Hoe handel je, als je tijdens een reïntegratieproces in aanraking komt met za-zenboeddhisme?

Achtergrond
Za-zen heeft haar wortels en bronnen in het boeddhisme, wat direct zichtbaar is in de toegepaste methodiek en de denkwijze.  Daarmee is zij niet vrijblijvend, immers zich met zazen bezighouden bedrijft actief afgoderij. Dat vereist uitleg. ‘Za’ betekent ‘zitten’ en ‘zen’ betekent ‘concentratie’. Men beoogt door een speciale zittende houding geest, ziel en lichaam één te maken met de zgn. kosmos (het zgn. universele bewustzijn), een innerlijke revolutie teweeg brengen door de spirituele invloed op de mens (geest, ziel en lichaam). Kort samengevat: za-zen heeft diverse direct aan het occultisme gerelateerde technieken. Feitelijk is het niets anders dan een verkapte oosterse manier van spiritisme.
Via een juiste zittende houding (shikantaza) moet de beoefenaar zijn gedachten en denken uitschakelen. Hulpmiddel wordt de beademing genoemd (dit is ‘chi’ of ‘ki’ de goddelijke adem van de god Tao en bekend uit bijv. Tai Chi).  In combinatie met de zittende houding ‘borrelen nu allerlei wijsheden op’ in het ‘fysieke lichaam’. Let op het volgende citaat: “Tijdens za-zen komen allerlei beelden, gedachten en hersenspinsels op uit het onbewuste. We laten ze voorbijgaan, zoals de wolken aan de hemel voorbijkomen en uit het zicht verdwijnen. Wanneer we stoppen met onze persoonlijke gedachten te onderhouden, verschijnt het ‘hishiryo – bewustzijn’, het bewustzijn dat denken en niet-denken overstijgt.”
In hishiryo wordt een hoogst onchristelijke manier van denken zichtbaar. Dit begrip  kan omschreven worden als ‘denken uit de diepte van het niet denken’, maar ook ’denken is niet denken’. Het Bijbels denken kenmerkt zich juist door actief nadenken en overdenken. Niet een vaag opborrelen van niet of moeilijk te traceren of te specificeren bronnen uit het rijk der duisternis.
In een persoonlijk gesprek gaf een sensei (leermeester) toe, dat hij wel degelijk geleidegeesten had, die op den duur ‘ondeugend’ werden en ook spraken, als hij niet mediteerde: ondeugend, maar ook (!) dwingend en soms zelfs agressief. Aan hem heb ik het Evangelie uitgelegd, want hij verlangt naar innerlijke rust en ECHTE waarheid.

Tenslotte
Een paar dingen op een rij. Het oproepen van oncontroleerbare geesten (door te stoppen met nadenken en hen toegang te verschaffen via houding, meditatie en domweg er hierdoor om te vragen). De methode staat haaks op het Bijbels denken. Denk na, bestudeer en kies bewust! Hoe kan een zgn. goede boodschap/methode leiden tot een hoogst agressieve gevechtssport? Zelf heb ik voor ik christen was aan de aanverwante Taekwondo en Tai Chi gedaan. Beide gevechtssporten zijn aan za-zen verwant en dus eveneens occult. Boeddhisme heeft alles te maken met reïncarnatie. Alle meditaties dienen dit doel en de uitwerking is juist (!) eerst zichtbaar in het volgende leven! Door metaforen te gebruiken wordt za-zen ‘bruikbaar’ gemaakt voor het westers denken, waarbij zij de suggestie wekt dezelfde waarden en normen te hebben. Dit is een leugen!

E. L.
Bovenstaand artikel is gezonden naar een persoon die in een reïntegratietraject van de Sociale Dienst met een weerbaarheidstraining met deze meditatie te maken kreeg. De bedoeling was om de deelnemers fit aan het werk te krijgen. De leraar was een Japanse gevechtssporter, die op za-zen-manier de cursisten weerbaar probeerde te maken!

Afweging
De cursisten moesten op de knieën zitten en met de handen in een bepaalde stand en dan tot rust komen. De leraar boog uit respect voor portretten van Japanse gevechtssporters. De persoon in kwestie besloot om niet meer mee te doen.  Vanuit de cursusleiding was dit okay, maar het telefoongesprek met de sportleraar stond haaks hierop. ”Ik haalde het meest uit de cursus door aan alles mee te doen, anders miste ik belangrijke dingen. En als ik niet wilde buigen, dan was dat wel akkoord. Maar aan de andere dingen moest ik gewoon meedoen.” Na informatie leerde ik de achtergronden kennen. Door het stil zitten en daarbij gedachten en denken uitschakelen, concentreer je je op de ademhaling. En dat is “ki”, de energie van de adem van de god Tao, (bekend uit Tai Chi.) De sportleraar heeft gelijk, als hij zegt, dat als je hier niet aan mee doet,  je niet het optimale effect uit de training haalt. Eigenlijk geef je je ziel over aan afgoden, zodat zij jou kracht geven! De conclusie was dat ik ook aan het sporten niet meer kon meedoen!

Daarna heb ik een mail gestuurd naar de Sociale Dienst, dat ik gewetensbezwaren had en dat ik wel een andere sport wilde. Wel moest ik 2 keer aangeven, dat ik gewetensbezwaard was. Men probeerde  me alsnog mee te laten doen, omdat het volgens de Dienst  niet religieus was. Het steeds hebben over “lekker in je energie komen” en “tot rust komen” is voor mij een teken aan de wand! Gelukkig kan ik inmiddels naar een andere sport. Ik hoop, dat ook mijn cursusgenoten hier steeds minder zin in krijgen en dat ze voor zover als mogelijk beschermd worden! Iemand gaf al aan, dat ze ook liever fitnes deed. Ik geniet stilletjes van zo’n uitspraak, want wie weet, komen ze ook tot inzicht! Ik weet nu wat voor mij de weg is. Ik ging hem liever niet. Ik weet, dat ik van deze zonde gereinigd kan worden. “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” 1 Joh1:9. Ik ben me meer bewust geworden van de strijd, maar ook meer van de waarheid.”

D.

De uit Soedan afkomstige Fouad Adel laat in zijn bijdrage de toestand van de christenen in landen zien waar de islam domineert.

Inleiding
De laatste tijd, sinds de strijd door de Mohammed-karikaturen in verschillende Arabische en islamitische landen opvlamde, kerken werden bestormd en veel christenen werden omgebracht, heb ik bezorgd een aantal vervolgde christenen opgebeld om te informeren hoe het met hen gaat. Eén van hen citeerde voor mij Romeinen 8: 35-39:

35. Wie  zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: ‘Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.’ 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dan noch dood noch leven, noch engelen  noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. (NBG)

Grondwettelijke rechten afgewezen
Het mag ongelooflijk klinken, maar het is werkelijk zo, dat bij meer dan 200 miljoen mensen de basale mensenrechten met voeten worden getreden en dat uitsluitend op basis van het feit, dat ze christen zijn. Vandaag de dag worden jaarlijks velen omgebracht, gewelddadig behandeld, op slavenmarkten verkocht, in gevangenissen geworpen, gefolterd, geïntimideerd, gediscrimineerd en gearresteerd, alleen maar omdat ze christen zijn. Zij vragen ons om voor hen te bidden, hen te ondersteunen en waar mogelijk te helpen. Ze vragen ons ook om voor hun belangen op te komen, omdat zij zelf monddood gemaakt zijn. Zij vragen ons vooral, om hen niet te vergeten, als zij in de gevangenis zitten en ook aan hun families te denken, van wie ze gescheiden zijn. Zij vragen ons niet te zwijgen om hun smeekbede om hulp in deze wereld bekend te maken.

Wat zijn “islamitische landen”?
Als we het hebben over het leven van een christen in een islamitisch land, dan moeten we wel eerst weten wat we daar onder verstaan. Het zijn nl. landen waar de islamitische sjaria, het islamitisch rechtssysteem,  op elk gebied van het leven van toepassing is verklaard, zoals dat het geval is in Saoedi-Arabië, in Iran, in Libië, in Pakistan, in Noord-Nigeria en in Soedan. De onderlinge verschillen hangen in de praktijk ermee samen, dat de islamitische sjaria-wetten in de diverse landen anders worden geïnterpreteerd. Er zijn landen bij, waarbij de islam weliswaar tot staatsgodsdienst is verklaard, maar de sjaria in beperkte mate wordt toegepast. In het bijzonder geldt dat voor het zogenaamde hudud-recht, waarbij in geval van diefstal de handen worden afgehakt of steniging plaatsvindt in geval van overspel, zoals in Egypte en Marokko. Daarnaast zijn er landen met een islamitische meerderheid, waar de staat probeert  de radicale islam onder de duim te houden, zoals in Algerije, Turkije en Indonesië.

De afkomst van de christenen in islamitische landen

1. Christenen zuidelijk van de Sahara: ”Dar al-Islam (huis van islam)”
De afkomst van christenen in islamitische landen kan uit het hindoeïsme of uit de natuurreligies zijn, zoals in Zuidoost-Azië en Afrika. Deze mensen hebben zich ooit eens bekeerd tot het christelijk geloof. In Afrika echter, ten zuiden van de Sahara, de zogenaamde “Dar al-Islam” is de meerderheid afkomstig vanuit het animisme. Deze christenen zijn altijd al vervolgd, omdat volgens de islamitische leer, de Koran en de Hadieth (= geschreven overlevering van Mohammed) een bekering vanuit het heidendom tot het christendom verboden is.  Het christelijk geloof is volgens de islamitische opvatting een leugen en iets verderfelijks, zodat heidenen zich altijd bij de islam behoren aan te sluiten. Doen ze dat niet, dan krijgen ze met vervolging te maken en worden ze veracht door de moslims.

2. Christenen in de Sahelzone
Voor christenen in de Sahelzone (Soedan, Tsjaad, Noord-Kameroen, Niger, Mali) geldt, dat zij veel moeilijkheden en bittere ervaringen hebben doorgemaakt. Veel conflicten in deze regio worden veroorzaakt door de Arabische en  islamitische volken van de noordelijke Sahel-zone die christenen en de animisten in het zuiden van deze zone als slaven behandelen.

3. Buitenlandse christenen in de rijke olielanden
Op grond van hun beroep hebben buitenlanders altijd al in “Dar Al-Islam” (Huis van de islam) gewerkt. Tegenwoordig zijn het christenen vanuit de hele wereld, die in de rijke olielanden werken. Zelfs in een land als Libië is christenen toegestaan in kerkgebouwen bij elkaar te komen. Zij hebben echter geen recht om nieuwe gemeenten te stichten. In Saoedi-Arabië hebben de christenen in  het geheel geen recht op samenkomsten.  Ze mogen zelfs geen eredienst houden, in wat voor ruimte ook, geen christelijke symbolen tonen en niet over hun geloof spreken. De laatste jaren werden om die reden steeds weer christenen opgesloten. Moslims, die zich tot het christendom bekeren, worden in islamitische landen veracht, vervolgd en omgebracht. Ze duiken meestal onder en het is voor hen niet mogelijk om zich bij een gemeente aan te sluiten of om gemeenten van bekeerden te stichten. De islam staat geen vrije keuze, in het bijzonder aangaande hun religie, toe. Integendeel, ze roepen op tot geweld tegen bekeerden, waarbij  het er om gaat, dat zij de islam weer aannemen. Afval van de islam wordt met de dood bestraft. “En indien zij tot vijandschap vervallen, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook vindt; en neemt vriend noch helper uit hun midden.” (Soera 4: 89). Moslims moeten hen zo lang bevechten, totdat hun tegenstanders zich onderwerpen aan de islam, tenzij deze tegenstanders er voor kiezen om te sterven. Soera 9: 29: “Bestrijdt diegenen onder de mensen van het Boek, die in Allah noch in de laatste Dag geloven, noch voor onwettig houden wat Allah en Zijn boodschapper voor onwettig hebben verklaard, noch de ware godsdienst belijden totdat zij de belasting met eigen hand betalen, terwijl zij onderdanig zijn.”

