Aanzet tot specifieke kerndoelen voor Biologie, toegepast op het christelijk onderwijs en gericht op persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke roeping.
Het onderwijs in geschiedenis en staatsinrichting is gericht op de algemene vorming van de leerlingen bij hun groei naar volwassenheid, en beoogt tevens een bijdrage te leveren aan:
– hun functioneren als Christen in de samenleving
– hun staatsburgerlijke vorming.

Daartoe verwerven zij in een proces van afwisselend ontvangend en onderzoekend leren:

1. Besef dat de geschiedenis geen willekeurig, zinloos gebeuren is, maar beheerst wordt door een plan van God met de mensheid, ondanks de steeds aanwezige macht van het kwade. Daarbij moet geleerd worden dat de zin van de geschiedenis als lineair proces gelegen is in het scheppingswerk van God, dat ondanks de zondeval en de tegenwoordigheid van het kwaad, door het verlossingswerk van Jezus Christus wordt gevoerd naar het komende Rijk van God (Christus als de zin der geschiedenis).

2. Kennis ten aanzien van historische ontwikkelingen en processen, personen en gebeurtenissen, vanuit het perspectief van Gods (toelatend of ingrijpend) handelen met de mensen. Deze kennis dient om hieruit inzicht te verkrijgen inzake de betrekkelijkheid en tevens de belangrijkheid van het menselijk handelen (Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid), alsmede van het feit dat bij de interpretatie van feiten de visie van de geschiedschrijver een zeer belangrijke rol speelt.

3. Vermogen om wereldgeschiedenis en de kerkgeschiedenis met elkaar in verband te brengen. Hierdoor ziet men in hoe de kerkvaders en -hervormers, alsmede de zending handelden vanuit de beginselen van Gods Woord om daarmee in te gaan op de eisen van de tijd waarin zij leefden (geschiedenis aks ontmoeting met de–verre–naaste).

4. Vermogen om ideologieën, daden van personen en groepen, ontwikkelingen en gebeurtenissen te confronteren met bijbelse waarden en normen en daarmee een van de belangrijkste lessen der geschiedenis te leren.

5. Kennis en inzicht van historische structuren, processen, personen en gebeurtenissen die voor hedendaagse verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken op regionaal, Europees en mondiaal niveau van betekenis zijn (de directieve en correctieve kracht van de geschiedenis voor heden en toekomst).

6. Kennis en begrip van het ambt van de burgerlijke overheid als instelling van God, waardoor de term ‘regeren bij de gratie Gods’ voor de leerlingen geen loze kreet is. Dit omvat mede de taak van de overheid, haar gezag en haar grenzen (bijv. voorlichting, ambtsgebed, vloekverbod).

7. Kennis, inzicht en vaardigheden m.b.t. de ontwikkeling en het functioneren van het hedendaagse Nederlandse politieke systeem in wisselwerking met de samenleving;

8. Inzicht in hun eigen betrokkenheid als christen bij (historisch gegroeide) maatschappelijke verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken en bij het functioneren van het Nederlandse politieke systeem.

 

Aanzet tot specifieke kerndoelen voor Nederlands (en vreemde talen), toegepast op het christelijk onderwijs en gericht op persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke roeping.
Nederlands

Taal kan in de eerste plaats worden omschreven als een uitingsvorm. Een schepsel heeft de behoefte zich te manifesteren wat betreft zijn lusten en onlusten. Een mens zal zich aanvankelijk bedienen van geluid: huilen, kraaien; terwijl een dier zich daartoe moet blijven beperken.

De drang zich te kunnen uiten is zeer groot en op dat punt kan er heel veel misgaan. Het zielenleven – de bron van de persoonlijkheid kan slechts in geringe mate – of soms helemaal niet – naar buiten worden gebracht door gebrek aan taalbeheersing.

De taal is een machtig middel om te functioneren. Het onderricht in de moedertaal begint al bij de geboorte. Het onderricht in de vreemde taal begint veelal op latere leeftijd, maar het te bereiken doel zal in beide gevallen gelijk dienen te zijn. Wij dienen hierbij te bedenken dat het Nederlands in de basisvorming ook op literair gebied kan opereren, terwijl voor de moderne vreemde talen eerst een werkvloer moet worden aangelegd.

Om een goede taalbeheersing bij de moderne vreemde talen te verwerven is het wenselijk om reeds vanaf de eerste klas van de basisvorming te beginnen met het lezen van authentiek materiaal – bijvoorbeeld geïllustreerde verhalen – en het schrijven van opstellen met de reeds verworven, beperkte woordenschat.

Indeling:

1 Taalgebruik

2 Kennis over Nederlandse taal en taalverschijnselen

3 Informatie-vaardigheden

 

Moderne vreemde talen

Een algemene vereiste bij elk van de volgende onderdelen is:

– dat de teksten functioneel zijn, en

– gesteld in een taal die eenvoudig is wat betreft de structuur en de vocabulaire.

Bovendien moet de belangrijkste informatie zoveel mogelijk expliciet verwoord zijn.

Indeling:

1 Communicatievaardigheden

2 Compenserende strategieën en technieken

3 Socio-culturele competentie

4 Oriëntatie op het leren van vreemde talen

 

Hoe kinderen, buiten de ouders om, blootstaan aan occulte invloeden in spelletjes, boeken, muziek enz. Wat opvoeders en ouders hierover moeten weten en wat christenen kunnen doen.
Dikwijls blijkt dat ouders en opvoeders nauwelijks beseffen waar hun kinderen mee spelen, waarnaar ze kijken en wat ze lezen. Wanneer men hen hierop zou aanspreken, zouden velen dit verontwaardigd van de hand wijzen: dat bestaat niet! Misschien in Amerika, maar toch niet in Nederland. Misschien in de Randstad, maar toch niet op hun eigen dorp en school, laat staan in de huiskamer. Misschien bij mensen die ‘nergens aan doen’, maar toch niet bij meelevende christenen. Het gevolg hiervan is dat de generatiekloof tussen kinderen en volwassenen steeds grote wordt en dat de communicatie hierover ophoudt. En dan hebben die ouders en opvoeders gelijk wanneer zij zeggen: Nooit van gehoord!

Indeling van het boekje:

Deel 1. Over de relatie van kind en occultisme

1. Ten Geleide

2. Gevaarlijke spelletjes: herkent u deze kinderen?

3. Typisch een kind’: wat bedoelen wij daar nu mee?

4. Gods Woord verbiedt toverij en spiritisme

5. Willen zijn zoals God

6. Satan is een realiteit, maar Jezus is overwinnaar

Deel 2. Kinderen in contact met geesten

7. Glaasje draaien: wat gebeurt er dan?

8. Occultisme op school moet mogen!

9. Spiritisme op school kan niet

10. Geloof (maar niet): horoscopen

11. Geesten zoeken naar mensen: laat maar zoeken!

12. Elfen en feeën beloven gouden bergen

13. Beschermd tegen hekserij: een gedicht uit Benin, West Afrika

Deel 3. Spelenderwijs worden tot ‘tovenaarsleerling

14. Speelgoed dat geen speelgoed is maar speelkwaad

15. De ‘Masters of the Universe’ komen uit de speelgoedkist

16. De duivel rijdt pony en kinderen knuffelen hem

17. Dungeons en Dragons: een gezelschapsspel waarbij de duivel meespeelt

18. Een bloemlezing van allerlei licht wezens en aardgeesten

19. Hoe staat de Bijbel tegenover elfen en kabouters?

20. Hoe gaan wij met ‘onze sprookjes’ om?

Deel 4. Verstaan wij wel wat zij lezen en waarnaar zij kijken?

21. School-tv en kinderboeken: de vroegste indrukken bepalen het denken

22. Hoe (on)schuldig zijn onze stripverhalen?

23. Kinderboeken als voertuigenvan (en naar) het occulte

24. Een tweetal kinderboeken nader belicht

25. Welke werelden zien onze kinderen op tekenfilms?

26. Zijn de grootbeeldfilms dan niet beter?

27. Met de computer vertrouwd raken met de New Age ‘Bijbel’

28.Hoe gaan wij nu hiermee om?

Deel 5. Geesten verkleed als muzen

29. Geesten houden van kunsten; omgekeerd ook?

30. Mandala-tekenen: muzen helpen je ‘creatief’ zijn

31. Kinder-yoga: spelenderwijs open staan voor de wereld der geesten

32. Drugs als invalspoort naar duistere machten

33. Met rockmuziek (‘Heavy metal’) op drijfzand staan

34. Leren vechten onder de (Oosterse) meesters

35.Vuurdansen: wij worden fakirs!

Deel 6. Wat christenen kunnen doen

36. Kinderen staan open voor het Evangelie: een getuigenis

37. ‘Redt hen die ten dode gegrepen zijn’

38. Aan wie zij de glorie?
Als voorbeeld volgt hieronder het hoofdstukje over ‘Glaasje draaien’, nog steeds actueel!

7. Glaasje draaien, wat gebeurt er dan?

“Meneer! doet u mee met glaasje draaien?” Het is beslist geen uitzondering wanneer leerlingen hun leraren vragen mee te doen met deze nieuwe rage. Na alle prikkels van muziek, seks en drugs is er nu de nieuwe ‘kick’: het occulte. Het komt op alle scholen voor en de christelijke scholen maken hierop geen uitzondering.

Wat is dat, glaasje draaien? Er wordt een glas op zijn kop gezet, waar omheen de letters van het alfabet in een cirkel zijn gelegd. De leerlingen nemen hieromheen in een kring plaats. Dan worden de geesten opgeroepen en uitgenodigd om hun boodschappen door te geven. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, bijvoorbeeld door middel van een stokje dat beweegt en letters aanwijst, waardoor de boodschap ‘overkomt’. Of vier kinderen leggen een vinger op het omgekeerde glas en wachten totdat het glas gaat draaien en de vingers naar de letters wijzen. Op deze wijze worden de woorden gevormd en ‘komt de boodschap van de andere wereld door’, iets wat tegenwoordig ‘schakelen’ (in het Engels: ‘channeling’) wordt genoemd: “Joh, doe je vanmiddag mee met schakelen?”

Wat is dan wel de ‘kick’ die zoveel jongeren trekt?
Dat is allereerst de sensatie, het feit dat je kunt communiceren met ‘de andere wereld’. Behalve de kinderen is er een andere ‘persoon’ in de kamer: die is weliswaar onzichtbaar, maar geeft wel blijk van zijn aanwezigheid.
Vervolgens is er de spanning: voor wie is ‘de boodschap’ bestemd? Dat geeft het gevoel van een loterij, wie is de uitverkorene en mag de boodschap van ‘hierboven’ horen? Als die spanning voorbij is, komt de boodschap zelf, een lotsbestemming, een toekomstvoorspelling. Zal die jongen haar vragen/krijgen?

