Onlogische en moeilijke morele opvoeding

Morele vorming is onderwerp van steeds meer studies. Wat ons daarover opvalt, is dat de meeste studies de basale spanning die er is tussen de roep om zelfvorming en de grote aandacht voor sturing door opvoeders, negeren. Enerzijds moet het kind allerlei keuzes maken die passen bij de autonomiegedachte; anderzijds putten onderwijskundigen, sociologen en filosofen zich uit in het bedenken van nieuwe middelen van aansturing. Deze twee strevingen sluiten elkaar in principe uit. De vrijheid om te kiezen sluit bevoogding uit. Maar het is niet alleen onlogisch.

Falende opvoeding

Ook in de praktijk is merkbaar, dat veel ouders in hun opvoeding falen. Deze klacht horen we van basisschoolleerkrachten. Zij krijgen meer en meer te maken met kinderen die een gedragsprobleem hebben. Maar daarnaast blijkt telkens weer, dat deze leerkrachten naar ouders toe als opvoedingscoach en in sommige gevallen als ‘maatschappelijk werker’ moeten optreden. Dit geeft al aan, dat veel moderne opvoeding spaak loopt. Het kind zichzelf laten opvoeden vereist ongelooflijk veel inspanning van de ouders, wil die morele opvoeding ook daadwerkelijk slagen. Mislukt dit, dan worden scholen nog meer, ook vanuit de politiek, aangespoord de kinderen waarden en normen bij te brengen. Maar zal een kind uit zichzelf hiervoor kiezen? Ja, denken bepaalde moderne filosofen, dat lukt als we dit proces ‘natuurlijk’ laten plaatsvinden. Deze morele zelfvorming van kinderen wordt natuurlijke opvoeding genoemd. Dat correspondeert goed met de moderne aandacht voor zelfreflectie. Door meer bewust te worden van eigen waarden en normen, zouden kinderen zichzelf moreel gaan verbeteren.

Goede praktijken

Nu is die natuurlijke opvoeding niet nieuw. We zien dat al bij de sociaal-emotionele opvoeding van kinderen. Kinderen moeten leren welke moraal bij welke emotie hoort en vervolgens moeten zij een keus maken daar op gepaste wijze mee om te gaan. De natuurlijke opvoeding bouwt voort op de goede resultaten die goede opvoeders al eerder met sociaal-emotionele vorming hebben bereikt. De zelfreflectie die daarbij beoefend wordt, is ook een goede zaak gebleken. Deze goede praktijken worden echter ‘gekaapt’ voor moderne opvoedingspolitiek. We proberen in dit artikel aan te tonen dat dit innerlijk tegenstrijdig is en dat het opvoeders te snel tevreden stelt. Wij stellen hier tegenover dat een christen opvoeder een ander profiel moet tonen. We gaan uit van twee onderwijs filosofische bronnen die zich heel duidelijk richten op de goede opvoedingspraktijken.

Natuurlijke opvoeding

Om te beginnen, zien we in vele nieuwe en door het feminisme beïnvloede werken, dat moderne mensen een natuurlijke opvoeding nastreven. De Oxford wijsgeer en feministe Sabina Lovibond beveelt in haar gedegen filosofische studie de “Naturalized concept of practical reason” voor morele vorming aan. Voor haar is het moderne opvoeden een vertrouwen hebben in de praktische rede die wij allen bezitten. Bij de vorming zouden wij ‘van nature’ de noodzakelijke competenties verkrijgen om moreel te kunnen zijn. Dat wordt tegenwoordig zelfvorming genoemd. Het naturalistische bij de vorming beslaat de rol van onze sociale natuur. Lovibond meent dat wij twee naturen hebben. Om te beginnen, onze biologische natuur die verklaart hoe wij door onze ouders lichamelijk worden voortgebracht en door hen onderhouden worden tot onze volwassenheid. Onze tweede natuur is die van de sociale gemeenschap, waarin wij leren hoe we ons als goede burgers dienen te gedragen. Morele opvoeding is geslaagd als we de vereiste rijpheid van onze tweede natuur persoonlijk, dus individueel hebben gerealiseerd. Morele vorming gebeurt ‘gewoon’, zoals onze natuurlijke groei, als onderdeel van onze psychische en sociale ontwikkeling. Aanpassing aan de sociale gemeenschap is dan ook een belangrijk onderdeel van de persoonlijke morele vorming. In die gemeenschap leer je wat redelijk gedrag is, je morele vorming ontleen je daaraan. Lovibond acht deze sociale praktijken cruciaal voor de natuurlijke opvoeding.

Profiel van zelfrepresentatie

Dit leidt tot de praktijk, dat het vooral gaat om het vermogen om ‘jezelf te presenteren’. Hierin moet men ‘gevormd’ worden. Dat noemen we een profiel. Een goede opvoeding brengt mee dat je in staat bent jezelf als ‘auteur’ van je eigen leven te presenteren. Dit profiel sluit erg goed aan bij het individualisme en de roep om zelfbepaling. Ieder heeft recht op zijn of haar levensverhaal. Personen zijn pas ‘gaaf’, als ze deze ‘sociale reproductie’ van zichzelf hebben voltooid. Het is typisch voor onze (post)moderne tijd dat mensen op een authentieke wijze in staat zijn om praktische redenen voor hun gedrag te geven. Lovibond noemt dat profiel “authorship” of zelfrepresentatie. Dit is een waarachtige – dus niet opportunistische – vertolking van jezelf waarbij je verantwoording aflegt aan anderen over wie je bent. Frappant is, dat ondanks de roep om het profiel van zelfrepresentatie, de sociale ‘natuur’ hard nodig is.Dit ‘geloof’ in de kracht van onze ‘sociale’ natuur verzwijgt niet dat van mensen verwacht wordt dat zij vooral zichzelf moreel opvoeden. En dat zegt iets over het profiel van de opvoeder. Christenen geloven dat God ons het ingeschapen vermogen geeft goed en kwaad te onderscheiden en ook dat opvoeders het vermogen ontvangen hun kinderen (relatief) goed op te voeden. Maar hebben niet vele orthodox christelijke opvoeders jaren gestreefd naar christelijk onderwijs waarin leerkrachten juist meer doen dan de zelfrepresentatie van kinderen bevorderen? Nu horen we dat jongeren vooral morele zelfvormers moeten worden. Zonder de christelijke praktijk waarbij we in relatie tot God en medechristenen mogen opgroeien en bloeien, is de naakte zelfrepresentatie een harde – want naturalistische – werkelijkheid! .

Morele communicatie en zelfreflectie

Dat zelfvorming niet lukt zonder taalvaardigheid en het vermogen je standpunt te verkondigen, blijkt uit zelfs christelijke opvoedingsidealen. Christenopvoeders moeten bij de morele opvoeding heel wat af praten. Een bijzonder belangrijke vaardigheid daarbij is de morele communicatie, zo vertelt ons de prominente Nederlandse rooms-katholieke filosoof en theoloog Johannes van der Ven. Deze competentie is ingebed in informele, natuurlijke processen, zoals disciplinering en socialisatie. Ook van belang zijn de formele manieren van de vorming. We denken aan de overdracht en de uitleg van waarden en normen, de cognitieve ontwikkeling, de emotionele vorming van de jongere en zelfs de beoogde karaktervorming van mensen. Morele vorming in onze samenleving bestaat uit het samenvloeien van al deze zeven vormen. Dit is meer dan iets natuurlijks, het is bewuste socialisatie met een doel. Aan deze inspanning ligt het feit ten grondslag dat de opvoeding van een individu ininteracties plaatsvindt en dus in relaties met zijn of haar omgeving. We kunnen dan ook niet over zinvolle vorming spreken indien het vermogen tot communiceren in volwaardige relaties afwezig is. Dit communiceren lijkt nogal vanzelfsprekend, maar morele vorming is toch niet een vrijblijvend praten. Van der Ven omschrijft morele vorming als “het voortgaande proces van morele uitwisseling en begrip in het zoeken naar waarheid”. Bij morele uitwisseling moeten we denken aan ons vermogen om onze morele overtuigingen, principes, waarden en normen uit te leggen. Nog meer moeten we in staat zijn die te verklaren en zelfs te rechtvaardigen. Zo beschouwd is morele communicatie gericht op argumentatie en de kunst in gesprek te gaan met anderen. Dat veronderstelt dat we in staat zijn ommoreel begrip op te brengen. Hieronder rekent Van der Ven het innemen van het perspectief van de ander en het vermogen aandacht te schenken aan zijn of haar standpunten. Er kan geen sprake zijn van morele communicatie, als je niet wilt of kunt meedoen met een gezamenlijke zoektocht naar waarheid. Want, uiteindelijk, zo betoogt Van der Ven, is morele communicatie gericht op het zoeken naar waarheid, de zoektocht naar wat goed en juist is, zodat men wijs kan handelen in alle levenssituaties.

