In de periode na Jozua tot aan de koningen van Israël (ongeveer 350 jaar) waren er tijden van voorspoed in Israël, maar ook tijden waarin het heel slecht ging.

De richters van Israël
Het kromme recht maken

HISTO
In de periode na Jozua tot aan de koningen van Israël (ongeveer 350 jaar) waren er tijden van voorspoed in Israël, maar ook tijden waarin het heel slecht ging. Buurvolken vielen vaak het land in om in Israël te roven en te plunderen. Pas als er een richter optrad die orde op zaken stelde, bliezen ze de aftocht en kwam er weer rust in het land.
1876 1406 1050 586

Aartsvaders – Woestijn Richteren Koningen
(470 jaar) (356 jaar) (464 jaar)
Vaak ontbrak er geestelijke leiding. De priesters en levieten deden geen moeite om het volk de Torah en het karakter van God te onderwijzen. Daardoor kregen de Israëlieten belangstelling voor de goden van Kanaän, want ‘ieder deed wat goed was in zijn ogen’.

De geestelijke verzwakking leidde tot nationale verzwakking. Dan viel het verband tussen de stammen weg en daar maakten de tegenstanders graag gebruik van. Als de nood hoog was, begonnen eenvoudige mensen uit het volk het woord van God te spreken. Dat waren de richters en door hen gaf God verlossing:

De Israëlieten deden dingen die de HERE uitdrukkelijk had verboden en gingen afgoden vereren. Zij dachten niet meer aan de HERE, de God Die hun voorouders hadden vereerd en aanbeden; de God Die hen ook uit Egypte had geleid. Zij aanbaden de afgoden van de omringende volken en knielden er zelfs voor. Toen werd de HERE boos op Israël. Ze hadden immers Hèm verlaten en Baäl en de afgodsbeelden van Astarte aanbeden! Daarom leverde Hij hen uit aan hun vijanden, die hen leegplunderden. Zij waren niet langer meer tegen hen opgewassen. Telkens wanneer de Israëlieten oprukten tegen hun vijanden, liet de HERE hen het onderspit delven. Hij had hen hiervoor gewaarschuwd, ja, zelfs gezworen dat Hij dit zou doen. Maar elke keer als het volk het vreselijk zwaar te verduren had, gaf de HERE richters die hen van hun vijanden verlosten. Richteren 2:11-16

Leestekst: Richteren 6-7
INFO A

A In de leer bij de Kanaäniet
Het was een prachtig land dat God aan de Israëlieten had gegeven. Goede grond beloofde rijke oogst. Maar het bewerken ervan stuitte op praktische problemen. Zij waren kinde­ren van de woestijn, maar nu moesten zij leren om het land te bebouwen.
Baruch had met zijn gezin een mooi stuk grond gekregen. Daar zou hij best een goede oogst van kunnen krijgen, maar dan moest hij wel een heleboel dingen aanschaffen. Werktuigen om te ploegen, te eggen en te dorsen. Hij was al een paar keer om zijn land heen gelopen en was blij dat zijn buurman een praatje kwam maken. Die had het over een man wiens voorou­ders allang in het land hadden gewoond. Bij Bozak de smid moest hij zijn, die zou hem wel kunnen helpen met wat hij nodig had.
Toen Baruch de werkplaats van Bozak zag, keek hij zijn ogen uit: een grote werkplaats waar ijzer werd gebogen en geslepen tot scherpe messen. Ergens in de hoek stonden nog andere voorwerpen: niet van ijzer maar van hout en van steen. Maar erg goed kon hij ze niet zien. Toen Baruch aanwees wat hij wilde hebben, schrok hij wel even van de prijs die Bozak daarvoor vroeg. “Het is echt niet te duur, want het heeft ook heel lang geduurd voordat wij wisten hoe het alle­maal moet. Bovendien zal je me nog wel eens nodig hebben en dan kom ik je graag helpen,” zei Bozak, “wij geven klantenservice.” Daar had Baruch nog nooit van gehoord, maar hij dacht wel dat hij het begreep. Hem ontging het fijne lachje op het gezicht van de Kanaäniet.
Toen hij thuis kwam, werd er een groot feest gehouden. “Nu gaat het echt gebeuren”, zei Baruch tijdens de maaltijd. “Kijk eens naar mijn nieuwe werktuigen. Volgend jaar hebben we groente en fruit, vlees en vis, brood en wijn. Nu wordt het ieder jaar beter, want ons land is prachtig en onze God is machtig.” Hij dacht (maar dat zei hij niet): en de werktui­gen van de Kanaäniet zijn krachtig.

