Ambon,” riepen zij in juli jl. Zij hadden bijna gelijk gekregen. Zij komen er openlijk voor uit dat het om de jihad gaat. Maar in Nederland durft niemand ze dat na te zeggen. “Het zijn werkloze jongeren uit Java, die verontwaardigd zijn over de slachtpartijen die de christelijke Ambonezen onder hun geloofsgenoten hebben aangericht. Zij zijn gewoon misleid door mensen die er politiek belang bij hebben.” Misleid zijn ze zeker, maar het past allemaal wonderwel in de strategie van de jihad. Waar het om gaat is: door wie zijn ze misleid?

Sinds Mohammed naar Medina vluchtte is de islam een politieke macht, dus logisch dat er mensen politiek belang bij hebben. En wij maar denken dat het vanzelf wel over gaat, als de machtsstrijd in Indonesië is bijgelegd. De werkelijkheid is dat het pas overgaat als de sjaria is ingevoerd in Indonesië en de christenen dhimmi’s zijn geworden.

Overigens is de meerderheid van de moslims heel gematigd, en wil zij helemaal geen jihad. Dat betekent echter niet dat het allemaal wel meevalt. Nee, het maakt henzelf tot dar al harb in hun eigen land, het eerste doelwit van de jihad dus. Moslims op de Molukken die niet mee willen vechten tegen de christenen, worden aangevallen door de Laskar Jihad. Europa

Het derde doelwit zijn de landen ver van het rijk van de islam: Europa en Amerika. Dikwijls worden die gezien als de landen van de antichrist. Herhaaldelijk heeft de islam geprobeerd Europa te veroveren. De eerste keer werden de Arabische islamitische legers teruggeslagen bij Poitiers in Frankrijk. Dat was in 732, een eeuw na de dood van Mohammed. Later probeerden de Turken het vanuit het Oosten. In 1453 veroverden zij Constantinopol, wat zij omdoopten tot Istanbul. Nog geen eeuw later hadden zij de hele Balkan onderworpen en stonden zij voor de poorten van Wenen. In 1529 werden zij hier verslagen, maar ze kwamen terug en in 1683 stonden zij weer voor Wenen. Het Turkse (Ottomaanse) Rijk vertegenwoordigde de dar al islam, het rijk van de islam. In de eerste wereldoorlog werd de kracht van het Ottomaanse Rijk gebroken, de Balkan bevrijdde zich uit de greep van de islam en zelfs Turkije werd een seculiere staat. Maar dat wil niet zeggen dat de islamisten zich hierbij neerleggen. In Turkije streven zij nog steeds naar de macht, en intussen zijn miljoenen Turken naar de dar al harb in het Westen verhuisd, evenals miljoenen Marokkanen, die vroeger ook deel uitmaakten van het Ottomaanse Wereldrijk. De meesten zijn zich er niet van bewust, maar door de islamisten worden zij als vijfde colonne gezien. Als de tijd daar rijp voor is moeten zij worden opgestookt om onrust te zaaien in het rijk van oorlog. Precies zoals het op Ambon gegaan is. Ook de Boeginese en Makassaarse immigranten op Ambon werden misleid en misbruikt om daar de rellen met de christenen uit te lokken. Toen de christenen begin 1999 sterker bleken, vluchtten de Boeginezen en Makassaren met duizenden naar hun stamland. Daar hebben ze een jaar lang haat gepredikt tegen de christenen en geld ingezameld voor de jihad. In 2000 keerden zij terug, tot de tanden bewapend en gevolgd door de bendes van de Laskar Jihad uit Java.

Haat zaaien kost weinig moeite. Je hoeft maar een van je eigen moskeeën in brand te steken en te zeggen dat de christenen het gedaan hebben, en dan heb je de poppen aan het dansen. Dit is waarschijnlijk in Ambon gebeurd. De moslims roepen om wraak en steken een kerk in brand. Als de christenen niet in de minderheid zijn, is de kans groot dat zij op hun beurt een moskee aanvallen. Niet goed, tegen de leer van het christendom, maar zeer menselijk, en de duivel lacht in z’n vuistje. Hoe kan God laten zien wie Hij is, als de christenen wraak nemen? De islam heeft het wat dat betreft veel gemakkelijker. De islam preekt geen God van liefde, maar een god van kracht, aan wie iedereen zich moet onderwerpen, goedschiks of kwaadschiks.Dat zal hier nooit gebeuren?

Nederland ligt in Europa, het derde doelwit. Het zal hier zo’n vaart nog niet lopen. Maar betekent dat, dat wat in Ambon gebeurt, hier in Nederland niet mogelijk is? In de grote steden wonen nu al meer moslims dan praktiserende christenen. Over een of twee generaties zullen zij in de meeste plaatsen de meerderheid vormen. Zolang zij niet kunnen, of willen, of mogen integreren in de Nederlandse samenleving, zullen zij een achterstandsvolksdeel blijven dat gemakkelijk te manipuleren is door de islamisten in Riyadh, Teheran of Tripolis. Een aanleiding is gauw gevonden, of anders maak je er wel een. Een afgebrande moskee is een goede aanleiding om een kerk in brand te steken. Goede christenen zullen geen kwaad met kwaad vergelden, maar de meerderheid van geseculariseerde Nederlanders denkt daar anders over. Zij zullen wraak nemen op een of meer moskeeën en huizen en winkels van moslims, ook al gaan ze zelf misschien nooit naar de kerk. De aanhangers van de Centrum Partij zitten alleen maar op zo’n gelegenheid te wachten. Voor je het weet is in Nederland de zaak net zo geëscaleerd als op de Molukken. Ook in Nederland hoef je dan niet op de politie of het leger te vertrouwen, want die zijn tegen die tijd zelf hopeloos verdeeld tussen christenen en moslims. Dit is onheilspellende toekomstmuziek, maar wie z’n kinderen en kleinkinderen liefheeft, moet hier ernstig rekening mee houden. Overdreven? Dat dachten ze in Ambon ook.

Toen Open Doors in 1998 aanbood om op Ambon ‘weerbaarheidsseminars’ te houden, om de kerk voor te bereiden op eventuele vervolging, kon het niet doorgaan wegens gebrek aan belangstelling. In 2000 werd Open Doors uitgenodigd, maar konden de seminars niet doorgaan wegens de onlusten.

In ieder geval is de jihad-gedachte nog lang niet dood. In de inleiding noemden we de talloze islamitische boeken die de heilige oorlog leren. De geleerde soefi Ibn Aabidien (1783 – 1863) uit Damascus heeft hier veel over geschreven. Zijn gedachtegoed wordt zelfs in het Nederlandse taalgebied levend gehouden door de Turkse soefi Özcan Arzöglü. Soefi’s staan bekend als een spirituele en vredelievende islamitische beweging, maar de geschriften van Arzöglü spreken andere taal. Hij vond het kennelijk nodig om de leer van de jihad (en andere omstreden islamitische leerstellingen) in het Nederlands te vertalen, om Turkse en Marokkaanse immigranten die hun moedertaal verleerd zijn, klaar te maken voor de “verspreiding en triomf van de islam” door middel van de heilige oorlog. Wat nu volgt is een ingekort hoofdstuk uit “een geloofsboek in voorbereiding”, dat hij toestuurde aan een Nederlandse leerling die hem naar het waarom van de jihad gevraagd had. Lees en huiver.

Tweede deel

Liberale moslims houden ons voor dat de jihad of heilige oorlog gezien moet worden als de innerlijke strijd die een moslim voert om een goed leven te leiden. Zo zouden alle moslims in Nederland en België er over denken. Waar of niet waar, zeker is dat fundamentalistische moslims hard werken aan een mentaliteitsverandering in de richting van een heilige oorlog naar het voorbeeld van Mohammed.

“De jihad is de strijd tegen de ongelovigen met de bedoeling hen tot de islam over te halen en de verspreiding en de triomf van de islam over alle godsdiensten te bewerkstelligen. Wanneer de ongelovigen weigeren moslim te worden, moeten zij worden onderworpen of vernietigd. De jihad is een goddelijk bevel en wordt als een heilige plicht voor de moslimnatie beschouwd” Zo begint het hoofdstuk over de jihad uit “een geloofsboek in voorbereiding”, in 1993 geschreven door de Turkse soefi Özcan Arzöglü uit Gent.

Het is niet bekend of het boek inmiddels in druk is verschenen. Het hoofdstuk over de jihad is per ongeluk toegestuurd aan een Nederlandse soefi-leerling, die zijn leermeester gevraagd had waarop de praktijk van de jihad gebaseerd was. Özcan Arzöglü stuurde hem toen twee hoofdstukken uit zijn ‘geloofsboek in voorbereiding’, zoals hij het zelf noemt in zijn begeleidend schrijven. Hierin wordt in keurig Nederlands een pleidooi gehouden voor een zeer fundamentalistische uitleg van heilige oorlog, waarbij wordt verwezen naar de Koran en oude islamitische schrijvers, zoals de moslimgeleerde Ibn ‘Aabidien.

De Nederlandse soefi-leerling was zo geschrokken van de inhoud, dat hij de hoofdstukken toestuurde naar minister Sorgdrager van Justitie en naar de BVD, maar hij wacht nog steeds op antwoord. Ook de Turkse imam liet verdere vragen onbeantwoord, kennelijk heeft hij zich gerealiseerd dat hij er onverstandig aan deed de hoofdstukken toe te vertrouwen aan een niet-moslim. Inderdaad heeft hij daar niet verstandig aan gedaan, want hij maakt een stuk fundamentalistische moslimideologie toegankelijk voor een breed Nederlands publiek. Het feit dat een Turkse soefi de moeite heeft genomen om zo’n opruiend fundamentalistisch geschrift in keurig Nederlands te vertalen/schrijven toont aan dat er onder de moslims in België en Nederland krachten aan het werk zijn die hen willen klaarmaken voor de “verspreiding en triomf van de islam” door middel van de heilige oorlog. Kennelijk moeten zelfs de geassimileerde moslims, die geen Turks of Arabisch meer spreken, worden overgehaald.

Wij drukken het hoofdstuk over de Heilige oorlog van Özcan Arzöglü enigszins ingekort af. Hier en daar is de spelling en (Vlaamse) woordkeuze aangepast, en om het geheel overzichtelijker te maken zijn tussenkopjes ingevoegd. De Korancitaten wijken af van de gangbare Nederlandse vertalingen van Kramer of Leemhuis. Zij zijn waarschijnlijk door Arzöglü zelf uit het Arabisch in het Nederlands vertaald. Bedenk bij het lezen van onderstaande regels dat het hier niet om een stuk islamitische geschiedschrijving gaat, maar dat het bestemd is voor hedendaagse moslims in België en Nederland als aansporing en handleiding voor de heilige oorlog.

De JIHAD of HEILIGE OORLOG door Özcan ArzöglüDe jihad is de strijd tegen de ongelovigen met de bedoeling hen tot de islam over te halen en de verspreiding en de triomf van de islam over alle godsdiensten te bewerkstelligen. Wanneer de ongelovigen weigeren moslim te worden, moeten zij worden onderworpen of vernietigd.

De jihad is een goddelijk bevel en wordt als een heilige plicht voor de moslimnatie beschouwd. Haar vervulling door sommigen ontslaat de anderen van die plicht: het is een collectieve verplichting, geen individuele; een verplichting die op de natie als geheel rust. Zij vloeit rechtstreeks voort uit de Koran. Ter illustratie hiervan enkele teksten:

Soera 9. At-Tauba, verzen 5-6: “Wanneer de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de heidenen waar gij hen ook vindt en grijpt hen en belegert hen en loert op hen uit elke hinderlaag. Maar als zij berouw hebben en zich aan de gebeden houden en de zakaat betalen, laat hun weg dan vrij. Voorzeker, Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. En als één van de heidenen u om bescherming vraagt, schenk hem dan bescherming opdat hij het woord van Allah moge horen; breng hem dan naar de plaats waar hij veilig is. Dit is omdat zij een volk zijn dat onwetend is.”

Soera 9. At-Tauba, vers 29: Bestrijdt diegenen onder de mensen van het Boek (ahl al-kitaab), die in Allah noch in de Laatste Dag geloven, noch voor onwettig houden wat Allah en Zijn boodschapper voor onwettig hebben verklaard, noch de ware godsdienst belijden, totdat zij de belasting (djizia) op de ruggen van hun handen betalen, terwijl zij onderdanig zijn.”

Soera 2. Al-Bakara, verzen 214-215: “De mensheid was één gemeenschap. Daarna verwekte Allah profeten als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers en zond met hen het Boek (d.w.z. de goddelijke wetten) neder, dat de waarheid bevatte, om onder de mensen te richten over datgene waarin zij (van mening) verschilden. En niemand verschilde erover, dan degenen aan wie het Boek was gegeven, nadat duidelijke tekens tot hen waren gekomen, uit afgunst jegens elkander. Denkt gij, dat gij de Hemel zult binnengaan, terwijl de toestand van die, die voor u gingen, nog niet over u is gekomen? Tegenslagen en rampen kwamen over hen en zij werden hevig geschokt, totdat de boodschapper en de gelovigen met hem zeiden: ‘Wanneer komt Allahs hulp?’ Ja, voorzeker, de hulp van Allah is nabij.”