Profiel van Morele Communicator

Zelfreflectie blijkt volgens Van der Ven ook een noodzakelijk element van morele vorming. Hierin benadrukt hij zoals Lovibond de taalvaardigheid, want morele vorming vindt plaats binnen het raamwerk van relaties met zijn omgeving waarin de persoon zich bedient van taal. Al communicerend in familieverband, buurt, kerk, vereniging en school, leert een persoon een gesprek met zichzelf te voeren. Door actief mee te doen aan de grote verscheidenheid van morele communicatievormen, ontwikkelt een jongere een eigen moreel verhaal. Dan “wórdt het aan het zelf verteld; spint het zelf en wórdt zijn eigen web van betekenissen gesponnen, van waaruit karakter voortkomt”. Deze toespitsing op de persoon sluit op zich goed aan bij de naturalistische benadering. Ook hier zien we dat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding verschuift van de ouder en leerkracht naar de jongere. “Ik word niet alleen gevormd, maar vorm ook mezelf.”

Valkuil van veronderstelde morele groei

Van der Ven vertolkt hiermee een modern ideaal dat zelfs onder veel christenen te vinden is. Toch heeft dit een schaduwzijde. Dit treedt op in geval zij merken dat kinderen bepaalde zelfreflectie tonen en daarbij ook nog communicatieve vaardigheid demonstreren en dan denken dat de kinderen ‘moreel competent’ zouden zijn. De demonstratie van het kind dat het zich op enigerlei wijze moreel kan uiten, zien deze opvoeders aan als bewijs van een diep onderscheidingsvermogen en mogelijk zelfs van morele wilsvorming. Zij lopen daarmee wel een groot risico terecht te komen in de naturalistische valkuil door te veronderstellen dat hiermee een zichzelf ontwikkelende morele persoonlijkheid aangetoond wordt. Ze zijn blij met deze blijk van ‘natuurlijke’ morele groei, denken ‘het komt wel goed’ en laten vervolgens de krachten van de natuurlijke opvoeding hun opvoederstaak overnemen. Dit zegt veel over hun tekortkomingen als opvoeder; nog meer over de aantrekkingskracht van de natuurlijke opvoeding.

Natuurlijk is Innerlijk tegenstrijdig

Lovibond heeft ‘natuurlijk’ een punt, als zij stelt dat de sociale gemeenschap vraagt om jezelf te kunnen representeren als iemand met een moreel verhaal. Dat moet ook en het moreel communiceren is daar onmiskenbaar onderdeel van. De vraag die we hierop moet stellen is: Wie eist van mij welk profiel?

Als we terugblikken op de profielen die we hebben behandeld, dan komen we de profielen van een ‘selfmade’ en bedreven morele prater tegen. Dit zijn onmiskenbaar krachtige en aantrekkelijke morele profielen. Deze profielen sluiten heel goed aan bij de politieke ideologie waarbij we in onze geïndividualiseerde samenleving neergezet worden als autonoom kiezende, zelfstandige wezens die zichzelf moreel wel redden. Als wij dan nog een ‘eigen moreel plaatje’ voor ons ‘eigen leven’ kunnen hanteren, dan is de maatschappij kennelijk tevreden. Maar is dit werkelijk een demonstratie van de morele competentie van de autonome mens? Zelfs de natuurlijke opvoedingsfilosofie van Lovibond en de morele communicatietheorie van Van der Ven verhelen niet, dat indien mensen in staat zijn een ‘eigen moreel verhaal’ te vertellen, ze daarom niet ‘moreel competent’ hoeven te zijn. Want de kans dat mensen sociaal gewenste verhalen vertellen, is te groot. Dit hangt samen met het feit dat het profiel van autonomie en zelfvorming te eisen van burgers in zichzelf tegenstrijdig is. Je kunt namelijk niet ‘verplicht’ autonoom zijn. Toch eist de samenleving van je om ‘selfmade’ en ‘communicatief’ te zijn. Wil je anders zijn, een ander profiel nastreven? Dan wijk je af. Moderne opvoeders zijn hier heel gevoelig voor. En wat doe je dan? Je doet wat elk kind haarscherp aanvoelt: je geeft sociaal gewenste antwoorden. Je past je profiel aan en je geeft een moreel praatje dat daarbij wenselijk is. Zie hier een illustratie van een zich aan de tweede natuur, de sociale gemeenschap, aanpassende mens. Elk profiel dat niet past bij het modernisme in onze cultuur, is moreel verdacht. Het nastreven van een profiel dat hiervan afwijkt, kost je wat. En deze offers zijn niet gemakkelijk te brengen. Het vraagt van christen opvoeders dat zij de kosten van het gezaghebbend moreel profiel te zijn voor hun kinderen nadrukkelijk maken. En dat betekent offers brengen, die zelfs voor christenen heel zwaar kunnen zijn.

Autonomie verloochenen

Een van die offers die we moeten brengen, is het verloochenen van het ideaal van de zelfvorming. Dat betekent concreet het voornemen om het kind te gaan ‘sturen’. Hiermee bedoelen wij dat opvoeders afstand moeten nemen van de ideologie van de vrijheid van het individu, de autonomie van de mens, wil van christelijk opvoeden sprake zijn. Toegegeven, hoe meer we de vorming van kinderen willen sturen, des te moeilijker is het de wilsvorming van het kind te beïnvloeden. En wel om de simpele reden dat de wil van het kind pas gevormd is als het kind het willen zelf heeft gewild. Een kind zal ‘van nature’ – zoals we in Bijbelse zin zeggen – niet uit zichzelf de juiste keuzes maken. Dat te weten betekent wel dat opvoeders, die vanuit hun spiritualiteit begrijpen hoe God hun eigen wilsvorming beïnvloedt en corrigeert, ‘voorleven’ dat hun wil niet van henzelf mag zijn.

Verzet tegen moderne cultuur en media

Opvoeders moeten de kracht van de cultuur en media peilen. Christelijke opvoeding gaat soms in tegen de ‘groepsmoraal’ waarin het kind verkeert. Lovibond noemt de sociale cultuur en gemeenschap zelfs een ‘tweede natuur’ daarmee aangevend dat het een geduchte kracht is die ons zal beïnvloeden. Het zich hier tegen verzetten is zwaar. Het verzet wordt meestal ook niet ondersteund door wat kinderen via moderne media en computerspelletjes meekrijgen (Nijhoff). Het vraagt van opvoeders om hun angst en lafheid te laten varen en het risico te durven nemen te botsen met hun kinderen. Deze grondhouding behoort bij het profiel van een christen opvoeder, maar vraagt veel van hen.