B Alle eer aan de Kanaäniet
Mischa, de vrouw van Baruch, was nogal stil geweest tijdens het feest. Ze had bezorgd gekeken, maar waarom? Alles was toch goed? Het land bloei­de en het gewas groei­de, en de verlichtten het zware werk. Het was zoals Bozak had gezegd, ze waren ook van goede kwaliteit en gingen niet stuk. Baruch was tevreden en boerde vooruit. Tot het jaar dat de oogst mislukte.
Op een dag staarde Baruch mistroostig over het dorre land en vroeg zich af: wat komt er nu uit van Gods belofte dat er altijd op tijd regen en zonne­schijn zou komen? Ineens schoot hem de opmerking van Bozak te binnen: “Je komt nog wel eens bij me terug.” Was dat een uitnodiging geweest? Voor de gereed­schap­pen was het niet nodig, want die bleven het goed doen. Het lag ook niet aan de grond, maar aan de zon en de lucht. Zou Bozak daar ook iets op weten?
Daar kwam hij gauw achter toen hij Bozak weer ging opzoeken en merkte dat hij niet alleen was: meer boeren uit het land zochten hun toevlucht bij de Ka­naäniet. “Het is helemaal mis met de oogst”, zeiden ze tegen Bozak. “Dat ligt niet aan je werktuigen, het ligt aan het weer. Hoe hebben jullie zulke rampjaren overleefd?”
Daar had Bozak al op gerekend. Goede religie werkt altijd, dat trekt de mensen aan. “De baäls horen bij dit land,” legde hij uit. “Samen met de astartes zorgen zij ervoor dat de welvaart blijft. Als jullie willen weten hoe dit werkt, kom dan maar met mij mee.”
Ze liepen naar de andere kant van de werkplaats tussen de landbouwwerktuigen naar een andere afdeling. “De landbouwwerktui­gen zijn voor het land, maar we hebben ook luchtbouwwerktuigen,” legde Bozak de verbaasde boeren uit. “Daarmee regelen wij wat er in de lucht gebeurt: zon en regen, warmte en water. Zonder lucht is het land dood. Daar gaan de baäls en asjera’s over en daarom eren wij die, want anders gaat het mis.” Bozak toonde grote stenen waarin steeds dezelfde manlijke of vrouwelijke figuur was uitgehakt.
`Religie die werkt’, stond erbij vermeld, `Wet van de natuur’, `Goden van Kanaän’. “Maar dat zouden wij toch niet doen?” zei een van de boeren met een rode kleur op zijn wangen. “Mijn vader heeft dat beloofd toen Jozua nog leefde. Wij zouden alleen de HERE dienen!”
Glimlachend zei Bozak. “Onze goden horen bij het land, net zoals jullie God hoort bij de woestijn. Jullie God heeft je uit Egypte geleid en door de woestijn naar dit land. Bij de Jordaan hield zijn macht op, want elk gebied, elk land heeft zijn eigen goden. Onze goden geven ons voorspoed, onze religie dient de welvaart. Jullie willen toch vooruit? Ga nu maar mee, dan laat ik jullie een grote asjera zien, een gewijde paal waarmee je kunt bidden tot de godin van de lucht, de moeder van de aarde. Zij heet Astarte en vraagt aan haar man Baäl om regen te geven op het land, dus van haar komt onze voorspoed.” *)

Terwijl de boeren leerden hoe de baälsdienst `werkte’ en hoe ze de asjera moesten oprichten, dwaalden Baruchs gedachten nog even naar zijn vrouw Mischa. Hij kreeg er een onrustig gevoel van. Dat zou zij echt niet goedvinden, dacht hij, maar de tijden veranderen nu eenmaal, zo suste hij zijn geweten.