Een geleerde moslim (Ibn ‘Aabidien) geeft de volgende bepaling van de Heilige Oorlog:
“Het is de oproep naar de ongelovigen om de ware godsdienst te ontvangen en diegenen te bevechten die hem niet ontvangen.”

Mohammed heeft gezegd:
“Onder de schaduw van het zwaard is het Paradijs.”
“De oorlog is tot aan de Dag van het Oordeel zonder onderbreking ingesteld.”
“Eén dag vechten heeft bij God meer waarde dan een ganse maand vasten.”
“Hij die sterft zonder ooit aan zichzelf te hebben voorgesteld aan de heilige oorlog deel te nemen, sterft de dood van een heiden.”

Strijd is af te raden, doch mochten de ongelovigen islamitisch grondgebied binnenvallen, dan vaardigt de imam onder zulke omstandigheden een algemene proclamatie uit, en wordt het de plicht van iedere moslim, man en vrouw, de aanvallers te bevechten. Men dient de ongelovigen te bestrijden zonder eerst na te gaan of men al dan niet onder het bevel van een vrome aanvoerder zal vechten.

Voor de vijand vluchten is een doodzonde, als zijn getalsterkte het dubbele of minder dan het dubbele van dat der moslimstrijders bedraagt. Maar als de vijand meer dan tweemaal zo sterk als de onzen is, mag men op de vlucht slaan.
Liegen en het gebruiken van list is in de oorlog toegestaan. Geen dwang

In het begin van zijn loopbaan verspreidde Mohammed de godsdienst van de islam door middel van onderricht, preek en discussie, en nam hij nooit zijn toevlucht tot dwang of geweld. In verscheidene Mekkaanse soera’s verklaarde hij slechts gezonden te zijn om te preken en te vermanen. In Medina, toen hij in het begin de Joden naar zijn kant wilde overhalen, zei hij dat hij geen bevoegdheid had om iemand te dwingen tot de islam over te gaan. Er zou “geen dwang in de godsdienst” zijn. Zie

Soera 2. Al-Bakara, vers 257: “Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad is van dwaling onderscheiden; derhalve, hij die de duivel verloochent en in Allah gelooft, heeft een sterk houvast gegrepen, dat onbreekbaar is. Allah is Alhorend, Alwetend.”

Soera 3. Aal-‘Imraan, vers 21: “En zeg wanneer zij met u redetwisten: ‘Ik, en degenen die mij volgen, hebben zich aan Allah onderworpen’. En zeg tot degenen aan wie het Boek werd gegeven en tot de onwetenden: ‘Hebt gij u onderworpen?’. Als zij zich onderwerpen, dan zijn zij op de rechte weg, maar indien zij zich afwenden, dan is uw plicht slechts de duidelijke verkondiging ervan; en Allah ziet zijn dienaren.”Het zwaard van de profeet

Maar zodra Mohammed in staat was zijn vijanden het hoofd te bieden, (nadat hij ongeveer twaalf jaar vredelievend in Mekka gewerkt had en met hulp van zijn metgezellen naar Medina gevlucht was) maakte hij bekend dat God hem en zijn volgelingen had toegestaan zich tegen de ongelovigen te verdedigen. Tenslotte beweerde hij dat hij Gods toestemming had om hen aan te vallen, de afgoderij te vernietigen en het ware geloof met het zwaard te vestigen.

De Koranteksten die het gebruik van het zwaard bevestigen worden door de islamitische rechtsgeleerden beschouwd als teksten, die de teksten die geweldloze middelen aanbevelen, opheffen (abrogatie).

Die overgang van vredelievende middelen naar dwang wordt door Ibn-‘Aabidien als volgt beschreven: “Weet dat het bevel tot vechten geleidelijk werd geopenbaard, want de Profeet werd eerst bevolen zijn boodschap te brengen, daarna te redetwisten en te discussiëren en zich in te spannen om de ongelovigen met argumenten te overtuigen; daarna werd het de gelovigen toegestaan te vechten, daarna werden zij eerst bevolen om altijd te strijden, behalve tijdens de heilige maanden, en tenslotte werden zij bevolen om absoluut te strijden, zonder enige uitzondering.”

Zo is het vandaag nog steeds. De voorwaarde de ongelovigen slechts te bevechten wanneer zij het eerst zijn begonnen, en het verbod te strijden tijdens de heilige maanden, zijn opgeheven door het algemeen en onvoorwaardelijk bevel: ” … doodt dan de afgodendienaren waar gij hen ook vindt…” (Soera 9. At-Tauba, vers 5). Dit wordt het Vers van het Zwaard genoemd. Mohammed gaf zelf aan zijn volgelingen het voorbeeld. Ibn ul Athier zegt: “Het aantal veldslagen onder het bevel van de Profeet bedraagt zevenentwintig; dat van de kleinere, oorlogszuchtige expedities zesenveertig.” De Profeet zelf vocht in negen veldslagen, de andere werden door zijn Gezellen geleid.De vijand

Volgens de leer van de islam is de wereld in twee kampen verdeeld:
1. Het ‘Land van de Oorlog’ (Dar al Harb) is ieder land in de handen van de ongelovigen dat nog niet door de islam is onderworpen, of “een land waarin de vrede tussen de moslims en de ongelovigen nog niet is afgekondigd”.
2. Het ‘Land van de Islam’ (Dar al Islam) is een land dat volgens de wetten van de islam wordt geregeerd.

Een Land van de Oorlog wordt een Land van de Islam wanneer de wetten van de islam er in worden uitgeroepen en het door moslims wordt geregeerd, zodat de vrijdaggebeden en de islamitische feesten er worden gehouden.

De Heilige Oorlog richt zich tegen drie bevolkingsgroepen:
1. Tegen alle afgodendienaren (heidenen) en ongelovigen, die weigeren zich aan het moslimgezag te onderwerpen, hetzij door de islam te aanvaarden hetzij door de djizia (belasting) te betalen.
2. Tegen degenen die onder moslimgezag staand, er tegen in opstand komen en weigeren voortaan de djizia te betalen.
3. Tegen degenen die tegen de imam opstaan, zelfs al zijn het moslims, en tegen degenen die een oorlog beginnen.

Wanneer een moslimheerser een land verovert dat door niet-moslims bewoond wordt, dan moet hij die bewoners drie keuzen aanbieden:
1. De islam aanvaarden. In dat geval zijn zij van hun leven, hun familie en hun bezittingen verzekerd, en genieten zij alle voorrechten van de moslims, wier broeders zij zijn geworden.
2. De dood voor de mannen en slavernij voor de vrouwen en kinderen van degenen die geen ‘godsdienst van het boek’ belijden, tenzij de imam anders beslist
3. Als zij de islam niet aanvaarden, dienen zij de taks, of de hoofdelijke belasting (djizia), te betalen, waardoor zij bescherming krijgen en dhimmi’s worden (d.w.z. onderdanen, aan wie het toegelaten is hun eigen godsdienst te belijden, op voorwaarde dat die geen grove afgoderij is).

De djizia
Het is de plicht van de imam het bedrag van de hoofdelijke taks (djizia) te bepalen, en wanneer zij zal worden geïnd. Die hoofdelijke taks kent twee soorten:
1. Een schatting, die tijdens onderhandeling is overeengekomen als onderdeel van een vredesverdrag voordat er oorlog is geweest.
2. Een hoofdelijke belasting naar draagkracht, na capitulatie door de imam opgelegd.

De hoofdelijke belasting wordt djizia genoemd (hetgeen betekent: ‘voldoen’, ‘compenseren’) omdat het een losprijs is voor het leven van de ongelovige. Sommigen noemen het ook een ‘gevangenschapbelasting’ omdat hij voor het eerst op de Dhimmi’s werd toegepast die op bevel van Kalief Oemar uit Arabië in gevangenschap werden gevoerd. Mohammed had het leven gespaard van de christenen van Nijraan, op voorwaarde dat zij jaarlijks tweeduizend mantels leverden, en Oemar spaarde andere christenen op voorwaarde dat zij het dubbele van de belastingen die op de moslims rustten, betaalden.

De taxatie gebeurt gewoonlijk bij het begin van het jaar en de betaling bij het einde ervan. Die hoofdelijke taks wordt geheven op de ‘volken van het Boek’, d.w.z. op joden, Samaritanen en christenen, en verder op de magiërs en de heidenen, voor zover deze laatsten niet in Arabië wonen. Arabische heidenen en afvalligen krijgen de keuze tussen de islam en het zwaard.
De belasting is verschuldigd op alle mannelijke, vrije en volwassen Dhimmi’s, maar niet op hun vrouwen, noch op hun kinderen, noch op hun slaven. Ook de blinden, kreupelen en de monniken onder hen worden niet belast.
De hoofdelijke taks dient door de schuldenaar in eigen persoon te worden betaald; hij mag niet iemand anders sturen. “De belastingplichtige zelf moet staande de djizia overhandigen, terwijl de moslim die hem ontvangt, zit en hem een slag in de nek geeft met de woorden: “Geef het, o, gij vijand van God” (Ibn ‘Aabidien).Regels voor de dhimmi’s

De dhimmi’s die onder bescherming van de moslims staan mogen geen kerken of synagogen bouwen, of kloosters, of begraafplaatsen, of enig ander gebouw voor hun eredienst. In Arabië moeten hun kerken worden afgebroken en zijzelf mogen zich in Arabië niet in een dorp of een stad vestigen, want de Profeet heeft verklaard dat het bestaan van twee verschillende godsdiensten in Arabië niet kan worden toegestaan (Ibn ‘Aabidien).
Een kerk, die verwoest is of in bouwvallige staat verkeert, mag niet weer worden opgebouwd.
Een dhimmi dient zich van een moslim te onderscheiden door andere kleren te dragen “tenzij hij de eretekenen en het respect ontvangt, dat alleen aan een moslim verschuldigd is”.
Hij dient in een staat van onderworpenheid en uiterste vernedering te worden gehouden. Hij mag niet op zadels zoals die van de moslims rijden. Wanneer een moslim staat, mag hij niet gaan zitten. Geen moslim is hem respect of eerbetoon verschuldigd. Als een moslim op straat een dhimmi tegenkomt moet de dhimmi voor hem opzij gaan.

Dhimmi’s mogen niet in groten getale tussen moslims wonen, en indien zij eigen huizen bezitten, moeten zij gedwongen worden die aan moslims te verkopen. Hun huizen moeten lager zijn dan die van de moslims.
Een Dhimmi verliest zijn recht op bescherming als zijn land een Land van Oorlog wordt, of als hij weigert voortaan de hoofdelijke belasting te betalen.
Al die regels komen voort uit een gerechtvaardigd wantrouwen door de overheid jegens bevolkingsgroepen die duidelijk de islam als godsdienst en cultuur afwijzen. Uiteraard worden die regels in normale tijden niet in al hun gestrengheid toegepast. In vredestijd wordt het betalen van de hoofdelijke belasting dan ook meer beschouwd als een rechtvaardige fiscale maatregel tegenover diegenen die niet onderworpen zijn aan de militaire dienstplicht, en die onder de bescherming van de islam ongestoord hun eigen leven kunnen leiden en zich verrijken, zonder dat zij daartoe iets moeten bijdragen aan de moslimgemeenschap, die alle verantwoordelijkheid draagt voor hun veiligheid. De taks is dus eigenlijk een afkoopsom voor de militaire dienst; de overheid kan zich immers niet veroorloven soldaten in dienst te hebben aan wier loyaliteit en motivatie in tijden van oorlog ten sterkste kan worden getwijfeld. De taks wordt dan ook alleen van mannen geëist die bekwaam zijn voor de militaire dienst.Diverse bepalingen inzake de Heilige Oorlog

Voordat zij hen aanvallen dienen moslims de niet-moslims op te roepen tot het aanvaarden van de islam. Als zij de islam aanvaarden is oorlog met hen niet nodig, omdat het doel van de oorlog dan zonder vechten bereikt is.
Als een moslim ongelovigen aanvalt zonder hen eerst uit te nodigen de islam te aanvaarden is hij een overtreder. Maar als hij hen toch aanvalt alvorens hen tot de islam uit te nodigen, en hen doodt en hun bezittingen inneemt, dan is hij toch niet verplicht tot de betaling van een boete, vergoeding of genoegdoening. Immers, hetgeen hen beschermt, te weten: de islam, is in hen niet aanwezig, en zij staan ook niet onder geografische bescherming omdat zij niet in een islamitisch land wonen.

Weliswaar is het lovenswaardig mensen tot de islam uit te nodigen wanneer reeds een oproep daartoe is geschied, maar verplicht is dit niet, daar van de Profeet wordt gemeld dat hij de stam van Al-Mustalik bij verrassing plunderde en beroofde, en dat hij ook met Usama overeenkwam een roofoverval in de vroege ochtend op Kubna te doen en de plaats in brand te steken, en die aanvallen waren “niet voorafgegaan door een oproep”.