Spiritueel offer

Wel beschouwd, eist de Bijbel dat de opvoeder nog op een diepere spirituele manier een offer moet brengen. Christelijke overtuigingen vereisen dat het zelf getransformeerd wordt op een wijze die past bij de overtuiging dat de wereld onder de heerschappij van Jezus Christus staat – dat is, dat het fundamenteel karakter van ons leven, dat van een gift van God is. Dit vraagt dat de opvoeder zelf het profiel van de moreel hoogstaande persoon na zal streven. De angst die vele christenen voelen dat ze hierin falen, mag geen beletsel zijn. De karaktervorming van de jongere moet geplaatst kunnen worden in een christelijke traditie die streeft naar heiligheid. Dat betekent dat opvoeders het profiel van heilig leven hoog moeten houden. Dit kan als opvoeders aangeven spiritueel en moreel geen ‘zelfvormers’ te zijn, maar gevormd te zijn door God. Tegelijkertijd vraagt dat wel om bepaalde morele competenties, die inderdaad met morele communicatie gepaard gaan zoals Van der Ven stelt.

Ons verhaal met God

Door zelfreflectie moeten we de redenen aan kunnen geven die bepaald gedrag rechtvaardigen. Zo wordt ons eigen verhaal met God geschreven. Een verhaal van leren en geleerd worden. Deze narratieven moeten zichtbaar, leesbaar en hoorbaar zijn voor onze kinderen. Het voorleven van een transparant, getuigend leven in gezin, school en samenleving vraagt offers. Desnoods tegen de stroom van het postmodernisme – ieder zijn eigen waarheid – in te roeien en samen het verhaal te schrijven van de leergeschiedenis van God met Zijn kinderen. Dat wordt pas een spannend verhaal, want dan is God de Heilige Geest de auteur van ons leven en communiceert Jezus Zijn moraal door ons. Het profiel ‘een kind van God te zijn’ is de beste morele vorming voor zowel opvoeder als kind!

Literatuur

Hegeman, J.H., I. Kole & H. Jochemsen (2004),

Hoofd, hart en handen. Integrale morele vorming in Christelijk hoger onderwijs. Reeks Herkenning nr. 14.

Ede: Christelijke Hogeschool Ede.

Lovibond, S. (2002) Ethical Formation. London:

Harvard Univ. Press.

Ven, J.A. van der (1999) Het Morele ZelfVorming

en Ontwikkeling (Kampen: Kok).

Nijhoff, R., Identiteit onder invloed. School blijven

met ICT en media. Instituut voor

Cultuur Ethiek. Amersfoort, 2004

Dr. J. H. Hegeman en mw. H. Hegeman,

werkzaam in het hoger-, respectievelijk basisonderwijs.

Heeft het protestants-christelijk onderwijs nog bestaansrecht?

JA, MITS ……..

Inleiding

Als het gaat om het (bestaans-)recht van het christelijk onderwijs zijn er tot in de politiek – vooral de laatste jaren – steeds vaker geluiden te horen die menig christen zouden moeten doen opschrikken. De laatste tijd spitsten de politieke uitspraken zich namelijk zodanig toe, dat er zelfs sprake is van een bedreiging van eertijds door veel strijd verworven, maar onderhand waarschijnlijk te veel als een vanzelfsprekendheid beschouwd, recht op christelijk onderwijs. Er wordt herhaaldelijk vanuit diverse (niet christelijke) politieke partijen gesproken over het verwijderen van artikel 23 uit de Grondwet (welk artikel deze vorm van onderwijs beschermt) én zelfs (en dat ook van de kant van het CDA) over het houden van toezicht op juist het godsdienstonderwijs opdeze christelijke scholen, terwijl nu net het godsdienstonderwijsde identiteit van een dergelijke school kenmerkt. Hoewel ik geloof dat deze ontwikkelingen zich aftekenen binnen een veel breder en zorgelijk te noemen kader, wil ik mij nu enkel beperken tot de situatie rond het protestants christelijk onderwijs en de titel boven dit stuk als serieuze vraag behandelen. Het spitst zich hierbij met name toe op een al genoemd, kenmerkend begrip:

Identiteit

Je moet je, in een tijd waar het christelijk onderwijs onder vuur ligt, afvragen: wat houdt christelijk onderwijs nogin. Wat maakt christelijk onderwijs tot wat ze door de tijden heen beweerd heeft te zijn? De werkelijkheid dwingt bij voorbaat al een onderscheid aan te brengen binnen het christelijk onderwijs in zijn totaliteit. Enerzijds is er het christelijk onderwijs dat gedragen wordt door specifieke kerkelijke denominaties, zoals het onderwijs van de gereformeerd vrijgemaakte scholen en de reformatorische scholen (de rooms-katholieke scholen laat ik gemakshalve buiten beschouwing), anderzijds is er het christelijk onderwijs dat wij kennen als het protestants-christelijk, het p-c onderwijs. Juist met betrekking tot dit onderwijs wil ik de in de titel weergegeven vraag stellen. Immers, met name de hierboven genoemde scholen weten nadrukkelijk waarvoor ze staan – ze vertegenwoordigen hun kerkelijk achterland niet enkel binnen het godsdienstonderwijs, maar ook in het totaal aanbod van vakken.Op meer terreinen wordt de verbondenheid met de denominatie in belijden en uitwerken zichtbaar. Kortom, zij hebben een uitgesproken en te toetsen identiteit. Het zijn juist de p-c scholen die, als het om identiteit gaat, in een door velen onderschatte crisis verkeren. Een identiteitscrisis. Om dit aan te tonen, is een dieper ingaan op het begrip identiteit noodzakelijk.

Wat wordt er verstaan onder het begrip identiteit? Concreter: wat willen wij daarmee uitdrukken waar het gaat om christelijk onderwijs? Belangrijker wordt dan de vraag: staan wij (nog) voor de inhoud. Of populair gezegd: dekt de inhoud nog wel de lading. We moeten (helaas) vanuit ondermeer de praktijk van ruim 15 jaar lesgeven stellen, dat ten aan zien van het christelijk onderwijs het alleen duiden van het begrip identiteit niet (meer) voldoende is. We zullen dieper moeten doorstoten en zelfs de vraag moeten (durven) stellen: wat is christelijk. Het is namelijk niet meer vanzelfsprekend te noemen dat identiteit en christelijk hier nog inherent aan elkaar zijn. Nee, het zal juist blijken – kijkend naar de praktijk – dat in de definiëring van het begrip ‘christelijk’ de sleutel ligt tot het uiteindelijke antwoord op de in de titel gestelde vraag.

Betekenis van de begrippen identiteit en christelijk

Als wij in een woordenboek zoeken naar de betekenis van het begrip ‘identiteit’, dan vinden we de volgende omschrijving: (gelijkheid; eenheid van wezen;) het eigen karakter; het individuele kenmerk. Het gaat dus bij identiteit om het specifiek eigene, het karakteristieke, het kenmerkende. Hoe de verwatering, zelfs alleen al ten aanzien van dit begrip op het zich christelijk noemend erf zichtbaar wordt, blijkt ondermeer in een publicatie als ‘Identiteit in Uitvoering’ van de hand van Anneke de Wolff, adviseur bij de Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs.[1] Het gaat hier om een publicatie naar aanleiding van haar proefschrift ‘Typisch Christelijk. Een onderzoek naar de identiteit en haar vormgeving’, ‘verkort’ als boek uitgekomen – nota bene – op aandringen van het bestuur van de Hendrik Piersonleerstoel voor Christelijk Onderwijs om ‘een brug te slaan tussen wetenschap en praktijk’. Het meest treurige aan dit boek is het niet duiden van het begrip ‘christelijk’, wat men juist in een dergelijk belangrijke publicatie zou mogen verwachten in relatie tot het begrip identiteit. Daarmee is tegelijk de zwakte van dit schrijven aangegeven.[2] Sprak je vroeger over de identiteit van een p-c school, dan werd direct en als vanzelfsprekend het verband gezien tussen de betekenis van dit begrip op zich en het begrip ‘christelijk’. De oorzaak van de bijna volstrekte dichotomie (= absolute scheiding) tussen beide begrippen komt straks ter sprake.