4. Christenen in het Midden-Oosten
In het Midden-Oosten behoren de christenen overwegend tot kerken, die al van oudsher, lang voordat de islam in de 7e eeuw opkwam, aanwezig waren. Deze kerken waren volkskerken, zoals de Koptische kerk in Egypte, de Armeense kerk in Syrië en de orthodoxe kerken  in diverse landen in het Midden-Oosten. Ze werden steeds onderdrukt en vervolgd onder de Arabisch-islamitische overheersing. Tegenwoordig  zijn ze praktisch uitgestorven of tot een minderheid geworden. Zo maken de Kopten nu nog slechts 10% van de totale bevolking uit. In Libanon is de Maronietengemeenschap nog maar 25% van de bevolking en de Assyriërs in Syrië maken ongeveer 8% uit van de totale bevolking uit.

Dhimmah (= verdrag voor niet-moslims)
De voor-islamitische christenen werden door de moslims als zogenaamde “beschermburger” (dhimmi) geduld. Dit begrip komt neer op collectieve slavernij. Onder deze wet mochten christenen geen overheidsfuncties bekleden, moesten de moslimstaat door hoge belastingen financieren en moesten door speciale kleding herkenbaar zijn. Zij mochten niet aan evangelisatie doen, geen nieuwe kerken bouwen en christelijke symbolen, zoals kruisen, mochten nergens zichtbaar zijn. Overtredingen werden bestraft. Hierdoor raakten veel christenen onder persoonlijke slavernij en werden gedwongen om moslim te worden. In veel landen  leidde het islamitische fundamentalisme er toe, dat christenen in een sterk nadelige positie werden gemanoeuvreerd. De oude dhimmah-wetten worden nu weer tevoorschijn gehaald. Veel christenen reageren daarop met emigratie, waardoor het aantal christenen in het Midden-Oosten jaar na jaar minder wordt. Christenen die protesteren tegen deze vorm van discriminatie, moeten rekening houden met vergeldingsmaatregelen van de zijde van de islamitische meerderheid onder de bevolking of zelfs van de overheid. In dergelijke situaties mogen we gerust spreken van vervolging.

Verkeerde tolerantie
Tegenwoordig horen we in Europa heel veel over tolerantie tegenover moslims. We zouden eens de realiteit onder ogen moeten zien, hoe het ligt met het krijgen van toestemming om in islamitische landen kerken en gebedsruimten te mogen bouwen voor christenen in vergelijkbare omvang, zoals moskeeën, Koranscholen en islamitische centra in Europa zijn gebouwd. In de laatste 30 jaar kwamen er alleen al in Duitsland 2.500 moskeeën bij, terwijl in alle islamitische landen bij elkaar de laatste 30 jaar slechts 7 kerken mochten worden gebouwd. Daarnaast zijn de kerken en gemeente-centra die vernield of in brand gestoken zijn, niet meer te tellen. We zouden ook eens de realiteit van deze tolerantie onder ogen moeten zien, als de christelijke kerken, voor de velen, die ondergronds en in het geheim bij elkaar moeten komen, kerken gebouwd zouden mogen worden, zodat deze christenen in vrijheid, zonder gevaar en gewelddadigheden, hun geloof kunnen belijden. Een duidelijk bewijs voor deze oproep, de “verkeerde tolerantie”, zijn de omstandigheden waaronder christelijke minderheden in de overwegend islamitische landen moeten leven. Sinds meer dan 1400 jaar ondergaan de christelijke minderheden steeds weer opnieuw bloedige vervolgingen, omdat de plaatselijke islam, die daar aan de macht is, hun masker heeft afgelegd en het ware gezicht laat zien. Dat moet ons overigens niet weerhouden om onder de moslims in Europa te evangeliseren.

Verovering van Europa
Ware moslims zien zichzelf als veroveraars. Ze verlaten hun moederland om Nederland en geheel Europa te winnen voor de islam. Hun doel is een islamisering van Europa en een islamitisch Nederland. Het middel dat ze gebruiken heet “Jihad”(= heilige oorlog). Om hun doel te bereiken volgen ze de stap-voor-stap-strategie. De eerste stap is hun verbale solidariteit met de Europese samenleving en het benutten van alle mogelijkheden, die Nederland en de rest van Europa biedt, de druk te versterken en deze landen en hun bevolking te winnen voor de islam. Verhuizen of emigreren is een fundamenteel begrip binnen de islam. Het opgeven van je geboorteland en je nationaliteit naar de wil van Allah is gelijk te stellen met de “jihad”. Zelfopoffering is niet alleen een plicht: het weigeren om de islam in andere gebieden te brengen wordt als verraad aan Allah gezien. Zo staat in soera 4: 97: “Was Allah’s aarde u niet groot genoeg om daarop te verhuizen?” De aanhaling uit deze soera toont aan, dat nationale grenzen daarbij niet van belang zijn en moslims zich daardoor niet gebonden voelen. Ook in soera 9: 20 vinden we deze betekenis terug: “Zij, die geloven en van hun woonplaatsen verhuizen en met hun bezit en met hun persoon voor de zaak van Allah strijden, hebben in de ogen van Allah de hoogste rang. Dezen zullen zegevieren.”

Beste broeders en zusters,
Als de politiek, de overheid en de kerkelijke leidslieden, maar ook de individuele burger, wij allen, deze islamontwikkelingen niet tijdig stoppen, zal in zowel Duitsland, Nederland als in heel Europa, de Bijbelse waarschuwing in het boek Deuteronomium 28: 43 en 44 (NBG) waarheid worden:
43 Steeds meer zal de vreemdeling in uw midden u te boven gaan, terwijl gij al dieper zinkt. 44 Hij zal u te leen geven, maar gij niet aan hem; hij zal hoofd zijn en gij staart.

 

Fouad Adel

Fouad Adel komt oorspronkelijk uit het islamitische Soedan en woont sinds 1996 in Duitsland waar hij pastoraal werk onder zijn gevluchte landgenoten verricht én hulp aan vervolgde christenen in islamitische landen verleent.

De Koranteksten komen van de site www.AgnateMoslem.net.

 

 

Vanaf 2006 geeft de familie Stelma aan hun zoon thuisonderwijs (homeschooling). In dit artikel belichten zij de achtergrond van dit onderwijs.

 WIJ KOZEN THUISONDERWIJS I

de achtergrond

De keuze
(T)huisonderwijs is één van de oudste onderwijsvormen in Nederland. Het is ouder dan het openbaar en bijzonder onderwijs dat we nu kennen. Thuisonderwijs is een onderwijsvorm waarbij ouders zelf zorg dragen voor de ononderbroken ontwikkeling van hun kind(eren). In veel landen geeft thuisonderwijs hun de mogelijkheid de kinderen op legitieme en succesvolle wijze tot geestelijke en intellectuele bloei te laten komen en hun de vaardigheden te leren die zij voor hun verdere leven nodig hebben. In 2 artikelen willen we uitleggen, waarom we voor dit onderwijs hebben gekozen.

In 2006 begonnen wij met thuisonderwijs. We ontdekten dat thuisonderwijs niet slechts een onderwijsvorm is. Dit onderwijs stelt ouders in staat hun kinderen een evenwichtige en samenhangende opvoeding te geven en is meer een manier van leven. Onderwijs is daarbinnen een middel, geen doel op zich. Het is een middel om andere doelen te bereiken: Bijbelkennis en vreze des Heren, God liefhebben en de naaste, levenswijsheid, mensenkennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn om als volwassene verantwoordelijkheid te nemen in gezin, kerk en maatschappij.

Drie vragen over thuisonderwijs

Vraag 1. Mag dat?
In Nederland wordt legaal thuisonderwijs gegeven door ouders die zijn vrijgesteld van de verplichting om hun kind(eren) in te schrijven bij een school of instelling[1]. Eén van de gronden voor vrijstelling is een richtingsbezwaar [2]. Deze mogelijkheid staat open vóór het kind leerplichtig wordt[3] en, blijkens de parlementaire geschiedenis, als ouders verhuizen en als kinderen overgaan van basisschool naar voortgezet onderwijs.

Vraag 2. Kan dat?
De academische perspectieven van thuisonderwijs zijn positief en bemoedigend. In landen waar thuisonderwijs in de huidige vorm al langer gegeven wordt, blijkt dat thuis onderwezen kinderen net zo goed of beter functioneren dan kinderen op scholen[4].

Thuisonderwijs kent een andere didactiek dan klassikaal onderwijs. De aanpak is vergelijkbaar met één-op-één-onderwijs dat binnen scholen wordt toegepast als kinderen extra begeleiding of een uitdaging nodig hebben. Er is zeer veel educatief materiaal beschikbaar dat toegesneden is op de didactische situatie van het thuisonderwijs. Ouders kunnen een compleet curriculum kopen of een eigen programma samenstellen en zelf leerboeken inkopen.

Thuis onderwezen kinderen worden niet blootgesteld aan onderwijshypes en hun programma wordt minder beïnvloed door de sturende hand van de overheid. We kunnen dit laatste illustreren aan de hand van de kerndoelen. Deze doelen, die de overheid heeft opgesteld en die sinds 2006 van kracht zijn, zijn op verschillende punten dwingend en incompleet. Zo wordt de geschiedenis opgedeeld in tien tijdvakken en ligt er nadruk op de geschiedenis van de 20e  en 21e  eeuw[5]. Als christenen leren we onze kinderen op een andere manier naar de wereld kijken: het héle verleden is de sleutel tot het heden en niet slechts de laatste eeuw. Op andere punten zijn de kerndoelen te sturend. Zo moet een kind o.a. kunnen chatten in het Engels[6]. Er zijn vanuit christelijk perspectief meer kanttekeningen te plaatsen bij deze kerndoelen. Ouders die thuisonderwijs geven, stellen hun eigen doelen en de ervaring leert, dat deze in het algemeen talrijker en diepgaander zijn dan de kerndoelen van de overheid.

Door thuisonderwijs zijn we als ouders nauw betrokken bij het leerproces van ons kind en kunnen de voortgang beter in de gaten houden. De noodzaak van toetsen is minimaal in vergelijking met klassikaal onderwijs, de voortgang wordt gedurende het leerproces zelf in de gaten gehouden en getoetst. Denkfouten worden gecorrigeerd, voordat ze een gewoonte worden.

Landen waar thuisonderwijs gebruikelijker is, kennen allerlei mogelijkheden om examens af te leggen. Ook in Nederland bestaan mogelijkheden om een diploma te verwerven en/of desgewenst door te stromen naar hoger onderwijs, o.a. staatsexamens en toelatingsexamens.