Waar gaan we met de vakantie heen en wat gaan we daar beleven? Zal ik trouwen en kinderen krijgen, of die fijne baan bij muziek of toneel? Blijf ik in Nederland, of gaan we fijn de wijde wereld in? Alles kan, en veel komt uit, dat maakt het juist zo echt, te gek joh!
Maar dan komt het antwoord aan het ene meisje: “over drie weken ben jij bij ons”, aan het andere: “over vijf weken!” De kinderen trekken wit weg, maar dan gaat iedereen wat lachen: flauwe kul joh, niks van aantrekken. Totdat na drie weken het voorspelde auto-ongeluk plaats vindt. Wat zeggen wij dan tegen elkaar bij de begrafenis? Wat erg, maar dat heeft toch zeker niets te maken met wat die geest zei?! Het andere meisje wacht ongerust de volgende twee weken af; die gaan zonder ongeluk voorbij. Vrolijk fietst ze van huis weg en wordt door een auto gegrepen . . . Wat zeggen we dan, als de klas opnieuw staat bij het graf van een klasgenoot? Nog steeds: flauwe kul, en verder gaan met glaasje-draaien, of toch maar liever niet meer doen?!?!

Dergelijke zaken vinden regelmatig plaats, niet alleen op school, maar bijv. ook in schoolweken, waar de jongelui bijv. op de slaapzolder de geesten oproepen, maar zich doodschrikken wanneer deze blijken ‘echt’ te komen. Iemand die regelmatig scholen bezoekt en over dit onderwerp lezingen houdt, zegt dat de scholen waar dit niet gebeurt uitzondering zijn; op de meeste scholen doen sommige, of (bijna) alle kinderen mee met deze ‘geesten-experimenten’.

Ik wil ermee stoppen, maar kan het niet!”
De Bijbel leert ons niet dat er geen demonen bestaan, maar verbiedt ons elk contact met hun wereld: dat is een gruwel voor God! Als wij naar de toekomst vragen, waarom vragen wij dan de doden in plaats van de Levende? Waarom interesseren de mensen zich niet voor de Bijbel, Gods Woord, wat een leven van schatgraven inhoudt, zoals de psalmist ons dat voorhoudt in Psalm 119? Is de Bijbel niet interessant meer? Vraag dan eens of iemand, of een groep, naar je school of jeugdgroep toekomt om vanuit zijn eigen leven over de Bijbel te spreken!

En dan, wanneer je ontdekt dat je met vuur hebt gespeeld, gezondigd hebt tegen God, en je eigen leven en dat van anderen riskeert door je deur (de toegang tot je ziel) open te stellen voor satans machten? Dan is het mogelijk om iemand erbij te roepen die ervan afweet. Niet iemand die er niet in gelooft, of die glaasje draaien, een geestenkring vormen, buiten het lichaam treden, ‘onschuldige spelletjes’ noemt. Luister eens naar het verhaal van Marjolein dat laat zien dat de duivel veel sterker is dan de mensen(kinderen); maar Jezus heeft de boze overwonnen! Volgens Marjolein mag je niet spreken van ‘occulte spelletjes.’ “Het is geen spel waar je mee bezig bent, maar gevaarlijke werkelijkheid. De duivel is geen speelkameraadje; hij is de grootste vijand van de mensheid!”

Marjolein is 17 jaar en vertelt hoe het er bij haar aan toegaat op een orthodox-christelijke school. “Je gaat in een kring zitten, legt alle letters van het alfabet in een cirkel en plaatst een glas in het midden. Dan ga je de geesten aanroepen en vragen stellen. Ik vroeg bijvoorbeeld met wie ik ging trouwen. Het glas wees de letters een voor een aan: E-R-W-I-N. Ik had al een jaar verkering met Paul, dus van toen af aan wachtte ik angstig af wanneer Paul het uit zou maken. Nu ik ermee gestopt ben, probeer ik er niet meer in te geloven. Maar toch ben ik nog wel eens bang . . .”

“Ik had nooit zoveel belangstelling voor occultisme. Het deed me niks. Maar twee vriendinnen uit mijn klas hadden op een verjaardagsfeestje eens de geesten aangeroepen. Ze haalden me over om mee te doen, en ik was eigenlijk wel nieuwsgierig”, vertelt Marjolein. Op een ander feestje was ook Marjolein van de partij. “Het was doodeng. Er gebeurde niet eens zoveel, maar ik had het gevoel dat de duivel zelf in de kamer was. Het was de duivel die dat glas liet bewegen. Ik heb nachtenlang eng gedroomd. Ik voelde me vies en onrein, alsof de satan in mijn hart zat in plaats van de Heilige Geest. Ik durfde niet meer te bidden en voelde me daar steeds schuldiger over.”

“Toen hoorde ik op vrijdag, de dertiende nog wel, een voordracht over de moordenaar aan het kruis, die ook vergeving kreeg. Vrijdag de dertiende werd voor mij een geluksdag, want ik durfde van toen af aan weer te bidden. Ik heb toen vergeving gevraagd en gebeden om kracht om ermee te breken. Dat is gelukt. Het was wel moeilijk want het leek net of mijn klasgenoten extra hun best deden om me weer mee te trekken. Maar God heeft mij geholpen en nu verdiep ik mij in de Heilige Geest. Dit is echt en maakt je niet rusteloos maar geeft juist rust.”

Een raad aan leerlingen en hun ouders/leraren
Er zijn veel Bijbelgedeelten die hierover gaan, maar uit die alle raden wij iedereen aan: Lees eens zorgvuldig Handelingen 19:13-20 door. En let erop waarop dit uitliep. Wie geesten oproept gaat om met vuur en loopt grote schade op naar lichaam en ziel. Maar wanneer vrees ons overvalt, de naam van Jezus wordt groot gemaakt, de schuld wordt beleden en de occulte daden aan het licht komen, dan wordt de macht van de boze gebroken. Alle toverattributen moeten worden weggedaan, ook de boeken waarin je kunt leren ‘hoe het werkt’. Wie weet wat er dan gebeurt op onze scholen, als de occulte ‘spelletjes’ (en dat is spelen met de dood!) plaats maken voor Bijbelstudie. “Zo werd de invloed van de woorden van de Here steeds groter en sterker.” (vertaling Het Boek) Ook bij jou op school?

 

Bij zgn. progressief onderwijs staat niet langer de leerstof maar het kind centraal. Volgens de Australische pedagoog S. Fowler is dit een valse tegenstelling omdat beide voortkomen uit een humanistisch mensbeeld. 
Bijbelcentrisch onderwijs overstijgt de tegenstelling tussen zgn. progressief en conservatief onderwijs.

Wat wordt bedoeld met de woorden: ‘kind-centraal?’ Wanneer dat iets nieuws is dat we moeten nastreven, wat deden wij dan vroeger? Tijdens een congres in Pretoria over Christelijk vakonderricht kwamen wij (opnieuw) in contact met de werken van de Australische pedagoog S. Fowler. Aan zijn boek Christian Educational Distinctivesontlenen wij de volgende nog steeds actuele beschouwing:

Progressief of conservatief: een valse tegenstelling
Humanisten geloven in de mens, zoals christenen geloven in God. Het humanistisch geloof kent vele variëteiten en voor een bezinning op het huidige debat over onderwijskundige zaken is het noodzakelijk hiervan enig begrip te hebben. De hoofdlijnen in het debat worden getrokken langs de termen ‘nieuw’, ‘progressief’, ‘open’ en ‘kind-centraal’ tegenover ‘oud’, ‘traditioneel’, ‘disciplinair’ en ‘leerplan-centraal’ onderwijs.

Dikwijls krijgt men de indruk alsof het gaat om twee systemen van onderwijs die scherp van elkaar worden onderscheiden, zoals ‘nieuw’ versus ‘oud’, ‘traditioneel’ versus ‘progressief’. In werkelijkheid gaat het hierbij veeleer om trends van denken in opvoeding en onderwijs die niet precies passen in vakjes en etiketten.
De praktijk in de meeste scholen toont de invloed van beide trends. Sommige scholen zullen daarbij meer aan de ‘traditionele’ kant zijn, andere meer aan de ‘progressieve’ kant. En juist omdat het hier gaat om trends, kan het er in die scholen die wij als ‘traditioneel’ betitelen, onderling heel verschillend toegaan. Dat geldt natuurlijk ook voor ‘progressieve’ scholen.

De ‘traditionele’ onderwijstrend legt de nadruk op intellectuele ontwikkeling en academische kwaliteiten. Heel belangrijk zijn wiskundige of literaire vaardigheden, logisch redeneren en een wetenschappelijke analyse als de bronnen van kennis. In een klimaat van gezag draagt de leraar als gezagsdrager kennis over aan de leerlingen. Discipline wordt begrepen als het opleggen van maatstaven van gedrag volgens het model dat de leraar voor ogen staat. De leerlingen staan permanent onder druk om ervoor te zorgen dat zij hard werken en goede resultaten boeken.

Waarschijnlijk is het meest kenmerkende van dit model het besef dat het kind primair naar school gaat om een bepaalde hoeveelheid kennis en vaardigheden te verwerven. Leerlingen worden beoordeeld op grond van de hoeveelheid kennis die zij hebben opgenomen en de bekwaamheden die zij hebben ontwikkeld in een bepaalde tijd en volgens dezelfde maatstaven worden ook de scholen beoordeeld.

Daartegenover legt de ‘progressieve’ onderwijstrend de nadruk op de persoonsontwikkeling van de leerlingen. Aan praktische ervaringen als grondslag van het leerproces wordt veel belang gehecht. Een excursie naar de kust om het leven aan zee te verkennen wordt als een veel waardevoller leerervaring beschouwd dan het reproduceren van de geschriften van een zee-bioloog. Nog belangrijker is een leerstijl waarbij de leraar de kinderen aanmoedigt om de dingen zelf te ontdekken. De nadruk ligt meer op zelf-discipline dan op een discipline die de leraar hen oplegt en stimulatie en motivatie tot leren heeft een veel grotere plaats dan een leerdruk van buitenaf.

De ‘progressieve’ trend wantrouwt de gedachte van een vooraf-bepaalde hoeveelheid kennis en bekwaamheden die alle mensen zich zouden moeten verwerven. Men heeft een afkeer van gevestigde leerstructuren (zoals klaslokalen en rapportcijfers). De progressieven zien de school als een plek waar elke leerling begrip, mentaliteit en strategie ontwikkelt die hem in staat stelt te overleven en te gedijen als vrije, ‘vervulde’ persoonlijkheid in een veranderende wereld.