Gaan we nu naar de betekenis van het begrip ‘christelijk’. Het is een bijvoeglijk naamwoordafgeleid van het zelfstandig naamwoord ‘christen’, dat op haar beurt afgeleid is van de persoonsnaam ‘Christus’. Het is triest om van uit de praktijk te moeten vaststellen, dat niet alles wat zich christelijk of christen noemt, werkelijk christelijk of christen is. Veeleer zal blijken dat vandaag de begrippen christelijk en christen inhoudelijk praktisch niet verder te definiëren zijn dan: religieus. Hoe waar is de uitspraak van Karl Barth dat religie ongeloof is. Jezus vroeg zich al af, of Hij bij zijn terugkeer nog het geloof zou vinden. Religie zat, te over zelfs. Maar bij ‘christelijk’ – in haar eigenlijke betekenis – gaat het niet om een zaak, maar om een relatie of verhouding met een PersoonDe Persoon van Jezus Christus, die ondubbelzinnig zegt: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh. 14:6). Een Jezus die Zich kenbaar maakt in allereerst Zijn Woord, een Woord waarbij Hij zegt: dit is degene die Mij liefheeft die mijn Woord bewaart. Je christen noemen betekent dat je geantwoord hebt op: “Tenzij gij wederom geboren wordt….” Dit wil zeggen in leven en sterven verzekerd zijn van je behoud, dankzij het offer van Jezus Christus. Kom daar nog eens om op de meeste p-c scholen… Kijkend naar met name de middelbaar christelijke scholen moet je constateren dat er tot in het benoemingsbeleid geen invulling meer wordt gevraagd van het begrip ‘christelijk’ enkel van een vaag, meestal naar eigen wens in te vullen begrip ‘identiteit’. Karakterloos. Ver van christelijk.

Dichotomie (absolute scheiding)

Ik gaf zojuist al aan dat er een oorzaak is voor de bijna volstrekte scheiding tussen de begrippen ‘identiteit’ en ‘christelijk’, als we deze begrippen op het protestants christelijk erf benaderen. Het is allereerst en met name de uitholling van christelijk, christen en ten laatste Christus door de (over)heersende moderne theologie die er voor heeft gezorgd dat deze scheiding zich pijnlijk laat voelen en de vraag of het christelijk onderwijs nog bestaansrecht heeft, rechtvaardigt. Mede door de verschuivingen op theologisch en vervolgens als gevolg daarvan vervolgens op kerkelijk terrein, zijn deze twee genoemde begrippen steeds verder van elkaar losgeraakt, tot op het punt dat ze elkaar nu amper meer raken. Tegelijk hebben de begrippen zodanig aan werkelijke inhoud ingeboet, dat ze uiteindelijk nagenoeg verschraald zijn. Om het met de nog steeds actuele woorden van Francis Schaeffer in ‘De God die Leeft’ te zeggen, de ‘gelovigen zijn terecht gekomen in een verstikkende mist’ – ‘oude begrippen worden gehanteerd, maar van een nieuwe inhoud voorzien zonder dat men dit door heeft.’ Of zoals de Bijbel zegt: ‘Mijn volk gaat te gronde door een gebrek aan kennis (Hos. 4:6).’

Het is met name de door de moderne theologie beïnvloede ‘gelovige’ die wat graag het begrip pluriform en pluriformiteit overneemt en gebruikt om daarmee aan te geven dat er ruimte moet zijn voor verschil in opvattingen rond christelijke zaken, ofwel simpelweg: je moet ieder zijn eigen bijbelopvatting en geloofsopvatting(en) gunnen. Dat klinkt fraaier dan de praktijk doet blijken. De pluriformiteit die je zeker binnen het p-c onderwijs tegenkomt, blijkt verdraaid eenzijdig. De persoonlijke ervaring leert dat dedaarbij ‘gepreekte’ tolerantie in de praktijk van dat onderwijs uitermate intolerant blijkt. Wat heet, meestal eindigt zij in het spectrum ‘links’ – ’rechts’ ruim voor ‘het midden’. Wat zich evangelisch of orthodox noemt, zal die confrontatie zeker al wel eens en misschien zelfs meer dan eens hebben meegemaakt – soms op een uiterst pijnlijke wijze (vgl. vb. beneden bij Aanval).

Bestaansrecht

Waar staat het christelijk in het p-conderwijs nog voor? Menig zogeheten christelijke school, lager, middelbaar en zelfs hoger, zou mijns inziensevengoed kunnen gaan fuseren met een niet christelijke school. Waar het om hoort te gaan, is weg, dan wel zo goed als weg… dus. Als we het hebben over school en identiteit en daarbij doelen op het zogenoemd christelijk onderwijs, dan is, lettend op de praktijk van vandaag, de vraag gerechtvaardigd of het christelijk onderwijs nog recht van bestaan heeft. Natuurlijk is het voorstel tot fuseren overtrokken. Natuurlijk kan en mag het p-c onderwijs niet verdwijnen. Het moet zich echter, om het bestaansrecht waar te maken, wel bezinnen. Bezinnen op die aspecten die voor haar kenmerkend zijn.
Echter…
De invulling van de begrippen ‘christelijk’ en ‘identiteit’ dient thuis te beginnen. Waar sta je als ouder voor. Om het met de profeet Jeremia te zeggen: ‘Terug naar de oude paden.’ En als je dan spreekt over pluriform – en daar valt niet meer om heen te komen, tenzij een nieuwe vorm van christelijk onderwijs wordt opgericht zoals in sommige plaatsen al is gebeurd – dan heeft ook degene die evangelisch en orthodox is, recht om gehoord te worden en meer nog, vertegenwoordigd te zijn in leerkrachtenteams, in directie en zeker ook in het bestuur.

Een vraag aan evangelische en orthodoxe personen: staan wij nog voor onze zaak. Onze insteek maakt duidelijk het gelijk of ongelijk van de titel uit, terwijl daarbij zondermeer nooit de christelijk opdracht uit het oog verloren mag worden. Er is al te veel verloren, want vraag u maar eens af hoeveel docenten op de christelijke school van uw zoon of dochter echt wedergeboren zijn, hoe de directie en niet te vergeten het bestuur is samengesteld. Het begint met betrokkenheid bij de school. Allereerst door gebed en voortsheel praktisch door lid te worden van de schoolvereniging en middels ondermeer vergaderingen daarvan je stem te laten horen.