*) Astarte is de voornaamste godin van de Foeniciërs. Bij de Babyloniërs heet zij Isjtar of Astra, de hemelkoningin, ook wel betiteld als `moeder aarde’. Zij wordt gezien als de godin van erotiek en vruchtbaar­heid. Bij opgravingen zijn veel beeldjes van Astarte gevon­den. Ter ere van deze godin werd prostitutie gepleegd in de tempels om de vruchtbaar­heid van het land te dienen, zoals men meende.

tel dat je met elkaar een plan zou moeten ontwerpen voor de ideale wereld. Hoe stel je je zoiets voor¬? Misschien zou je eerst met elkaar een lijstje van dingen opstellen die er op de `ideale wereld’ moeten zijn of juist niet moeten zijn. Idealen dus. Je zou kunnen denken aan:

                            5. De verzoeking in de woestijn


                                                                                 Standhouden in verzoeking

Inleiding
Stel dat je met elkaar een plan zou moeten ontwerpen voor de ideale wereld. Hoe stel je je zoiets voor­? Misschien zou je eerst met elkaar een lijstje van dingen opstellen die er op de `ideale wereld’ moeten zijn of juist niet moeten zijn. Idealen dus. Je zou kunnen denken aan:
– voedsel en vrijheid voor iedereen
– geen godsdienstconflicten en oorlogen
– een wereld die voor iedereen leefbaar is.
Daarna zou je er aan kunnen gaan denken wat voor regels er zouden moeten komen. Regels die goed zijn voor iedereen en die iedereen zal naleven.
Voordat Jezus zijn werk begon, lezen we dat Gods tegenstander naar Hem toekomt. Hij liet onder andere het plan zien dat hij met de wereld had, maar dat was niet Gods plan. Daarombrak Jezus het gesprek af. Waarom eigenlijk?
Daarna werd Jezus door de Heilige Geest naar de woestijn geleid om door de duivel op de proef te worden gesteld. Hij bleef daar veertig dagen en veertig nachten. Al die tijd at Hij niet en tenslotte kreeg Hij honger. De duivel kwam naar Hem toe en zei: “Verander deze stenen toch in brood. Dan is dat het bewijs dat U de Zoon van God bent.” “Nee,” antwoordde Jezus, “want­ er staat geschreven dat eten niet het belangrijkste is, maar dat echt leven bestaat uit het gehoorzamen van elk gebod van God.” <1> Mattheüs 4:1-4

Leestekst: Mattheüs 4

5.1 Wat is dat: verzoeking?
Jezus weigerde op de voorstellen van de duivel in te gaan omdat het verzoekingen waren. Een verzoeking of verleiding is iets verlangen wat verkeerd is. Het heeft twee kanten:
– doen wat je eigenlijk niet zou moeten doen.
– niet doen wat je zou moeten doen.
Bijvoorbeeld als je je zin niet krijgt, zegt er een verlangen binnenin je: als je naar mij luistert dan krijg je wat je hebben wilt. Wie naar een verkeerd verlangen gaat luisteren en toegeeft aan verzoeking, keert zich daarmee van God af. Jakobus zegt: “Het zijn uw eigen slechte verlangens die u in verleiding brengen.*[1]).
Later onderwees Jezus zijn leerlingen ook over verzoekingen. In het Onze Vader, het gebed dat alle christenen kennen, gaat het daarover. “Leidt ons niet in verzoeking” en meteen volgt erop “maar verlos ons van de boze”. Die twee gaan altijd samen: verzoeking en de boze, net zoals God en het goede ook altijd samengaan.
Gelukkig zijn er ook goede verlangens. Het vermogen om te kiezen en de wil om iets te bereiken zijn juist grote geschenken. Die maken het leven juist mooi. Maar de duivel is er een meester in om de mensen in de war te brengen, zodat ze niet weten wat nu goede en wat verkeerde verlangens zijn. Wie almaar het kwade blijft doen, raakt eraan verslaafd. Jezus zei hiervan: “Ieder die zondigt, is een slaaf van de zonde.” En één van de spreuken van Salomo luidt: “Wie zich beheerst, is sterker dan wie een stad inneemt.” <2>