Sommige geleerden zeggen dat zo’n oproep en uitnodiging wel vereist waren bij het begin van de islam, maar dat dat nu niet meer hoeft, aangezien de islam wijd en zijd verspreid en goed bekend is (Ibn ‘Aabidien).
Als ongelovigen zich verzetten zijn alle middelen geoorloofd om hen te onderwerpen. Het is de plicht van de moslims, met Gods hulp, hen met alle middelen en wapens aan te vallen. Zij moeten hun huizen in brand steken, zelfs als de bewoners, inclusief vrouwen en kinderen, dreigen in de vlammen om te komen. Zij moeten hen onder water zetten, en hun aanplantingen vernielen en hun graan vernietigen, omdat zij daardoor in hun weerstand zullen worden verzwakt. Daarom zijn al die middelen door de wet goedgekeurd (Ibn ‘Aabidien).

Het is niet toegestaan mensen te verminken door hun de oren of de neus af te snijden. Alhoewel er wordt gemeld dat de Profeet de Oenieien heeft verminkt, zijn zulke daden door latere regels verboden.
Het is aan de moslims verboden vrouwen of kinderen te doden, evenals bedlegerige of blinde mensen, of monniken in hun cellen die zich volledig aan de dienst van de kerk wijden.
De ongelovige die om genade smeekt dient te worden gespaard. Geen ongelovige mag worden gedood nadat hij genade heeft gekregen. Men zal de verbintenissen die in dit opzicht met hen zijn aangegaan niet verbreken. Men zal vermijden monniken en rabbijnen te doden, indien zij niet, hetzij met de wapenen, hetzij met raadgevingen of bevelen, aan de strijd hebben deelgenomen.

Als de imam het in het belang van de islam wenselijk acht met een bepaalde stam of volk vrede te sluiten, is het hem toegestaan zulks te doen. Hij mag ofwel een losgeld van hen eisen ofwel hun een geldsom betalen om vrede te verkrijgen, indien hij meent niet sterk genoeg te zijn om hen te overwinnen. Indien hij merkt dat het voordeliger is die overeenkomst te verbreken, dan mag hij opnieuw de oorlog verklaren.De oorlogsbuit

Na het eerste belangrijke succes van Mohammed twistten zijn volgelingen over de verdeling van de buit, waardoor het nodig was dat hij zelf daarover enige regelingen trof. Er kwam een goddelijke opdracht die hem machtigde de buit naar eigen inzicht onder de soldaten te verdelen, na reservering van een vijfde voor ander gebruik.

Het vijfde door de imam vooraf genomen deel dient in drie gelijke delen te worden verdeeld:
1) voor steun aan de wezen;
2) voor het voeden van de armen;
3) voor het ontvangen van de reizigers. Die laatste klasse behelst eveneens de armere leden van de familie van de Profeet die tot de Beni Haashim behoren.

Mohammed had, zoals alle andere leden van de expeditie, recht op een deel van de buit; doch hij genoot het voorrecht, als onderdeel van zijn deel, elk voorwerp dat hij wenste te mogen uitkiezen en het zich toe te eigenen voordat de algemene verdeling begon. Zo nam hij van de buit op de joodse stam van Chaibar een kostbaar zwaard, Zu’l-fiqaar, en Safiea, een heel mooi meisje.

Gevangenen maken deel uit van de buit. Men mag de volwassen mannelijke krijgsgevangenen doden. De imam mag ofwel hen ter dood veroordelen, ofwel hen in slavernij voeren, ofwel hen de hoofdelijke belasting of een losgeld opleggen, ofwel hen vrijlaten.
Men mag geen ongelovige gevangenen ruilen tegen moslimgevangenen. Zij mogen ook niet voor niets worden vrijgelaten.; alhoewel anderen dit wel wettelijk vinden.
Vrouwen en kinderen die niet kunnen worden meegenomen dienen op een verlaten plaats, waar ze voedsel noch water vinden te worden achtergelaten (zodat ze van honger en dorst moeten omkomen), want het is niet geoorloofd ze te doden. Bescherming

Veiligheid en bescherming zijn aan de ongelovigen in de islamitische landen toegezegd, en aan de moslims in de niet-islamitische landen. Dit moet strikt worden nageleefd.
Bescherming aan een niet-moslim gegeven om een islamitische stad binnen te komen en zich er te vestigen, mag niet langer dan een jaar duren, wegens het gevaar dat hij een spion zou zijn. Mocht hij langer willen blijven dan moet hij een dhimmi worden en de hoofdelijke belasting betalen.

 

Twee artikelen over moslimkinderen op een christelijke school.

 

EERSTE DEEL

Kruis en halve maan. Twee symbolen die twee wereldgodsdiensten representeren. We zien kruisen op kerktorens over heel de wereld, het symbool bij uitstek van het christendom. We treffen de sikkel of halve maan aan op islamitische gebouwen. Al in de vroege islam vinden we de sikkel samen met een ster als embleem in mozaïeken. Nu is hij als symbool opgenomen in bijna alle vlaggen van de islamitische landen. Het Rode Kruis heeft in deze landen een islamitisch alternatief, want het kruis wordt verworpen. In oorlogsgebieden in het Midden-Oosten zie je de witte busjes van ‘de Rode Halve Maan’. De bijdragen in dit en het volgende nummer gaan over de vraag: wat belijden wij en wat belijden moslims ten aanzien van God en de mens?

Dat is geen academische vraag. U en ik krijgen er meer en meer mee te maken: op straat en in de wijk, in de ontmoeting met moslimse medelanders en hun kinderen, in kerken en op scholen. Wie het meemaakt dat een moslimvluchteling aanschuift in de kerkbank, gaat onwillekeurig luisteren met de oren van de ‘vreemde gast’. Hij of zij kijkt om zich heen en vraagt zich af: Hoe gastvrij is mijn gemeente? Wat begrijpt mijn buurman in de bank van de preek? Hoe komen de liederen op hem over?

Scholen zijn veelal langer dan kerken ingesteld op de omgang met moslims. In de begintijd hield de vraag van het wel of niet toelaten van moslimse kinderen hen bezig. Scholen die kozen voor openheid met behoud van de christelijke identiteit zochten naar wegen om moslimse kinderen in harmonie een plek binnen de school te geven. Dat leverde soms spanningen op, met name daar waar geen helderheid was over de concrete uitwerking van het christelijke karakter van de school. Ook ontstonden er problemen wanneer het aantal moslimse kinderen zozeer toenam dat hun invloed merkbaar werd door inspraak en medezeggenschap van hun moslimse ouders.

Godsbeeld
Moslimse kinderen krijgen in hun opvoeding een diep besef mee dat God de Hoog-Verhevene is, de Totaal-Andere die met niets en niemand te vergelijken is. In de wereld waarin ze opgroeien, roept vooral de gedachte dat God een Verwekker-God zou zijn verzet op. Soera 112 is één van de kleine soera’s aan het eind van de koran, die ook wel de soera (hoofdstuk) van de zuiverheid genoemd wordt. Daarin is voor moslims het zuivere geloof verwoord:
* In de naam van God, de Zich erbarmende Barmhartige.
* Zeg (
jij Mohammed, tot je volk): Hij God is één, de Bestendige.
* Niet heeft Hij verwekt. Niet werd Hij verwekt. Niemand is aan hem gelijk.

De laatste woorden bevatten in het Arabisch driemaal een zeer krachtige ontkenning. Omdat christenen vrijmoedig gebruik maken van uitdrukkingen als God de Vader en God de Zoon, krijgen moslims al gauw de indruk dat christenen toch op een of andere manier God te zeer in het menselijke vlak trekken. Het is goed hier rekening mee te houden wanneer wij spreken over God en Hem aanroepen als Vader. Niet om dat achterwege te laten, maar om te beseffen dat moslimse kinderen daar niet mee opgegroeid zijn en zij dit als anders, soms zelfs als schokkend, ervaren. Laat het geen vanzelfsprekendheid zijn dat God zich zo heeft doen kennen, maar een wonder van genade, iets kostbaars, te groot om te bevatten en toch waar.

De islam benadrukt ook met alle kracht dat God één is. Het leerstuk van tawhied, Gods eenheid, wordt door moslims zelf gezien als de bedding van de islam. De zendingstheoloog Hendrik Kraemer sprak van ‘een withete eenheid’ bij dit leerstuk van de islamitische theologie. Iedere vorm van veelvuldigheid wordt als aantasting van Gods eenheid gezien. Dus niet alleen het geloof in veel goden, maar ook in een Drie-enige God. De eerste woorden van de islamitische geloofsbelijdenis luiden: laa ilaaha illa allah, (er is) geen god behalve ALLAH. Het is een spreuk van (in het Arabisch) slechts vier woorden, waarin de kern van het islamitische belijden wordt uitgedrukt.

Ook christenen belijden dat God één is. Dat God Zich geopenbaard heeft als Vader, Zoon en Geest doet aan Zijn eenheid niets af; het voegt er wel iets aan toe en verdiept de eenheid. Zó heeft God Zich doen kennen. Wanneer wij spreken over God, spreken wij met meer dan één woord over Hem. Geen verschil tussen het geloof van moslims en dat van christenen is zo wezenlijk als het verschil in godsbeeld. En dit heeft vervolgens te maken met ons spreken over Jezus.

Jezus is meer dan een profeet
Moslims leven in de overtuiging dat zij het ware zicht op de persoon van Jezus hebben. ‘Wij geloven in alle profeten, beginnend met Adam en eindigend met Mohammed. Wij geloven ook in Jezus. Waarom geloven jullie niet in Mohammed?’ Er leeft het sterke besef dat joden te gering van Jezus denken, maar christenen te hoog daar zij een God van hem maken. De islam is de godsdienst van het midden (soera 2:143a), de meest uitgebalanceerde godsdienst. Bidden doe je in de naam van God (bismillah), niet in de naam van Jezus. Als volwassen moslims de grootste moeite hebben met het christelijke belijden aangaande Jezus, kunnen we verwachten dat de kinderen daarin meegaan en in verwarring geraken als ze op school die dingen horen waar ze thuis voor gewaarschuwd zijn.

In de brochure ‘kinderwerk en moslimkinderen’ van Evangelie & Moslims* staat daarover het volgende:
‘Moslims geloven volgens hun eigen overtuiging in Jezus. Over Hem staat veel in de koran (uiteraard in het Arabisch: Isa, spreek uit: Iesa). De koran tekent Hem als een zeer bijzonder profeet, die geboren werd uit de maagd Maria, die grote wonderen deed en doden opwekte. Hij is echter niet de Zoon van God. Dat zou immers suggereren dat er een Vader-God is die met een Moeder-God (Maria) gemeenschap heeft gehad en waaruit dan Jezus zou zijn geboren en dat is te menselijk en godslasterlijk om van God te zeggen, aldus moslims. De islam is ontstaan als een reactie op veelgodendom en Mohammed heeft de boodschap van het evangelie op het punt van Jezus als ‘Zoon van God’ misverstaan. Vanwege dit misverstand, want dit bedoelt de bijbel natuurlijk niet met de term Zoon van God, is het beter om deze term niet te gebruiken en als het toch ter sprake komt duidelijk uit te leggen wat we er wel en wat we er niet mee bedoelen. Het gaat er dus niet om dat we ontkennen dat Jezus tegelijk mens en God is, maar dat we door voorzichtig te zijn in ons woordgebruik proberen te voorkomen dat moslimkinderen Jezus en het evangelie afwijzen op basis van hun eigen interpretatie van onze woorden. Ook met andere woorden kunnen we vertellen van de goddelijke majesteit van Jezus.

TWEEDE DEEL

Verschillende wegen
De islam is een godsdienst waarin het doen van geboden uitermate belangrijk is. De islam wordt voorgesteld als een gebouw dat rust op vijf zuilen, vijf plichten die iedere moslim moet volbrengen om goed moslim te zijn en acceptabel voor God op de Laatste Dag. Op de Laatste Dag, de Dag van het Oordeel, zal het er om gaan wat een ieder heeft gedaan, hetzij goed hetzij kwaad. Mohammed maakte handelsreizen en de koran is ontstaan in een handelswereld. Dat is merkbaar in het taalgebruik van de koran. We lezen van winst en verlies, loon en prijs, een volle maat, een (af)rekening, balansen en weegschalen, schulden en beloningen. Verder zijn er uitvoerige passages over het vuur (de hel) en de tuin (het Paradijs). Ze staan daar bewust om de mens aan te moedigen het goede te doen en het kwade na te laten. De daden worden opgetekend in boeken die op de Dag van de Afrekening of van de Aandreiging (andere benamingen van de Laatste Dag) geopend zullen worden.

Moslims die we hierop bevragen bevestigen de noodzaak van deze aanpak. De mens moet geactiveerd worden. De islam is een actieve godsdienst. Al in de naam zit dit opgesloten, want islam betekent letterlijk ‘actieve onderwerping’. Zij die zich houden aan de vijf zuilen en andere voorschriften zoals betreffende voedselwetten en omgangsvormen hebben zicht op de beloning van de hemelse tuin. Zonder daar aanspraak op te kunnen maken, want tenslotte ligt het eindoordeel bij God en geen mens kan voor een ander bemiddelen.