Thuisonderwijs geeft veel mogelijkheden tot gedachtewisseling over de leerstof. Onduidelijkheden worden snel weggenomen en we kunnen doorpraten over de consequenties van wat we gelezen hebben. Dit onderwijs biedt de mogelijkheid om de samenhang tussen verschillende onderwerpen (vakken) te bevorderen en de noodzaak van een onderwerp te motiveren. De grenzen vervagen en het hele leerproces wordt een eenheid. Hierdoor worstelen kinderen nauwelijks met zingevingsvragen als ‘waarom moet ik wiskunde leren?! Dat heb ik toch later nooit meer nodig?’ Een onderwerp wordt in zijn context bestudeerd.  Zo blijkt uit het vak natuurkunde de noodzaak om te begrijpen wat cosinus, sinus en tanges zijn. Omdat ons kind graag natuurkunde wil leren, motiveert dit hem om zo snel mogelijk de trigonometrie te bestuderen. Dit onderwerp zit in zijn lesprogramma,  maar nu hij weet waarvoor hij het nodig heeft, is hij gemotiveerd om het te leren en haalt hij het naar voren.

Het doel van vakken als algebra en geometrie is voor ons in eerste instantie het ontwikkelen van het abstract denkvermogen en pas in tweede instantie het verkrijgen van juiste antwoorden. Daarmee bedoelen we niet, dat we geen juiste antwoorden vragen, maar dat we, als een antwoord onjuist is, in de eerste plaats nagaan hoe het denkproces verlopen is. We corrigeren vervolgens het denkproces, waardoor ons kind zelf in staat is het antwoord te corrigeren. We ervaren het als een grote zegen dat deze intensieve begeleiding mogelijk is.

Vraag 3. En socialisatie dan?
In het recente verleden is het idee ontstaan dat socialisatie door leeftijdsgenoten noodzakelijk is, in tegenstelling tot contact met mensen met meer levenservaring. Socialisatie is een populaire term en lijkt haast een toverwoord. Maar wat betekent het? Het betekent dat een kind de cultuur van de omgeving overneemt. Hier hebben we direct een heikel punt. Welke cultuur willen wij, als christelijke ouders, dat onze kinderen overnemen? Een zeer veranderlijke jongerencultuur of een cultuurvisie die gebaseerd is op de Bijbel? Als we kijken naar de jeugdproblematiek dan zien we dingen als drugsgebruik, alcoholge-/misbruik, tienerzwangerschappen, jeugdcriminaliteit, bendevorming, etc. Welke van deze problemen worden veroorzaakt, doordat kinderen te véél tijd met hun eigen ouders doorbrachten?

De ervaring van ouders wereldwijd en van onszelf is anders[7]. Een kind dat een goede relatie heeft met zijn of haar ouders is véél minder geneigd de grenzen op te zoeken. Een kind dat met alle leeftijden omgaat, staat opener voor adviezen van oudere, wijzere mensen en is more teachable. We ervaren het als een groot voordeel van thuisonderwijs, dat een kind zijn ervaringen opdoet in de maatschappij zelf en niet slechts uit boeken of in de beschermde, kunstmatige situatie die de school feitelijk is.

De geschiedenis van thuisonderwijs in Nederland
(T)huisonderwijs is in Nederland géén nieuw verschijnsel. Het is níet overgewaaid uit Amerika, maar werd in Nederland reeds vóór de komst van de Leerplichtwet (1900) gepraktiseerd. Dit onderwijs was in de eerste Leerplichtwet (1900) een wettelijke mogelijkheid om aan de leerplicht te voldoen. Als een kind reeds op school zat, konden ouders alsnog een richtingsbezwaar indienen, omdat ‘de mogelijkheid niet is uitgesloten dat bij de ouders het gemoedsbezwaar is opgekomen, terwijl het kind school ging’’[8].

Een inperking van de oorspronkelijke bedoeling
In 1969 is de huidige leerplichtwet aangenomen. In het ontwerp van deze wet werd bovengenoemd punt als vrijstellingsgrond gehandhaafd in artikel 5a: ouders waren vrijgesteld van de plicht tot inschrijving ‘indien zij het kind voldoende huisonderwijs geven of laten geven’. Door een amendement van de PvdA werd dit lid uit artikel 5 geschrapt; volgens de indieners van het amendement huisonderwijs niet in het belang van het kind en, naar hun zeggen, uit de tijd was. Eén en ander werd door de indieners níet onderbouwd. De rapporten van de Onderwijsinspectie spraken de veronderstelling van de heren indieners tegen: er was nooit enige aanleiding tot zorg geweest in alle gevallen van thuisonderwijs die geïnspecteerd waren, aldus toenmalig staatssecretaris van Onderwijs J.H. Grosheide (ARP). Grosheide wilde niet instemmen met het amendement.

De situatie sinds 1969 is in strijd met de Grondwet, artikel 23, lid 2 (vrijheid van onderwijs), en benadeelt met name christelijke ouders. De mogelijkheden voor ouders werden via jurisprudentie verder ingeperkt. Onder de huidige interpretatie van de wetgeving is er geen wettelijke mogelijkheid om het onderwijs van uw kind(eren) zelf ter hand te nemen, als u als ouders ‘slechts’ bezwaar hebt tegen de inrichting van het onderwijs (bijv. bezwaren tegen magie in het curriculum). Christelijke ouders hebben daardoor vrijwel geen mogelijkheden om hun kinderen uit situaties te halen die schadelijk zijn voor hun persoonlijke en geloofsontwikkeling. Dr. Abraham Kuyper dacht daar anders over. Hij kreeg zelf thuisonderwijs tot zijn twaalfde en werd later minister-president, richtte een krant op en stichtte een universiteit. Hij zei in ca. 1869[9]:

“Ik ben ook vader en dan zeg ik, dat mijn vaderhart lijden (zou), dat men mijn geweten grieven zou, zoo men mij dwong mijn tweetal zonen die God mij gaf, af te staan aan een onderwijs, dat ik krachtens mijn persoonlijk recht, waarvan ik God alleen verantwoording doe, schadelijk acht en verfoei. Maar neen, men dwingt mij niet. Vind ik geen school, dan zal ik ze zelf onderwijzen.”

 

Kor en Erna Stelma

 

 

 


[1] artikel 5 van de Leerplichtwet, wetten.overheid.nl

[2] artikel 5b van de Leerplichtwet

[3] tot 4 jaar en 11 maanden

[4] http://www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl/pdf/effectiviteit.pdf

[5] ‘De leerling leert daarbij in elk geval de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen.’, http://www.minocw.nl/documenten/kerndoelen_onderbouwvo.pdf: kerndoel 37

[6] kerndoel 17

[7] http://www.hslda.org/research/ray2003/HomeschoolingGrowsUp.pdf

[8] citaat uit de notulen van de Tweede Kamer, 1899

[9] Uit: Het beroep op het Volksgeweten, dr. A. Kuyper

In een interview met een ex-boeddhist wordt duidelijk wat het boeddhisme voorstaat.

Achter de glimlach van de Dalai Lama

Inleiding

In het boek ‘Weg van Boeddha’ doet Martin Kamphuis verslag van zijn bevindingen met het boeddhisme. Voor zijn bekering ontmoette Martin twee keer de Dalai Lama. Hij beschouwde ‘Zijne Heiligheid’ destijds als een god, nu ziet hij de sinistere achterkant van zijn boodschap van vrede en geluk.

Martin groeide op in de Flevopolder, maar woont tegenwoordig met zijn vrouw Elke in Duitsland. Ruim zeven jaar was hij fanatiek Tibetaans boeddhist, erop gebrand de ‘verlossing’ van het Nirwana* te bereiken. In India en Nepal onderwierp hij zich aan strenge leefregels van monniken en goeroes. Niets was hem teveel. Zo wierp hij zich ooit 60.000 keer (!) op de grond om zijn karma** te verbeteren en de staat van ‘verlichting’ – het einddoel van het boeddhisme – sneller te bereiken. Uiteindelijk vond hij werkelijke verlossing door het werk van Jezus Christus op het kruis van Golgotha en brak hij met Boeddha.

Opperhoofd

De Dalai Lama is het religieuze en politieke opperhoofd van het Tibetaans boeddhisme, een van de hoofdstromingen van deze veelkleurige religie. “Je kunt zeggen dat dit de magische vorm van het boeddhisme is; deze richting werkt het meest met onzichtbare krachten. Men aanbidt Boeddha in zijn verschillende verschijningsvormen en roept die aan om hulp voor de verlichting te vinden. Daarnaast kent men demonen, die men tevreden probeert te stellen.”

Martin heeft de Dalai Lama twee keer in levenden lijve ontmoet: de droom van menig boeddhist. “In mijn ogen was hij een soort god; een van de hoogste leermeesters, die me verder kon helpen op weg naar de verlichting. Ik hoopte, dat hij mij door zijn zegening en kracht op een hoger geestelijk niveau kon brengen. Voor een korte tijd leek dat inderdaad te gebeuren, al ging het verheven gevoel snel voorbij. Er is onmiskenbaar een bepaalde kracht die door hem werkt.” Hoe verklaar je die kracht, achteraf? “Vandaag geloof ik, dat die kracht door de geesten van het boeddhisme, boze geesten of demonen, komt. Boeddhisten zeggen dat de Dalai Lama een reïncarnatie is van bepaalde wezens, zoals Kalachakra of Chenrezig. Deze boeddha-manifestaties werken volgens het Tibetaans boeddhisme door hem heen.”

Geluk

Oppervlakkig bezien spreekt de Dalai Lama (Tenzin Gyatso, 1934) vooral over vrede, geluk en tolerantie: begrippen die positief resoneren op trommelvliezen in het Westen. Maar volgens Martin moeten we ze niet westers inkleuren. “Als hij over geluk spreekt, bedoelt hij daarmee de verlichting, de toestand van de leegte. Hij schreef meerdere boekjes over geluk, waaruit dat blijkt.” Met vrede – de Dalai Lama ontving in 1989 de Nobelprijs voor de Vrede – is het volgens Martin van hetzelfde laken een pak.” Als hij over vrede spreekt, bedoelt hij enerzijds de boeddhistische ervaring van de verlichting. Anderzijds spreekt hij van wereldvrede. Daarvoor maakt hij reclame met een ritueel, Kalachakra, genoemd: naar een godheid of boeddha-manifestatie. In de bijbehorende heilige geschriften van de Kalachakra Tantra worden de vijanden van het boeddhisme beschreven: ‘Tot de familie van de demonische slangen behoren onder anderen Adam, Henoch, Abraham, Jezus en Mohammed.’

Pardon?

Jezus wordt ‘familie van een demon slang genoemd? “Dat staat letterlijk in het geschrift Shri (Heer, red.) Kalachakra; Jezus geldt als een van de aartsvijanden van het boeddhisme. Er wordt in deze teksten ook gesproken van een boeddhistische koning die een wereldwijde ‘heilige oorlog’ zal ontketenen tegen alle vijanden van het boeddhisme om zo de wereldvrede te realiseren. De grootste vijanden zijn allen die in één God geloven: joden, christenen en moslims. Dat het Tibetaans boeddhisme er op z’n zachtst gezegd enkele dubieuze denkwijzen op nahoudt, blijkt ook uit het volgende wat Martin vertelt: “Een van mijn toenmalige lama’s (leermeesters) beweerde, dat Hitler een bodhisatva zou kunnen zijn geweest: een bijna verlicht wezen. Hij heeft weliswaar miljoenen Joden omgebracht, maar dat was uiteindelijk misschien wel een goede daad, omdat de Joden hierdoor van hun trots zouden zijn bevrijd. Hitler zou een hoger inzicht hebben gehad, waardoor iets wat wij als kwaad waarderen, toch iets goeds zou kunnen zijn.”