5.2 Toen Jezus verzocht werd
Aan het begin van Jezus’ openbare optreden werd Hij verzocht. Dat gebeurde in de woestijn van Juda, waar Jezus heenging nadat Hij in de Jordaan gedoopt was. Daar vastte Hij veertig dagen.
De duivel zoekt altijd een zwakte bij de mens op. Bij Jezus was dit honger, want Hij had veertig dagen en veertig nach­ten niet gegeten. De duivel sprak Jezus aan over broden maken. Wat een prachtig idee: een woestijn vol broden. Het zou een mooi begin zijn om het voedselprobleem aan te pakken. Dat zou ook een bewijs zijn dat Hij de Messias was. Daarom zei de duivel: “Maak je eigen manna *[2]), je bent immers Gods Zoon!” Jezus antwoordde met de woorden uit de Bijbel. ­”Een mens leeft niet van brood alleen, hij leeft ook van elk woord dat God zegt.­” Dus serieus nemen wat God heeft gezegd. Dat is even belangrijk als brood.
De tweede verzoeking vond plaats op één van de bijgebouwen van de tempel. Die rezen hoog uit boven het Kidron-dal, bijna 200 meter. Deze keer begon de duivel met het aanhalen van de Bijbel en daagde Jezus uit: “Spring naar beneden!” (want in de Bijbel staat dat engelen je zullen opvangen: was dat even een bewijs van zijn goddelijke macht!). Wanneer iemand een bijbeltekst noemt, denkt men wel eens “Wat goed!”. Maar het kan ook heel verraderlijk zijn, zoals blijkt uit deze geschiedenis.
Ook nu antwoordde Jezus met een bijbelwoord: “Er staat ook dat wij de Here, onze God, niet mogen uitdagen.”

De derde verzoeking was de brutaalste. In een visioen toonde hij Hem alle koninkrijken van de wereld met al hun rijkdom, kennis en cultuur. De machtige rijken van Babylon, Perzië, Grie­kenland, Rome en van alle konink­rijken die nog zouden komen. De duivel bood ze Jezus zomaar aan, als Hij maar even voor hem zou knielen. Dan hoefde Jezus niet eens te lijden aan het kruis! Dat was eigenlijk de grootste verleiding van allemaal: wereldheer­schappij, maar wel… tegen de wil van Zijn Vader.
Voor de derde keer antwoordde Jezus vanuit de Bijbel: “Geef niemand anders eer dan de Here, uw God. Doe alleen wat Hij zegt.” <3> <4>

5.3 Op het verkeerde paard wedden
De uitdrukking hierboven komt oorspronkelijk uit Engeland. Daar trek­ken de paarden­rennen altijd veel mensen en er wordt dik­wijls veel geld vergokt. Soms zetten mensen hun halve vermogen op het spel in de hoop dat zij nog rijker worden dan ze al zijn. Maar als hun paard de race niet wint, zijn ze die helft ook kwijt. Zoiets kun je maar één keer doen, maar daarna nooit meer. . .
Veel mensen vinden het best mooi wat Jezus zegt. Maar horen en doen zijn twee. Vaak komt men niet eens op het idee om dat ook echt te gaan doen. Anderen­ redeneren: Doen wat Jezus zegt? Natuurlijk, maar zorg dat niemand het te weten komt, want anders lachen ze je uit.
Toch wed je dan eigenlijk op het verkeerde paard. Het lijkt alsof je het goed hebt, maar dat is maar schijn. Want na een poos (soms na jaren) gaat dat verkeerde paard langzaam lopen, het wordt moe of het gaat mank. Dan haalt het goede paard het in en die krijgt de prijs. Jezus’ woorden serieus nemen is beslist geen gok, want Hij zelf staat erachter.
In de Bijbel heeft verzoeking altijd twee kanten:

Verzoeking Beproeving
Jezelf schade toebrengen door kwaad te doen. God laat verzoeking toe om je te leren Hem trouw te blijven (beproeving).