Aanval

Het allerergst is, te moeten constateren dat de aanval op het christelijk onderwijs niet enkel van buitenaf komt, maarhoofdzakelijk van binnenuit. [3] Opnieuw is er een overeenkomst met de ontwikkelingen op het kerkelijk erf. Een groot deel van de schuld voor de huidige situatie ligt in het gebrek aan apologetisch (het geloof verdedigend) vermogen en optreden van orthodoxe gelovigen. Meestal hebben deze christenen, met veel pijn, hun oorspronkelijke kerkverband verlaten en zijn zij het vechten moe.Maar ook de evangelische christen laat het er wat gemakkelijk bij zitten en zoekt (te) veel het heil in de eigen gemeenschap. Veel christenouders nemen de ontwikkelingen zoals ze zijn met de gedachte: wat op school mist, wordt thuis wel aangevuld…[4] En de kerk of gemeente heeft wat vaak de relatie die er tussen geloven en leven is uit het oog verloren. Als je het begrip ‘aanval’ aansnijdt, dan is het een uiterst zorgelijke ontwikkeling te noemen dat die docent(e) die wel wil staan voor de christelijke identiteit en dit vervolgens gestalte geeft in niet enkel een dagopening soms bruut geschoffeerd wordt door niet enkel ouders of collegae, maar heel direct zelfs door het bevoegd gezag. Op grond van de praktijk kan gesteld worden dat de aanval in dergelijke situaties uitermate geraffineerd kan zijn. Natuurlijk wordt de docent(e) niet op zijn/haar geloofsbeleving aangevallen, de aanval is meestentijds subtieler. Hoe gemakkelijk kan er bijvoorbeeld gesproken worden over het creëren van ‘een voor de leerling onveilige situatie’. Laat ik deze misschien ongelooflijk overkomende bewering staven met een van de vele voorbeelden. Nemen we een p-c basisschool: de school werkt bij het godsdienstonderwijs met de methode ‘Kind op maandag’. Bij een van de dagen is als lezing aangegeven: Matt. 25: 14 – 30. Er wordt vanuit een zorgvuldige voorbereiding uitleg gegeven en de docent(e) stoot op vers 30, het vers dat spreekt over het geween en het tandengeknars. Een pientere leerling vraagt om toelichting. De docent(e) vindt dat er een eerlijk antwoord gegeven moet worden en vertelt in zorgvuldige gekozen woorden dat het hier gaat om de plaats van God verlatenheid, de hel, de plek van de duivel. Het kind wordt er met nadruk op gewezen dat het, als het de Here Jezus lief heeft, daarvoor nooit bang hoeft te zijn. Het kind komt wat stil thuis. Moeder vraagt wat er aan de hand is. Het kind geeft aan dat het bij de godsdienstles iets gehoord heeft over de hel; thuis en op zondagsschool was daar (bewust) nooit over gesproken, want de ouders geloven dergelijke ‘onzin’ niet (meer). God is immers een God van liefde. Niet alleen de docent(e), maar ook bestuur en directie worden op de zaak in niet mis te verstane woorden aangesproken. ‘Het kind voelt zich bij een dergelijke les niet veilig.’ Stel nu dat de betreffende docent vanuit de eigen geloofsbeleving met een beroep op de bijbel al eens meer soortgelijke zaken heeft benoemd in de klas. Tijd voor allereerst een functioneringsgesprek en dan een beoordelingsgesprek. Kortom een mogelijke bedreiging van de rechtspositie. Te gemakkelijk is het om dan nu richting die docent(e) troostend te stellen: ‘Houdt het voor enkel vreugde…’. Ik kan u verzekeren dat dit voorbeeld met vele meer en nog ernstiger, aangevuld kan worden.

Wordt het niet tijd voor een ‘tegenaanval’?

Het bestaansrecht van het christelijk onderwijs hebben wij als christenouder of -docent(e) mee in handen. Bevraag als waarachtig gelovige ouder eens de directeur, de docent(e), het bestuurslid op zijn of haar christen zijn en sta achter de vaak nog maar enkele, docent(e) die daarvoor uit durft te komen. En dan de christen docent(e) aan de p-c school zelf: durf je nog te staan voor je geloof dwars tegen de stroom in?

Somber? Een groeiende werkelijkheid die je helaas kunt en moet typeren als: vervolging.

drs. J. G. Hoekstra

Drs. J.G. Hoekstra is zelf, na jaren predikantschap, ruim 15 jaar docent bij het middelbaar onderwijs geweest. De in het artikel voorkomende aspecten kwam hij in de praktijk van de eigen schoolomgeving tegen. Hij is ook auteur van het boek ‘De Keten Gebroken, een boekje open over de Odd Fellows’ waarin ondermeer lionsclub, rotary en vrijmetselarij aan de orde komen (Uitgave van Importantia/Dordrecht).

 


[1](Uitgave Meinema, Zoetermeer 2002 – ISBN 90-211-3895-6).

[2] De nu gemaakte opmerkingen kunnen gezien worden als een nieuwsgierig maken naar, terwijl voor mij het lezen en bestuderen van dit boek juist bij uitstek de insteek vormt om nadrukkelijk, voor als het gaat om p-c onderwijs, het begrip ‘christelijk’ te duiden.

[3] Opmerkelijk is vooral onder het onderwijzend personeel het zogenaamd semi-intellectualisme. Als je niet meegaat met de stroom, lig je er immers uit…

[4] Zoals in het stuk naar voren komt, zie je hier en daar – vanwege de geconstateerde uitholling van het p-c onderwijs en het onloochenbaar verlies aan identiteit – de uitgesproken en soms (vaak met veel moeite) gerealiseerde wens om te komen tot het oprichten van een evangelische school. Maar het grootste gedeelte van de evangelische en orthodoxe ouders hebben een dergelijke mogelijkheid niet en ze berusten te vaak in de bestaande situatie. Zo af en toe wordt nog eens en meestentijds vergeefs signaal afgeven richting bestuur en directie vaak onder de verzuchting: ‘Ach, het is hooguit voor een aantal jaren en dan gaat hij/zij toch van school…’. Ik denk dat al die ouders eens zouden moeten beginnen met (meer) gebed en vervolgens met het zich massaal aanmelden bij de schoolvereniging om van daar uit de (te) veel voorkomende onbalans op te heffen. Misschien dat juist in evangelische en orthodoxe kring een oproep gedaan moet worden naar jongeren om te kiezen voor een baan in het onderwijs – om zo de, nu eenzijdige, sfeer op de werkvloer mee te bepalen.

Remedial teaching wordt door velen gezien als een ‘neutrale’ behandelingstechniek van leerlingen met achterstanden. Daardoor is er weinig oog voor de levensbeschouwelijke achtergronden van de spirituele technieken die soms hierbij worden toegepast.
Als gevolg van allerlei maatschappelijke en onderwijskundige ontwikkelingen zijn er steeds meer leerlingen met gedrags- en concentratieproblemen. Hierdoor is er een toenemende vraag naar individuele leerlingbegeleiding door instellingen van buiten de school. Daarbij wordt soms gebruik gemaakt van bepaalde psycho-technieken die haaks staan op het mens- en kindbeeld dat de school krachtens haar identiteit hanteert.

Soms worden hierbij begrippen gehanteerd die afkomstig zijn uit de heidense en Oosterse religies, maar nu zijn voorzien van wetenschappelijke namen. Vanuit een overheersend pragmatische instelling wordt vooral wordt gekeken naar resultaat en niet naar de levensbeschouwelijke achtergrond. Daarom wil Bijbel & Onderwijs scholen en opleidingen wijzen op de noodzaak om ieder aanbod van remedial teaching te toetsen op spirituele begrippen en technieken die kinderen inleiden in de ‘wereld van binnen’ (esoterica) en hun geest open stellen voor ‘kosmische energieën’ en andere pseudo-wetenschappelijke benamingen voor de wereld waarvoor de apostel Paulus waarschuwt in Efeziërs 6:12.

Hier komt nog het volgende bij. Wat soms werd gebruikt bij zgn. remedial teaching, wordt thans in toenemende mate tot maatstaf voor het reguliere onderwijs. Voorbeelden van terreinen waar grote voordelen worden geclaimd zijn: betere concentratie, ontspannen leren, overwinnen van faalangst en examenvrees. Voor de school geldt vooral: een grotere spanningsboog in verband met WSNS (Weer Samen naar School), met als doelstelling zo weinig mogelijk leerlingen te verwijzen naar het speciaal onderwijs.

 

Veel jongeren kampen met vragen over zingeving en relaties; het occulte en de toekomst en relaties, waarop hun ouders, leraren en jeugdleiders nauwelijks inspelen. Hoe moeten wij/zij daarop inspelen?