Trance

Wie zijn tenen dompelt in de oceaan van het boeddhisme met zijn vele duizenden geschriften, stromingen en gedachten, buitelt van de ene verbazing in de andere. ‘Destijds zag ik de Dalai Lama als een soort god’. Iets wat buitenstaanders die ervan horen voor enorme raadsels plaatst, is de manier waarop elke volgende Dalai Lama wordt opgespoord. Men zoekt een peuter die feilloos persoonlijke voorwerpen aanwijst die – zonder dat dit kind het kan weten -van de overleden Dalai Lama waren, als bewijs, dat hij de nieuwe incarnatie is. Voorstanders van het reïncarnatiegeloof lijken hiermee hun sterkste bewijs op tafel te kunnen leggen. Hoe is dit mogelijk? “Dit heeft met de geestenwereld te maken. Tot nu toe is het inderdaad zo gegaan, ook bij de overgang van de dertiende naar de veertiende, de huidige Dalai Lama. Tibet heeft een staatsorakel, een man die in trance gaat en de beschermgod van de Tibetanen door hem heen laat spreken.  Die man ontvangt door deze geest een visioen, waarin hij een dorp en een huis ziet en beschrijft. Zo’n drie jaar na de dood van de dertiende Dalai Lama zocht men dat dorpje op, vond het huis dat overeenkwam met de beschrijving en vond daar inderdaad een kind van ongeveer 3 jaar. Men legde enkele voorwerpen aan hem voor en hij koos die voorwerpen eruit die de vorige Dalai Lama toebehoorden.  Ik geloof, dat het werkt, omdat een geest in dat kind ervoor zorgt. Dat vinden wij heel vreemd, aangezien wij zulke sterke werkingen van geesten niet ervaren. Maar in een cultuur die helemaal op de openheid naar de geestelijke wereld is gericht, zijn in wezen alle mensen occult belast. Daarom is het heel makkelijk voor een geest om mensen, zeker een kind, te leiden.”

Charisma

Het boeddhisme mag zich in het Westen in een toenemende populariteit verheugen. Martin begrijpt waarom bepaalde aspecten mensen hier aanspreken. “Bijvoorbeeld de nadruk op rust, geluk, transcendentie, meditatie, tolerantie, ervaring, heiligheid. Maar bijvoorbeeld ook de wijding door goeroes. Bovendien is het boeddhisme analytisch, in die zin dat het je leert je geest te analyseren, waardoor het heel nuchter overkomt. En de Dalai Lama zelf spreekt ook aan: hij lacht, maakt grapjes en heeft charisma.”

Spiritualiteit

Vooral binnen katholieke kringen worden sommige elementen uit het boeddhisme, waaronder meditatietechnieken, zelfs geïntegreerd in de geloofsbeleving. Hoe kijkt Martin daar als ex-boeddhist tegenaan? “Die technieken zijn niet onschuldig,” waarschuwt hij. “Je doelt waarschijnlijk op het zenboeddhisme, dat in veel katholieke kloosters wordt beoefend. Er is momenteel een grote beweging in de christenheid, – met name in Amerika is deze heel sterk – die men ‘contemplatieve spiritualiteit’ noemt. Daarbij zet men allerlei mystieke praktijken in om een soort bewustzijnsverandering te bewerkstelligen. Het doel zou een diepere relatie met God zijn.

Maar in de mystiek oefen je meditatie waarbij je een eenheidservaring zoekt. Het onderscheid tussen God en mens moet daarin wegvallen – alles vloeit in elkaar over. Dat is onbijbels, want het gaat eigenlijk niet om een relatie met God, maar om zich in elkaar op te lossen. Dat zoeken boeddhisten ook in de verlichting.  In katholieke kloosters zoekt men door zenmeditatie de ervaring van boeddhistische verlichting, en niet de realiteit van de christelijke verlossing. Peinzend: “De ‘contemplatieve’ of ‘meditatieve spiritualiteit’ die nu sterk in opkomst is – Jezus geldt als een van de aartsvijanden van het boeddhisme – trekt misschien nog wel meer christenen aan dan de zentechnieken die je vooral in kloosters tegenkomt. In het Duits wordt er gesproken over het immerwährende Gebet; is dat in het Nederlands ook bekend?” Het klinkt als wat bij ons ‘ademhalingsgebeden’ worden genoemd. “Precies, dat is een typische uitingsvorm van contemplatieve spiritualiteit. Het is mystiek. Via je ademhaling, of bijvoorbeeld door bepaalde korte gebeden steeds te herhalen, kom je in een trance en heb je een soort eenheidservaring. Dat is gevaarlijk, in die zin dat het mensen in een andere geestelijke richting stuurt. Daar ben ik diep van overtuigd.”

Lijden .

We kennen allemaal de beelden van sereen glimlachende boeddha’s en ook de Dalai Lama lijkt een soort innerlijk geluk uit te stralen. En dat, terwijl de eerste van ‘De Vier Edele Waarheden’ van het boeddhisme benadrukt dat het leven lijden is. Hoe zit dat? “Het is de glimlach van de hoop op verlichting,” reageert Martin. “Het leven is lijden en zolang je nog lijdt, ben je niet verlicht. Als je op de weg van Boeddha gaat, hoop je op de verlichting, de verlossing van het lijden.  Daarom lacht men, om de hoop op de bevrijding van het lijden.” Wat zit er áchter de glimlach van de Dalai Lama? “Er speelt een culturele factor mee. Je ziet niet alleen bij Tibetanen, maar eveneens bij de Chinezen, dat ze naar buiten toe altijd lachen – of ze zich nu goed voelen of niet. Daarnaast staat in boeddhistische teksten dat je moet lachen en vriendelijk dient te zijn om anderen te winnen voor het boeddhisme. Het is dus ook een missionaire tactiek.

Kalachakra heeft vier gezichten, die in geschriften heel precies worden beschreven. Twee gezichten hebben een vriendelijke, twee andere een toornige uitdrukking: vrede en toorn in één wezen verenigd. De Dalai Lama, van wie men zegt dat hij een incarnatievan Kalachakra is, toont de vriendelijke gezichten meestal in de openbaarheid. Maar hij heeft ook de toornige gezichten, die hij binnen interne kringen laat zien. Hij spreekt weliswaar over wereldvrede, maar daarmee bedoelt hij de vrede die wordt behaald na de overwinning op de vijanden. Deze ‘vrede’ bereidt hij op magische wijze voor, al zal hij dat nooit in het openbaar zeggen. Hij wil eigenlijk bewerken dat christenen hun geloof in de God van de Bijbel en in Jezus Christus loslaten.”

* Nirwana is de toestand van de verlichting of van de leegte; hierin speelt karma geen rol meer.
** Karma betekent letterlijk ‘daad’ en is de som van alle daden uit vorige levens die de huidige levensomstandigheden bepalen.
Bron: Visie/mei 2009, tekst: Gert-Jan Schaap

In het boeddhisme zijn goede werken belangrijk. Bijvoorbeeld jezelf vele duizenden malen op de grond werpen(prostraties)

 

In hoeverre heeft de school een taak in het religieus opvoeden van leerlingen?

HEEFT DE SCHOOL EEN TAAK IN HET RELIGIEUS OPVOEDEN VAN LEERLINGEN?


In het onderwijs heb je snel een gesprek, als je het wilt hebben over het religieus vormen van leerlingen. Je merkt gauw, dat docenten zich liever bezighouden met het onderwijzen dan met het vormen van leerlingen. Het is alsof het vormen van leerlingen aan hen voorbijgaat. Maar als ouders, docenten en schoolbesturen eens gaan nadenken over deze opvoeding van kinderen/leerlingen, komen ze voor wezenlijke en prikkelende zaken te staan, waar we vandaag niet aan voorbij kunnen gaan.
Als we over zo’n opvoeding spreken, wordt er vaak het eerst gedacht aan de ouders. En reeds in de tien geboden vinden we hiervoor enig houvast: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de Heer, uw God, u geven zal” (Exodus 20:12). In Deuteronomium 6:4-9 krijgen ouders de opdracht hun kinderen ‘godskennis’bij te brengen. Ook vandaag zijn zij nog altijd verantwoordelijk voor de religieuze opvoeding. Ouders hebben hierbij het recht het kind hun eigen religieuze overtuiging bij te brengen. Zo heeft iedere ouder het verlangen dat zijn/haar kind later het Bijbelse geloof zal belijden. Het is een stil verlangen dat iedere ouder koestert. Dit verlangen mag het kind echter niet blokkeren in de eigen ontwikkeling. Het morele recht van de ouders om hun kinderen op te voeden, zoals zij dat willen, dus ook wat betreft religie, moet beschermd worden.

Zijn er grenzen in de religieuze opvoeding door ouders?
Er zijn twee grote uitzonderingen in de religieuze opvoeding door ouders. De vrijheid die ouders genieten, mag niet de vrijheid van het kind in gevaar brengen. In het verlengde hiervan ligt de maatschappij. De vrijheid van onze maatschappij mag door de religieuze opvoeding van ouders ook niet in gevaar worden gebracht. Hier kom ik dan op het onderwerp ‘in­doctrinatie’. Indoctrinatie is “systematische beïnvloeding met het doel eigen ideeën kritiekloos te laten aan­vaarden” (Van Dale). Het is een logisch gevolg van opvoeden dat iedere ouder zijn/haar kinderen beïnvloedt. Elke ouder doet dat ook in zekere mate systematisch, omdat de opvoeder voor een bepaalde (ook re­ligieuze) opvoeding kiest, hierover heeft nagedacht en met de partner afspraken erover gemaakt heeft. Waar echter hét grote probleem bij indoctri­natie zit, is de wijze waarop dit gebeurt. Indoctrinatie laat geen ruimte voor de eigenheid van kinderen. De beslissingsvrijheid wordt beperkt door de opvoe­ding.Niet alleen zijn de ouders verantwoordelijk voor de opvoe­ding van hun kind. Juist de hele leefgemeenschap waarbinnen ouders en kinderen leven, speelt daarin een grote rol. Als ouder en opvoeder kunnen we er niet omheen, dat ook kerk of ge­meente een grote invloed op de ontwikkeling van kinderen heeft. De kerk is bij ons vaak in hoge mate geïnstitutionaliseerd. Het gevolg van die insti­tutionalisering is dat de kerk ook georganiseerd kan bijdragen tot de opvoeding van de kinderen, bijvoorbeeld door zondagsschool­klassen en jeugdgroepen. Het is een primaire taak van de kerk om de kinderen op te voeden en dat mogen zij zich wel wat meer bewust zijn. In deze context gelden dan precies dezelfde regels als voor de ouders: de vrijheid van zowel het kind als de maatschappij mag niet aangevallen worden. In aansluiting hierop heeft ook de maatschappij (de school) eenzelfde rol.Al decennia lang kent met name de gereformeerde traditie het belang van de relatie gezin, kerk en samenleving. Ouders, maatschappij en kerk mogen elk een inbreng hebben in de opvoeding van het kind en het een bepaald waardenkader meegeven. De manier waarop is echter erg belangrijk. Er is een verschil tussen opvoeden in en tot een bepaald kader, waarbij het kind uiteindelijk zelf mag kiezen of waarbij het kind geen enkele inspraak heeft. Hoe graag een ouder ook wil, dat zijn kind voor een christelijke levensbeschou­wing kiest, je kunt het kind niet verplichten dat te doen en daarbij verwachten dat deze levensbe­schouwing een zaak van het hart wordt. En dat is nu net waarin re­ligieuze opvoeding verschilt met indoctrinatie: de keuzevrijheid. Daar tegenover staat zo’n opvoeding die de mogelijk­heden van het kind wat betreft zijn/haar talenten en vaardigheden beperkt. Wat als het kind een talent voor muziek heeft, maar de ouders zijn ervan overtuigd dat muziek slecht is?