Paulus zegt hierover belangrijke dingen:

De beproevingen die u hebt ondergaan, zijn niet ongewoon. God is trouw; Hij zal ervoor zorgen dat de beproevingen niet te veel worden. Hij zal ook een uitweg uit de beproe­vingen geven, zodat u er tegen opgewassen bent. *[3])
God wil je dus sterk maken, zodat je weerstand kunt bieden en niet weerloos en willoos doet wat verkeerd is.

INFO B

5.4 Wie is de duivel en wie is Jezus?
De duivel is niet zomaar een verzinsel, een stukje folklore waarom we nu kunnen lachen. Hij was een hooggeplaatste engel die zichzelf boven God wilde verheffen, maar die daardoor juist diep geval­len is. Hij heeft nog steeds veel macht en maakt het de mensheid moeilijk zoveel hij kan. Luther dicht­te:
De vijand rukt (op) vast aan(een)
Met opgestoken vaan(dels)
Hij draagt zijn (uit)rusting nog
van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen.

Zijn Griekse naam is `diabolos’. Dat betekent: hij die alles door elkaar gooit. Wan­neer God iets heeft gezegd, dan zegt de duivel het net even anders. Hij draait Gods wetten zo om dat de mensen denken dat zij alles zelf kunnen. Bijvoorbeeld met behulp van de moderne wetenschap en tech­niek. Hij maakt dat de mensen negatief denken over God of dat Hij helemaal niet bestaat.
De duivel wordt ook wel de verzoe­ker of ver­leider genoemd. Daarom noemde Jezus hem `de vader van de leugen.’ *[4]) Luther heeft hem eens ‘de aap van God’ genoemd. Hij is niet origineel, maar aapt God als het ware na. Hij is zelf geen schepper, maar laat de mensen geloven dat zij ook `goden’ kunnen worden en hun eigen werelden kunnen scheppen, als zij hem maar volgen. <5> <6>
Jezus heeft de duivel weerstaan. Met het beste middel dat er is: het Woord van God. Hiermee kunnen ook mensen de duivel weerstaan. Dat kan door te rekenen met Jezus en zijn woord. Dan heeft Gods tegenstander al verloren. Jakobus 1 vers 12 luidt:
Gelukkig is de man die overeind blijft in de beproeving.
Heeft hij de proef doorstaan, dan ontvangt hij het leven,
de prijs die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.
” <7>

Jezus zondigde niet. De Bijbel laat er geen onzekerheid over bestaan dat Jezus als mens vol­maakt was en niet gezondigd heeft op aarde. Anders had Hij zichzelf niet als een smetteloos offer aan God kunnen brengen, als een onberispelijk en vlekkeloos lam. Dan zou Hij voor zijn eigen zonden zijn gestorven, maar niet voor de zonden van zijn volk en van de hele wereld.
Toch was Jezus ook gelijk aan de mensen. Hij kon verzocht worden zoals zij. Maar Jezus’ oorsprong was niet als van alle mensen. Hij was uit de hemel geboren. Hij maakte een nieuw begin. Door te luisteren naar Gods stem was Hij in staat om een volmaakt leven te leiden. *[5])
In de verleiding of verzoeking waaraan Jezus blootstond heeft Hij stand gehouden. Want Hij was en is de Zoon des mensen en de Zoon van God. Daarom komt Jezus alle eer toe. <8> <9> <10>

ACTUA
Tegenwoordig zien veel mensen uit naar de ‘goden van de nieuwe tijd’, die een gouden tijd beloven. Of van mensen die de mensheid een nieuw bestaan voorspiegelen. In de politiek klinkt af en toe zelfs de roep om één wereldleider, vanwege de grote wereldpro­blemen. Eén van de bedenkers van de Europese Unie, Henri Spaak, zei al in 1947: “Wij hebben een sterke man nodig. Of het een god is of een duivel, dat doet er niet toe. Als hij de problemen maar kan oplossen.”
Jezus weigerde zo’n wereldleider te worden toen de boze Hem vroeg voor hem te knielen. Liet Hij de mensen dan maar zitten met hun problemen? Bekijk eens je lijstje met idealen en regels die goed zijn voor iedereen. Christenen hebben van Jezus twee geboden geleerd om alle problemen tegemoet te treden. Het eerste is: “Je moet God liefhebben boven alles”. En het tweede: “Je moet je medemens liefhebben als jezelf.” Zijn er eigenlijk betere regels te bedenken voor de grote wereldvraagstukken? <11>


[1])Lees maar na in Jakobus 1 vers 14.