Houding van de christenen
Hoe staan wij nu als christen-leerkrachten ten opzichte van deze trends? Moeten wij aanleunen tegen het ‘traditionele’ model of zijn wij juist voorstander van een ‘progressieve’ benadering? Of zouden wij beide uitersten moeten vermijden en streven naar een goede balans tussen deze twee trends? Hoewel veel christen-leerkrachten één van deze posities innemen, willen wij hiertegen stelling nemen, aangezien beide worden bepaald vanuit de variëteiten van de moderne humanistische religie. De verschillen zijn het product van deze verschillende stromingen en een evenwicht tussen die twee is slechts een evenwicht binnen de humanistisch pedagogiek.

De spirituele kracht achter de ‘traditionele’ trend in opvoeding en onderwijs is een verbond tussen het humanistische geloof in de rede en de wetenschap. Niet het Woord van God, maar het humanistisch geloof in de rede leidt ertoe dat intellectuele ontwikkeling en academisch presteren wordt gezien als de primaire doelstellingen van het onderwijs. Niet geloof in de God en Vader van onze Here Jezus Christus, maar een humanistisch geloof in wetenschap maakt het ontwikkelen van wiskundig denken, logisch redeneren en analyse tot hoogste prioriteit van de school.

Nu zijn wiskundig denken, logisch redeneren en analyse stellig van belang voor onze scheppings-roeping, maar zij zijn niet de sleutel tot de kennis. Intellectuele ontwikkeling en academische presteren hebben hun plaats op school, alleen een humanistisch geloof in de rede geeft deze prioriteit boven andere opvoedings-doelen. Ook wetenschappelijke vaardigheden, die zo’n prominente rol spelen in de ‘traditionele’ aanpak, zijn belangrijk, maar waarom zouden wij die belangrijker achten dan andere menselijke vaardigheden?
‘Nee’ tegen het conservatisme
Een krachtige bondgenoot van de ‘traditionele’ onderwijstrend is het conservatisme. Dat moeten we niet verwarren met de wens om te bewaren wat in het menselijk leven goed en waardevol is. Conservatisme gaat uit van de traditie als de norm van het leven en is wars van elke verandering. Een leidende woordvoerder hiervan is William F. Buckley, die de gezindheid van het conservatisme heel goed weergeeft als hij schrijft: “Conservatisme is de stilzwijgende erkenning dat alles wat uiteindelijk belangrijk is in de menselijke ervaring, reeds achter ons ligt. Alles wat wezenlijk belangrijk is, is reeds onderzocht en nu mag de mens gebruik maken van de grote waarheden die daaruit zijn voortgekomen. Wat er nu nog moet komen, staat in geen verhouding tot alles wat reeds eerder geweest is.” (Up from liberalism, Hillman, 1959 pag. 172)

Uit de aard der zaak heeft het conservatisme voor opvoeding en onderwijs eerder een negatieve dan een positieve betekenis. Het staat afwijzend tegenover elke verandering maar spreekt, evenals geloof in de rede, veel christenen aan omdat het ‘handhaving van waarden en normen’ in het vaandel draagt. Alleen komen die waarden en normen niet voort uit het Woord van God, maar uit de menselijke traditie die wordt beschouwd als levensgids.
Maar ook geen ‘Ja’ tegen het progressieve denken
Daarentegen gaat de ‘progressieve’ trend in opvoeding en onderwijs uit van de praktische menselijke ervaring als levensgids. Deze trend is een reactie op de beperkingen van het traditionele geloof en de rede en de wetenschap is gericht op de vrijheid van het individu. Maar in plaats van te erkennen dat de mens pas waarlijk vrij is onder God, gaat de ‘progressieve’ trend uit van de mens als autonome bron van kennis en wijsheid. In dit denken is de mens zelf de zin en het doel van het leven, die daarbij slechts geleid wordt de manier waarop hij zijn praktische ervaring beleeft en uitlegt.

Deze ‘progressieve’ trend ziet terecht dat de ‘traditionele’ benadering de ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid ernstig aan banden legt. Maar het antwoord voert weer naar een andere doodlopende weg, waarin de mens zelf beslist wat de zin en het doel van het leven is! In plaats van de menselijke rede en de wetenschap als levensgids hebben we nu praktische ervaring en individuele beleving.

‘Progressief’ of ‘traditioneel’: moeten we nu gaan zoeken naar een goed evenwicht tussen die twee? Nu we de religieuze wortels hebben blootgelegd, zal wel duidelijk zijn dat geen van deze twee de christen-opvoeder en – leraar zal aanspreken. We moeten uitzien naar een andere weg, die wij vervolgens gaan verkennen.
Christelijk onderwijs overstijgt deze denkkaders
Wij houden ons bezig met de vraag wat nu precies de kenmerken zijn van christelijk onderwijs. Iedere opvoeding die de naam christelijk verdient, kan niet een netjes-verpakt systeem zijn met uitgewerkte antwoorden op iedere situatie. Bij opvoeding en onderwijs is een christen, net als op de andere terreinen van het leven, constant onderweg naar het doel; nooit kan hij zeggen: nu ben ik er! Het is niet een systeem maar een beweging, waarbij we telkens opnieuw al ons denken en handelen moeten toetsen en waar nodig herzien in het licht van Gods Woord (Filippenzen 3:3-14).

Bij onderzoek naar de krachten die hebben geleid tot de moderne onderwijspraktijk wordt het duidelijk dat hedendaags christelijk onderwijs iets anders is dan aanpassing aan datgene wat moderne, seculiere scholen nastreven (hun praktijk blijkt vaak door nieuwe visies achterhaald). Christelijk onderwijs is alternatief onderwijs dat voortkomt uit een totaal andere levensbron. Het is niet alleen anders in zijn uitwerking, maar vooral in zijn fundamentele principes.

Natuurlijk betekent dit niet dat we niets kunnen leren van moderne onderwijsmensen die werken vanuit andere wijsgerige principes. Wij kunnen van hen leren omdat zij, net als wij, schepsels van God zijn die functioneren in Gods schepping en vallen onder de ordenende wetten van Gods Woord. In dit opzicht kan ieder medeschepsel ons helpen om beter zicht te krijgen op die ene schepping waarin wij allemaal leven, denken en handelen.
Drie wezenlijke thema’s: schepping, zondeval en verlossing
Aan de andere kant moet onze onderwijspraktijk worden geleid door de uitgangspunten van Gods Woord, zoals die ons in de Schriften zijn geopenbaard en die we kunnen samenvatten onder een drietal thema’s:

Het thema van de schepping leert ons alles wat wij waarnemen en beleven te zien als Gods schepping die voortdurend wordt geordend en gedragen door het woord van zijn kracht (Hebreeën 1:3). Daardoor zien wij ook onszelf als beelddrager en rentmeester van God met de opdracht om voor deze schepping te zorgen en deze te ontwikkelen overeenkomstig Gods Woord.

Het thema van de zondeval doet ons erkennen dat de mens, door God en zijn Woord de rug toe te keren, zichzelf van (de bron van) het leven heeft afgesneden. Wij zijn vervreemd van God en zijn de zin van ons bestaan kwijtgeraakt. Daardoor zijn we ook van elkaar vervreemd en van de schepping waarvan wij deel uitmaken. Door God te ontkennen, maken wij voortdurend goden uit de schepping om ons bestaan toch maar zin en doel te geven.

Gelukkig is dat niet het eind van het verhaal. Uit datgene wat de Bijbel ons openbaart, kennen wij de verlossing van de zonde door Jezus Christus. Onze wereld is niet alleen bedorven door de zondeval, het is ook een plaats die, in principe, in Christus Jezus is hersteld en vervuld (zie Colossenzen. 1:15-29). Zonde en vervreemding zijn realiteiten die wij niet ontkennen, maar daar gaat een ander thema bovenuit, namelijk dat van Gods verzoening en verlossing (zie Romeinen 5:20,21, Filippenzen 1:5-11, Colossenzen 1:21,22, 2:13-15 en 2 Timotheüs 1:8-10). Door Christus, en alleen door Hem, hebben wij vrede met God en kunnen wij samen met elkaar hier op aarde de zin van ons leven opnieuw ontdekken en beleven in onze omgang met Gods schepping.

Verlossing in Christus is niet bevrijd worden van de schepping. Het is juist bevrijd worden om díe mensen te zijn zoals God heeft bedoeld. Daardoor worden de gevolgen van de zonde in ijdelheid, vruchteloosheid en vergankelijkheid getransformeerd in hun tegendeel en krijgt het menselijk leven een eeuwigheids-dimensie (zie Ps. 147 en 148; Romeinen 8:19-23; Colossenzen 1:15-22 en Hebreeën 2:6-13).

Wanneer wij ons nu richten op de onderwijstaak van de christelijke school, volgen hieruit de contouren van wat opvoeden naar Gods Woord betekent en wat positief christelijk onderwijs, feitelijk inhoudt.


Geordende diversiteit

De praktijk van het christelijk onderwijs wordt gedragen door de overtuiging dat aan de wereld zoals wij die ervaren een bepaalde orde en structuur ten grondslag ligt. Dat zijn niet zomaar producten van het menselijk denken, maar scheppingsgegevens.

Nu is het niet specifiek christelijk om zoiets te beweren, want zeggen dat we in een geordende wereld leven, dat kan een niet-christen ook. Waar het om gaat is de vraag: wat is de aard van deze orde en structuur? Met andere woorden: wat is de sleutel om de orde van deze wereld te verstaan? Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de wijze waarop wij onderwijs geven.

Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat het een wetenschappelijke orde is met de wetenschap als de sleutel. Dus geven zij de wetenschap een centrale plaats en is hun onderwijs erop gericht om op wetenschappelijke wijze met de wereld om te gaan.
Anderen gaan ervan uit dat aan de orde van de wereld een begrip ten grondslag ligt, en dus kent het onderwijs bij hen een centrale plaats toe aan het begrijpen van de sleutelbegrippen en wordt de leerlingen geleerd om onze ervaringswerkelijkheid systematisch in begrippen samen te vatten.

Dit zijn maar twee van de vele manieren waarop de werkelijkheid wordt benaderd. Vanuit onze bijbelse begrippen kunnen wij stellen dat onze ervaringswereld ten diepste religieus is, afkomstig van en gericht op onze Schepper en Verlosser. Daarom wordt de sleutel om de werkelijkheid te verstaan niet gevonden in de wetenschap, de rede of het intellect, in praktische ervaring of welke menselijke activiteit dan ook. Die sleutel vinden wij alleen in een gelovig antwoord op de geopenbaarde liefde van God.

Van daaruit ontdekken we een rijke diversiteit en allerlei dimensies. Wij gaan inzien dat Gods schepping niet een heleboel van hetzelfde is, maar een rijke diversiteit van allerlei soorten schepsels die door het scheppende Woord van God zijn ontstaan (zie Genesis 1:11, 12, 20, 21, 24 en 25). Daarnaast ontdekken we een veelheid van manieren om inzicht te krijgen in deze scheppingsorde.