Het vak Godsdienst in het voortgezet onderwijs is van wezenlijk belang!
Het godsdienstonderwijs houdt zich per definitie altijd bezig met het vormen van leerlingen in een pluriforme maatschappij tot kritisch nadenkende mensen. In dit pluriforme veld komen we verschillende manieren van leven tegen veelal bezien vanuit verschillende levensbeschouwingen. Ik zie dit dagelijks voor mijn ogen afspelen. Op CSG Calvijn te Rotterdam-Zuid, de school waar ik als godsdienstdocent werkzaam ben, kom ik dagelijks in contact met ‘andersdenkenden’. Dit is niet alleen de toekomstige situatie voor de leerling, maar is nu werkelijkheid in de school en binnen de les. Een vak waarbinnen dit het meest tot uiting komt, is Godsdienst. Dit vak kan op verschillende manieren worden ingevuld. Deze invullingen ontstaan door de uiteenlopende benaderingen van en visies op Godsdienst. De vrijheid die de overheid geeft voor de invulling van dit vak is niet gering.[1] Zolang het de spuigaten[2] niet uitloopt, is veel toegestaan.[3] Iedere school (en daarbinnen ook weer iedere docent Godsdienst) ontwikkelt een eigen visie. Nu Godsdienst vanaf schooljaar 2007-2008 een eindexamenvak is, dient iedere betrokkene goed na te denken over de kerndoelen.[4] Gaat het om kennisoverdracht, waardenverwerving of identiteitsontwikkeling van de leerling? Is het gericht op het christendom en vormen andere religies slechts in de marge een onderdeel van het lesprogramma of komen alle wereldgodsdiensten even uitvoerig aan bod? Over één ding zijn godsdienstdocenten het snel eens. Als vak draagt Godsdienst altijd bij aan de religieuze opvoeding van leerlingen. De maatschappij is te complex om hieraan voorbij te gaan. De tijd dat scholen kozen voor een monoreligieus[5] onderwijssysteem sluit al geruime tijd niet aan bij de multireligieuze samenleving. Daarmee dienen wij de leerling niet. Als scholen dat wel doen, maken zij de leerling eerder kwetsbaar dan weerbaar. Om een voorbeeld te geven. In het monoreligieuze onderwijssysteem leert men de leerlingen: “Wij zijn tegen abortus, want God wil dat niet.” In het open inter- en multireligieus onderwijssysteem leren wij de leerlingen de dialoog met de seculaire maatschappij aan te gaan door te zeggen: “Het embryo leeft, het heeft rechten en de staat dient voor bescherming van die rechten te zorgen.” En zo kan de eigen religie op een redelijke manier vertaald worden naar het publieke debat zonder iets van je eigen waarde weg te moeten geven.

Religie naar de privésfeer?
Onlangs kwam ik in het Reformatorisch Dagblad een artikel tegen met de titel: “Onderwijsvrijheid serieus in gevaar[6]. De discussie over grondartikel 23 is niet nieuw, toch is enige bezorgdheid op zijn plaats. Hoe is het mogelijk dat de overheid enerzijds ruimte geeft aan religieuze vorming en anderzijds geen ruimte meer voor de eigen identiteit wil. Uiteindelijk is het inperken van de onderwijsvrijheid het inperken van de identiteit van de school. De maatschappij kan niet zonder religie en als de overheid dit inziet, moet er vanuit dat respect ruimte worden geboden hier vorm aan te geven. Het is onmogelijk de uitwassen van de vrijheid van onderwijs en religie tegen te gaan door religie te verwijzen naar de privésfeer. School, maatschappij, kerk en staat staan onlosmakelijk met elkaar in verbinding. Het doorsnijden van één van deze verbindingen is desastreus voor de samenleving.

Waar gaat het in de religieuze opvoeding om?
Als laatste wil ik graag de ontmoeting tussen de docent en de leerling noemen. Het is treffend dat Johannes Chrysostomus[7] opvoeders eeuwen geleden al adviseerde om iedere dag met aandacht naar hun kinderen te kijken. Hierbij moet gezegd worden dat de ontmoeting tussen docenten en leerlingen voor de vorming van laatstgenoemden van groot belang in het onderwijs is. Het gaat hierbij om een authentieke ontmoeting, waarbij de ander niet als een voorwerp wordt gezien, dat men kan manipuleren en gebruiken om er zelf voordeel uit te halen, maar als een waarachtig mens[8].
Het is de mens die verandert door de authentieke ontmoeting, waarin de een zich kan laten raken door de ander. Het kind richt zich in die ontmoeting op wat de volwassene laat zien en welke weg de docent wijst. Zo’n ontmoetingsrelatie is wederkerig. De volwassene laat iets aan het kind zien, maar omgekeerd laat het kind ook iets aan de volwassene zien. Kinderen met leer- of opvoedingsproblemen bijvoorbeeld doen een indringend appèl op leraren om hier adequaat op in te spelen. Onderwijs is daarmee geen eenrichtingsverkeer waarbij leerlingen alleen in de leer gaan bij leraren, maar omgekeerd gaan volwassenen ook in de leer bij kinderen en jongeren[9].

Karel F.A.W. van Wijngaarden

 


[1] Zie Artikel 23 (Vrijheid van onderwijs) in: Miedema, S., (red.), Religie in het onderwijs: zekerheden en onzekerheden van levensbeschouwelijke vorming, Zoetermeer 2006, 7-15. Huis, G., Eindtermen godsdienst/levensbeschouwing als examenvak, Dornbosch 2006.
[2] Hiermee bedoel ik de basiswaarden zoals die zijn vastgesteld door de onderwijsinspectie.
[3] Om dit te controleren, doet de onderwijsinspectie (in opdracht van de overheid) onderzoeken op scholen. Met betrekking tot godsdienstonderwijs onderzoekt zij tevens of er geen schending van de basiswaarden plaatsvindt. Onder deze basiswaarden verstaat de onderwijsinspectie vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid, begrip, verdraagzaamheid als ook het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie. http://www.onderwijsinspectie.nl/Documents/pdf/Islamitische_scholen_2003 (pagina 48-52)
[4] G.Huis (red.), Godsdienst/levensbeschouwing als examenvak,Den Bosch 2006.

[5] Een onderwijssysteem van waaruit een enkele godsdienst wordt onderwezen

[6] Reformatorisch Dagblad, zaterdag 23 mei 2009 – voorpagina en blz. 21 en 24.
[7] Patriarch of Constantinople, one of the most celebrated of the Church Fathers, and the most eminent orator of the early Christian period; born in 347 at Antioch; died Sept. 14, 407, near Comana, in Pontus. Jewishecyclopaedia.com 2009
[8] Buber, Martin, Ik en Gij, Utrecht: Erven J. Bijleveld, 1959
[9] Waaijman, Kees, De spiritualiteit van de leraar, Reflexief, Jaargang 3, nr. 1, Den Haag: NKSR, maart 2004

Thuisonderwijs in de praktijk

In het vorige artikel schreven we over de achtergronden van thuisonderwijs. Nu willen we schetsen wat we zelf als positieve kanten van thuisonderwijs ervaren. Sommige punten zijn heel praktisch, andere hebben betrekking op de achterliggende geestelijke waarde van thuisonderwijs. Dit onderwijs vraagt offers in de vorm van tijd, energie en financiële middelen, maar het is de investering dubbel en dwars waard. Het is een impuls voor de relatie tussen ouders en kinderen en broers en zussen, het stelt een kind in staat om zelfvertrouwen en een realistisch zelfbeeld te ontwikkelen, het biedt een veilige basis van waaruit een kind de wereld kan ontdekken.

 

(Geloofs)opvoeding

Als thuisonderwijs-ouders heb je meer mogelijkheden om je kinderen het geloof voor te leven in de concrete situaties van alledag, dan wanneer je kinderen alle dagen naar school gaan. Je kunt consequent aandacht besteden aan karaktervorming en -ontwikkeling en je kind in veel situaties met raad en daad bijstaan. Dat wil niet zeggen, dat ze nooit hun neus stoten of dat je je kind voor alle gevaren behoedt. De essentie is toerusting en oefening in karaktereigenschappen als doorzettingsvermogen, uithoudingsvermogen, bescheidenheid, hulpvaardigheid, zorgvuldigheid, nauwkeurigheid, etc. Een kind krijgt de ruimte om geloofswaarheden te overdenken en te doordenken, vragen te stellen en zelf te bepalen wat hij ervan vindt. Hij wordt niet beïnvloed door een heersende mening van een groep die er een andere mening op na houdt. Het karakter van een kind krijgt meer ruimte zich te ontwikkelen, omdat het kind niet onder groepsdruk staat en niet gedwongen wordt om zich ter wille van zijn acceptatie in de groep of zelfs met het oog op zijn eigen veiligheid (denk aan pesten) te conformeren aan groepsnormen die eigenlijk de zijne niet zijn.

 

Verdieping van relaties

Toen we nog geen thuisonderwijs gaven, hadden we een goede relatie met ons kind. Daar waren we blij mee. Maar we konden niet vermoeden hoeveel beter die relatie nog kon worden en hoeveel hechter en dieper. Nu, na drie jaren, kunnen we zeggen, dat we ons kind nog véél beter hebben leren kennen (en hij ons). Er is een hechtere onderlinge band en meer vertrouwen, waardoor corrigeren ook gemakkelijker is. We kunnen beter rekening houden met de fase waarin hij zich bevindt qua lichamelijke en geestelijke ontwikkeling.

Als een kind naar school gaat, maak je het als ouder hoofdzakelijk mee op momenten dat het haast heeft (’s ochtends) of moe is (’s middags/’s avonds en in het weekend). In die omstandigheden is er veel meer aanleiding tot onderlinge irritatie dan wanneer je elkaar op de beste momenten van de dag meemaakt, als je allemaal uitgerust en energiek bent. Onderlinge meningsverschillen kunnen dan snel worden opgelost en dit bevordert een fijne sfeer. Hoe beter de relatie tussen ouders en kinderen zich ontwikkelt en verdiept, hoe zekerder het kind zich zal voelen en hoe beter het voorbereid is op het leven als volwassene met z’n eigen moeilijkheden en vreugden. Een goede band tussen ouders en kinderen schept voorwaarden en stelt kinderen in staat zelf goede relaties met anderen, in het bijzonder met de toekomstige echtgeno(o)t(e), op te bouwen.

 

Ruimte voor ontwikkeling

Als je thuisonderwijs geeft, vorm je niet alleen je kinderen, je wordt zelf ook gevormd. God gebruikt je kinderen om je te vormen. Je roeping als vader en moeder krijgt nog concreter vorm en vraagt veel van je. Je hebt als het ware een spiegel voor je gedrag. Je eigen karakterfouten en slechte gewoonten zie je terug bij je kinderen. Je leert om eerst aan jezelf te werken, als je ongewenst gedrag wilt corrigeren. Thuisonderwijs vraagt van ouders groei in geestelijke volwassenheid. De rust en genegenheid die kinderen bij thuisonderwijs dagelijks van hun ouders ervaren, geeft het kind zekerheid en veiligheid en juist daardoor de moed en het vertrouwen om de wereld te gaan ontdekken en zich verder te ontwikkelen.