Een moslim vraagt vanuit zijn geloof niet naar verlossing maar naar leiding (Arabisch hoeda), een uitermate belangrijk woord in de islam. Kenmerkende vragen aan christenen zijn: wat moet jij doen voor je geloof? Vasten jullie ook? Zo ja hoe? Hoe vaak bidden jullie, in welke richting, in welke houding, met welke teksten, in welke taal, wassen jullie je ook vooraf? Houd er rekening mee dat deze vragen ook leven in de gedachten van de moslimkinderen op school. Er zal uitleg nodig zijn om duidelijk te maken dat wij minder met de vormen bezig zijn en meer met de inhoud. Tegelijk dat het niet betekent dat de vormen er bij ons niet toe doen. Maar voor welke vormen kiezen wij? De diversiteit onder christenen is enorm groot. Het is goed als team met de vormen bezig te zijn en daarin zo mogelijk één lijn te trekken. Denk aan vragen als: Hoe openen we de dag, de week? Gebruiken wij de bijbel daarbij, welke vertaling? Hoe gaan we om met de bijbel? Hoe bidden we? In welke houding? Mogen moslimkinderen een andere houding aannemen? Hoe vieren we de christelijke feesten? Nodigen we de (moslimse) ouders daarbij uit? Houden we het feest in de kerk? Zo ja, mogen de kinderen van wie de ouders om hun geloof bezwaar maken dan thuisblijven? Krijgen moslimkinderen gelegenheid (vrij) om hun feesten te vieren? Hoe meer het team van tevoren doordacht heeft en op papier heeft gezet, des te beter. Het christelijke karakter van de school wordt daarmee concreet en helder. Ouders die dit bij de aanmelding van hun kinderen weten, kunnen later er op aangesproken worden als er problemen rijzen.

Cultuur en religie
Soms is het lastig om de islam te onderscheiden van de oosterse cultuur waaruit zij meestal komen. Is het dragen van een hoofddoekje een godsdienstig voorschrift of een cultuuruiting? En hoe zit het met de besnijdenis? Reciteert men de korantekst volgens de regels van een zangerige voordracht slechts uit respect voor het boek dat je eventueel kunt nalaten, of is het religieus verplicht? Behoren jongens en meisjes gescheiden te gymmen omdat de islam dit voorschrijft? Is het voorschrift dat een moslimman een vrouwelijke leerkracht haar (uitgestoken) hand weigert? Hoe zit het met het uithuwelijken van een dochter? Is paardenvlees geoorloofd (halaal) of verboden (haraam) voedsel voor moslims? Mag Fatima niet naar het kamp omdat de islam dit verbiedt of omdat de ouders er een (te) strenge interpretatie op na houden en de islam vermengen met de tradities van hun geboortegrond? Onderling zijn moslims vaak in discussie over dergelijke vragen. Maar ook het team kan met deze vragen geconfronteerd worden.

De meeste moslimkinderen komen uit Marokko, Turkije of één van de landen waaruit asielzoekers komen. Landen waar een oosterse cultuur overheerst, maar waar ook mengvormen met een westerse leefstijl voorkomen. Westerlingen worden vaak getroffen door de grote gastvrijheid en door het gemeenschapsdenken. Christenen zullen daarin veel herkennen van een bijbelse leef- en denkwereld. De presentie van moslimkinderen met hun inbreng kan een correctie betekenen op onze westerse geïndividualiseerde en soms kille wereld. Hun aanwezigheid kan op zijn minst aanleiding zijn voor een gesprek in de klas over bijbelse waarden die we hoog houden. Persoonlijk zou ik geen ruimte geven voor moslimse rituelen, dus geen islamitische gebeden of feesten op een christelijke school. Wel zou ik ruimte geven aan kinderen om af en toe te vertellen over hun gewoonten, hun thuisland (het land van hun ouders), hun oosterse cultuur en godsdienstige gebruiken.

Reactie van kinderen op het Evangelie
Kinderen reageren zeer verschillend op de spanning die de twee werelden waarin ze verkeren opleveren. Er zijn kinderen die thuis verzwijgen van wat op school gezegd en gedaan wordt om spanningen te vermijden. Anderen komen met hun verhalen thuis en bespreken deze met de ouders. Ouders zijn mogelijk positief over de school omdat daar met God en gebod rekening wordt gehouden. Vaak is aangegeven dat men kiest voor de (behoudende) christelijke school omdat het gezag daar sterker uitgeoefend en door de kinderen geaccepteerd wordt. Datgene wat de kinderen aan islamitische opvoeding op school missen, zullen de ouders thuis gestalte geven.

Het gebeurt ook dat kinderen jarenlang naar de christelijke school gaan (of een christelijke kinderclub) en er dan ineens vanaf gehaald worden. Dat kan zijn door een bepaalde gebeurtenis op school (bijvoorbeeld een kamp waar tussen jongens en meisjes ‘gerommeld’ is), maar ook door bezoek van een streng-islamitische oom uit Marokko: die ziet bijvoorbeeld een illustratie van de kruisiging en waarschuwt zijn broer in Nederland voor de gevaren. De problemen kunnen uit zeer onverwachte hoek komen. Vooral als meisjes de leeftijd krijgen dat jongens een meer dan gewone aandacht voor hen krijgen, zijn de ouders extra alert op het bewaken van de eer van het meisje en daarmee ook de goede naam van de familie.

Onderwijzend personeel zal daar oog voor moeten hebben. Let op godsdienstige en culturele zaken die gevoelig liggen. Immers, en daar is niet aan te ontkomen, het Evangelie roept zelf op tot een keuze, tot navolging van de Here Jezus Christus. Soms voelen de vooral wat oudere kinderen dat heel goed aan. Laat het groeien als een zaadje maar push kinderen niet om een keuze te maken of om iets dat innerlijk gegroeid is kenbaar te maken. Zij die wel druk uitoefenen op het kind zullen vroeg of laat met de wrange vruchten zitten: een kind dat bezwijkt onder conflicten en spanningen en helemaal ontworteld raakt.

Tenslotte
Kruis en halve maan. Kerktorens en minaretten. Naast elkaar, zoals moslims en christenen in onze samenleving op veel plaatsen naast elkaar leven. We dienen er naar te streven dat het een samenleving is waarin de shalom of salaam, de echte vrede, een groot goed is en waar mensen ‘er mogen zijn’, met hun verschillende opvattingen. Ook met de ruimte om te zeggen dat ‘kruis en halve maan’ niet hetzelfde zijn en als christenen te getuigen van Hem die het kruis op zich genomen heeft, de schande niet achtende (Hebr.12:2). Die de dood heeft overwonnen door die weg van de diepte te gaan.

Inhoudelijk gaan de wegen uiteen, ondanks sommige zaken die wij gemeenschappelijk hebben zoals het ‘anders-zijn’ dan de wereld. Interreligieus onderwijs is naar mijn overtuiging niet mogelijk, nog los van de praktische bezwaren en het feit dat het kinderen in verwarring brengt. Soera 4:157 benadrukt ten aanzien van Jezus: “Zij hebben hem niet gedood en zij hebben hem niet gekruisigd…” Maar christenen spreken thuis, in de kerk én op school van een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, voor moslims beide een dwaasheid en een aanstoot. Voor hen die geroepen zijn (Joden, Grieken, Moslims, u en ik) is Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods (1 Cor. 1:23 en 24).

Het blad ‘Kinderwerk en moslimkinderen’ is verkrijgbaar bij Evangelie & Moslims (033-4659290) en kost € 3,20.

Wij ontvingen enkele kritische reacties op het eerste artikel van de heer Herman Takken van de stichting Evangelie en Moslims:

“Ontsteld en zelfs verontwaardigd ben ik na het lezen van aflevering 1, getiteld ‘Kruis en halve maan op de christelijke school. . . Het is droevig om zoiets te lezen in het B&O magazine. Een stuk dat een knieval doet voor Allah en (zij het heel subtiel) de moderne tijdgeest ademt.”
“Ik heb sterk het idee dat de schrijver het wezenlijke van het evangelie uit het oog verliest. Ik hoop en bid dat u dat niet zult doen en ook artikelen zoals deze, die afbreuk doen aan het evangelie, zult weren. U bent (zowat) nog het enige blad dat tot nu toe niet gezwicht is (voor de tijdgeest); blijf alstublieft volhouden.”

Wij hebben de kritiek op ons laten inwerken en het artikel nog eens goed doorgelezen. In wezen komt de kritiek neer op de aanbeveling van Takken om in een klas met moslimkinderen voorzichtig om te gaan met de term ‘Zoon van God’ en om daarbij uit te leggen dat deze term gebruikt wordt om de directe relatie met God aan te geven (zoals ook Adam en de engelen ‘zoon/zonen Gods’ worden genoemd).
Aan de andere kant erkennen wij dat de voorzichtige wijze waarop de dingen werden gesteld, aanleiding kan geven tot misverstanden, speciaal ook met het oog op deze tijd. Het gaat hier in wezen om de vraag: Hebben de Moslims een ander/verkeerd godsbeeld van de waarachtige God, Schepper van hemel en aarde, Vader van onze Here Jezus Christus, of gaat het hier wezenlijk om een andere god? In o.a. onze website www.fairweb.nl/islam hebben wij aangegeven waarom o.i. stellig dit laatste het geval is.

H.Takken

De islam is niet een godsdienst op de manier zoals het westen het begrip godsdienst ziet, waarbij iedereen kan geloven en nalaten wat hij wil; deze religie verstaat zichzelf als een alles omvattende theocratie waarbij godsdienst, politiek en privésfeer een eenheid vormen. Allah regeert door de sjaria, de moslimwet. In een islamstaat dienen politiek en geloof nimmer van elkaar te worden gescheiden. Islam betekent in het Arabisch “overgave, onderwerping en uitlevering” aan Allah. De Heilige Oorlog (Al-Djihad) is voor elke moslim een wettelijke plicht. Deze drijft hen ertoe om met alle middelen te strijden tegen ongelovigen (= alle niet-moslims). Wie de aan intensiteit toenemende ontwikkelingsfasen en aspecten van de Heilige Oorlog wil begrijpen, moet het leven van Mohammed bestuderen. Daarom kunnen de verschillende verschijningsvormen en fasen van de Heilige Oorlog het beste worden uitgebeeld door middel van een analyse van de ontwikkelingen in het leven van Mohammed

 

Is met het toezicht op en zonodig optreden tegen islamscholen die zich niet houden aan de Nederlandse rechtsregels, de vrijheid van onderwijs in het geding?

Tijdens het congres van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten op 30 oktober werd aan alle deelnemers het boekje ‘Onze Grondwet’ uitgereikt. Bij Artikel 23 wordt bevestigd dat “de leiding van de school op grond van de religieuze of levensbeschouwelijke basis van de school eisen mag stellen aan de leerkrachten en leerlingen en deze mag weigeren als zij de opvattingen van de school niet onderschrijven.” Daarnaast “mag de overheid toezicht houden op het onderwijs; in de praktijk betekent dit dat de Inspecteur voor het Onderwijs bijvoorbeeld onderzoekt of de school niet oproept tot de jihad.”
Waar het nu om gaat is dat wanneer zo’n inbreuk op de Nederlandse rechtsorde wordt geconstateerd, is de overheid dan gerechtigd de nodige maatregelen te treffen?

Een ander thema is dat de school haar leerlingen de mogelijkheid moet bieden kennis te verzamelen en zelfstandig kritisch te leren denken. Het recente VN ‘Arab Human Develop-ment Report’, vrijgegeven op 23 okt. 2003 in Amman, Jordanië wijst op drie obstakels op weg naar een ’Knowledge Society’ die nog steeds levensgroot aanwezig zijn: gebrek aan vrijheid; de positie van de vrouw en niet kritisch denken.

AHDR 2002 challenged the Arab world to overcome three cardinal obstacles to human development posed by widening gaps in freedom, women’s empowerment and knowledge across the region.
Looking at international, regional and local developments affecting Arab countries since the report was issued confirms that those challenges remain critically pertinent and may have become even graver, especially in the area of freedom. Nowhere is this more apparent than the status of Arab knowledge at the beginning of the 21st century, the theme of this second report. Despite the presence of significant human capital in the region, AHDR 2003 concludes that disabling constraints hamper the acquisition, diffusion and production of knowledge in Arab societies. This human capital, under more promising conditions, could offer a substantial base for an Arab knowledge renaissance.

Onze conclusie is dat moslimscholen aan dezelfde eisen moeten voldoen als alle overige scholen van het bijzonder onderwijs (en van het openbaar onderwijs). Bij beide hiervoor vermelde zaken is thans niet de vrijheid van onderwijs, maar de integriteit van onze rechtsstaat in het geding.
Het geven van radicale bevoegdheden aan de lokale overheden dient aantasting van de rechtsstaat te voorkomen en voorts alle burgers in staat te stellen deel te nemen aan de door Nederland gewenste (en door de VN onderschreven) kennismaatschappij. Het achterblijven van een toenemend aantal burgers zal op termijn tot grote onrust en tweedeling leiden.

Radicale maatregelen moeten voorkomen dat onze rechtsstaat machteloos staat wanneer islamitische scholen te kennen geven dat buitenlandse belangen voor hen zwaarder wegen dan de democratische orde van het land waarin zij gevestigd zijn, zoals onlangs weer in Hamburg is gebleken. Zie www.taz.de/pt/2003/10/29/a0119.nf/textdruck, waarvan wij hier de kardinale vraag met een duidelijk antwoord citeren:

Tageszeitung: “Sollen die deutschen Behörden dulden, dass in einer Schule zum Dschihad aufgerufen wird?”