*[2]Dat was het brood dat God, op verzoek van Mozes, iedere morgen in de woestijn deed neerdalen, net als rijp op een winterdag.

[3]) Zie 1 Corinthiërs 10:13.

[4])Een andere naam voor de duivel is satan. Dat betekent: tegenstan­der, aanklager. Hij gaat altijd in tegen Gods wil, maar het lijkt vaak alsof hij met God meegaat.

[5])Dat kun je lezen in Hebreeën 9:14, 1 Petrus 2:19 en Johannes 8:46.

 

Engelen zijn hemelse wezens die door God zijn geschapen. Zij hebben dus een hemels lichaam, dat op aarde zichtbaar kan optreden.

Engelen (dl 4)

Engelen zijn hemelse wezens die door God zijn geschapen. Zij hebben dus een hemels lichaam, dat op aarde zichtbaar kan optreden. Alle engelen zijn in één keer door God geschapen en daarom worden zij in het Oude Testament ook wel `zonen van God’ genoemd.

Voordat de mens geschapen werd, was er een afval onder de engelen. Een hooggeplaatste troonengel, Lucifer, wilde zich verheffen boven de allerhoogste God, die hem geschapen had. Door zijn hoogmoed werd Lucifer de tegenstander van God, een ander woord hiervoor is satan. Toen God hem uit zijn hoge positie had ontheven, werd hij furieus en sindsdien probeert hij de hele schepping van God te verstoren. In zijn val trok Lucifer éénderde van de engelen mee, waardoor hij, zoals Paulus dat noemt, de overste is van de macht der lucht. Nu ziet het wereldbeeld er dus als volgt uit:

Onzichtbare wereld

God en zijn heilige engelen, die dienen in trouw en in waarheid (wonderen).

Onzichtbare wereld

Satan en zijn gevallen engelen, die werken door bedrieglijke verschijnselen.

De Zichtbare wereld waarin God de mens heeft gesteld om God en elkaar te dienen.

 

Er zijn vele soorten racisme, maar de ergste is religieus racisme, dat soms leidt tot fanatisme. De meeste mensen houden er een soort podium op na om elkaar naar waarde te rangschikken. Je zou het ook kunnen vergelijken met het erepodium bij de Olympische spelen, en het `goud’ hebben we natuurlijk zelf!

Racisme (dl 2)

Er zijn vele soorten racisme, maar de ergste is religieus racisme, dat soms leidt tot fanatisme. De meeste mensen houden er een soort podium op na om elkaar naar waarde te rangschikken. Je zou het ook kunnen vergelijken met het erepodium bij de Olympische spelen, en het `goud’ hebben we natuurlijk zelf!

Veel Joden dachten dat zij boven op het erepodium stonden. Zij waren immers het uitverkoren volk van God! De andere volken waren ook wel door God geschapen, maar het waren en bleven gojim, honden of heidenen. En de Samaritanen stonden helemaal onderaan…
De Grieken op hun beurt gaven zichzelf ook het goud. Zij hadden de Olympische spelen immers uitgevonden! De Romeinen konden er nog wel mee door; zij mochten gaan voor zilver. Maar alle andere volken stonden onderaan, die noemden zij `barbaren’.
Omgekeerd dachten de Romeinen dat zij het goud verdienden. Wie het Romeinse burgerrecht bezat, telde pas echt mee. De Grieken hadden een verdiende tweede plaats vanwege hun beschaving. Daarna kwamen de andere volken.

Lange tijd werden de zwarte volken van Afrika door veel blanken primitief genoemd. Bovenaan stonden natuurlijk de Europeanen, als nakomelingen van Jafeth. Ergens tussenin mochten ook de Semieten zoals de Arabieren en de Joden, een tweede plaats innemen.
In de tijd van Hitler dachten veel Duitsers dat zij Übermenschen waren, Edelgermanen. De Slavische volken van Oost-Europa beschouwden zij als Untermenschen. Helemaal onderaan stonden de joden en de zigeuners en op hen werd de Endlösung toegepast.