 

Eenheid en evenwicht in het leven

Het leven is meer een eenheid, de zondag houdt meer verband met de rest van de week dan bij schoolgang. Thuisonderwijs stelt een gezin in staat een eigen planning te maken; het gezinsleven wordt niet (meer) bepaald door verschillende roosters van verschillende gezinsleden die het moeilijk maken om bijvoorbeeld maaltijden gezamenlijk te nuttigen en dingen samen te doen.

 

Leven is leren

Nu we thuisonderwijs geven, kunnen we ons kind een positieve werkhouding bijbrengen door hem te motiveren en door zelf het goede voorbeeld te geven. Ook al moet er regelmatig iets gebeuren dat niet direct leuk is (sommen bijvoorbeeld), toch komt het leren voort uit een intrinsieke motivatie. Thuisonderwijs-kinderen vinden leren (weer) leuk en gaan graag op zoek naar antwoorden op vragen. Er is veel tijd om onderwerpen uit te diepen, de leerervaring en de horizonverbreding zijn de beloning voor de inspanning. Het leren vindt plaats in concrete situaties. Een voorbeeld: een kind schrijft een artikel voor een natuurtijdschrift en voert de daaruit voortvloeiende correspondentie met de uitgever. Het Engelstalige artikel wordt gepubliceerd en door duizenden gelezen. Het is een goede oefening voor Engels stellen en Engelse correspondentie en voor competenties als beleefdheid, zorgvuldigheid en doorzettingsvermogen. De activiteit die in het artikel beschreven wordt (wadlopen), was een goede lichamelijke oefening, een mooie excursie (biologie) en bood bovendien een sociale situatie om allerlei vaardigheden te oefenen. Er moest voldaan worden aan externe eisen (een bepaald thema, bijpassende foto’s, etc.). Kortom, een concreet project dat weliswaar geen cijfer oplevert, maar waarbij de inspanning duidelijk gewaardeerd wordt en vrucht draagt.

 

Rekening houden met verschillen

Als thuisonderwijzer kan ik het tempo aanpassen (hoger of lager) aan de mogelijkheden van mijn kind en  het per onderwerp laten variëren. Adaptief onderwijs pur sang. Ook kunnen we rekening houden met de verschillen tussen jongens en meisjes. In de afgelopen decennia heeft het idee opgeld gedaan dat verschillen tussen jongens en meisjes aangeleerd zijn en dat een unisexpedagogiek dé oplossing is. Dit idee is zeer diep doorgedrongen in de huidige didactiek en blijkt met name jongens in problemen te brengen. Uit de statistieken komt duidelijk naar voren dat jongens het zwaar hebben in het huidige onderwijs- en opvoedingsklimaat[1]. Thuisonderwijs maakt het mogelijk om meer rekening te houden met de verschillen tussen jongens en meisjes, zowel in leerstijl als in leerbehoeften.

Door thuisonderwijs staan jongens en meisjes minder bloot aan de eenzijdige boodschap die de huidige maatschappij afgeeft ten aanzien van de rol van mannen en vrouwen. Wat is het effect op jongens van de voortdurende boodschap dat meisjes economisch en financieel zelfstandig moeten worden, voor het geval hun man overlijdt dan wel wegloopt? Welk verwachtingspatroon krijgen onze kinderen voorgeschoteld? Wat is het effect op jongens van deze benadering? Voelen zij zich in hun waarde gelaten? Waarom nemen maatschappelijke problemen als scheiding en kindermishandeling toch hand over hand toe? Leren onze jongens nog verantwoordelijkheid nemen voor een gezin? Leren zij meisjes nog te zien als toekomstige moeders en leren zij nog om hen in bescherming te nemen? Nee. Wat onze jongens en meisjes meekrijgen, is het geijkte beeld ‘een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Is het u ooit opgevallen dat deze slogan een ‘self fulfilling prophecy’ is gebleken? Als je de evolutietheorie verwerpt en de schepping aanvaardt, is het logisch om in opvoeding  en onderwijs meer aandacht te besteden aan de scheppingsorde en aan de verschillende verantwoordelijkheden van man en vrouw.

 

Toekomstgericht onderwijs

Christelijk thuisonderwijs richt zich op de toekomst.  We kunnen onze kinderen voorbereiden op alle facetten van het latere leven. In de laatste decennia is het schoolonderwijs meer en meer in het teken komen te staan van de toekomstige baan en de persoonlijke ontwikkeling. Dit is een individualistische benadering. Een baan is maar één aspect van het leven als volwassene. Thuisonderwijs maakt het mogelijk om het verwerven van kennis in het kader van de totale voorbereiding op het leven als volwassene te plaatsen. De vraag is niet zozeer: welke baan zou je kunnen kiezen, zodat je ook in economisch moeilijke tijden inkomenszekerheid hebt, maar vooral: welke vaardigheden heb je nodig om je ook in economisch moeilijke tijden te redden, welke vaardigheden heb je, als man en als vrouw, nodig om goed voor je gezin te zorgen?

 

Vrijheid van onderwijs

Thuisonderwijs stelt ons in staat om de wortels te onderzoeken van hedendaagse pedagogische en didactische benaderingen en bewuste en verantwoorde keuzes te maken. We kunnen met ons kind meerdere kanten van een zaak bekijken. Kinderen worden niet onderworpen aan onderwijshypes en als ouders heb je minder te maken met de sturende hand van de overheid. De overheid neigt zich steeds meer te richten op de inhoud van een vak. Deze ontwikkeling is met name voor christelijke scholen, ouders en kinderen ongewenst, omdat de overheid op deze manier haar eigen uitgangspunt gaat overdragen aan onze kinderen, een uitgangspunt dat humanistisch, antropocentrisch, is en daarom niet strookt met een theo- of christocentrische overtuiging. Dit is een ongewenst ontwikkeling en een bedreiging van de vrijheid van onderwijs en godsdienst. Het zou thuisonderwijs in de toekomst noodzakelijker kunnen maken, dan we nu vermoeden.

Kor en Erna Stelma

 

 


[1] http://www.jellejolles.nl/algemeen/downloads/70421JollesStentor.pdf

Nog steeds wordt deze mythe aan leerlingen en studenten verteld. Wat is de achtergrond?

DE MYTHE VAN DE PLATTE AARDE


Aan de Hogeschool Windesheim werd bij het vak Godsdienst door de docent de mythe van de platte aarde gebruikt om aan te tonen dat niet alles in de Bijbel voor waar aangenomen kon worden. Velen zullen op school gehoord hebben,  dat de naam Indianen afkomstig is van Columbus, die in 1492 dacht, dat hij Indië bereikt had. Daarbij wordt ook wel het verhaaltje verteld van de scheepslieden die bang waren van de aarde af te vallen. Met daarbij de associatie van domme middeleeuwers die dachten dat de aarde plat was. Maar is dit goed onderwijs in logisch exact denken? Waarom stelt de leraar zichzelf niet de vraag hoe Columbus kon denken, dat hij door naar het westen te varen Indië in het oosten zou bereiken? Door de leerlingen die vraag te stellen zou hij/zij hen door logisch redeneren de conclusie kunnen laten trekken, dat in ieder geval Columbus besefte, dat de aarde bolvormig is.

Columbus

Voordat Columbus zijn tocht naar het westen ondernam, bestudeerde hij talloze boeken uit de oudheid en de middeleeuwen, zowel werken op het gebied van astronomie en geografie als natuur- en reisbeschrijvingen, terwijl hem uiteraard ook de tekst van 4 Ezra 6:42 (apocrief boek) bekend was. Daarnaast was hij volledig op de hoogte met de ontdekkingen van zijn tijd. Op basis van de wirwar van hem ter beschikking staande gegevens, bepaalde hij de vaarroute van de Canarische eilanden tot aan Cipango (Japan) uiteindelijk op 2400 zeemijlen, terwijl de werkelijke afstand 10.000 mijl bedroeg. Met andere woorden, hij situeerde Japan ongeveer op de plaats waar in werkelijkheid de West-Indische eilanden liggen. Geen wonder dat de westelijke route naar Indië volgens hem de voorkeur verdiende boven de vaarweg om Afrika heen naar het oosten. Mede dank zij deze berekening wist Columbus de autoriteiten tenslotte zo ver te krijgen, dat zij een expeditie uitrustten om via het westen naar Indië te varen.

De middeleeuwen

Zoals ik al gezegd heb, stond de bolvorm van de aarde op geen enkele wijze ter discussie. Maar dan rijst natuurlijk de vraag: hoe is de wijdverbreide gedachte dat de middeleeuwers en ook de tijdgenoten van Columbus in een platte aarde geloofden dan eigenlijk ontstaan? Het betreft hier een bepaald facet van een algemene, antimiddeleeuwse houding, die al in de Renaissance ontstaan is, met als gevolg dat ‘middeleeuws’ nog altijd een gewild synoniem is voor ‘achterlijk, ouderwets en bekrompen’. Met name het anticlericale klimaat in Frankrijk na de Revolutie heeft ons beeld van de middeleeuwen in hoge mate bepaald. Negentiende-eeuwse auteurs, zoals W. Irving die een weinig betrouwbare, romantische ‘History of the Life and Voyages of Christopher Columbus’ (1828) schreef, A.J. Letronne die in 1834 een tendentieus artikel schreef over de kosmologische opvattingen van de kerkvaders en C.R. Beazly die Letronne op dit punt kritiekloos volgde, hebben de basis gelegd voor allerlei onjuiste ideeën over de opvattingen van kerkvaders en middeleeuwers, die door anderen kritiekloos werden overgenomen, inclusief de platte aarde. 
Draper en White

Met name in de strijd rond Darwin verschafte dit aan de voorstanders van de evolutieleer een arsenaal van wapens om de tegenstanders belachelijk te maken. Daartoe hoefde men slechts het anti-evolutionisme en bijv. de platte aarde op één hoop te gooien onder het hoofd ‘religie contra wetenschap’. Dit is precies de methode die Draper en White in hun eerder genoemde werken toepasten. En met succes, want hun boeken zijn lange tijd de belangrijkste bronnen geweest (en voor sommigen zijn ze dat nog) voor de geschiedenis van de relatie tussen religie en wetenschap. Ook al hebben serieuze historici zich inmiddels van de Draper-White-benadering gedistantieerd, toch lijkt het geloof in de platte aarde uit de tijd vóór Columbus nog lang niet uitgestorven. Je komt het telkens nog tegen. Het gebeurt regelmatig dat studenten verbaasd reageren, als ik de platte aarde van de middeleeuwers naar het rijk der fabelen verwijs. Maar daarmee zult u na het lezen van dit artikel geen moeite meer hebben…Bron: http://www.gewina.nl/werkgroepen/voortgezet_onderwijs/materiaal/de_platte_aarde_en_het_conf.html

 

Dr. W.Hoek.
Dit artikel is naar aanleiding van een gesprek met een studente ontstaan.

Aan de orde komen: omschrijving termen, PDD-NOS en ADHD, het Diagnostisch en Statistisch handboek van Psychische Stoornissen en Diagnostische Criteria voor Autisme.