B&O magazine, febr 2003, door R.H. Matzken, in samenwerking met C. van Velzen (EO Nazorg) en W. Hoek (bestuurslid B&O)
In onze contacten met jongeren constateren wij een nieuwe ontwikkeling die wij graag met onze lezers delen. Die ontwikkeling wordt bevestigd door tal van jeugdwerkers en staat haaks op het algemeen beeld dat de oudere generatie van hen heeft. Steeds meer merken wij dat – althans een deel van de jongeren – opnieuw belangstelling heeft voor datgene wat hun leven kan verdiepen. Daarbij lijkt wel een omkering van waarden op te treden tussen ouderen en jongeren.

De nieuwe generatie jongeren van middelbare scholen, hogere opleidingen en kerkelijke gemeenten toont weer belangstelling in niet-materiële zaken. Tegelijkertijd laten veel van de geestelijke leiders het wat dat betreft afweten. Dat laatste gebeurt op twee manieren:

De bijbelkritische benadering, bijv. een godsdienstleraar wil hen afhelpen van hun ‘zondagsschoolgeloof’ door hen te leren nadenken over de bronnensplitsing in Genesis. Het star vasthouden aan aloude tradities door predikanten die niet inspelen op actuele ontwikkelingen, waardoor de jeugd zich massaal afkeert van ‘bijbelgetrouwe’ kerken.

De leider van de EO Nazorg, drs. Kees van Velzen, stelt dat jongeren met name willen weten of iets ECHT is. Zij zoeken in feite mensen die het met de zaken van God echt menen en dat ook uitstralen. Als er dan vragen komen heeft dat vaak met geloofszekerheid te maken. Vooral de vraag hoe je nou kunt weten dat het met God, de Here Jezus, de Bijbel etc. wel allemaal echt waar is: “Hoe ERVAAR ik dat God bestaat en dat Jezus werkelijk leeft?!”

Hoe benaderen wij nu deze jeugd vanuit het Evangelie?
Door in te gaan op de vraag naar ECHTheid, en wel op twee manieren:

Gericht op het hoofd (apologetisch) Gericht op het hart (evangelisch).
Een bondige weerlegging van de meestvoorkomende invloeden die leerlingen onderuit halen:

  • schepping en evolutie
  • de leer van de Bijbel
  • het unieke van Jezus Christus
  • bronnensplitsing
  • historiciteit van de vier Evangelies
Het kunnen formuleren van Gods heil en Zijn geopenbaarde raad en de vrijmoedigheid om zich dit heil persoonlijk toe te eigenen.

De noodzaak van wedergeboorte en een leven van discipelschap door de inwoning van de Heilige Geest.

De ECHTheid berust op de EENheid, de INTEGRITEIT:

  • de eenheid van de Heilige Schrift, die niet gebroken kan worden, vgl. Joh. 10:35
  • de eenheid van het christenleven, dat meer is dan ‘het religieuze aspect van het leven’.

Wij stellen voor om op jongeren op twee manieren een handreiking te geven.

1. goede vragen die ze op beleefde wijze kunnen stellen aan de docenten die twijfel zaaien over de boodschap van de Bijbel; bijvoorbeeld: “Kunt u verklaren dat de hele geschiedenis door mensen alles hebben verlaten ter wille van een Man, Jezus Christus, wanneer datgene wat de evangelisten over Hem zeggen een leugen zou blijken te zijn geweest?”

2.iets meer uitgebreide informatie over elk thema, bijv. 1 A4 met goede verwijzingen, via onze website (en die van anderen), zoals een stukje uit een les over evolutionisme en mythologie uit deel 1 van De Bijbel in de Basis.

Graag roepen wij de lezers van dit blad op om hun ideeën en ervaringen aan ons beschikbaar te stellen, om daarmee ook anderen te helpen richting en leiding te geven aan de jongeren die hen zijn toevertrouwd.

 

Wat ouders en scholen van elkaar kunnen/mogen verwachten

Verwachtingen van ouders m.b.t. school en leerkracht

Opvoeding

– Opvoeden tot eerbied voor God en voor het leven

– Buitenbeentjes in het klassenverband integreren

– Opvoeden tot verantwoorde staatsburgers

– Rekening houden met zowel lichamelijke zwakheden als met de thuissituatie van de scholier

– Respecteren van de religieuze instelling

Vertrouwen

– Ouders als gelijkwaardige partners accepteren

– Niet betweterig optreden

– Tijd nemen voor vragen van ouders

– Niet negatief over het ouderlijk huis praten

– Open met kritiek omgaan.

Onderlinge contacten

– Geregeld ouderavonden organiseren

– Lesinhoud en leerdoelen aan de ouders meedelen

– Bij wangedrag of falen van het kind de ouders benaderen

Voorbeeld

– Kunnen luisteren

– Eerlijk zijn

– Nauwkeurig zijn

– Geen vulgaire uitdrukkingen of straatjargon gebruiken

– In de les alleen problemen behandelen die overeenkomstig de leeftijd van het kind zijn

– Leerlingen goed motiveren

– Leerlingen niet voor de klas te kijk zetten

– De leerling helpen tot goede resultaten te komen

– Zinvol huiswerk opgeven en dit ook overhoren

– Geen onzinnige straffen opleggen

– Ervoor zorg dragen dat het kind zich in de school veilig voelt

Verwachtingen van de school en leerkrachten t.o.v. ouders

Samenwerking en begeleiding van het schoolwerk:

– Verplichtingen en verantwoordelijkheden gezamenlijk behartigen

– Bij problemen eerst de betreffende leraar aanspreken

– Met het kind niet negatief over de leraar spreken

– Problemen niet pas op de ouderavond aan de orde stellen

Contacten/belangstelling t.a.v. het werk van de school:

– Gebruikmaken van contactmogelijkheden

– Eventuele problemen en moeilijkheden in de thuissituatie benoemen

– Contactmogelijkheden met aan school verwante organisaties benutten

– Op brieven of mededelingen van ouders reageren

– Bereid zijn om mee te werken

– Niet alleen het belang van het eigen kind vertegenwoordigen

– Inbreng van speciale gaven en mogelijkheden

Tenslotte

– Geen extra prestatiedruk uitoefenen

– Het kind niet met anderen vergelijken

Bron: Christliche Arbeitskreis Schule, Morsbach

 

 

De laatste tijd wordt er veel gesproken over de boeken van C.S. Lewis vanwege het verschijnen van de film die gebaseerd is op de verhalen uit de boekenserie over Narnia.

Dit artikel belicht enkele betekenisvolle citaten uit een aantal boeken van CS Lewis, om duidelijk te maken waar de inhoud en de bedoeling van deze boeken afwijkt van bijbelse principes.

C.S. Lewis (1898 – 1963)
C.S. Lewis gaf les aan de universiteit van Oxford en werd later professor in Cambridge in de engelse literatuur van Middeleeuwen en Renaissance.
Hij was auteur van meer dan 40 boeken, waaronder romans, fictie en literaire kritieken

Het plan van God versus het scenario van C.S. Lewis

Wanneer de Zoon van God op aarde komt, dan is Zijn naam op Gods bevel: Jezus, “Jahwe verlost”. De naam van Jezus spelt reeds zijn functie. Heel het werk van Jezus op aarde is vastgelegd in een plan dat door de Vader is opgesteld. Vlak voor Zijn sterven bidt Jezus: “Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.” 
Het opzetten van het plan voor de Zoon is heilig en exclusief voorbehouden aan de Vader. Voor bepaalde gelegenheden geldt zelfs: “… van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader” (Mar 13:32). 

Hoe komt dan een mens er toe om een scenario voor Jezus te schrijven?