In de praktijk van het onderwijs zullen we dan ook de leerlingen leren om die diversiteit van de schepping zo breed mogelijk te verkennen en gebruik te maken van allerlei manieren om inzicht in die schepping te krijgen. Wij zullen het gebruik van wetenschap en logisch redeneren en allerlei technieken aanmoedigen, evenals het gebruik van praktische ervaring en esthetische waardering en sociale interactie. Dit alles en nog veel meer zijn de manieren die God ons heeft gegeven om de rijke verscheidenheid van de schepping waarvan wij deel uitmaken te verstaan en waarderen.

Het ordeningsprincipe dat al deze verscheidenheid samenbindt is niets anders dan het Woord van God. Daarom weigeren we om alle dingen die ons behulpzaam zijn om kennis te verwerven, te maken tot de sleutel om deze ordening te verstaan. Zo staan wij afwijzend tegenover alle systemen en praktijken van onderwijs die zo’n scheppingsgave verheffen tot het ordeningsprincipe waarmee wij de wereld om ons heen kunnen verstaan. Zij mogen dan waardevol zijn voor ons begrip van de rijke verscheidenheid van de schepping, wanneer wij ze maken tot de sleutel van de scheppingsorde, leiden ze ons op een dwaalspoor.
Christelijk onderwijs: let op uw saeck!
Zo zullen wij dus de verleiding moeten weerstaan om:
– academisch succes te maken tot de maatstaf van de school;
– wetenschappelijk onderzoek te beschouwen als de sleutel tot betrouwbare kennis;
– praktisch nut te verheffen tot maatstaf van wat de moeite van het leren waard is. Natuurlijk zullen wij streven naar academisch niveau, maken wij gebruik van wetenschappelijk onderzoek en relateren wij het curriculum aan de praktische situatie van de leerlingen.

Wij staan echter niet toe dat deze domineren als hoogste wijsheid voor ons onderwijsZij vormen niet de sleutel tot de kennis of de maatstaf van onze doelen. Dat is en blijft de ordenende kracht van het Woord van God, die het hele leerproces tot een eenheid maakt.

dr. S. Fowler (Australië)

Naar aanleiding van signalen van verontruste ouders en leraren waarschuwt B&O tegen occulte invloeden op scholen in leermiddelen en oefeningen.

Deze folder is uitverkocht, maar u kunt de inhoud ervan downloaden.
Occulte beïnvloeding van kinderen
Iedereen vindt het erg wanneer kinderen beschadigd worden. Jonge mensen kunnen op veel manieren ‘stuk’ gaan, bijvoorbeeld fysiek, moreel of sociaal. Dat kan thuis gebeuren, maar ook op straat, en zelfs op school kunnen kinderen zo beïnvloed worden dat ze er, vroeg of laat, de gevolgen van ondervinden.

Gelukkig zijn er allerlei instanties en acties om ouders en opvoeders, scholen en allen die met kinderen te maken hebben, hierop te wijzen en het stukgaan te voorkomen.
– Er wordt veel gedaan voor de veiligheid in het verkeer.
– Een goed klimaat op school, bijvoorbeeld door op te treden tegen pesten.
– Steeds meer mensen komen in ‘t geweer tegen kinderporno.
– Er wordt van allerlei voorlichting gegeven over verslavende middelen,
– ‘Gezond gedrag’ en ‘verzorging’ krijgen op school speciale aandacht.

Vaak zien ouders en leraren hierbij één belangrijk thema over het hoofd. Dat is de beïnvloeding van onze jeugd door het occulte, iets dat overal ingang vindt. Deze beïnvloeding kan overal plaatshebben:
– thuis, bijvoorbeeld via TV, computerspelletjes (kijk maar eens naar de CD-aanbiedingen in de speelgoedbrochures en op internet).
– op school, bijvoorbeeld via kinderboeken, schooltelevisie, leermethoden en allerlei ‘bewustzijnsverruimende’ oefeningen.
– tussen huis en school, bijvoorbeeld via paranormale/alternatieve beurzen of bij bezoeken aan bepaalde onderdelen van musea en ‘educatieve parken’.

Eén voorbeeld uit vele:

Bij schrijfoefeningen moeten kinderen mandala’s tekenen. Op het eerste gezicht prachtige, volkomen concentrische tekeningen, “om motoriek en concentratie te bevorderen en kinderen even aan iets anders te laten denken.” Het woord mandala komt uit het Sanskriet en betekent heilige of magische kring. Sommige mandala’s beelden Indische goden af, andere magische symbolen en chakra’s (zgn. energie-contactpunten in het lichaam). De mandala is een oertaal in geconcentreerde vorm die zowel in beeld als in klank wordt vertolkt. Ze zijn bedoeld als hulp-middel om het bewustzijn op één punt te richten en zo te voeren tot een toestand van trance.

Het leidt kinderen tot visualiseren en brengt sommigen tot buiten-het-lichaam reizen, zoals ook de sjamanen, yogi’s en voodoo-priesters doen. Carl G. Jung gebruikte het als middel om een ervaring te krijgen met ‘de andere wereld’ en contact te krijgen met ‘geestelijke wezens’. Door middel van hun ‘archetypische taal’ zou het mensenkind zijn eigen ‘authentieke Zelf’ leren kennen.


Wat houdt ‘occult’ nu precies in?
‘Occult’ slaat op datgene wat verborgen is. Het betekent zowel ‘onbekend gebied’ (terra incognita) als ‘verboden gebied’ (terra prohibita). In Deut. 29:29 geeft Mozes de Israëlieten de volgende instructie: “De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen.”

De Duitse professor dr. Reinhard Franzke heeft, op grond van uitvoerige studie en onderzoek, het occulte in kaart gebracht. Zo’n systematisch overzicht werkt heel verhelderend, vooral waar het onderscheid maakt tussen
– de eerste fase: vertrouwd raken met het occulte denken (O1)
– de tweede fase: intreden en zelf het occulte beoefenen (O2).

O1 * Er bestaan twee werelden:
de zichtbare en de onzichtbare werkelijkheid
* In die ‘andere werkelijkheid’ opereren spirituele machten en krachten met bovennatuurlijke vermogens
* De mens is een onsterfelijk, geestelijk wezen
(dat maar tijdelijk op deze wereld is)
* De deur naar de onzichtbare wereld is voor de mens gesloten (‘geestelijke ozonlaag’).
Ini * Deze deur kan door occulte rituelen worden geopend (initiatie of inwijding).
O2 * De mens is in staat om de andere wereld te ‘schouwen’, bijvoorbeeld in visioenen
* Het is mogelijk om de andere wereld binnen te gaan, bijv. door astrale reizen (buiten het lichaam treden)
* De mens kan andere wezens uitnodigen als ‘helpers’ bij hem binnen te treden
* Via deze ‘ helpers’ krijgt hij toegang tot magische, bovennatuurlijke vermogens.

Wij komen hiermee op een terrein dat vroeger voor de meesten onbekend was, maar in deze tijd op allerlei manieren naar ons toe komt, ook naar onze kinderen..
De Bijbel heeft ons hierover veel te zeggen!


Goed bedoeld, maar zonder de bron te kennen
Al jaren bereiken ons berichten, die toenemen naarmate bepaalde lees- en schrijfmethoden steeds meer ingang vinden. Daarom zijn wij, samen met collega’s uit andere landen zoals Duitsland en Polen, een systematisch onderzoek begonnen naar de invloeden van het occulte op scholen in:

  • Stilteoefeningen en fantasiereizen
  • Godenverering en religieus oer-beleven
  • Religieuze rituelen bij intercultureel onderwijs
  • Gaiacentrisme (verering van moeder aarde)
  • Sjamanisme (contact met de geestenwereld
  • Communiceren met bomen

Deze invloeden komen verhuld voor in leermethoden en nascholingscursussen, met als doel: kinderen beter te doen functioneren, ‘innerlijke blokkades weg te nemen’ en hun ‘verborgen hulpbronnen aan te boren’. Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte aan rust in de klas, verhoging van concentratie, bestrijden van pesten, begrip voor andere culturen, behoud van natuur en milieu en planetair leren denken.

Helaas staan veel scholen zonder argwaan open voor de moderne psycho-technieken waardoor kinderen WSNS (weer samen naar school) kunnen gaan, die voorheen naar het speciaal onderwijs werden verwezen. Veel (ortho-)pedagogen staan ook argeloos tegenover moderne didactische methoden (remedial teaching), waarbij kinderen hun eigen leerproces volgen. Zij beseffen niet dat kinderen, als ze niet afgeschermd worden, via een ‘reis naar binnen’ in contact kunnen komen met hun ‘spirituele entiteit’ die hen leert ‘surfen op de energiegolven van het onbewuste’. In gewone taal heet dit: een kind ertoe brengen zijn eigen medium te worden die zijn persoonlijke geleidegeest kan oproepen die zichzelf aan het aanbiedt.

Nu kunnen kinderen bij deze nieuwe psycho-technieken in het begin wel rustiger worden of zich beter concentreren, maar na verloop van tijd blijkt het middel vaak erger te zijn dan de kwaal. Dan kan de klas agressief en onhandelbaar worden en wordt het erger dan voorheen, zoals onder andere bleek op een school waar de ene groep wel, en de andere niet, aan deze ‘oefeningen’ was blootgesteld.


Schadelijke gevolgen bij kinderen
De schadelijke gevolgen kunnen groot zijn, soms op de korte, soms op de lange termijn.
Vaak wordt gedacht dat het gaat om enkele kinderen per school, die toch al van nature angstig zouden zijn. Dan wordt de ouders verteld dat hun kind een uitzondering is: andere kinderen zouden griezelen en monsters juist prachtig vinden en geen schadelijke gevolgen ondervinden!
Deze moderne mythe moet ontzenuwd worden. Bijbel & Onderwijs wijst ouders en leraren op de noodzaak om toch vooral de Bijbel te raadplegen: die waarschuwt nadrukkelijk tegen alle vormen van waarzeggerij en tovenarij.