Jezus zet een dikke streep door al deze waan. God ziet niet naar huidskleur, ras of sekse. Hij zet een groot kruis door al ons `goud’ en `zilver’ en `brons’ en waarschuwt: “Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. Maar wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden” en: “Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten zullen de eersten zijn.”

 

God schiep door te spreken. Negen keer staat er in Genesis 1 “En God zei”. God hoefde maar te spreken, Hij opende Zijn mond, en dan was het er! In de onzichtbare wereld waar God is, wordt gesproken en gehoord. En daardoor komen dingen tot stand. Hieronder volgen de acht onderdelen van het scheppingsbericht:

Schepping (dl 1)

God schiep door te spreken. Negen keer staat er in Genesis 1 “En God zei”. God hoefde maar te spreken, Hij opende Zijn mond, en dan was het er! In de onzichtbare wereld waar God is, wordt gesproken en gehoord. En daardoor komen dingen tot stand.
Hieronder volgen de acht onderdelen van het scheppingsbericht:

Het begin. De aarde was woest en leeg, over de watermassa lag een diepe duisternis
Op de eerste dag schiep God het licht.
Zonder licht kan er geen leven zijn.
Op de vierde dag maakte God de lichtdragers aan de hemel: zon, maan en sterren (vaste tijden).
Op de tweede dag schiep God het uitspansel, de blauwe hemel met veel water(damp) in de bovenste luchtlaag. Op de vijfde dag schiep Hij de vissen, de vogels en de grote (zee)dieren.
Op de derde dag maakte God zee en land. Ook bekleedde Hij de aarde met bomen en planten. Op de zesde dag schiep God de dieren van het veld. Als laatste schiep Hij man en vrouw naar zijn beeld en gelijkenis.
Op de zevende dag rustte God van al zijn werk.

 

Dit is de avond van het Pascha. De tafel is gedekt, maar zonder borden. Bij elke plaats op tafel staat een beker.

Sederavond (dl 1)

Dit is de avond van het Pascha. De tafel is gedekt, maar zonder borden. Bij elke plaats op tafel staat een beker. Ook zijn er twee kandelaars met kaarsen. Midden op de tafel staat de sederschotel met een aantal speciale gerechten, die elk hun eigen betekenis hebben. De maaltijd duurt een groot deel van de avond. Telkens wanneer een gerecht wordt rondgedeeld, vertelt vader over de uittocht uit Egypte, weg van de slavernij naar de woestijn, om daar God te dienen, en om later te komen in het beloofde land.

Als de avond bijna voorbij is, gaat één van de kinderen naar de deur. Die doet hij open voor de profeet Elia, die de Messias en Zijn rijk zal aankondigen. Dat is een teken van vertrouwen dat God eenmaal zijn belofte zal waarmaken.
Tot besluit van de maaltijd wordt het grote HALLEL (Lof tot God, d.w.z. de psalmen 113 – 118) gezongen.

Soms wordt alles wat niet tot de officiële kerken behoort, tot de sekten gerekend. Dat is onjuist en doet onrecht aan sommige christelijke groeperingen die in leer en leven uitgaan van de Bijbel en zich vaak onderscheiden door een levenswandel waarbij theorie en praktijk, leer en leven blijk geven van de navolging van Jezus Christus.

Sekten (dl 4)

Soms wordt alles wat niet tot de officiële kerken behoort, tot de sekten gerekend. Dat is onjuist en doet onrecht aan sommige christelijke groeperingen die in leer en leven uitgaan van de Bijbel en zich vaak onderscheiden door een levenswandel waarbij theorie en praktijk, leer en leven blijk geven van de navolging van Jezus Christus.

Wanneer het gaat om echte sekten, moeten wij onderscheid maken tussen leerstellige kenmerken en leiderschapskenmerken:

Leerstellige kenmerken van een sekte Leiderschapskenmerken van een sekte
– Een nieuwe openbaring naast de Bijbel.
– Afdoen aan Persoon en werk van Jezus Christus.
– Een eigen heilsleer.
– Bijbelteksten uit hun verband gerukt.
– Het verstand op nul stellen.
– Aanmatigend Messiaans leiderschap.
– Aanspraak op speciale `ontdekkingen’
– Een knechtende organisatiestructuur.
– Een ongenuanceerd vijandbeeld
– Angst voor uitstoting.