“… Ik zei: ‘Laten we eens veronderstellen dat er een land zoals Narnia is, en dat de Zoon van God daar een Leeuw werd, zoals Hij in onze wereld een mens werd, en laten we dan eens verzinnen wat er zou gebeuren.’ 
(C.S. Lewis, 1954, Letters to Children, in vertaling, Callenbach 2000, blz 45)

Is het iets anders dan hoogmoed, dat aan de basis ligt van dit scenario? In ieder geval is het “Narnia” verhaal niet evangeliserend bedoeld:

“Sommige mensen schijnen te denken dat ik begon met de vraag hoe ik iets over het christendom kon vertellen aan kinderen. (…) Zo zou ik helemaal niet kunnen schrijven.”
(C.S. Lewis, gepubliceerd in 1967, Of this and Other Worlds, in vertaling, Callenbach 2000, blz 11)

In het scenario van C.S. Lewis wordt het volgende voorgesteld:

” ‘Aslan a man!’ (…) ‘Certainly not. I tell you he is the King of the wood and the son of the great Emperor-beyond-the-Sea. Don’t you know who is the King of Beasts? Aslan is a lion (…)’. ”
(C.S. Lewis, 1950, ‘The lion, the witch and the wardrobe’, uitg. Lions 1980, blz 75)

Vertaald:
” ‘Aslan een mens!’ (…) ‘Zeker niet. Ik zeg je, hij is de Koning van het woud en de zoon van de grote Keizer-over-de-Zee. Weet je niet wie de Koning van Beesten is? Aslan is een leeuw (…)’. “

C.S. Lewis vervangt God door de “grote Keizer” en Jezus door “de Koning van Beesten”!
In hoeverre C.S. Lewis die vervanging heeft doorgetrokken, blijkt uit een stukje uit een brief die hij schreef:

“(…) mijn vrouw is heel erg ziek. Ik weet zeker dat Aslan weet wat het beste is en of Hij haar nou bij mij laat of haar meeneemt naar zijn eigen land, Hij weet wat goed is.”
(C.S. Lewis, 1985, Letters to Children; in vertaling, Callenbach 2000, blz 67)

Het is eerder voorgekomen dat mensen Gods identiteit wilden vervangen, maar ondertussen deden alsof het de Here zelf was. In het Oude Testament lezen we de geschiedenis van het gouden kalf.

“hij (…) gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god (…) die u uit het land Egypte heeft gevoerd. (…) Morgen is er een feest voor de Here! (Exodus 32:5-6).

In deze geschiedenis wordt de verlossing uit Egypte in de nacht van Pesach niet ontkent. Sterker nog, de verlossing wordt juist expliciet genoemd. Maar de identiteit van God is vervangen door een stierkalf (letterlijke vertaling) en de aanbidding voor Gods verlossing werd gegeven aan het beest onder de uitroep, dat het de Here is.
In het scenario van C.S. Lewis gebeurt hetzelfde. Gegeven het feit van Jezus’ verlossende werk, vervangt C.S. Lewis de identiteit van Jezus door een beest, een leeuw en laat die leeuw borgtochtelijk sterven. Daarbij wordt geplaatst de uitroep: “Dit is uw god”. Die uitroep ligt immers duidelijk besloten in het citaat van C.S. Lewis “dat de Zoon van God”in Narnia “een Leeuw werd, zoals Hij in onze wereld een mens werd”.
C.S. Lewis verwisselt de identiteit van Jezus met een andere identiteit: ‘hij gaf er vorm aan met een stift en maakte er zijn gefantaseerde leeuw van.’
De mens mag God kennen in een intieme relatie. Maar wat voor relatie volgt er uit het scenario van C.S. Lewis, wanneer Jezus wordt vervangen?

Ware eenheid versus valse eenheid

Jezus leerde ons de ware eenheid in de meest oorspronkelijke zin: “… opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt (…)” (Joh 17:23). En een uitbeelding hiervan wordt gevonden in het paradijs waar de eerste twee mensen als beelddragers van God geroepen werden om de trouw van God in zichzelf gestalte te geven in een huwelijksverbond.
Echter, de ware eenheid en de uitbeeldingen daarvan worden in C.S. Lewis’ Narnia verhaal veelvuldig aangevallen.
Als Jezus in het scenario van C.S. Lewis wordt vervangen, terwijl wordt gesuggereerd dat het nog steeds Jezus is, wordt de ware eenheid met Jezus daar uiteen gescheurd en ontstaat een valse eenheid met de “Koning van Beesten”, zoals C.S. Lewis hem zelf noemt.
Ook de paradijselijke uitbeelding van Gods trouw in het huwelijksverbond valt C.S. Lewis aan. Zijn aanval op die ware en exclusieve eenheid en zijn poging om een valse eenheid te doen gelden, wordt bijzonder expliciet, wanneer C.S. Lewis de afkomst van de “witch” in het Narnia verhaal beschrijft:

“(…) she’s no Daughter of Eve. She comes of (…) your father Adam’s first wife, her they called Lilith.”
(C.S. Lewis, 1950, ‘The lion, the witch and the wardrobe’, uitg. Lions 1980, blz 89)
Vertaald:
“(…) ze is geen Dochter van Eva. Ze komt van (…) je vader Adams eerste vrouw, haar noemden ze Lilith.”

Dit thema van valse eenheid loopt als een rode draad door C.S. Lewis’ hele Narnia verhaal. Een van de uitgaven van “The lion, the witch and the wardrobe” heeft een afbeelding op de omslag die de bedoeling van het boek bijzonder treffend samenvat. Het is een plaatje van een jong meisje dat aan de arm van een figuur met bokkenpoten en horens een donker bos inloopt. Het is een afbeelding van een gebeurtenis die beschreven staat in het boek. Maar het is tevens de valse eenheid in een momentopname. En het dekt precies de hele lading van het boek. Doordat Jezus in het boek wordt vervangen, wordt het lezerspubliek aan de arm van de duivel het bos ingestuurd.
De figuur met de poten en horens is in zichzelf al een afbeelding van de valse eenheid. Zijn lichaam toont de vermenging van de mens met een beest. Naast deze figuur komen er nog vele andere figuren in het Narnia verhaal voor die een gestalte hebben waarin beest en mens vermengd zijn. Ze zijn ontleend aan de heidense mythen met hun gruwelijke zeden.

Het evangelie versus de heidense mythen

Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. (1 Joh 3:6)
Tussen het koninkrijk van God en de werken des duivels in de heidense mythen is enkel strijd en totaal geen synthese. C.S. Lewis echter laat verschillende mythologische figuren op allerlei manieren als figuranten aantreden in zijn Narnia verhaal.

“The Faun began to talk. (…) He told about the midnight dances and how the Nymphs (…) and the Dryads (…) came out to dance with the Fauns; (…) and sometimes Bacchus himself, and then the streams would run with wine instead of water and the whole forest would give itself up to jollification for weeks on end.”
(C.S. Lewis, ‘The lion, the witch and the wardrobe’, uitg. Lions 1980, blz 20-21)

” There were four great centaurs. (…) There was also a unicorn, and a bull with the head of a man (…).”
(C.S. Lewis, 1950, ‘The lion, the witch and the wardrobe’, uitg. Lions 1980, blz 115)

Vertaald:
“De Faun begon te praten. (…) Hij vertelde over de nachtelijke dansfeesten en hoe de Nymfen (…) en de Dryaden (…) tevoorschijn kwamen om te dansen met de Faunen; (…) en soms Bacchus zelf, en dan stroomden de rivieren met wijn in plaats van water en het hele bos gaf zichzelf over aan plezier voor weken aan een.”

“Er waren vier grote centaurs. (…) Er was ook een eenhoorn en een stier met het hoofd van een man (…).”

De achtergronden en gedragingen van deze figuren uit de heidense mythen zijn pervers.
God staat lijnrecht tegenover dit heidendom, in vijandschap. In slagorde!