De effecten op de jeugd zijn breed geschakeerd. De informatie die ons ter beschikking staat, geeft aan dat het hier niet gaat om uitzonderingen maar om tientallen procenten! Soms is het verband met occulte beïnvloeding direct te leggen, soms spelen er andere factoren mee. Weg dus met het sprookje dat “ons kind een uitzondering is” of dat het hier slechts zou gaan om ‘een incident’! Veel-voorkomende reacties zijn:

Gedragsveranderingen,

Karakterveranderingen

Geestelijke uitingen

Lichamelijke uitingen

Automatisch handschrift

Religieuze uitingen

Mediale vermogens

Paranormale verschijnselen

waaronder woede-uitbarstingen, verslaving (drugs, alcohol, nicotine) en zelfmoord-neigingen
zoals onverklaarbare wisselingen in de persoonlijkheid, zich plotseling terugtrekken en arrogant of prikkelbaar worden
waaronder nachtmerries, ‘stemmen’, hallucinaties, vervolgingswaan en dwanggedachten
waaronder bedplassen, hyperventilatie, epilepsie, geheugenverlies en onverklaarbare oorsuizingenspreken van andere persoonlijkheden, overnemen van de wil door een ‘walk-in’ en honend/duivels lachen
zoals godslasterlijke taal, afweer tegen de naam van Jezus en een onnatuurlijke belangstelling voor het bovennatuurlijke
zoals helderziendheid, gedachtenlezen, waarzeggende dromen en buiten-het-lichaam-tredingen (astraalreizen)
zoals het zien van aura’s/energievelden, materialisaties, klopgeesten en spookverschijningen.

Wanneer dit alles zich zo blijft voortzetten, kunnen wij dit niet anders zien dan als een ernstige aanslag op de geestelijke volksgezondheid.
Het is ook een aansporing om zo snel mogelijk een soort ‘keuringsdienst van waren’ voor het onderwijs op te richten.

Het meten van de kwaliteit van het onderwijs wordt een belangrijk politiek instrument. Heeft een uitgesproken identiteit van een christelijke school een positieve invloed op de kwaliteit van het onderwijs? Een eerste verkenning.

“SGP-er Van der Vlies wil meedenken over kwaliteitseisen in onderwijs” kopte het RD onlangs op de politieke pagina. De onderwijsinspectie, belast met de screening van de onderwijskwaliteit, heeft formeel de bevoegdheid om de deugdelijkheid van het onderwijs te toetsen. Het gaat daarbij om de vraag of de school voldoet aan de lessentabellen die de overheid heeft gesteld, of de leerkrachten bevoegd zijn en dergelijke. Maar de trend van de laatste jaren is dat de inspectie breder kijkt en ook beoordeelt of lesmethoden voldoen aan de onderwijsdoelen die de regering heeft vastgesteld. Daarbij past het zogenaamde integrale schooltoezicht (IST) en het regulier schooltoezicht (RST). Daarbij keert de inspectie de school binnenstebuiten, ook als het gaat over het pedagogisch en didactisch klimaat, kortweg de leersfeer genoemd. Dat gaat Van der Vlies net iets te ver. Hier raakt de inspectie de identiteit van de school. Hoe kwaliteit zich verhoudt tot identiteit wordt in dit artikel duidelijk.

Minister Hermans en staatssecretaris Adelmund willen de nieuwe werkwijze van visiteren wettelijk vastleggen. Sinds enige tijd laat de invulling van de taken door de inspectie een verschuiving zien van controlerende naar kwaliteits-evaluerende taken op het niveau van de individuele school. In de Wet op het schooltoezicht die over enkele maanden verschijnt, komt concreet te staan aan welke kwaliteitskenmerken een school moet voldoen. Vanuit het christelijk onderwijs is gezegd dat deze ontwikkelingen in strijd zijn met artikel 23 van de Grondwet dat handelt over de vrijheid van onderwijs. De regering zou met deze wet iets onwettelijks gaan legaliseren. Daar ben ik het persoonlijk niet mee eens. Deugdelijkheidseisen en kwaliteitskenmerken zouden zich dan niet met elkaar verdragen. Laten we eens bekijken hoe de overheid ertoe komt meer te gaan letten op kwaliteit.


Drie begrippen
De laatste jaren staan in het onderwijsbeleid een drietal begrippen centraal: deregulering, decentralisatie en autonomievergroting.
– Onder deregulering verstaan we dat de overheid streeft naar minder regels en naar minder ingewikkelde regels. Het dereguleringsbeleid richt zich vooral op beheerstaken, zoals personeelsbeleid en financieel-materieel beleid. Maar ten aanzien van de inhoud van het onderwijs zien we juist dat de overheid haar invloed vergroot.
– Daarnaast streeft de overheid naar decentralisatie van taken en bevoegdheden, en wel naar de gemeenten. Zowel deregulering als decentralisatie heeft tot gevolg dat besturen van scholen meer beleidsvrijheid krijgen en daardoor ook meer verantwoordelijkheid dragen, d.w.z. autonomievergroting.
– Ten aanzien van de inhoud van het onderwijs is er sprake van een tegengestelde tendens. De overheid wil meer gaan sturen op de kwaliteit van het onderwijs, die ze achteraf wil toetsen aan de hand van de opbrengsten. Ze gebruikt daartoe de volgende instrumenten:

* op het niveau van de leerling: kerndoelen, periodieke peilingen, leerlingvolgsystemen;
* op het niveau van de docent: beïnvloeding via nascholingsbeleid en personeelsbeleid;
* op het niveau van de instelling: zelfevaluatie, ontwikkeling van onderwijsindicatoren en kerndoelen.


Ontwikkelingen
Ook maatschappelijke ontwikkelingen dwingen scholen ertoe om na te denken over hun positie en over hun kwaliteit en identiteit. In de eerste plaats merken we (en mevrouw Adelmund noemde dat onlangs in een lezing) dat de ouders steeds meer in de positie van consument worden geplaatst. Dat heeft alles te maken met de argumenten waarom ouders voor een bepaalde school kiezen. In het verleden vond schoolkeuze meestal plaats op basis van richting. Voor veel ouders van nu is de richting niet meer het eerste keuzecriterium. Zij letten vooral op de kwaliteit van het onderwijs en de afstand tot de school. Dat betekent dat ouders ook andere eisen stellen aan de school. Hulpmiddelen die de ouders hierbij kunnen gebruiken zijn onder andere de schoolgids en het inspectierapport van de school op het Internet.

Een andere ontwikkeling het meten wat de toegevoegde waarde is van een school. Dat vangen we onder het begrip identiteit.


Soorten identiteit
Als we kwaliteit opvatten als de “mate waarin de school de eigen doelstellingen realiseert”, dan is er veel ruimte voor invulling van de identiteit. Voor de (christelijke) basisschool onderscheiden we drie soorten identiteiten of kwaliteiten:

1. De levensbeschouwelijke kwaliteit. Hierbij gaat het om de visie die men heeft op mens en samenleving, geïnspireerd door de Bijbel. Van daaruit formuleert de school de missie of mission statement. Een missie is een kernachtige boodschap die een school zowel intern als extern uitdraagt. De missie wordt geïnspireerd door de visie. De missie is de praktische vertaling van de visie.
2. De opvoedings- of vormingskwaliteit. Een christelijke school laat de verantwoordelijkheid die zij heeft voor de wijze van omgaan met leerlingen (de pedagogische relatie) duidelijk tot uiting komen.
3. De onderwijskundige kwaliteit. De school moet natuurlijk voldoen aan de deugdelijkheidseisen. Daarnaast kan de school nog eigen accenten leggen. De zorg voor de individuele leerling staat duidelijk centraal.

Op schoolniveau wordt in teamvergaderingen soms lang gesproken over visie en missie en de gevolgtrekkingen daaruit die merkbaar dienen te zijn op de werkvloer. Het proces van visie via missie naar handvatten voor de praktijk verloopt soms moeizaam. Er dienen antwoorden te komen op fundamentele vragen en in de formuleringen van antwoorden manifesteren zich de verschillen in mening. Bovendien lijkt het vaak of je met die antwoorden in de praktijk niet veel kunt. Toch blijkt het nuttig, want wie niet weet wat hij wil, loopt het gevaar dat alleen de waan van de dag wordt gevolgd. Of dat men niet tijdig inspeelt op een veranderende omgeving. Nodig blijft voor de invulling van de drie kwaliteiten of identiteiten dat het bestuur, de directie en het team zich proactief opstellen. Dat kan door de volgende punten in acht te nemen.


Instrumenten
Met behulp van evaluatie-instrumenten kan een school zichzelf beoordelen. Op basis van de evaluatie kan men gericht gaan werken aan veranderingen of verbeteringen. Bij de in te zetten instrumenten kunnen de volgende vragen helpen:

* Wat willen we?
* Wanneer moeten de gestelde doelen bereikt worden?
* Wie doet wat?
* Welke middelen zijn beschikbaar?
* Hoe doen we het?

Daarnaast kunnen de kwaliteitskaarten of schoolkaarten ingezet worden om de balans op te maken. Voor identiteit in de klas heb ik een kaart ontwikkeld die de betrokkenheid van christenleraren “meet” in de mate van bewogenheid. Dat gebeurt in de vorm van een drieluik: legitimering vanuit de Bijbel, de visie. Daarnaast de indicatoren ofwel de doelen en tenslotte de concretiseringen in de vorm van kernkwaliteiten.

Voor een verantwoorde beleidsvoering in het onderwijs moeten de verhoudingen, verantwoordelijkheden, functies en taken goed geregeld zijn. Het bestuur moet niet op de stoel van directie gaan zitten, maar ook niet andersom. Het gaat om een soepel en functioneel samenspel tussen het bestuur, de directie, het team en de medezeggenschapsraad.

Bij dit proces mogen wij een beroep doen op de bijstand van de Heilige Geest, Die inspireert om identiteit en kwaliteit op elkaar af te stemmen en te bewaken. Scholen zijn geen gesloten bolwerken. Verantwoordingsplicht tegenover God en tegenover ouders en tegenover de overheid door middel van de inspectie maakt scholen transparant. En wie wil niet transparant zijn als men zich geleid weet door God Zelf, Die altijd uit was op kwaliteit door middel van Zijn identiteit, “Ik ben Die ik ben”? Wie daarvoor uitkomt hoeft de concurrentieslag niet te verliezen. Het geeft de schoolorganisatie authenticiteit. En dat is meetbaar en zo krijg je kwaliteit door identiteit.

 drs. J.J. Bakker

Hoe ervaren leerlingen de uitingen van spirituele pedagogiek op school? Reacties van 19 Duitse kinderen. door drs. R.H. Matzken vertaald uit het boek ‘New Age Pädagogik’ van dr. R. Franzke.

Tijdens een vakantiekamp in Duitsland konden christenleerlingen van 12 tot 16 jaar opschrijven hoe zij op de lagere school diverse uitingen van de zgn. spirituele of New Age-pedagogiek hebben beleefd. Deze leerlingen wisten waarschijnlijk even weinig van de achtergronden als de meeste lezers van dit blad. Van de 19 reacties geven wij hieronder de hoofdzaken weer, in de wetenschap dat het in Nederland nauwelijks anders zal zijn dan in Duitsland.
Statistisch overzicht
Wat valt er zoal onder de zogenaamde New Age-pedagogiek? Hierbij worden kinderen (meestal zonder het te weten) in een vorm van hypnotische trance gebracht waardoor zij in contact kunnen treden met de ‘andere wereld’. Daar ontmoeten zij dan hun persoonlijke geleidegeest om hen verder te ‘helpen’. . .