Aziz Alkazaz, Hamburger Arabien-Experte: “Der deutsche Staat hat die Wahl: Entweder er verlangt von den Muslimen, den Dschihad-Teil aus ihrer Religion einfach herauszuschneiden und hier nicht zu lehren. Das ist hochgradig problematisch. Oder er bekennt sich zur Religions-freiheit im vollen Sinne des Wortes. Dann müssen Muslime hier ihre Religion mit all ihren Teilen lehren können.”

Christenen denken na over vrouwen en de islam, door Ida Glaser en Napoleon John,
Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 240 pag, € 17,50

Moslims wordt vaak verweten dat ze vrouwen als tweederangsburgers behandelen. De islam zou psychische en lichamelijke mishandeling zelfs toestaan. Hoe komt het dan dat van de westerlingen die tot de islam worden aangetrokken, de meesten vrouwen zijn?

Twee christenen – een Engelse docente en een Pakistaanse pastor – houden zich bezig met de relatie tussen islam en christelijk geloof. Zij doen dat op grondige wijze, wat dit boek precies de drie dimensies geeft die voor een eerlijke behandeling van de moslima’s nodig zijn:

  • academisch: prettig om te lezen, maar soms te breedvoerig
  • onderbouwd door serieuze bijbelstudie
  • geïllustreerd aan tal van voorbeelden uit de praktijk.

Het boek begint met te Luisteren naar moslims. Daarin wordt het probleem van de mannelijke dominantie over de vrouw in de islam van twee kanten belicht. Eerst van de moslim-apologeten als de goedpraters en ontkenners binnen de islam. Daarna van enkele moslima’s die ons ‘achter de sluier’ laten kijken, met citaten als “Een vrouw heeft niet het recht mannenruimten te betreden; als zij dat doet, verstoort zij de gevestigde orde en de gemoedsrust der mannen. In werkelijkheid vormt het simpele feit dat ze ergens is waar ze niet hoort te zijn, een daad van agressie.”

In Het islamitische model geplaatst houden de beide auteurs zich bezig met de vraag of de verdrukte positie van de moslima’s direct voortkomt uit de Koran of uit de traditionele interpretatie die hieraan door mannen wordt gegeven. Wist u bijvoorbeeld wat vrouwen te wachten staat die het paradijs bereiken? (volgens Mohammed zijn dat er heel weinig, vergeleken met de mannen)? Uiteraard geen 70 “zwartogige maagden om hen te plezieren”, maar ‘slechts dadels en druiven’. Moet je je daarvoor nu opblazen om er te mogen vertoeven?

Het grote ‘theologische’ hoofdstuk gaat over Na Eva, een bijbelse diagnose. Heeft Eva er nu een puinhoop van gemaakt of hebben de mannen dat van Eva gemaakt? Op het eerste gezicht zijn de moslims hier in het voordeel bij joden en christenen, omdat Koran niet spreekt van de zondeval van Adam en Eva en het hele begrip ‘erfzonde’ bij hen onbekend is. Het ‘christelijke’ (lees: kerkelijke) model heeft echter Eva als de oorzaak van alle ellende aangewezen en vooral sommige kerkvaders hebben zich daar krasse bewoordingen over geuit! Zo verwijt Tertullianus de vrouwen dat zij “het beeld van God, de man, hebben vernietigd” en stelt Augustinus “Het is nog steeds Eva, de verleidster, voor wie we in iedere vrouw op onze hoede moeten zijn.” (pag. 137)

Als theoloog wil ik erop wijzen dat de zondeval van de vrouw anders is verlopen dan die van de man. De vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen, de man heeft Gods gebod bewust overtreden. De gevolgen hiervan uiten zich in het hele leven, óók in de verlossing. De man is ‘van zijn voetstuk gevallen’ en moet nu staan ‘in de Rots, dat is Christus’. De vrouw is verleid en moet nu een ‘(vol)macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. Genesis 1:1-6 en 1 Timotheus 2:11-14 en 1 Corinthiers 11:10 zijn weinig begrepen teksten met als gevolg veel ruimte voor verkeerde, ‘mannelijke’ uitleg. In het boek worden ze wel genoemd. maar ook de auteur kan, met alle goede bedoelingen, niet meer helderheid geven dan een mild-feministische uitleg van enkele vrouwonvriendelijke Paulusteksten.

Terecht wordt erop gewezen dat christenmannen tot dezelfde zonden geneigd zijn als moslimmannen: domineren over de vrouwen zit hen kennelijk in het bloed! Met alle waardering voor de uitvoerige en objectieve analyse van zowel teksten als gebruiken van christenen als moslims in culturen van Oost en West, moet mij nu toch de volgende kritiek van het hart:

  • Met haar redenering dat “de problemen niet zijn te wijten aan de godsdienst op zich, maar aan de zonde” (pag. 163) versluiert Ida Glaser de feiten waar het in wezen om gaat. Moslims kunnen immers hun eigen boek citeren en hun eigen profeet navolgen bij hun behandeling van hun vrouwen. Een moslim die vriendelijk en menselijk optreedt, gaat dus in tegen zijn eigen boek en zijn eigen profeet, hetgeen een vorm van schande is.
  • Als christenen hun eigen boek lezen, kunnen zij natuurlijk misbruik maken van sommige teksten en vooral gebruiken in de kerkgeschiedenis. Wanneer zij echter op ‘kerkelijk-mannelijke’ wijze hun vrouwen domineren, gaan zij daarmee tegen hun eigen boek en het voorbeeld van hun Heiland in.

Met dit voorbeeld van Jezus had dit boek dan moeten besluiten. Heel interessant is het onderscheid dat Napoleon John maakt tussen cultuur en religie, wanneer hij uit dezelfde (Pakistaanse) cultuur moslims en christenen ten tonele voert. Daarbij gaat hij ook in op de vraag of moslimhuwelijken stabieler zijn dan christenhuwelijken. Inderdaad, Jezus doorbreekt de vicieuze cirkel, zowel in Engeland als in Pakistan. Jammer dat er dan nog een uitvoerig en moralistisch En nu? moest volgen; dat had nu echt niet meer gehoeven.

Samenvattend: een goedgedocumenteerd en opgebouwd boek. Lees echter wel kritisch!

R.H. Matzken, D. Miss.

 

Islamoloog en Midden-Oostenkenner professor Bernard Lewis verklaarde dezer dagen op een symposium in Jeruzalem dat Europa de strijd tegen de islamisering heeft opgegeven. Zijn collega Raphael Israeli gelooft dat Europa daarvoor een zware prijs gaat betalen.

JERUZALEM – Raphael Israeli gelooft dat Europeanen een zware prijs gaan betalen voor hun – in zijn ogen – naïviteit. Vier jaar geleden publiceerde hij het boek Islamikaze , waarin hij voorbeelden gaf van de opmars van de radicale islam in Europa. Over enkele maanden komt bij Vallentine Mitchell in Londen een nieuw boek van hem uit, met de titel The Third Islamic Invasion of Europe (‘De derde islamitische invasie van Europa’). Volgens de Israëlische professor maakt de islam ditmaal goede kansen.
De eerste invasie vond plaats in de zevende eeuw, vertelt de islamoloog in zijn kantoor op het Harry S. Truman Instituut van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. De moslims veroverden toen Spanje, Portugal en het zuiden van Frankrijk. In 732 stopte Karel Martel de opmars bij Portiers. Als dat niet was gebeurd, zou Europa vandaag islamitisch zijn geweest. Achthonderd jaar later werd de islam uit het zuiden van Europa verdreven. In 1492 werd de terugtrekking afgerond bij Granada onder de druk van de Spaanse reconquista .
De tweede invasie vond plaats in de vijftiende eeuw, toen de Ottomaanse Turken Europa vanuit het oosten aanvielen. Ze veroverden de Balkan en trokken op tot de poorten van Wenen, waar ze in 1683 werden verslagen. De terugtrekking verliep langzaam. Pas in de Eerste Wereldoorlog werd de Turkse heerschappij helemaal verbroken.
De derde invasie vindt volgens Israëli plaats op een totaal andere wijze. Hij gebruikt het Arabische woord ‘ dawa ‘. De islam rukt volgens hem op door penetratie, propaganda, bekering en demografische veranderingen. De gezinnen van de autochtone Europeanen zijn klein. Ook in rooms-katholieke landen is de groei van de bevolking teruggelopen. ,,De Europeanen plegen demografische zelfmoord”, luidt zijn conclusie.

Immigratiewetten
Een oplossing voor het probleem bestaat volgens hem niet. Toen hij zijn boek begon te schrijven, lag volgens hem Europa nog te sluimeren.
Nu beginnen de Europeanen zich bewust te worden van de ernst van de situatie. Europa kan de opmars van de islam afremmen of stoppen door de immigratiewetten te veranderen. Maar de maatregelen zijn vanwege de Europese eenwording nooit sterker dan de zwakste schakel. Illegale immigranten blijven maar toestromen en de landen bieden bovendien de mogelijkheid van familiehereniging. Het aantal moslims in Europa zal zich verder uitbreiden. De moslimbevolking verdubbelt bij elke nieuwe generatie – dat is ongeveer 25 jaar, aldus Israeli. In het ene land gaat de groei sneller dan in het andere. Toen hij jong was, woonden er in Egypte 25 miljoen mensen. Nu zijn het er 75 miljoen. De schattingen over het aantal moslims in Europa lopen uiteen. Israeli komt tot een getal van 30 miljoen.

Zware prijs
In Groot-Brittannië bijvoorbeeld nam het aantal immigranten met een miljoen toe gedurende de tien jaar van Tony Blair. Ongeveer driekwart van hen zijn moslims. Velen van hen zijn niet geregistreerd en tellen dus niet mee in de officiële statistieken. Inmiddels zijn de immigratiewetten in Groot-Brittannië zwaar verscherpt. Als Turkije bij de Europese Unie komt, komen er direct 75 miljoen moslims bij. Israeli gelooft dat Europa een zware prijs gaat betalen voor het op grote schaal toelaten van de islam op zijn grondgebied.
,,Mijn vrouw komt uit Zweden. Als ik naar de markt ga in Malmö, spreek ik Arabisch met de marktkooplui. Ze zijn dik tevreden. Ze zeggen: ‘Het gaat goed, we zijn volledig beschermd.’ Maar een van hen vertelde me: ‘Er is één ding dat we niet leuk vinden. We zijn nu Zweden, en we hebben dezelfde rechten als anderen. Maar we kunnen niet accepteren dat er een kruis staat op de Zweedse vlag. Daardoor worden onze gevoelens gekrenkt’.” Ik zei: ‘Ze waren aardig voor jou, ze gaven je bescherming. En nu wil je zeggen dat ze hun nationale symbolen moeten veranderen? Toen je hier kwam, wist je dat die er waren. Als dat je tegenstaat, kom hier dan niet.’ Hij stond er echter op dat ze zijn gevoelens niet mogen bezeren, omdat hij en de zijnen dezelfde rechten hebben als anderen.”
In zijn boek geeft Israeli vele citaten van moslims die erop duiden dat ze niet naar Europa kwamen om zich aan te passen, maar om Europa te veranderen. ,,In Engeland zeggen ze dat openlijk en zonder schaamte. Sjeik Umar al-Bakri zei: ‘Over twintig jaar wappert de islamitische vlag bij Westminster en Downing Street.’ Veel mensen nemen hem niet serieus. Hij neemt zichzelf wel serieus.”

Evangelie
Sommige christenen hebben gezegd: de komst van de moslims is een zegen, omdat ze die kunnen bereiken met het evangelie. Israeli geeft toe dat een aantal moslims christen zijn geworden, maar de aantallen vallen volledig in het niet bij de Europeanen met een christelijke achtergrond die de overstap hebben gemaakt naar de islam. ,,In de afgelopen tien jaar zijn 50.000 Fransen en 50.000 Britten overgegaan tot de islam. Sommigen geloven dat de islam de toekomst heeft. Anderen hebben er een romantisch idee van, geïnspireerd door figuren als ‘Lawrence of Arabia’. En weer anderen zijn ervan overtuigd dat de islam de ware godsdienst is.”
,,In Europa gaan steeds minder jonge mensen naar de kerk. Ze hebben geen doel meer in hun leven. Ze zien dat de jonge moslims naar de moskee gaan. Voor hen draait alles om de moskee. Sommigen willen zien wat daar gebeurt. Ze raken verder en verder van de kerk en hun eigen achtergrond verwijderd. Ze voelen zich dan ook tot de moskee aangetrokken.”
Een deel van de moslims heeft zich helemaal aangepast aan het leven in Europa. Ze trouwen met Europeanen en ze sluiten zich aan bij de liberale cultuur.

,,Maar ik ben bang dat het in de meeste gevallen anders gaat. Als een moslimman een Franse vrouw trouwt – en dat gebeurt duizenden keren – zijn de kinderen volgens de moslimtraditie eveneens moslim. Ook als de vrouw zich formeel niet bekeert, beschouwen moslims haar als opgenomen in de moslimtraditie. Maar als een moslima met een Fransman omgaat, wordt zij als verraadster beschouwd. Als zij met hem trouwt, wordt ze onrein door het seksuele contact met een niet-moslim.”