ASS (Autisme-Spectrum-Stoornissen)

Omschrijving

Het autismespectrum strekt zich uit van de zware DSM-IV classificatie ‘Autisme’ tot de lichtere varianten PDD-NOS en Stoornis van Asperger (AS) (Vermeulen, 2002). ‘Lichter’ verwijst naar de ernst of hoeveelheid van de symptomen, niet naar de consequenties ervan voor het dagelijks functioneren (Serra, Minderaa, Van Geert & Jackson, 1999). Klinisch gezien kunnen deze kinderen in interactie en communicatie flink gehandicapt zijn (Tanguay, Robertson & Derrick, 1998). De samenvattende classificatie ASS geeft aan, dat er stoornissen zijn op de volgende drie gebieden: wederkerige sociale interactie; verbale en non-verbale communicatie; verbeelding, vaak samengaand met een opvallende voorkeur voor een rigide, stereotiep en repetitief patroon van activiteiten en/of interesses (Wing, 1992).

Bij ASS is sprake van een grote diversiteit aan individuele verschijningsvormen waarbij de sociale tekorten als kernproblematiek worden beschouwd (van der Gaag, 2003). De kern van deze sociale tekorten is een gebrek aan empathie. Dit is het vermogen om zich te kunnen indenken en invoelen in de gedachten, gevoelens en intenties van een ander en daar adequaat naar te handelen. Binnen het autismespectrum beschikken kinderen met hogere cognitieve intelligenties vaak wel over basale capaciteiten binnen het sociaal-emotionele domein, maar deze worden in het alledaagse leven niet vanzelfsprekend toegepast (Serra et al., 1999). Daardoor zijn de communicatie- en interactieproblemen in een testsituatie niet gemakkelijk te herkennen. Het tekort aan ‘geautomatiseerd aanvoelen’ wordt in een dergelijke overzichtelijke situatie door het verstandelijke begrip (cognitie) gecompenseerd.

PDD-NOS en ADHD.

PDD-NOS staat voor ‘Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified.’ (Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anders Omschreven). Soms wordt PDD-NOS  aangeduid als atypische persoonlijkheidsstoornis, atypische PDD of atypisch autisme Er dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen ADHD en PDD-NOS, maar soms ook overlappen deze diagnoses elkaar en worden beide diagnoses toch samengesteld bij één kind (van der Gaag, 2003). ADHD is evenwel géén autisme-spectrum-stoornis (ASS) in tegenstelling tot PDD-NOS dat wel binnen het autismespectrum valt.

Van PDD-NOS wordt gesproken als er een beperking is in de ontwikkeling van sociale vaardigheden of in de verbale en non-verbale communicatievaardigheden, indien er sprake is van stereotype gedrag, terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis. Met andere woorden, indien men vaststelt dat er kenmerken van autistisch gedrag aanwezig zijn, maar deze niet specifiek genoeg zijn om de diagnose autisme te stellen.

DSM

De term ‘Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified’ is opgenomen in de DSM om gedrag van kinderen te omvatten/omschrijven waarbij er een aantoonbare tekortkoming is in sociale interactie (ook wel sociaal ‘snapvermogen’ genoemd), communicatie, en/of stereotype gedragspatronen of interesses, maar als de volledige kenmerken voor autisme of een andere duidelijk benoemde PDD niet zijn gehaald.

Terwijl tekortkomingen in de relaties met leeftijdsgenootjes en ongewone gevoeligheden kenmerkend zijn, vertonen de sociale vaardigheden minder gebreken dan bij het klassieke autisme het geval is. Een diagnose van autisme wordt gesteld indien een individu zes of meer van twaalf symptomen vertoont, die drie grote gebieden bestrijken: sociale interactie, communicatie en gedrag. Als kinderen afwijkend gedrag vertonen, maar niet aan de criteria voldoen voor autisme, kunnen zij de diagnose krijgen van PDD-NOS. Omdat er veel gelijkenis is in het gedrag dat gepaard gaat met autisme en PDD-NOS zijn de behandeling en onderwijsbehoeften veelal hetzelfde voor beide diagnoses.

DSM IV Diagnostische Criteria voor Autisme

Diagnostische Criteria voor Autistische Stoornissen.
(Het volgende is afkomstig uit het Diagnostisch en Statistisch handboek van Psychische Stoornissen: DSM IV.)

Tenminste zes (of meer) items van (A), (B), en (C), met minstens twee van (A), en een van (B) en (C) kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende: 

·        opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek (welke sociale wisselwerking regelt), 

·        tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau, 

·        een gebrek in het spontaan delen van plezier, interesses of prestaties met andere mensen, (bijv. door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar andere mensen) 

·        Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid (bijv. doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als “mechanisch hulpstuk” bij spelletjes), 

·        Kwalitatieve tekortkomingen in communicatie zoals blijkt uit minstens een van de volgende: 

·        vertraging in, of een totaal gebrek aan de ontwikkeling van de gesproken taal (welke niet gevolgd wordt door een poging dit te compenseren door alternatieve mogelijkheden van communicatie, zoals gebaren of mimiek), 

·        bij individuen met goede spreekvaardigheid, opvallende tekortkomingen in het starten of onderhouden van een gesprek met anderen, 

·        stereotype of herhaald gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik, 

·        een gebrek in gevarieerd, spontaan fantasiespel of sociaal imitatiegedrag overeenkomstig het ontwikkelingsniveau. 

Opvallend beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende:

·        overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie, 

·        blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele handelingen of rituelen, stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam), 

·        hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten, 

·        vertragingen of abnormaal functioneren in ten minste één van de volgende gebieden, binnen de eerste drie levensjaren: 

sociale interactie, 

sociaal taalgebruik, 

imitatie- of fantasiespel.

De stoornis kan niet verklaard worden als Rett’s syndroom of Childhood Disintegrative Disorder 

Een kind met PDD-NOS neemt dikwijls iets te letterlijk. Zo is er een verhaal van een jongen van elf die niet begon aan de opgaven van het verkeersexamen. Wat was nou het geval? Op de foto’s van verkeerssituaties stond een kind op een mountainbike. Bij elke foto werd gevraagd: “Wat zou jij doen?” Het jongetje had geen mountainbike, maar een gewone fiets. Hij kon de vragen dus niet beantwoorden.

De Dalai Lama is een van de belangrijkste propagandisten van het boeddhisme. Met zijn vriendelijke uitstraling weet hij velen voor deze religie te winnen. Wat weten we over de minder fraaie kanten?

BOEDDHISME GEEN VREEDZAME RELIGIE

Een Tibetaanse profetie uit de achtste eeuw zegt, dat de boeddhistische leer ruim 2500 jaar na de dood van Boeddha in het Westen verspreid zal worden. De Dalai Lama is een van de belangrijkste propagandisten van het boeddhisme. Met zijn vriendelijke uitstraling en zijn lieve glimlach heeft hij honderdduizenden voor het boeddhisme weten te winnen. Over de minder fraaie kanten van het boeddhisme vernemen we nauwelijks iets.

‘Weg van Boeddha’

Martin en Elke Kamphuis hebben in het boek ‘Weg van Boeddha’  hun persoonlijke ervaringen beschreven met deze snel groeiende wereldreligie. Zij zijn blij dat zij deze duistere geestenwereld jaren geleden achter zich hebben kunnen laten. In acht hoofdstukken gaan zij voornamelijk in op de geestelijke macht van het boeddhisme, de rituelen, de fascinatie voor de leer die de westerse materialistische ingestelde mens aanspreekt, de leer van het Nirvana en het magische denken dat ten grondslag ligt aan het boeddhisme. In elk hoofdstuk komen de persoonlijke ervaringen van Martin en Elke aan de orde. Belangrijk is daarbij hoe zij tot het christelijke geloof na jarenlange twijfels en wanhoop zijn overgegaan.Beiden waren gefascineerd door het boeddhisme en zijn leer waarin de materiële en de geestelijke wereld door het magische denken bij elkaar gebracht worden. Niet alleen de vriendelijkheid, de tempel- en offerceremonies, de inwijdingen, de wierook, de reinheidsrituelen, de muziek, de kleurenrijkdom, de mantra’s, het opgaan in het totale Niets en de ontlediging, maar ook de complete harmonie die de boeddhistische leer schijnbaar uitstraalt, trok hen aan. Het is de religieuze tolerantie die ook de Dalai Lama zo op het eerste gezicht kenmerkt.

Toetsing

Het boeddhisme kent geen persoonlijke en eeuwige God, maar gaat uit van het niet bestaan van een God. De mens moet zijn eigen verlossing bewerken door allerlei rituelen en meditatietechnieken. Dan zal de mens zelf goddelijk worden, d.w.z. het totale niets ervaren. Een almachtige en persoonlijke God is volgens het boeddhisme een illusie. Wel erkent het boeddhisme een wereld van demonen en geesten die voortdurend geraadpleegd en tevreden gehouden moeten worden. Angst voor demonen speelt bij veel Tibetanen een belangrijke rol.De Dalai Lama heeft ooit gezegd dat een van zijn adviseurs een demon was, een orakel met de naam Nechung. Dit was een pre-boeddhistische oorlogsgod.

Het boeddhisme kent wel wetten, maar geen Wetgever, aldus Kamphuis. Het is alles vanuit de mens geredeneerd. De wetten van het Karma zijn de maatstaf. Gij zult niet doden, geldt in het boeddhisme, maar bij politieke moord of een rituele moord is dit weer toegestaan. En zo zijn er nog meer tegenstrijdigheden in de leer. Sommigen spreken van ‘een ethiek met gradaties’.
Invloed

Achter het vriendelijke gezicht en het vreedzame optreden van het boeddhisme en de Dalai Lama gaan politieke aspiraties schuil. Alle cultuuruitingen en politieke activiteiten hebben voor de boeddhistische Tibetanen niet alleen religieuze betekenis, maar zijn uiteindelijk ook van politiek belang.

Minder bekend is dat de Dalai Lama (zijn naam betekent letterlijk ‘Oceaan der Wijsheid’) adviseur is van diverse regeringen. Als geestelijk leider zou dit misschien nog te begrijpen zijn, maar de Dalai Lama is ook politiek leider van zijn volk. Al zijn activiteiten zijn dus religieus en politiek gemotiveerd. Diverse westerse politici laten zich dit welgevallen. Ook heeft de Dalai Lama in het verleden hele foute contacten gehad, lopend van oud-nazi’s en SS-ers tot en met de leider van de Japanse gifgassekte.

Achtergronden

Kamphuis beschrijft ook de praktijken van het tantra-boeddhisme, ook wel lamaïsme[1]genoemd, waarbij grote nadruk ligt op allerlei heidense en duistere sexueel-magische rites. De verschillen tussen het hinayana-boeddhisme[2] (of theravada-boeddhisme), het mahayana-boeddhisme en het tantrayana-boeddhisme, waarin de zelfvergoddelijking centraal staat, worden kort uitgelegd, evenals de denkwereld achter het verschijnsel mandala[3]. De werkelijke betekenis van de mandala is een verschijningsvorm van vele honderden godheden, een deur naar de spirituele waarheid.De Dalai Lama[4] is de belichaming van het zgn. Kalachakra-ritueel, onderdeel van een geheime leer. Het ritueel is in de 10e eeuw ontstaan als onderdeel van het vajrayana-boeddhisme. Maar Kalachakra is ook de naam van een tantra-godheid, een manifestatie van Boeddha. Deze godheid is de ‘Heerser van deze Wereld’.  Zijn uiterlijk is exact beschreven. Het is een naargeestige verschijning.