# ll.
Mandala tekenen
Fantasie- of droomreizen
Ademoefeningen (‘ontspanning’)
Stilteoefeningen (‘concentratie’)
Yogische oogoefeningen
Visualisatie
(Ritueel) lichaamswerk
Liggende achten (lemniscaten) tekenen
Innerlijk waarnemen
Creatief schrijven
Ratelen/trommelen
Oefeningen tegen pesten en verslaving
13
10
9
6
5
4
3
2
2
1
1
1

Hierbij moeten we bedenken dat zulke ervaringen voor de meeste kinderen al jaren achter hen liggen. Het tekenen of kleuren van mandala’s (de mantra en de mandala vormen samen de kern van zowel hindoeïsme als boeddhisme!) herinneren zij zich soms van alle klassen!

Bijbel & Onderwijs heeft een aantal van deze technieken – waaraan dikwijls veel aandacht en tijd wordt besteed – onderzocht en in kaart gebracht, zoals Mandala’s, Fantasiereizen, Stilteoefeningen, Visualisatie, Kinesiologie (het wisselen van Hersenhelften) en Creatief schrijven (bij Schrijfdans). Bij voldoende meldingen zullen wij ook de overige technieken beschrijven en de occulte achtergrond ervan aantonen.

Hoe kinderen erop reageren
Opvallend is hoe kinderen het zelf beleven en erop reageren en ook hoe deze occulte technieken bij allerlei vakken voorkomen, met name bij Taal, Schrijven, Rekenen, Tekenen, Engels, Natuurkunde, Kunst en muziek, Lichaamsoefening en Godsdienst. Sommige oefeningen werden er tussendoor gedaan, wanneer de leraar geen raad meer weet met de drukke klas; andere als ‘vakoverstijgende projecten. Voor sommige oefeningen – zoals mandala tekenen – wordt een cijfer gegeven dat meetelt voor het rapport.

“Ook bij kunst en muziek wilde onze lerares deze dingen (visualiseren) met ons doen. Omdat ik destijds al ervaren heb dat dit iets met het occulte te maken heeft, ben ik gewoon met de andere christenen de klas uitgelopen.”
“In klas 8 hadden wij een projectdag ‘Visualisering’. Ik wist niet wat dit was, maar had het gevoel dat het iets slechts was. Daarom wilde ik ziek zijn, ik heb dat aan God verteld en zo werd ik de volgende dag ziek, zodat ik het niet heb hoeven meemaken.”
“Ik wist helemaal niet dat het tekenen van mandala’s occult is. Ik heb daarbij dan ook niets bijzonders ondervonden.”
“In de vijfde klas wist ik al dat het tekenen van mandala’s verkeerd was. Toen we dat daar moesten doen, ben ik (samen met de andere christenen uit mijn klas) naar mijn lerares gegaan om te zeggen dat wij hieraan om godsdienstige redenen niet meedoen. Daar had zij geen begrip voor, ook niet nadat enkele van de ouders met haar hadden gesproken. Toen hebben wij de mandala’s maar als gewone tekeningen nagemaakt zonder ons erop te concentreren.”
“In de lagere klassen heb ik gewoon meegedaan met Fantasiereizen en er grapjes over gemaakt. In de hogere klassen heb ik gewoon niet geluisterd en aan iets anders gedacht. Daar heb ik ook bij gebeden en het is echt waar: God heeft mijn gedachten naar iets anders geleid.”
“Bij Stilte- en concentratieoefeningen moesten we alsmaar herhalen “Ik ben goed”, “Het lukt me wel” en andere formules. Ik heb wel meegedaan maar het zei me niets. Mijn lerares wist best wat zij ons wilde bijbrengen: zij heeft zelf gezegd dat zij aan yoga deed.”
“Toen we – na de Fantasiereis bij de muziekles – terug in de klas kwamen, kwam de onrust terug.”
“Na deze Fantasiereis was ik nog meer vermoeid dan daarvoor.”
“Net als bij alle oefeningen (stilteoefeningen en yogische oogoefeningen), had ik daarna hoofdpijn of was ik erg moe.”
“De helft van de klas deed de ogen niet dicht, daarna hield de lerares ermee op.”

Arme kinderen! Tot God bidden of je ziek mag worden om maar niet mee te hoeven doen! 
Waar zijn we toch mee bezig op onze scholen! Hieraan meedoen is in Duitsland dikwijls verplicht, maar ook in Nederland komt dit steeds vaker voor als ‘experiment’, waaraan kinderen zich maar moeilijk kunnen onttrekken. Wij stellen reacties van ouders en leerlingen erg op prijs, zodat we een idee kunnen krijgen hoe vaak dit in Nederland gebeurt en wat wij hier mogelijk aan kunnen doen.

 

Prof. dr. Franzke, hoogleraar Pedagogiek aan de universiteit van Hannover, heeft een uitgebreid document over de newage-pedagogiek samengesteld. Hoewel er zaken zijn die op de Duitse situatie betrekking hebben, is het voor ons van belang om de achtergronden te weten. Een gedeelte is overgenomen

“LEERPLAN VAN NEW AGE”

ANTICHRISTELIJKE TRENDS VAN DE NEWAGE-PEDAGOGIEK

De nieuwe pedagogiek, die zich in de betreffende literatuur en in de overeenkomstige vaktijdschriften, aan de universiteiten en nu ook in de scholen doet gelden, wil

  • de autoriteit van ouders en leerkrachten ondermijnen,
  • de kinderen doen wennen aan vormen van ontucht,
  • op de kinderen een antichristelijk geloof overbrengen,
  • de kinderen hypnotiseren,
  • de kinderen onderwerpen aan een “therapie” en hen psychisch manipuleren,
  • de kinderen ideologieën opdringen en ze wil
  • ontwikkelingsniveau door nieuwe onderwijsmethodes verlagen.

Het is de bedoeling om dit hieronder zo beknopt mogelijk uiteen te zetten. (De belangstellende lezer willen we wijzen op de site www.Faith-Center-Hannover.de.

1. De newage-pedagogiek is antipedagogisch en antiautoritair.

a) De newage-pedagogiek is antipedagogisch: ze wil de kinderen niet (meer) opvoeden, zeker niet naar christelijke maatstaven. Volgens deze moderne pedagogiek moeten de kinderen zich zo vrij en onafhankelijk mogelijk ontwikkelen en zichzelf verwezenlijken. De kinderen moeten doen en laten, wat ze willen. Het motto van de nieuwe pedagogiek lijkt op het motto van de heksen, magiërs en neo-satanisten. Daar zeggen ze: “Doe maar, wat je wilt!”

De newage-pedagogiek is antiautoritair georiënteerd: ze wil de traditionele en door God gewilde autoriteitsrelaties tussen mensen ondermijnen en verwoesten. Ze wil vermeende “autoritaire relaties” vervangen door (pseudo-)democratische, partnerschappelijke en anarchische toestanden, vooral in gezin en school. Overal moeten kinderen en tieners meepraten, ja zelfs meebepalen over zaken, die hen zelf betreffen (of zaken in het algemeen). Het uiteindelijke doel van emancipatorische pedagogiek werd door de liedjesmaker Herbert Grönemeyer als volgt bezongen: “Kinderen (moeten) aan de macht!”

In het gezin moeten de kinderen weigeren hun ouders gehoorzaam te zijn en in de scholen werd het als autoritair uitgekreten frontale onderwijs vervangen door nieuwe onderwijsmethodes, die de leraren (en leraressen) degraderen tot “leeradviseurs” met weinig autoriteit en van de leerlingen verlangen, dat ze zich de leerstof in grote lijnen zelfstandig bijbrengen.

b) Gelovige christenen kunnen de antiautoritaire pedagogiek en de gedwongen emancipatie van de kinderen nooit accepteren. De antiautoritaire pedagogiek is in strijd met het christelijk geloof en Gods Woord. De door God gewilde ordening is hiërarchisch met God in het middelpunt: Boven alles uit staat Gods Woord, Jezus Christus, Gods Zoon, is het hoofd van de christelijke gemeente, van de gelovigen, de man is het hoofd van het gezin en de ouders behoren autoriteit te hebben over hun kinderen.

Gods Woord eist juist het tegenovergestelde van de antiautoritaire pedagogiek. In de Bijbel staat: ‘Doe, wat God wil’ en niet: ‘Doe maar, wat je (zelf) wilt’; ZIJN (en niet mijn) wil geschiede. Zo staat het in het Onze Vader. Volgens Bijbelse opvatting behoren de mensen Gods aanwijzingen en geboden te volgen en niet doen en laten, wat ze willen; gelovige christenen en navolgers van de Here Jezus behoren zich zelf te verloochenen en niet zichzelf te verwezenlijken.

Volgens Bijbelse opvatting moeten de kinderen hun ouders en leerkrachten hun werkgevers en de burgers hun regering respecteren. Ongehoorzaamheid is niet in overeenstemming met de aard van het christelijk geloof. Er is één uitzondering: als menselijke eisen en eisen van de staat in strijd zijn met Gods geboden, dan moeten we God meer gehoorzamen dan de mensen (Hand. 5:29).

De kinderen moeten gehoorzaam zijn aan Gods geboden en Gods vertegenwoordigers op aarde, ouders en leerkrachten. In het vierde gebod staat: “Eer uw vader en uw moeder.” Er staat niet: ‘Kritiseer uw vader en moeder en wees opstandig tegen hen.’ Het allerbelangrijkste doel van een christelijk-georiënteerde opvoeding is daarom: Eerbied voor God, ouders, ouderen en leerkrachten! Zijn de scholen niet ver daarvan verwijderd, hoewel in tal van grondwetten nog steeds de “eerbied voor God” de hoogste prioriteit heeft?

2) De newage-pedagogiek wil de kinderen doen wennen aan vormen van ontucht.

a) De newage-pedagogiek wil de kinderen verleiden tot diverse vormen van ontucht. Onder het voorwendsel van seksuele voorlichting wil ze gewilde taboes, remmingen en schaamtegevoelens verwoesten en de kinderen zo vroeg mogelijk verseksualiseren, seksueel stimuleren en heenleiden naar voorechtelijke, buitenechtelijke en tegennatuurlijke levens- en seksuele vormen.