Fundamentalisten
In de immigrantenwijken zijn de fundamentalisten actief. Ze stellen onomwonden dat Europa moet worden overgenomen en zijn bereid daartoe geweld te gebruiken. In de afgelopen jaren heeft er een toename plaatsgevonden van geweld.
Europese politici zullen in toenemende mate rekening moeten houden met de moslimkiezers. Die zullen weer hun eigen eisen stellen, bijvoorbeeld op het gebied van de familiehereniging. Israeli wil geen tijdpad geven, maar hij verwacht dat een groeiend deel van de bevolking de invoering van de sharia (islamitische wetgeving) gaat eisen. ,,Het is niet zo dat je van de ene dag op de andere overgaat van de grondwet naar de sharia. De sharia kan langzamerhand invloed gaan krijgen op de wetten die een land aanneemt. Je kan de sharia niet helemaal naast je neerleggen, omdat je rekening moet houden met een groeiend deel van de bevolking. Er zijn al hele gebieden waar niemand bij de verkiezingen kan winnen, als hij niet de steun heeft van de moslims.”
,,Europa is zeer naïef geweest, net zoals de rest van het Westen. Wij, westerlingen, denken: ‘als wij het beste met de anderen voorhebben, dan hebben ze dat ook met ons. Als wij tegenover hun vriendelijk en open en beleefd en weet ik veel wat zijn, dan is de hele wereld zo. Als je hen maar een kans geeft, dan komt alles wel goed’. Maar zo zit het niet in elkaar. Het is legitiem als ze de immigratie beschouwen als een manier om economisch en educatief vooruitgang te boeken. Maar ze vinden dat Europa deel moet worden van de islamitische wereld.”

Alfred Muller, ND 3 feb. 07

 

 

Trouw, Letter en Geest, zaterdag 11 oktober 2003

door Ibn Warraq

,,Edward Saids boek ‘Orientalisme’ rechtvaardigde de haat van de moslims tegen het westen en gaf het boosaardige anti-Amerikanisme een verfijnde, hoogliteraire glans.” De Islam-kenner Ibn Warraq beschrijft de pretenties, de blunders en het zelfbeklag van een bevoorrechte professor die het land haatte dat hem had opgenomen en hem overlaadde met eerbewijzen.

‘Alle kwalen van de Arabische wereld komen voort uit het oriëntalisme en hebben niets te maken met de sociaal-economische, politieke en ideologische gesteldheid van de Arabische landen of met de cultuurhistorische achterlijkheid die daaraan ten grondslag ligt.’ (Edward Said)

Toen hij al op gevorderde leeftijd was, maakte Edward Said een ongebruikelijk verzoenend gebaar. In 1998 beschuldigde hij de Arabische wereld van hypocrisie omdat ze een holocaust-ontkenner verdedigde in naam van de vrijheid van meningsuiting. Per slot van rekening, merkte hij op, ‘bestaat de vrijheid van meningsuiting nauwelijks in onze eigen samenlevingen’. Hij gaf toe dat de geschiedenis van de moderne Arabische wereld wordt gekenmerkt door ‘politiek falen, schending van mensenrechten, een verbijsterende militaire incompetentie, afnemende productiviteit en het feit dat wij, als enige van de moderne volken, achteruit zijn gegaan in democratische, technologische en wetenschappelijke ontwikkeling’.

Eindelijk had Said eens gelijk. Maar treurig genoeg zal hij de geschiedenis ingaan als degene die de hedendaagse intellectuele verdediging van de moslimwoede heeft uitgevonden. Oriëntalisme (1978), de multiculturele bestseller van Said, heeft in de Arabische wereld de kunst en wetenschap van de slachtofferkunde geïntroduceerd. Oriëntalisme, ongetwijfeld het meest invloedrijke boek van de afgelopen decennia voor Arabieren en moslims, gaf op schrille toon de hele westerse geschiedenis en wetenschap de schuld van de ziektes van de moslimwereld. Het rechtvaardigde de haat van de moslims tegen het Westen en gaf het boosaardige anti-Amerikanisme een verfijnde, hoogliteraire glans. Natuurlijk was Said in Frankrijk behoorlijk populair.

Zonder de verdorven imperialisten, racisten en zionisten zou de Arabische wereld weer groot zijn, was de boodschap van Oriëntalisme. Zoals we nu allemaal weten, wordt het Westen ook door het islamitisch fundamentalisme de grote Satan genoemd, die de islam, alleen al door te bestaan, onderdrukt. Oriëntalisme bracht dit idee op een hoger plan en bouwde het om tot multiculturalistische chic voor de westerlingen. Het deed elke kritiek op de islam verstommen, het bracht zelfs het onderzoek tot stilstand van uitmuntende islamologen, die bang werden dat hun bevindingen de gevoeligheden van moslims zouden kunnen kwetsen en die niet het gevaar wilden lopen het etiket ‘oriëntalist’ opgeplakt te krijgen.

Door zijn agressieve toon is Oriëntalisme een vorm van intellectueel terrorisme; het probeert niet te overtuigen met argumenten of met een historische analyse, maar met het spuien van beschuldigingen van racisme, imperialisme en eurocentrisme. Omdat Said gelooft dat zijn positie moreel onberispelijk is, denkt hij dat hij het recht heeft alle mogelijke middelen te gebruiken om deze te verdedigen, óók door de opvattingen van uitstekende geleerden te verdraaien en de intellectuele en politieke geschiedenis tendentieus te interpreteren, kortom: door de waarheid geweld aan te doen. Maar daar had Said een handig excuus voor. In zijn filosofie, erkende hij, bestond geen ‘waarheid’. Zogenaamde waarheden waren op z’n best alleen maar relatief.

Tegenspraken
De oriëntalistiek is gewijd aan het wetenschappelijke onderzoek van de Orient. Said beschuldigt deze hele wetenschap ervan negatieve rasstereotypen en anti-Arabische en anti-islamitische vooroordelen te bestendigen en de mythe van een onveranderlijke Orient in stand te houden. Bovendien houdt hij de oriëntalisten verantwoordelijk voor het creëren van het onderscheid tussen westerse superioriteit en oosterse inferioriteit, wat ze bereiken door de stem van de oosterling te onderdrukken en door hun anti-humane neiging om vage generalisaties te maken over hele volken, die in werkelijkheid bestaan uit miljoenen individuen. Met andere woorden: veel van wat was geschreven over het Oosten in het algemeen en de islam en islamitische cultuur in het bijzonder was onjuist. De oriëntalisten worden ook beschuldigd van het creëren van de ‘Ander’ – de niet-Europeaan, die altijd negatief wordt gekarakteriseerd als passief, zwak en hunkerend naar beschaving.

Een belangrijke stelling van Said is dat de oriëntalistiek geen belangeloze, maar een politieke activiteit was: de oriëntalisten effenden het pad voor de imperialisten. De oriëntalist verschafte de kennis die de Orient onder controle houdt: ,,Kennis van de onderworpen rassen of oosterlingen maakt het besturen ervan gemakkelijk en winstgevend; kennis geeft macht, meer macht vereist meer kennis, enzovoort in een steeds voordeliger dialectiek van informatie en controle.’

Het is niet moeilijk te zien dat er een tegenspraak zit in deze opvattingen van Said. Als de oriëntalisten een onjuist beeld hebben gegeven van de Orient, de islam, de Arabieren en de Arabische samenleving, hoe kan deze onjuiste kennis de Europese imperialisten dan hebben geholpen om driekwart van de aardbol te overheersen? ‘Informatie en controle’, schrijft Said, maar hoe zit het met ‘onjuiste informatie en controle’?

Soms lijkt Said te erkennen dat de oriëntalisten echte kennis hebben verworven. Zo betitelt hij Edward William Lane’s boek Manners and Customs of the Modern Egyptians uit 1836 als ‘een klassieker op het gebied van de historische en antropologische waarneming, vanwege zijn stijl en zijn enorm intelligente en briljante details’; ook schrijft hij over ‘een toenemende systematische kennis in Europa van de Orient’. Aangezien Said het woord kennis niet tussen sarcastische aanhalingstekens zet, neem ik aan dat hij bedoelt dat er een toename van echte kennis is geweest. Verder zegt Said van de oriëntalistiek dat het ‘een behoorlijke hoeveelheid exacte positieve kennis over de Orient’ oplevert. Opnieuw neem ik aan dat Said niet ironisch is wanneer hij het heeft over ‘filologische ontdekkingen op het gebied van de vergelijkende grammatica gedaan door Jones’.

Toch worden deze erkenningen van de echte ontdekkingen van oriëntalisten tegengesproken doordat Said vol blijft houden dat er niet zoiets als ‘waarheid’ bestaat; of doordat hij het oriëntalistiek karakteriseert als ‘een vorm van paranoia, kennis van een andere soort dan, bijvoorbeeld, gewone historische kennis’.

Pretenties
Het ondoordringbare proza van Said wordt opgesierd met postmodern jargon en een pretentieus taalgebruik waarachter vaak banale waarnemingen schuilgaan. Zo gebruikt hij de term ’textuele attitude’ waar hij alleen maar ‘geleerd’ bedoelt. Of neem deze zin: ,,Zo kwam uit de Napoleontische expeditie een hele reeks textuele kinderen voort, van Chateaubriands Itinéraire tot Lamartines Voyage en Orient tot Flauberts Salammbô, en in dezelfde traditie, Lane’s Manners and Customs of the Modern Egyptians en Richard Burton’s Personal Narrative of a Pilgrimage to al-Madinah and Meccah.’ Met de pretentieuze zinsnede ‘uit de Napoleontische expeditie kwam een hele reeks textuele kinderen voort’, kan Said alleen maar het verpletterend voor de hand liggende feit bedoelen dat deze vijf sterk uiteenlopende werken allemaal na 1798 zijn geschreven. Misschien ligt er een diepzinnige stelling verborgen in dit jargon, bijvoorbeeld dat deze werken op een of andere manier werden beïnvloed door de Napoleontische expeditie, erdoor geïnspireerd werden of zonder die expeditie niet geschreven hadden kunnen worden. Maar zo’n stelling voert Said niet aan.

Historische blunders
Voor een boek dat een serieuze intellectuele geschiedschrijving wil zijn, bevat Oriëntalisme wel erg veel historische blunders. Volgens Said overheersten Engeland en Frankrijk tegen het einde van de 17de eeuw het oostelijk Middellandse Zeegebied, terwijl de Levant in werkelijkheid nog honderd jaar beheerst zou worden door de Ottomanen. Britse en Franse kooplieden hadden toestemming van de Sultan nodig om aan land te gaan. Hij omschrijft Egypte en Pakistan als Britse koloniën, maar dat waren ze niet. Pakistan werd in 1947 gecreëerd toen de Engelsen weggingen uit India. Egypte was korte tijd een protectoraat, maar werd nooit gekoloniseerd. In echte kolonies zoals Australië en Algerije vestigden zich grote aantallen Europeanen, en dit was duidelijk niet het geval in Egypte.

Said beweert dat moslimlegers Turkije veroverden voor ze Noord-Afrika onder de voet liepen. Dat is niet zo. De Arabieren vielen Noord-Afrika in de zevende eeuw binnen, terwijl het christelijke Turkije pas aan het eind van de elfde eeuw, toen het Oost-Romeinse Rijk definitief instortte, werd veroverd door de Seljoek-Turken.

Said schildert het Portugese rijk ten onrechte af als kolonialistisch. Portugal was geen koloniale macht, maar domineerde slechts de handel in de 16de eeuw om aan het begin van de 17de eeuw plaats te maken voor de Hollanders. Begin 18de eeuw bestond er een Nederlandse suprematie in de Indische Oceaan en Indonesië, maar net zomin als de Portugezen onderwierpen de Hollanders de Orient. Ze gingen te werk via diplomatieke betrekkingen met inheemse heersers en een netwerk van handelsposten.

Dante
Said is geen historicus. Zijn deskundigheid om, als literatuurcriticus, een boek te schrijven over de oriëntalistiek was überhaupt twijfelachtig. Maar hij blijkt ook geen zorgvuldige lezer te zijn van Dante en diens meesterwerk De Goddelijke Komedie. In zijn speurtocht door de westerse literatuur naar vuiligheid om de westerse beschaving te besmeuren, stoot Said op Dante’s beschrijving van Mohammed in de Hel, en concludeert dat ‘Dante’s vers de lezer geen eschatologisch detail bespaart: de darmen en uitwerpselen van Mohammed worden met onverbloemde accuratesse beschreven’. Said verwart hier eschatologisch (leer van de laatste dingen) met scatologisch (leer der uitwerpselen). En hoe weet hij dat Dante’s beschrijving accuraat is? Ik neem aan dat hij bedoelt dat die zeer beeldend is.

Said verwenst Dante’s Hel omdat daarin drie moslims (de grote filosofen Avicenna en Averroës en koning Saladin) in het gezelschap verblijven van filosofen als Plato en Aristoteles. Voor Said is dit een grove en onrechtvaardige belediging, gezien het feit dat ‘de Koran Jezus vermeldt als een profeet’. Anders gezegd: de drie moslims wisten wel van Jezus, maar Plato en Aristoteles niet en toch zitten ze samen in de Hel.