Soms vervalt een kerk tot dwaling, maar daarmee is die nog niet een sekte. Dat gebeurt pas wanneer een aantal sekte-kenmerken tegelijk voorkomen.

 

Aan het einde van de woestijntocht, die veertig jaar duurde, herinnerde Mozes de Israëlieten aan alles wat er gebeurd was sinds het vertrek uit Egypte.

Sjema (dl 1)

Aan het einde van de woestijntocht, die veertig jaar duurde, herinnerde Mozes de Israëlieten aan alles wat er gebeurd was sinds het vertrek uit Egypte. Als ze op het punt staan het beloofde land binnen te gaan, legt hij hen nog eens de Tien Geboden op en vat het belangrijkste van de Wet voor hen samen:
“Luister, Israël! de HEERE is onze God, de HEERE is één.
Houd van Hem, met heel je hart en met heel je ziel en met heel je kracht.”

Dit gedeelte kent iedere Jood en heet het Sjema dat staat in Deuteronomium 6:4-9. Het betekent: Hoor! Luister! Dat is het eerste woord dat ze moeten leren onthouden.

Er loopt een grote scheidslijn tussen God en de wereld. Jezus had daar direct mee te maken, want heel Zijn leven was verbonden met de Vader.

Solidair of solitair (dl 2)

Er loopt een grote scheidslijn tussen God en de wereld. Jezus had daar direct mee te maken, want heel Zijn leven was verbonden met de Vader.

De wereld stond eerst sympathiek tegenover Hem en wilde Hem zelfs koning maken. Toen het duidelijk werd wie Jezus eigenlijk was en dat Hij God zijn Vader noemde, haakten veel mensen af. Jezus kende de wil van zijn Vader en deed die ook tot het einde toe. Altijd was Hij één, solidair, met God. Maar op een zeker moment stond Hij helemaal alleen, als solitair. Dat was aan het kruis. Toen kwam er zelfs een scheiding met zijn hemelse Vader door de zonde: van God verlaten. Toch bleef Jezus tot het einde toe solidair met de mensen voor wie Hij gekomen was.

De paradox is dat Jezus toen Hij solitair was, tegelijk solidair was met de mensen. Ook iedere christen krijgt hiermee te maken:
– een christen is solitair (staat alleen) door zijn verbondenheid met God. Dat heet ook wel:in de wereld, maar niet van de wereld.
– een christen is ook solidair (saamhorig), omdat hij door de beleving van Gods vriendschap weet hoe kostbaar een goede vriend(schap) voor anderen is.

 

Iemand typeerde eens een spreuk heel raak als een vergelijking met een `kick’. Zo’n spreuk is niet alleen een levensles, maar je wordt er ook een beetje door geschokt, waardoor je erover gaat nadenken.

Spreuken van Salomo (dl 3)

Iemand typeerde eens een spreuk heel raak als een vergelijking met een `kick’. Zo’n spreuk is niet alleen een levensles, maar je wordt er ook een beetje door geschokt, waardoor je erover gaat nadenken. Het belangrijkste onderwerp van het boek Spreuken is uiteraard de wijsheid en als tegenstelling de dwaasheid.
De basis van alle kennis is het eerbiedig ontzag voor de HERE.
Alleen dwazen schatten Gods lessen en wijsheid niet op hun waarde.

Net als de psalmen, zijn de spreuken altijd duidelijk te herkennen aan het parallellisme. Iedere spreuk heeft twee zinnen die iets met elkaar te maken hebben. Soms is de tweede zin een herhaling. Vaak ook worden er tegenstellingen tegenover elkaar gezet van goed en kwaad. Enkele thema’s van de spreuken zijn:
* wijsheid en dwaasheid;
* ijver en luiheid; blijdschap en verdriet;
* nederigheid en hoogmoed;
* goede en verkeerde dingen.
Sommige spreuken zijn in onze taal opgenomen, zoals de spreuk “hoogmoed komt voor de val”.