Deze doeleinden worden niet alleen gediend door de veelal schaamteloze inhouden en methodes van de seksuele voorlichting, maar ook door diverse stilteoefeningen en fantasiereizen, door zogenoemde waarnemingsoefeningen, door bewegingsspelen, groepsmassage en dergelijke.

b) Gelovige christenen kunnen de (gedwongen) verseksualisering van hun kinderen nooit accepteren. Die vorm van “opvoeding” is in strijd met het christelijk geloof en Gods Woord. Volgens Bijbelse opvatting behoort de seksualiteit uitsluitend thuis, in het huwelijk en de seksuele voorlichting in het gezin. Gehoorzaam aan Gods Woord moeten gelovige christenen hun kinderen verre houden van elke vorm van ontucht. De Bijbel zegt: ‘Van allerlei onreinheid mag onder u zelfs geen sprake zijn (Ef. 5:3).’ En: ‘Hoereerders zullen het koninkrijk Gods niet beërven (1 Cor. 6:10)!’

De door de newage-pedagogiek nagestreefde verseksualisering van onze kinderen is in hoge mate immoreel, ze is huwelijks- en gezinsvijandig en ze verkracht tere kinderzielen. Ze verwoest de basis van elke samenleving: het gezin, de staat en de sociale stelsels (pensioen enz.).

3. De newage-pedagogiek wil op de kinderen een antichristelijk geloof overbrengen.

a) De newage-pedagogiek is qua wereldbeschouwing en religie niet neutraal, zoals de grondwet voorschrijft. Integendeel, ze wil de kinderen religieus indoctrineren en missioneren. Ze wil de kinderen van het christelijk geloof en Gods Woord verre houden en hen inleiden in de religieuze en pseudoreligieuze leringen en praktijken van het Verre Oosten, van de heksen, magiërs en sjamanen. Tot het spirituele en (pseudo-)religieuze leerprogram van de newage-pedagogiek behoren vooral

  • bijzondere ontspannings- en ademtechnieken,
  • visualiseringsoefeningen en fantasiereizen,
  • concentratie- en stilteoefeningen,
  • mandalatekenen,
  • meditatie en yoga, tai chi en qi gong,
  • vechtsport uit het Verre Oosten en feng shui,
  • pendelen en glaasje draaien,
  • kinesiologie en braingym,
  • superlearning en suggestopedie,
  • interactie rond een bepaald thema en neurolinguïstisch programmeren,
  • diverse rollenspelen en groepsdynamische praktijken,
  • enz. enz.

Het spirituele en pseudoreligieuze leerprogram van de newage-pedagogiek is ondertussen te vinden in veel leerplannen voor het basisonderwijs, maar ook in bijna alle bewegings-, gezondheids-, verslavings- en geweldpreventieprogramma’s. Onder het voorwendsel van bevordering van beweging en gezondheid, verslavings- en/of geweldpreventie moeten de kinderen telkens weer en vooral ontspannen, ademen, visualiseren en “in de fantasie” leren reizen!

b) Gelovige christenen kunnen die praktijken nooit accepteren. Genoemde praktijken zijn in strijd met het christelijk geloof en Gods Woord. Het is aantoonbaar, dat genoemde praktijken basiselementen en basistechnieken zijn van buiten-christelijke en pseudoreligies, waar gelovigen van gebruik maken, als ze met hun goden en godinnen contact willen opnemen. Na enige oefening voeren genoemde praktijken (zie boven) tot een tranceachtige bewustzijnstoestand, die de deur opent tot spirituele (geestelijke) werelden en machten, de deur tot de wereld der geesten, geestwezens en leidende geesten (tot de wereld van de “spirits”). Ze komen uit de religies van het Verre Oosten, uit het esoterische, uit de magie, uit de hekserij en sjamanisme. Zoals de betreffende literatuur laat zien, zijn die praktijken niet ongevaarlijk. Ze kunnen schade toebrengen aan het fysiek, psychisch en geestelijk welzijn van onze kinderen. Ze kunnen ziek maken en de geest in verwarring brengen.

Voor opvoeding en onderwijs tenslotte Ef 3:11 en 12: ‘Neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer., want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat door hen wordt verricht.’

Prof. dr. Reinhard Franzke

Vertaald door Heinz Volkert

De dichter Horatius behandelt in zijn beroemde Ars Poetica de klassieke vraag of de kunstenaar zijn genie te danken heeft aan natuurlijk talent of aan een met-hard-werken-verkregen vakmanschap. Het antwoord is al even klassiek als de vraag zelf. Talent en discipline kunnen niet zonder elkaar: ´ze hebben elkaars hulp nodig en werken in vriendschap samen´[1] Wie wil excelleren in kunst of sport heeft een ruime mate aan talent nodig alsook een stevige portie discipline om zijn talent te ontwikkelen en tot ontplooiing te brengen. Niemand die z’n gezonde verstand niet heeft verloren, zal het willen tegenspreken.

Leren als kunst

Leren is een kunst en en ze begint met verwondering. Verwondering over “al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat wel luidt” (Fil. 4:8) – kortom, alles wat in de rijkgeschakeerde scheppingswerkelijkheid verwondering verdient. Het is evident dat een kind dat zich nooit ergens over verwondert, ook niet de behoefte gevoelt iets te willen weten.

Verwondering is altijd een gave. Ze overkomt ons en we kunnen haar niet afdwingen. De meeste kinderen komen niet vanzelfsprekend met de Hohe Messe van Bach in aanraking en ook als dat wel zo zou zijn, is er niet de garantie dat ze erdoor geraakt worden. Ook kunnen kinderen niet alleen geboeid raken door het goede, maar evenzeer door het kwade. De fascinatie voor geweld of het occulte betreft evenzeer een ervaring van het sublieme als de aanblik van de Grand Canyon.

De eerste taak van de leerkracht is dan ook het kind in aanraking te brengen met de dingen die het weten waard zijn. Van het kind kan onmogelijk verwacht worden, dat het zelf weet welke deze dingen zijn. Anderzijds mag van de onderwijzer wel verwacht worden, dat hij weet heeft van de dingen in deze wereld die onze verwondering verdienen en welke niet.

De belofte van het Nieuwe Verbond

Hiermee raken we aan het specifiek christelijke van opvoeding en onderwijs. De apostel Paulus laat in het zevende hoofdstuk van zijn Romeinenbrief zien dat de natuurlijke mens machteloos staat ten opzichte van de eisen van de Torah. De Torah wijst hem wel zijn plichten aan, maar geeft hem niet de kracht die plichten na te komen. Sterker nog, volgens dezelfde apostel staat de Torah in ons aller harten geschreven, maar houden wij die kennis in ongerechtigheid ten onder (Rom. 1:18). Is er voor het christelijk onderwijs dan nog wel een uitweg?

Tegenover de machteloosheid van de wet in Romeinen 7 stelt Paulus de belofte van het Nieuwe Verbond in Romeinen 8: wat de wet niet kon doen, omdat de zonde sterker was dan de wet, dat hebben Christus en de Geest nu gedaan. Met de komst van Christus en de Geest schept God een nieuwe mensheid, uit Jood en heiden. Deze nieuwe mensheid ontleent zijn identiteit niet meer aan de Torah, maar aan de gave van de Geest. De ‘Geest des levens’ is Gods antwoord op de ‘wet der zonde en des doods’ (Rom. 8:2).[2]

Het is ontegenzeggelijk zo dat de christelijke opvoeder niet over de Geest kan beschikken. Wel kent hij het woord van Christus: “Indien dan gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven degenen die Hem bidden.” (Luk. 11:13). De werkelijkheid van de christelijke opvoeding, zegt de gereformeerde pedagoog Herman Bavinck ergens, vindt haar fundament in de belofte van God en vangt aan in het gebed van de ouders. Het is aan de ‘wisselwerking’ tussen belofte en gebed dat de christelijke opvoeding haar karakter ontleent.

‘Thinking God’s thoughts after Him’

Nu komt het erop aan natuur en genade, algemene en bijzondere openbaring niet tegen elkaar uit te spelen. De genade doet de natuur niet te niet, maar herstelt haar in haar oorspronkelijke luister. Hier opent zich het perspectief op wat werkelijk ‘leren’ genoemd kan worden: it is thinking God’s thoughts after Him. Leren is het op het spoor komen van de gedachten die God in Zijn schepping gelegd heeft. Maar wat betekent dat?

De bekende Amerikaanse apologeet Cornelius van Til heeft hier eens een prachtig voorbeeld van gegeven. Volgens Van Til betekent het feit, dat twee keer twee vier is voor de gelovige iets anders dan voor de ongelovige. ‘Twee keer twee is vier’ is een numerieke wetmatigheid. Deze numerieke wetmatigheid is een van de vele wetmatigheden in de schepping. De vraag die zich nu voordoet, aldus Van Til, is of deze wetmatigheden op zichzelf staan of dat ze uitdrukking zijn van de wil en de natuur van God. Voor de gelovige is dat het geval, voor de ongelovige niet.[3] Kennis heeft voor de christen dus een geheel andere lading dan voor de niet-christen, zelfs als het een eenvoudig rekensommetje betreft. De wereld is door de goddelijke Logos geschapen en ook ‘twee keer twee is vier’ is uitdrukking van deze goddelijke Wijsheid. Niets wat deel uitmaakt van de schepping is derhalve profaan.

Toch staat niet alle kennis op dezelfde hoogte. In de klassieke traditie is altijd – en terecht – onderscheid gemaakt tussen morele en instrumentele kennis. Instrumentele kennis is die kennis die ons in staat stelt onszelf in ons levensonderhoud te voorzien of ons leven te veraangenamen. Ze is technisch van aard en kan ons bijvoorbeeld leren hoe we onze voedselproductie efficiënter kunnen regelen. Morele kennis daarentegen leert ons hoe we leven moeten en onderscheidt tussen deugd en ondeugd, goed en kwaad. Het is deze kennis waar het in opvoeding en onderwijs in de eerste plaats op aankomt.

De bronnen van het leren

Waar doen we deze kennis op? In de eerste plaats is er natuurlijk de Heilige Schrift. Op christelijke scholen dient de Bijbel de kern van het curriculum uit te maken. Zoals in de middeleeuwen de filosofie de dienstmaagd was van de theologie, zo scharen zich op de christelijke school de verschillende vakken rondom het Bijbelonderwijs. Daaromheen scharen zich de vakken, die we wel met het woordhumaniora aanduiden: de letteren, de geschiedenis en de filosofie. Mogelijk vraagt iemand: waarom zouden deze vakken zo’n centrale plaats in het leerplan van christelijke scholen dienen in te nemen? Riekt deze gedachte niet al te zeer naar humanistisch onderwijs?

Het antwoord op deze vragen is: nee. Na de Heilige Schrift vinden we de condition humainnergens dieper gepeild en met groter verbeeldingskracht getekend dan in de grote werken van literaire, geschiedkundige en filosofische schrijvers. En het is juist door de verbeeldingskracht dat kinderen worden geïnspireerd de goede voorbeelden na te volgen en de slechte te verwerpen.[4] Ook in dezen dienen we natuur en genade elk hun eigen plaats te gunnen. Daarbij zou het een goed idee zijn – naar analogie van het middeleeuwse trivium – kinderen al vroeg de beginselen van de logica bij te brengen om hen helder en zuiver te leren denken.