Professor Said vergist zich hier. Deze moslims hadden niet gezondigd, maar ze waren gewoon niet gedoopt en omdat de doop het eerste sacrament is en de ‘poort naar het geloof’, konden zij niet worden gered. Daarom zaten ze in de buitenste kring van de Hel. Maar dat zij, volgens de christelijke leer, waren uitgesloten van redding, bedroefde Dante (‘mijn hart werd bevangen door een groot verdriet toen ik dit hoorde’).

Waarom verbande Dante Mohammed dan nog dieper in de Hel? Dante en zijn tijdgenoten aan het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw hadden slechts de allervaagste notie van de geschiedenis en theologie van de islam en zijn stichter. Dante dacht dat Mohammed het intiatief had genomen tot het grote schisma tussen christendom en islam. Net als zijn tijdgenoten dacht Dante dat Mohammed oorspronkelijk een christen was, een kardinaal die paus wilde worden. Mohammed zaaide verdeeldheid onder de mensen, terwijl Dante opkwam voor de eenheid van de mensheid.

Zelfbeklag
Said schildert de Orient af als eeuwig slachtoffer van het westers imperialisme, de westerse overheersing en agressie. De Orient wordt nooit gezien als een zelfstandige instantie met een eigen wil, met eigen plannen of ideeën. Daaraan hebben we die onvolwassen en onaantrekkelijke eigenschap te danken van een groot deel van de cultuur van het Midden-Oosten: zelfmedelijden en het geloof dat al zijn kwalen het resultaat zijn van westers-zionistische samenzweringen. Zo beweert Said in The Question of Palestine (1980) dat de zionistische beweging en Israël werden bedacht om de islam en het communisme op een afstand te houden.

Said is zelf een genotzuchtig beoefenaar van de politiek van het slachtofferschap. Hij wentelt zich in zelfbeklag: ,,Het leven van een Arabische Palestijn in het Westen, vooral in Amerika, is ontmoedigend. Er bestaat hier een bijna unanieme consensus dat hij politiek gezien niet bestaat, hoogstens een lastpost of een oosterling is. De Arabier of moslim wordt gevangen gehouden in een krachtig web van racisme, culturele stereotypen, politiek imperialisme en een ontmenselijkende ideologie, en het is dit web dat iedere Palestijn als zijn unieke bestraffende lot is gaan voelen.’

In zijn autobiografie Out of Place (1999) spuit deze gezaghebbende en gevierde professor aan de Columbia Universiteit, waar hij een behoorlijk salaris geniet en privileges heeft waarvan wij mindere stervelingen slechts kunnen dromen, zijn haat tegen het land dat hem heeft opgenomen en overladen met eerbewijzen. Zoals Ian Buruma schreef in zijn bespreking van dit boek: ,,Hoe meer hij uitweidt over zijn lijden en zijn positie als balling, hoe meer zijn bewonderaars hem bewonderen. Maar op mij heeft het het tegengestelde effect.’

In zijn bijzonder onoprechte Nawoord bij de heruitgave van Orientalisme in 1994, ontkent Said dat hij anti-westers is, hij zegt te geloven dat er geen stabiele realiteiten als ‘de Orient’ en ‘het Westen’ bestaan, dat er geen duurzame oriëntaalse werkelijkheid is en nog minder een duurzame westerse essentie.
Maar een feitelijke lezing van Orientalisme is voldoende om de anti-westerse houding van Said aan te tonen. Hoewel hij de Orient en het Westen af en toe tussen aanhalingstekens zet, berust de hele kracht van zijn polemiek op de polaire tegenstelling van het Oosten en het Westen, de Orient en Europa, Wij en de Ander, die door het hele boek heenloopt. Said beweert dat ,,elke Europeaan, in wat hij over de Orient kon zeggen, logischerwijs een racist was, een imperialist en bijna totaal etnocentrisch’. Anders gezegd: niet alleen was elke Europeaan een racist, maar dat moest hij noodzakelijk zijn.

Westerse schrijvers en geleerden die niet in zijn theoretische kader passen, laat Said gewoon weg. Aangezien volgens hem alle Europeanen a priori racistisch zijn, kan hij het zich niet veroorloven om schrijvers aan te halen die dat niet zijn. Toch zou je, parallel aan Orientalisme, een boek kunnen schrijven, dat is samengesteld uit fragmenten uit het werk van westerse schrijvers, geleerden en reizigers die niet-Europese culturen juist prezen en gunstig lieten afsteken tegen de decadentie, kwezelarij, onverdraagzaamheid en oorlogszucht van hun eigen cultuur.

Aeschylus en Herodotus
Said meent dat in De Perzen van Aeschylus de ‘Ander’ zijn intrede doet in de westerse beschaving. Aeschylus beschrijft daarin een veldslag tegen de Perzen, de slag bij Salamis, waaraan hij zeer waarschijnlijk zelf heeft deelgenomen in 480 v.C. Van die veldslag hing het naakte bestaan van het Athene uit de vijfde eeuw af. De Grieken veroverden 200 schepen en verloren er veertig, wat voor Aeschylus symbolisch was voor de triomf van de vrijheid over de tirannie, van de Atheense democratie over het Perzisch imperialisme. Aeschylus kan zijn triomfalisme dus wel vergeven worden.

Als Said wat dieper in de Griekse beschaving was gedoken, en had gekeken naar de grote geschiedschrijving van Herodotus, dan was hij twee eigenschappen tegengekomen die kenmerkend zijn voor de westerse beschaving en die Said uit alle macht probeert weg te stoppen en weigert te erkennen: het zoeken naar kennis omwille van de kennis zelf en de diepgewortelde overtuiging dat de mensheid één is, met andere woorden: het universalisme.

Het Griekse woord historia, waarvan ons ‘historie’ afkomstig is, betekent onderzoek, en Herodotus geloofde dat zijn werk het resultaat was van onderzoek. Voor Herodotus hebben historische feiten een intrinsieke waarde en een rationele betekenis. Hij was volledig vrij van raciale vooroordelen – Plutarchus brandmerkte hem later zelfs als een filobarbaros (letterlijk: een vriend van vreemdelingen) – en in zijn werk toonde hij veel sympathie voor de Perzen en de Perzische beschaving. Herodotus stelt de Perzen voor als eerlijk, dapper, waardig en trouw aan hun koning. Hij was nieuwsgierig naar de religies van de vele volken die hij bestudeerde, en eerbiedigde die want ‘alle mensen hebben dezelfde kennis van goddelijke zaken’.

Montaigne
Montaigne was de eerste die de nobele wilde beschreef in zijn beroemde essay ‘Over de kannibalen’ (1580), dat ook de oorsprong is van het cultuurrelativisme. Montaigne, die zijn nogal onbetrouwbare informatie heeft van een eenvoudig man, beschrijft enkele gruwelijke gebruiken bij de Braziliaanse Indianen en geeft dan als commentaar dat het hem niet verontrust dat men wijst op de barbaarsheid van die gebruiken, maar wel dat men volkomen blind is voor de eigen fouten. ,,Ik vind het barbaarser om een levend mens te eten dan een dode, om een lichaam dat nog vol gevoel is, op de pijnbank uit elkaar te scheuren en langzaam te roosteren of door honden en varkens te laten bijten en verminken (wat we in het jongste verleden zelf hebben zien gebeuren, niet onder vijanden in de oudheid, maar onder buren en medeburgers en, wat erger is, in naam van de vroomheid en de godsdienst), dan hem te roosteren en op te eten, nadat hij gestorven is.’

Elders in zijn essay benadrukt Montaigne de onvermijdelijke eenvoud, zuiverheid en onbedorvenheid van de Indianen. Zelfs hun ‘manier van oorlog voeren is in alle opzichten edel’. Montaignes nogal dubieuze, uit de tweede hand verkregen kennis over deze edele wilden weerhoudt hem er niet van zijn eigen cultuur en beschaving te kritiseren en moreel te veroordelen: ‘Wij overtreffen hen in elke vorm van barbaarsheid.’

Voltaire en Gibbon
De houding van Voltaire is typerend voor de hele 18de eeuw. Voltaire lijkt spijt te hebben gehad van wat hij in zijn, voor een moslim godslasterlijke toneelstuk Mahomet (1742) had geschreven over Mohammed. Hij had de Profeet voorgesteld als een bedrieger die de zielen van mensen knechtte: ‘Ik heb hem stellig slechter gemaakt dan hij was.’ Maar in zijn Essai sur les Moeurs (1756) en in verschillende lemmas in zijn Filosofisch Woordenboek toont Voltaire zich bevooroordeeld ten gunste van de islam en ten koste van het christendom in het algemeen en het katholicisme in het bijzonder.

Net als Voltaire, stelde de historicus Edward Gibbon (1737-1794) de islam in een zo gunstig mogelijk licht om zich beter af te kunnen zetten tegen het christendom. Hij benadrukte de menselijkheid van Mohammed om de christelijke leer van de goddelijkheid van Christus te kritiseren. Zijn anti-klerikalisme bracht Gibbon ertoe het zogenaamde ontbreken van die vervloekte priesterkaste in de islam te onderstrepen. Gibbons visie op de islam als een rationele, priesterloze religie, met Mohammed als wijze en verdraagzame wetgever, zou de Europese kijk op de islam voor jaren beïnvloeden.

Saids ogenschijnlijk erudiete selectie van westerse auteurs is dus bevooroordeeld. Met mijn selectie uit de westerse literatuur kun je het tegengestelde aantonen van wat hij doet. En mijn selectie bestaat niet uit een stuk of wat perifere figuren uit de marges van de westerse cultuur, maar het zijn de makers van die cultuur zelf, mensen als Montaigne, Voltaire, Gibbon, maar ook Bayle, Lessing, Montesquieu en Diderot horen daarbij.

Westerse nieuwsgierigheid
De gouden draad die door de westerse beschaving loopt, is de intellectuele nieuwsgierigheid. Zoals Aristoteles zei: ‘De mens streeft van nature naar het weten.’ Marxisten, freudianen en anti-imperialisten die alle menselijke activiteiten grofweg reduceren tot respectievelijk geld, seks en macht, hebben problemen met het begrijpen van het hele idee van belangeloos intellectueel onderzoek, kennis omwille van kennis.

Said zou moeten weten dat het dit verlangen naar kennis van de Europeanen was, dat ertoe heeft geleid dat de volken van het Nabije Oosten hun eigen verleden en hun eigen identiteit hebben herontdekt. In de 19de en begin 20ste eeuw werden de archeologische opgravingen in Mesopotamië, het oude Syrië, het oude Palestina en Iran, geheel uitgevoerd door Europeanen en, later, Amerikanen. De wetenschappelijke disciplines egyptologie, assyriologie, iranologie die de mensheid een groot deel van zijn erfgoed teruggaven, waren de exclusieve scheppingen van weetgierige Europeanen en Amerikanen. Terwijl de islam, om leerstellige redenen, welbewust weigerde te kijken naar zijn pre-islamitische verleden, dat werd beschouwd als een periode van onwetendheid.

De oriëntalisten vechten terug
Al enige jaren zijn de islamologen zich bewust van het desastreuze effect van Saids Orientalisme op hun discipline. Zo klaagt een islamoloog dat de invloed van dat boek heeft geresulteerd in ,,een angst om mogelijk pijnlijke vragen te stellen en te beantwoorden – vragen die moslimse gevoeligheden zouden kunnen kwetsen…’. Een andere islamoloog vond het boek ,,vakmatig erg slecht, in elk opzicht, in zijn bronnengebruik, in zijn gevolgtrekkingen; het heeft geen precisie en evenwicht. Het resultaat is een karikatuur van de westerse kennis van de Orient’.

De beroemdste hedendaagse geleerde die Said niet alleen antwoordde, maar die de vloer met hem aanveegde, was natuurlijk Bernard Lewis. Lewis heeft gewezen op veel ernstige fouten in de geschiedschrijving, in de interpretatie en analyse, en door weglating. Lewis heeft nooit antwoord gekregen, laat staan dat zijn bezwaren weerlegd zijn.

Het moet bijzonder bitter voor Said zijn geweest om de vijandige besprekingen van zijn Orientalisme onder ogen te krijgen van Arabische, Iraanse en Aziatische intellectuelen, van wie hij sommigen zelf hoogschatte. Nikki Keddie bijvoorbeeld, die hij prijst in Covering Islam, sprak van de rampzalige invloed van Orientalisme, hoewel zijzelf delen ervan bewonderde: ,,Ik denk dat er op het gebied van het Midden-Oosten een neiging heeft bestaan om het woord ‘oriëntalisme’ te gebruiken als scheldwoord voor mensen die het verkeerde standpunt innemen in het Arabisch-Israëlische conflict of voor mensen die als te conservatief beschouwd worden. Het heeft niets te maken met of ze goed of slecht zijn op hun vakgebied. Zodoende is ‘oriëntalisme’ voor veel mensen een woord dat het denken vervangt en mensen in staat stelt om bepaalde wetenschappers en hun werk af te keuren. Ik vind dat erg jammer. Edward Said heeft het wellicht helemaal niet zo bedoeld, maar de term is een soort slogan geworden.’