Opmerkelijk vindt het Kalachakra-ritueel, dat aangeprezen wordt als middel tot de wereldvrede, met de nodige aanpassingen een goede voedingsbodem binnen neofascistische groeperingen die het gebruiken als een soort inwijdingsritueel.

Beoordeling

Voor Martin en Elke is het overduidelijk: het boeddhisme heeft hun laten zien, dat deze godsdienst in schrijnende tegenstelling staat tot het christelijke geloof. Het boeddhisme is als het ware de anti-religie.Opmerkelijk is ook dat in de boeddhistische leer alle andere godsdiensten overwonnen worden door een bloedige oorlog, die uitgevochten zal worden door zgn. Shamballa strijders. De islam is hierbij opmerkelijk genoeg de doodsvijand van het boeddhisme. Met name Mohammed wordt in de oorspronkelijke Kalachakra-tekst de ‘genadeloze godheid der barbaren’ genoemd. Oorlog is gerechtvaardigd als het de verbreiding van het boeddhisme verzorgd.De Tantra omschrijft Adam, Henoch, Abraham, Mozes, Jezus, Mani, Mohammed en Mathani (de Mahdi) als ‘de demonische slangenfamilie’. Het boeddhisme is geen vreedzame religie, ten diepste is het een militante en agressieve krijgersideologie, gehuld in een gewaad van religieuze tolerantie en interreligieuze verdraagzaamheid. Er leeft een enorme onwetendheid aangaande het wezen van het boeddhisme. Helaas dweept een groot deel van de christelijke kerk met deze valse leer.
Bron: KNP, Lienden

 


[1]  In Tibet en Mongolië is het lamaïsme, omdat hun priesters met lama (= ‘hogere’) worden aangeduid. Deze leer werd ca. 640 n. Chr. ingevoerd op aansporing van koning Srong-tsan-gampo, de stichter van de hoofdstad Lhasa. (Uit: ‘De niet-christelijke godsdiensten’ van prof. dr. H. van Glasenapp)
[2] Hinayana-, mahayana-, tantrayana– en het vajrayana–boeddhisme zijn denkrichtingen binnen het boeddhisme.
[3] Mandala is Sanskriet voor (heilige) cirkel of (magische) kring. Zie bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Occult en Licht’ en ‘Occult zakwoordenboek, 4e druk, uitg. Bijbel & Onderwijs.                                                                                                                                                                                

[4]  De dalai lama’s kwamen volgens het principe van de choebilganse erfopvolging tot hun waardigheid. Deze bestaat hierin dat onder de jongens die kort na de dood van een hogepriester geboren werden, volgens bepaalde beginsels er één wordt uitgezocht, waarin de gestorven vorst zijn wedergeboorte beleeft, want de dalai lama’s worden beschouwd als aardse verschijningen (toelkoe) van de bodhisattwa Awalokitesjwara. (Uit: ‘De niet-christelijke godsdiensten’ van prof. dr. H. van Glasenapp)

 

Oppassen!

Bij het boeddhisme gaat net als bij de islam niet alleen om het bekendmaken van het gedachtegoed, maar ook om het claimen van grondgebied waar zij hun activiteiten ontplooien. Dat geldt niet alleen voor de bouw van hun heiligdom, de pagode, maar ook voor het maken van een mandala of voor het uitvoeren van hun dansen. Geen wonder dat diverse christenen zich tegen de grote mandala die enkele jaren geleden in Amersfoort gemaakt werd en de dansen die dit jaar in diverse plaatsen uitgevoerd werden, verzet hebben. Opmerkelijk is verder dat in het blad ‘Vier’ van maart 2009, een uitgave van de NCRV, zonder commentaar een aantal pagina’s aan deze godsdienst gewijd is. Bijbels denken is wel totaal iets anders dan spiritueel bezig zijn. Wat een taak voor kerk en school om deze geest te toetsen en te ontmaskeren! (1 Joh 4:1; Ef 5: 11)

Verhaal? Er worden vele verhalen voor kinderen geschreven. Kinderen zijn er dol op. Vanaf de zondagsschool en kinderclub en misschien ook in het christelijke gezin – horen ze spreken over Bijbelse verhalen, o.a. het scheppingsverhaal, het zondvloedverhaal, kerstverhaal, paasverhaal enz.

GENESIS 1 EN 2 – ALLEEN EEN SCHEPPINGSVERHAAL?

Verhaal?

Er worden vele verhalen voor kinderen geschreven. Kinderen zijn er dol op. Vanaf de zondagsschool en kinderclub en misschien ook in het christelijke gezin – horen ze spreken over Bijbelse verhalen, o.a. het scheppingsverhaal, het zondvloedverhaal, kerstverhaal, paasverhaal enz.

Nu wordt over het algemeen onder een verhaal een menselijke vertelling van een ware óf fictieve gebeurtenis verstaan. Is het, Bijbels gezien, daarom wel juist en pedagogisch verstandig om van het scheppingsverhaal te spreken in plaats van Gods openbaring over Zijn scheppingshandelen? Een kind kan niet onderscheiden tussen enerzijds één van de vele verhaaltjes en sprookjes die het hoort en leest en anderzijds Gods openbaringen en de historische berichten in de Schrift. Hoe staat het met ons volwassenen, christenen na de Verlichting (of Verduistering?), de liberale, Bijbelkritische ‘theologie’ en het darwinisme? 1 Zou het niet correcter zijn en meer getuigen van respect voor Gods Woord om consequent te spreken over het bericht over Gods scheppend handelen “in het begin” uit het niets, het bericht over zondeval en zondvloed, over menswording, zondoffer en opstanding van Jezus Christus enz., zoals in de Schrift opgetekend is?

Genesis 1 en 2 – twee verschillende, zelfs tegenstrijdige ‘scheppingsverhalen’?

Onder invloed van de liberale theologie worden 2 verschillende ‘scheppingsvoorstellingen’ verondersteld. Beide hoofdstukken echter vormen een niet te scheiden eenheid, zoals ook de Here Jezus in zijn citaat bevestigt (Mt 19:3-8; Mc 10:5-9). Ze vullen elkaar aan. Genesis 1 geeft een algemeen overzicht over de volgorde van Gods scheppend handelen en Genesis 2 verdere informatie over de betekenis daarvan voor de mens.

Genesis 2 gaat uit van de kennis van Gods openbaring in Genesis 1. Wat in Genesis 1 al beschreven is, moet niet allemaal in Genesis 2 persé herhaald worden, zoals Gods schepping van de hemellichamen, de zee en de aarde. Wat is een scheppingsverhaal – laat staan scheppingsbericht – zonder deze essentiële informaties? Ook daarom is de idee van Genesis 2 als ‘tweede scheppingsverhaal’ onjuist. Diverse exegeten spreken daarom liever overparadijsbericht in Genesis 2.

Omgekeerd, wat in Genesis 1 niet bericht werd, wordt in Genesis 2 vermeld:

  1. zowel “de boom des levens in het midden van de hof” als “de boom van de kennis van goed en kwaad” (Gen 2:8-9) en

  2. Gods gebod aan Adam met de dood als sanctie op overtreding er van en

  3. Gods schepping van de vrouw uit de man (Gen 2:21-23; vgl. 1Kor 11:8-9; 1Tim 2:3).

Zonder deze opeenvolgende informaties zijn de zondeval (ongehoorzaamheid van Adam tegenover zijn Schepper, Wetgever en Rechter, Jac 4:12), de oorsprong van de zonde en de dood in de wereld evenals van de vergankelijkheid van de aarde en van Gods heilsplan in Genesis 3 voor de mens niet te kennen en niet te begrijpen (zie ook Rom 5:12 ev.; 6:23).

De schepping van het plantenrijk en van de mens

Door het Woord van God ontstonden uit de droge aarde (1:9) zaadgevende planten en vruchtbomen. Maar zonder duurzame, regelmatige bevochtiging was plantengroei niet mogelijk. Gen 2:5 geeft aanvullende informatie dat God daarna zowel regen als ook “damp uit de aarde” (waterkringloop) gaf, zodat het gewas kon “uitspruiten” en groeien, als ecologische omgeving voor de mens. Alles ter voorbereiding voor de schepping van de dieren en van de mens, opdat zij zich met planten en vruchten konden voeden (1:29,30) en de mens de aardbodem kon bewerken (cultiveren, Gen 2:5b,15). Het wanneer en hoe van het ontstaan van planten en bomen werd al in Genesis 1:11-13 bericht en wordt zodoende in Genesis 2:5 niet meer herhaald.

Genesis 2:5 bericht niet dat de mens vóór het plantenrijk geschápen werd. Dat zegt alleen de Bijbelkritiek. Uiteraard schiep God mens en dier niet op een droge aarde zonder voedsel. Dieren worden in Gen 2:5-7 niet genoemd, omdat ze oorspronkelijk niet door God als voedsel gegeven waren.

De schepping van het dierenrijk en van de mens

In Genesis 2:19a wordt van Gods schepping van de dieren in Genesis 1:24-25 resp. hun bestaan als bekend uitgegaan. Het zegt niet dat God pas ‘in het hof van Eden’ de dieren geformeerd had, laat staan ná de schepping van de mens.2 Nieuw is de informatie dat God de dieren tot Adam bracht om hun een naam te geven (2:19b-20).

Genesis 1 en 2 – twee verschillende Godsvoorstellingen?

In Genesis 1:1-2:4a wordt de naam Elohim voor God als Schepper gebruikt, Zijn volheid en grootheid, en de goddelijke oorsprong van het zijnde. Het thema is Gods majesteit, heerlijkheid en almacht. Elohim is een meervoudsvorm, waarbij aan de goddelijke drie-eenheid gedacht wordt. Elohim is geen menselijke ‘Godsvoorstelling’, maar Gods openbaring in zijn oorspronkelijke schepping. In Genesis 2:4b-3:24 wordt meestal de naam Jahweh-Elohimgebruikt: Ik ben die Ik ben, die de Schepper is. Jahweh wordt als de Godsnaam tot heil van de mens gebruikt. Op grond van een wisseling van Godsnamen, die overigens ook elders voorkomt, moeten niet persé verschillende bronnen en auteurs verondersteld worden.

In tegenstelling tot allen die aan Genesis 1-3 trachten te sleutelen was de schrijver Mozes, de grootste geleerde van de oudheid, meer nog“de profeet Gods”, tot wie God “van aangezicht tot aangezicht” en met wie God “van mond tot mond sprak”, de“man Gods“, die de Here gekend heeft van aangezicht tot aangezicht” (Ex 3:11; Nm 12:8; Dt 33:1; 34:10-12).

“Dit moet u vooral weten, dat geen profetie der Schriften een eigenmachtige uitleg toelaat…” (2Pe 1:20-21).

1) Vgl. Nico ter Linde: Het verhaal gaat

2) Het Hebreeuws kent maar 2 tijdvormen. Uit het verband moet duidelijk worden wat de juiste vertaling is. Statenvertaling “had geformeerd” is beter dan de NBG-vertaling “formeerde”. Zo ook elders in het OT in verband met de context, zoals in Jozua 2:22: “De vervolgers hadden… gezocht”. O.a. Claus Westermann: Biblischer Kommentar zum Alten Testament, D-Neukirchen-Vluyn, 1974; J. en Stewart McDowell: Antworten auf skeptische Fragen, D-Asslar,1991. Zie ook Studiengemeinschaft Wort und Wissen: Informationen, 1995, www.Wort-und-Wissen.de