Het bijbelonderwijs en de humaniora worden gevolgd door de natuurkundige vakken. Daarmee krijgen ze niet ‘slechts’ een ondergeschikte plaats toebedeeld, maar komen juist ten volle tot hun recht omdat – alweer – de mens belangrijker is dan de natuur en de geest belangrijker dan de materie. De vakken die te maken hebben met beroepsmatige vorming, hoe nuttig ook, bevinden zich aan de rand van het curriculum, omdat ze instrumenteel van aard zijn.

Pas wanneer de vragen over het ‘waarom’ en het ‘wat’ van het leren zijn beantwoord, komt de vraag aan de orde ‘hoe’ kinderen moeten leren. Het is tekenend dat de discussies over onderwijsvernieuwingen zich vooral toespitsen op deze hoe-vraag en het verklaart waarom het huidige onderwijs inhoudelijk is verschraald.

 


[1] Ars Poetica, 411.411.

[2] Gordon Fee, God’s Empowering Presence: the Holy Spirit in the letters of Paul, 1994, 516.

[3] “Antitheses in Education” in Louis Berkhof en Cornelius van Til, Foundations of Christian Education, 1990, 7.

[4] Andreas Kinneging, Geografie van goed en kwaad, 2005, 251.

 

New Age-Pädagogik, boekbespreking

Bespreking van het standaardwerk van dr. Reinhard Franzke over New Age Paedagogiek ofwel spirituele pedagogiek, die in Duitsland nog verder is voortgeschreden dan in Nederland, door drs. R.H. Matzken.

Voor sommigen in Nederland is professor Franzke geen onbekende. Sinds wij elkaar enkele jaren geleden hebben leren kennen, is er veel onderlinge uitwisseling geweest tussen Bijbel & Onderwijs en zijn Faith Centre in Hannover. Franzke?s grote verdienste is het grondige onderzoek dat hij verricht heeft op het gebied van wat wij hier noemen: de spirituele pedagogiek. Deze pedagogiek is niet zozeer gericht op het van buitenaf toeleiden van kennis naar het kind, maar brengt het (jonge) kind in contact met de ?wereld-van-binnen?, een ander woord voor de esoterische wereld van machten en geesten.

Franzke begint zijn boek met de vraag naar de oorzaken van de huidige mis?re in het Duitse onderwijs, dat wel heel schraal afsteekt bij de situatie in een land als Kenya dat hij regelmatig bezoekt. Hij onthult een aantal verborgen trends van de nieuwe pedagogiek en komt hierbij tot het volgende oordeel:

“De antiautoritaire revolutie is vooral een aanval op het gebod van de ouderliefde;
“de seksuele revolutie is een aanval op het gebod van de exclusieve man-vrouw relatie
“de esoterische revolutie is een aanval op de exclusieve liefde jegens God-alleen;
“de anti-humane revolutie is een aanval op het gebod van de naastenliefde.”

Over de meeste vormen van revolutie is al veel geschreven, maar het gebied van de esoterische revolutie wordt tot nu toe bijna geheel aan Dr. Franzke overgelaten. ?Doelen en werktuigen van de New-Age Pedagogiek? is de inzet van het Eerste deel van het boek, waarbij een bonte rij esoterische rituelen en technieken de revue passeert. Het tragische hierbij is dat deze middelen worden ingezet tegen de negatieve gevolgen van de voorgaande ?pedagogische revoluties, zoals een verstoorde relatie tussen leraar en leerling en een afkeer van alles wat niet ?ogenblikkelijk werkt? dat gepaard gaat met gebrek aan concentratievermogen en behoefte aan alles wat ?kickt?.

In het Tweede deel van het boek worden veelgebruikte technieken uitvoerig behandeld, waarbij met name wordt ingegaan op welke wijze de leerlingen hierbij worden betrokken:

  1. Hypnotische praktijken, waaronder de fenomenen Superleren en Suggestopedie;
  2. Magische en sjamanistische praktijken, waaronder de veelvoorkomendeFantasiereizen;
  3. Meditatieve praktijken uit het Verre Oosten, waaronder stilteoefeningen, yogische oogtechnieken, tekenen van mandala?s en waarnemingsoefeningen via een ?parcours der zintuigen?;
    Met name bij dit laatste is het heel moeilijk onderscheid te maken tussen het ?gewone? gebruik van de zintuigen en de wijze waarop ?tovenaarsleerlingen? worden getraind. Franzke levert hier een dringend-noodzakelijke oproep tot het trekken van grenzen.
  4. Magisch-religieuze indoctrinatie, waaronder Potter-pedagogiek en Heksen, griezel- en gruweltraining
  5. Spiritistische praktijken, waaronder zgn. ?creatief schrijven? (zoals bij de methoden ?Schrijfdans en ?Schrijven op maat?) en Kinesiologie, Brain gymn en Edu-kinesthetica. 
    Ook hier loopt weer een dunne lijn tussen ?normale? spier- en evenwichtsoefeningen en oefeningen die leiden tot hypnotische trance.
  6. Mystiek-anarchistische praktijken, zoals de thema-gecentreerde interactie (TZI),waarbij achtergronden als het Esalen-instituut worden belicht en als antichristelijke heilsleer worden afgewezen.
  7. Gezondheidsprogramma?s, zoals de Zoektocht naar ?het kleine ik?, Senso-Mobile enLions Quest, die vooral gebruikt worden bij programma?s tegen van verslaving en pesten.
  8. Bewegingsprogramma?s, zoals De School Beweegt (in Beieren en Nedersachsen). Hierbij teken ik aan dat ik in Nederland op dit gebied nog niets occults ben tegengekomen, maar waakzaamheid blijft geboden!

Zeer lezenswaard is het kernhoofdstuk in Deel 3Wezen en gevaren van de New-Age pedagogiek. Hierin toont Franzke duidelijk het religieuze, occulte en antichristelijke karakter aan van deze pedagogiek, die zich in zo korte tijd over alle Duitse bondsstaten heeft verbreid. Het postmoderne denken heeft bij de meesten de ogen gesloten voor het gewelddadige en destructieve karakter van deze door velen aangehangen pedagogiek. Boven alle levensbeschouwelijke en pedagogische bezwaren komt nog het didactische bezwaar, namelijk het leer- en prestatievijandig karakter van deze New-Age pedagogiek, waardoor een land als Duitsland zelfs dreigt terug te keren tot een onderwijsniveau dat zelfs onder het niveau van de meeste ontwikkelingslanden zou kunnen komen. En dat met alle financi?le injecties en geavanceerde hulpmiddelen waarover dit land met zijn hoogontwikkelde onderwijs, muziek en literatuur kan beschikken!

Helaas is dit allemaal geen theorie of angstvisioenen van de auteur. Dat blijkt wel uit een onderzoek van het (in Duitsland voorgeschreven) schoolprogramma in de deelstaat Beieren, waar veel van het bovenstaande per pagina wordt toegelicht, soms zelfs onder niet-verhullende namen als ?het instuderen van toverspreuken?.

Veel Duitse christenpedagogen kunnen Franzke niet op alle punten volgen, met name bij Waarnemingsoefeningen en Bewegingsprogramma?s. Soms lijkt Franzke hier inderdaad te ver te gaan, maar meestal is hij terecht de verguisde pionier wiens werk pas erkenning zal krijgen als de weeklacht van ouders en leraren zal klinken: “Hadden wij maar . . .!”

In zo?n uitvoerig werk ervaren wij het ontbreken van een Register van termen als een minpunt, ook al zijn de meeste termen wel via achtercover en de index bij de (sub)hoofdstukken terug te vinden.


Geldt dit nu ook voor Nederland?
Hoewel wij buurlanden zijn, liggen de dingen bij ons vaak heel anders dan in Duitsland. Om te beginnen hebben wij geen overheid die leermethoden in details voorschrijft en zijn de scholen bij ons hierin autonoom. Daardoor is de situatie bij ons veel meer genuanceerd dan bij onze Oosterburen, zeker bij het bijzonder onderwijs. Maar dat betekent niet dat er voor ons geen reden is tot grote ongerustheid, want met alle ?vrijheid van inrichting? komen bijna alle door Franzke gesignaleerde verschijnselen ook in onze scholen voor. Zelfs de lerarenopleidingen hebben hiervoor onvoldoende oog, hoewel dit bij enkele christelijke opleidingen gelukkig begint te veranderen.

Vandaar dat wij hier een oproep doen aan alle lezers van ons blad om ons te helpen deze waarschuwing uit te dragen naar de opleidingen, de christelijke scholen, ouders en kerken:

  1. Wilt u ons melden of zich in de school/scholen van uw kind(eren) een of meer van deze verschijnselen voordoen? Daarbij hoeven wij heus niet op heksenjacht te gaan, maar wel alert te zijn op de gebruikte methoden en materialen en vooral de ?oefeningen? in de klas. En zeker op eventuele gedragsveranderingen bij uw kind!
  2. Bijbel & Onderwijs heeft reeds over verschillende verschijnselen gepubliceerd. Zo is het boekje ?Met fantasie naar de Nieuwe tijd? uitgegeven en verschenen er de EDUkaternen ?Fantasiereizen? en ?Heksen- griezel en gruweltrainingen?; ?Nieuwetijdskinderen? en ?Beoordeling Schrijfdans?. Daarnaast overwegen wij de uitgave van een kleine brochure, als bewerking van Franzke?s ?Weest waakzaam, laat u niet verleiden?. Wij zouden graag van u willen vernemen of er belangstelling bestaat voor een duidelijke, samenvattende brochure in het kader van een kleine ?Anti-occultisme training? waarvan de prijs onder de 5 Euro zal blijven.
  3. Daarnaast zoeken wij mensen die bereid zijn om datgene wat zij op school tegenkomen, samen met datgene wat ons door dr. Franzke wordt aangereikt, nader te onderzoeken en te bewerken. Bij zo?n team zullen ook mensen van de pedagogische opleidingen betrokken worden. Veel vergaderen hoeft niet, hooguit een paar keer ter kennismaking en afstemming; voor het overige hebben wij immers Internet en E-mail!

Het zal mede van uw reacties afhangen in hoeverre wij ons voordeel kunnen doen met de studies die reeds zijn gedaan. En vooral: of wij samen in staat zijn om met het oog hierop de christelijke pedagogiek zodanig te ontwikkelen dat velen met waardering zullen zeggen: “Hoe geheel anders zijn zij die Christus hebben leren kennen en hierin hun kinderen onderwijzen!”