De eminente Iraakse geleerde Kanan Makiya zag vooral de noodlottige invloed van Said in de Arabische wereld: ,,Orientalisme beïnvloedde een hele generatie jonge Arabische wetenschappers, en het vormde de Midden-Oosten studies in de jaren tachtig. Het boek voedde een populistische politiek van wrok tegen het Westen.’

Maar het schadelijkste gevolg van Said’s Orientalisme is de steun die het geeft aan het religieuze fundamentalisme en zijn hardnekkige bewering dat ,,alle kwalen van de Arabische wereld voortkomen uit het oriëntalisme en niets te maken hebben met de sociaal-economische, politieke en ideologische gesteldheid van de Arabische landen of met de cultuurhistorische achterlijkheid die daaraan ten grondslag ligt’.

Copyright: Warraq, Ibn

 

Een Soedanese Moslim Imam de zich vijf jaar geleden tot het Christendom bekeerde maakte bekend dat hij in 1991 door het Khartoemse gerechtshof tot zes maanden gevangenis werd veroordeeld, de aanklacht was afvalligheid.

Sylvador Ali Ahmad – 38 jaar oud – vertelde dat in juni aan News Network International dat hij op 22 april 1991 gearresteerd werd omdat hij zich tot het Christendom bekeerd had.

Hij was op de meest aanziende universiteit Al-Azhar in Cairo geslaagd in de Islam geleerdheid. Ahmad diende voor 11 jaar als Imam in het Shagra district in de Khartoum.
Als jonge Imam was hij actief anti-Christelijk, Ahmad begon het Nieuwe Testament te lezen als voorbereiding voor de Doctors graad vergelijkende godsdiensten.
Hij werd er zeer onrustig van wat hij allemaal in de Bijbel las. “Ik herinner me dat ik het niet geloofde, ik was bang het allemaal op te volgen, maar het raakte me diep in het hart na zo’n zes maanden vergelijkende studie tussen de Bijbel en de koran besloot hij in september 1988 christen te worden.”
Alhoewel zijn vrouw in het begin meeging in zijn beslissing, boog en zwichtte zij ten slotte voor haar vaders vooroordelen dat hij een Kafir (afvallige) was. Haar kinderen meenemend verliet zij hem en eiste een scheiding die haar werd verleend na een verhoor van 2 uur voor een Shariagerechtshof (Islamitisch wetsgerechtshof) in Kahrtoem.

Toen Ahmad vrijwillig al zijn salaris van zowel zijn onderwijzersbaan en zijn militaire baan aan zijn vrouw gaf, antwoordde de shariarechter:”Je hebt nog steeds een moslim geest. Je zult tot de Islam terugkeren.”
Ahmad zei daarentegen, dat hij aan zijn nieuwe geloof toegewijd bleef hij werd op 14 mei 1990 gedoopt.
Zo’n klein jaar later na een van de regering uitgaande Islamitiseringsdwang die door Lt. Gen. Umar al-Bashir werd uitgevoerd vroeg Ahmad’s vorige vrouw aan de veiligheidsdienst zijn zaak van zijn afvalligheid te onderzoeken.

Toen Ahmad opgeroepen werd om voor te komen voor verhoor verklaarde deze ruiterlijk dat hij de afgelopen zondag nog een kerk bezocht had en dat hij Christen was. Hij werd onmiddellijk gearresteerd en in eenzame opsluiting in ketenen geslagen.
De volgende dag werd Ahmad bij zes rechters van het hooggerechtshof voorgeleid die hem vroegen waarom hij de Islam verlaten had.
“Ik kwam de Waarheid te weten,” was zijn antwoord.
“Dus de Islam is niet de waarheid,” antwoordde één der rechters.
“Die vraag is niet voor mij,” zei Ahmad. “Ik kan alleen vragen aan Christenen beantwoorden.”
“Dus, je hebt de Islam verlaten?” Weet je dat de straf daarop de doodstraf is?
“Ja, ik ken de Sura’s zeer wel. Ik heb U reeds verteld dat ik zo’n 11 jaar Imam geweest ben. Ik weet dat de Islam eist dat ik daarvoor gedood moet worden.”

Uiteindelijk gaven de rechters hem zes maanden gevangenisstraf. Ahmad werd van zijn militaire rang beroofd uit zijn leergezag ontheven, en omgang met zijn kinderen verboden, zijn auto, huis en bankrekening werden hem ontnomen.
Toen waarschuwde de rechter hem, “Als je weigert terug te keren tot de Islam, en je je geloof in Jezus Christus vasthoudt, dan zal het vonnis met zes maanden verlengd worden totdat je je in berouw bekeert.”
Maar na zo’n zes maanden veranderde het gevangeniswezen van gedachte. Onverschrokken in zijn Christelijke getuigenissen had Ahmad al gauw kleine gebeds- en Bijbelgroepen over de gehele Omdurman gevangenis verspreid.
“Na zo’n drie maanden vertelde Ahmad aan het NNI dat er al 305 in de gevangenis als Christen bekend stonden en er waren er minsten 7 met een Moslim achtergrond.

Uiteindelijk brandmerkte men hem als een zeer gevaarlijk man,” De Imam van de gevangenis vroeg overplaatsing aan naar de Gerif gevangenis een werkkamp in Oost Khartoum.
Maar daar bleef Ahmad doorgaan met evangeliseren en al gauw waren er al 8 Christelijke samenkomsten, een week later waren er al vijftig rond een boom in de gevangenis samengekomen. En twee maanden later werd er een kerkdienst ruimte voor zo’n 150 Christen gelovigen gegeven.

Na verluidt werden er gevangenisgenoten naar het christelijk geloof getrokken door veel wonderlijke gebedsverhoringen, en ook door Ahmad’s moedige getuigenissen wat de leerstellingen van Jezus betrof.

Zijn zesmaandenvonnis werd niet hernieuwd die de rechters beloofd hadden. ” Ik denk dat ik in de gevangenis werd gegooid omdat ik niet een gewone Moslim was, Aman vertelde de NNI dat hij een Imam was en ik had een groep Moslims die mij volgden en dat maakte mij voor hen een gevaar.
Maar toen er in de gevangenis zovele om mij tot bekering kwamen stelde hij vast dat het voor mij beter was om buiten de gevangenis te verkeren!”

 

 

Over de auteur

Ajith Fernando, die uit Sri Lanka komt, zegt dat de christenen van vandaag moeten leren hoe ze op een gevoelige, bewogen, respectvolle en wijze manier kunnen reageren op de culturen en overtuigingen van niet-christenen, uit welk land dan ook. Maar tegelijkertijd moeten ze op een onmiskenbare manier de absolute uniekheid en noodzakelijkheid van Jezus Christus overbrengen.

In dit boek brengt Ajith drie principes over voor een kerk die te maken heeft met een samenleving die steeds pluralistischer wordt. De auteur maakt duidelijk hoe gelovigen op een wijze en duidelijke manier dingen die verkeerd zijn moeten bestrijden, terwijl ze Gods liefde door hen heen laten werken om anderen tot Christus te trekken.
Ajith is sinds 1976 de directeur van Youth for Christ in Sri Lanka. Hij is momenteel ook actief aan Colombo Theological Seminary, en hij is gastdocent aan verscheidene bijbelscholen.
Ajith beschouwt zijn vrouw, Nelun, als zijn belangrijkste metgezel in zijn bediening. De Fernando’s hebben twee kinderen: hun dochter Nirmali (21) en hun zoon Asiri (17).

Een tv-programmamaker vertelde onlangs in een interview: ‘Mijn christelijke opvoeding zal altijd mijn basis blijven. Daarnaast is er ruimte voor Boeddha. Naast mijn trouwbijbel liggen kalebassen, wierook en kaarsen. Soms gebruik ik wintirituelen. Allemaal naast elkaar. Er is zoveel om dankbaar voor te zijn in deze grote kosmos. Weet je wat het is, er zijn nooit genoeg manieren om God te bedanken. Maar blijf het alsjeblieft doen.’

De wereld waarin onze ouders opgroeiden, werd nog gekenmerkt door een meerderheid aan christenen die geloofden in de uniciteit van Jezus. Dat is nu in haast één generatie veranderd in een wereld gekenmerkt door religieus pluralisme. Een wereld waarin sommige verschillende rituelen, zoals in bovengenoemd citaat, uit verschillende godsdiensten door elkaar heen worden gebruikt.

Deze wereld is voor veel jongeren heel vertrouwd. Ze groeien op in een samenleving waarin de meerderheid van hun geloofsgenoten niets meer heeft met het christelijk geloof. Waarin velerlei geloven naast elkaar bestaan binnen hun directe blikveld. Het is goed om ons te realiseren dat dit ook van toepassing was op de wereld van de eerste christenen. Ook Paulus trof in Athene een veelheid aan goden aan.

Hoe reageren we daarop?
Leslie Newbigin geeft in zijn boek: The Open Secret twee veelgehoorde reacties, ook in onze tijd: Waarom zoeken we niet samen met alle oprechte aanhangers van alle religies naar de volheid van de waarheid waar we allemaal een deeltje van hebben? Of: Waarom werken we niet met alle mensen die iets goeds willen aan het oplossen van de werkelijke menselijke problemen zoals honger, ziekte, uitsluiting. Dit in plaats van meer aanhangers te zoeken voor onze religieuze groepering.

Van belang bij deze veelgehoorde reacties is de vooronderstellingen boven tafel te halen. Alsof alle godsdiensten een deel van de waarheid hebben, of dat economische rechtvaardigheid (hoe gewenst ook), werkelijk de problemen van de mensheid oplossen.

Helaas komen veel mensen niet zover dat ze vragen naar de vooronderstellingen waarmee velen om ons heen soms verstrekkende conclusies trekken en waarheden verkondigen die op z’n minst discutabel zijn.

Ajith Fernando’s boek helpt ons om een weg te vinden in een multireligieus aanbod. Hij doet dit op een zeer integere en authentieke wijze. Ik heb hem leren kennen als een collega die vanuit zijn theologische achtergrond antwoorden probeert te vinden op de vragen van deze tijd. Met respect voor anders-gelovigen maar Anchored to the Rock and Geared to the times. Een van de leidende principes in het Youth for Christ-werk wereldwijd. Het boek geeft een helder overzicht van onze huidige religieuze samenleving. Zeer lezenswaardig om er kennis van te nemen.
Vroeger dacht de kerk nog voor jou. In het moderne tijdperk was het levensmotto: ‘zorg dat je zelf denkt, en laat anderen dat niet voor jou doen.’ In ons postmoderne tijdperk hoef je niet meer te denken, laat het je gebeuren, onderga het gewoon. De reclames communiceren niet de functies van een product of dienst, maar dragen een sfeer uit. Gevoel verkoopt.De nadruk ligt op de subjectieve waarheid. Jij hebt jouw waarheid en ik de mijne. Die van mij is even waardevol als die van jou. Een houding van tolerantie maar met weinig respect voor elkaar. Waar we naar elkaar luisteren en met elkaar in debat gaan.
Voor ons als christenen is het belangrijk om vanuit een houding van respect in gesprek te gaan met anders-gelovigen. Waarbij ook beleving een belangrijke plaats krijgt. Hoe communiceren we het evangelie vanuit een houding van liefde en respect in deze tijd? Waarbij het niet draait om onze dogma’s maar om een commitment aan Jezus. Zoals Johannes het verwoordt in Joh.17:3: Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.’

Ajith schrijft dat hij zich 25 jaar geleden nog niet rijp voelde dit boek te schrijven. Hij vond dat hij nog te weinig ervaring had. Dit boek is nu door al die jaren heen gerijpt. Geschreven niet door een westers theoloog, maar door een gepassioneerde theoloog uit Sri Lanka, met zijn beide voeten in de modder. Trouw aan Christus. Met groot respect voor anders-gelovigen en onderscheidingsvermogen waar het op aankomt. Iemand die er steeds voor blijft kiezen om het evangelie te leven te midden van zijn medeburgers in Sri Lanka, vaak in armoedige levensomstandigheden. Evangeliedienaar stond er op de rouwkaart van prof. dr. J. Verkuyl. Een treffende typering voor een groot missioloog uit de vorige eeuw. Dergelijke woorden zijn wat mij betreft ook van toepassing op Ajith Fernando, al hoop ik dat hij nog vele levensjaren krijgt om zijn levenswijsheden in boekvorm te publiceren. Ook om nog vele jongeren en ouderen te vertellen van de Liefde van Christus die dringt.

Kortom een boek dat een goede wegwijzer vormt in onze wereld van religieus pluralisme. Een boek dat helpt om antwoorden te geven aan mensen zoals in de aanhef. Waarbij allerlei religies op één hoop worden gegooid. Vaak vanuit goede bedoelingen maar waarbij fundamentele vragen uit de weg worden gegaan of vooronderstellingen onduidelijk blijven. Waarbij de wegwijzer vaak na enige tijd naar een doolhof lijkt te verwijzen. Ajith geeft ons vanuit zijn levenservaring kennis van vele wegwijzers waarbij hij naar één grote vuurtoren als helder en betrouwbaar baken op zee verwijst: Christus. En voor ons één levensdoel: een commitment aan Jezus Christus. Aan Zijn Grote Opdracht voor deze wereld. Een weg, navolging waard!

Edward de Kam
Directeur Youth for Christ Nederland