De interesse voor het heidendom is bij C.S. Lewis als kind begonnen. In zijn boek “Surprised by joy” schrijft hij over zichzelf, toen hij ongeveer dertien jaar was:

‘En zo begon bij mij iets waarvan ik sindsdien, met tussenpozen, veel narigheid heb ondervonden – de zucht naar het abnormale als zodanig, een hartstocht voor het occulte. (…) Het is waarschijnlijk deze hartstocht, meer nog dan het verlangen naar macht, die mensen drijft tot toverij. (…) De vaagheid, het speculatieve karakter van al dit occultisme begon zich uit te breiden’
(C.S. Lewis, 1955, Surprised by joy; in vertaling, Van Wijnen, 1998, blz 54)

In de rest van dit autobiografische boek beschrijft C.S. Lewis niet meer een radicale omkeer uit zijn “zucht naar het abnormale” en “hartstocht voor het occulte”. In zijn literaire werk blijft heidendom een thema, zonder dat hij daar afwijzend tegenover staat. In een brief, aan het eind van zijn leven, nog geen half jaar voor hij sterft, schrijft hij nog:

Zoroastrianisme is een van de fraaiste heidense religies die er zijn. (C.S. Lewis; 1963, Letters to Children, in vertaling, Callenbach 2000, blz 104)

Van iemand die van het christendom weet en toch nog iets zoekt bij de heidense religies kun je je afvragen hoe hij denkt over de exclusiviteit van Jezus. C.S. Lewis schrijft:

‘Het is waar dat de wereld al gauw gelukkiger zou zijn als we het onderwijs van Christus ter harte namen. Je hebt daar niet eens Christus voor nodig. Als we alles deden wat Plato of Aristoteles of Confucius zeiden, zou het ook al een stuk beter gaan dan nu. En wat dan nog? (…) Is Hij dan de beste leermeester?’
(C.S. Lewis, 1952, Mere Christianity, in vertaling, Ten Have, blz 178).

Ik hoop dat iemand C.S. Lewis nog voor hij stierf in 1963 het allemaal toch nog eens geduldig heeft uitgelegd: Jezus Christus is de enige Leermeester. Er is geen ander door wie de wereld behouden kan worden. Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven zelf!

Bert Voortman
berts-postbus@filternet.nl

In het begin van de negentiende eeuw was de school voor een belangrijk deel een verlengstuk van de opvoeding. Openbare scholen waren scholen met de Bijbel en Nederland was grotendeels een christelijke natie. Daarna veranderden de maatschappelijke opvattingen over onderwijs en opvoeding langzamerhand met als gevolg een jarenlange strijd om de positie en de doelen van het onderwijs. De algemeen christelijke openbare school maakte plaats voor de bijzondere christelijke school. Ouders moesten er grote financiële offers voor brengen, want het duurde tot 1920 voordat het openbaar en bijzonder onderwijs door de overheid werden gelijkgesteld.

Met het ontstaan van bijzondere scholen nam ook de mogelijkheid van verzuiling toe. Openbaar onderwijs zou neutraal moeten zijn en bijzonder onderwijs zou zich gaan richten op de wensen van ouders en kerk. Op deze wijze kon de bijzondere school de opvoeding van gezin en kerk voortzetten. In onze tijd, anno 2000, lijkt de schoolstrijd opnieuw op te laaien. Het christelijk onderwijs lijkt haar taak lang niet overal even serieus te nemen. Christelijke scholen verkleuren. Steeds meer ouders vragen zich af of het christelijk onderwijs nog wel een veilige koers vaart. Aan de hand van stellingen wil ik de mensen die werkzaam zijn op de werkvloer van het christelijk onderwijs een hart onder de riem te steken.

Stelling 1: Wees proactief en laat je niet drukken in de hoek waar je niet wilt zitten.
Het is heel makkelijk om op paars I en II te katten en bij het haardvuur te mijmeren over alle ellende van doemscenario’s die je zouden kunnen treffen. De situatie van in het nauw gedreven worden, doet zich voor als je niets doet en dus niet naar buiten treedt. Daarom het advies: neem het initiatief. Als je zelf het initiatief neemt, bepaal jij de agenda van de discussie en bepaal jij de inhoud van het gesprek. Als je dat niet doet, loop je de kans dat je wordt verrast door vragen die je niet verwachtte of dat je tegen je wil een discussie of ontwikkeling wordt binnengesleept.

Als christenen hebben we te lang in de positie gezeten van reactief in plaats van proactief. Reactief redeneren gaat ervan uit dat het schip niet meer te keren valt: “Ik kan er niets aan doen, zo is het nu eenmaal.” Proactief redeneren gaat ervan uit dat het ook anders aangepakt kan worden: laat ik eens kijken of er geen alternatieven zijn; ik bepaal zelf de agenda; ik kan kiezen.
Voor je het weet, zit je antwoord te geven op een vraag die een ander aan jou stelt en niet op de vraag die je aan jezelf kunt stellen, namelijk: “Doen we ook echt wat we aan ouders beloven ?” Je hoeft niet in de verdediging, maar stel je zelfbewust op als aanbieder van onderwijs. Weet per school voor wie je er bent en wat je te bieden hebt Sta open voor verbetering als gevolg van discussie, toetsing, sta open voor feedback van ouders, enz.

Stelling 2: Als “meten is weten” elders in de samenleving waar is, waarom dan niet ook in het onderwijs?
Dit is een gewaagde stelling die makkelijk verkeerde associaties oproept. Je kunt zeggen dat je het als school goed doet, dat je kwaliteit levert, dat je professionaliteit onweersproken is. Maar waar het om gaat, is dat je die uitspraak leert onderbouwen. Niet de bewering is interessant, waar het op aankomt is de onderbouwing van de bewering. Het gaat niet om het gelijk, maar om het bewijs van het gelijk. Die onderbouwing wint aan kracht als je die expliciet kunt maken en vaak is dat door een getal, een score. Elders in de samenleving is dit gemeengoed. Omgaan met getallen wil niet zeggen dat je kwaliteit reduceert tot een getal, maar het betekent het omgekeerde, je gebruikt een getal om een indicatie van kwaliteit te krijgen. Want als de getallen niet deugen, dan mag je terecht twijfelen aan de kwaliteit van de dienstverlening.

Stelling 3 (komt voort uit 2): Identiteit en kwaliteit zijn niet los te denken.
In het RD van 26 februari 2002 stond een interview met inspecteur-generaal van het onderwijs, dr. F.J.H. Mertens. Daarin komt nog eens nadrukkelijk naar voren dat de bevoegdheden van de onderwijsinspectie worden verruimd. Die bevoegdheden staan in de nota ‘Variëteit en waarborg’. Het komt erop neer dat strikter gelet gaat worden op de kwaliteit van het onderwijs aan de hand van nieuw te formuleren kwaliteitseisen. Mertens benadrukt dat geen enkele school, van welke levensbeschouwelijke richting ook, bang hoeft te zijn dat de inspectie gaat knabbelen aan artikel 23 van de Grondwet. De identiteit van een school is volgens Mertens nooit onderwerp van onderzoek voor de inspectie geweest en zal dat ook niet worden.

Als je je eigen doelstellingen als school als uitgangspunt neemt, zul je zien dat daar onderwijskundige, pedagogische en levensbeschouwelijke componenten inzitten. Aandacht voor het goed doen van die alle drie is hetzelfde als werken aan kwaliteit en identiteit. Die mag je dan op elkaar plakken. Het is niet goed als kwaliteit iets is van een optimale didactiek en uniforme leeropbrengsten, terwijl identiteit wordt versmald tot godsdienstige vorming. We willen niet toe naar een situatie waarin alle scholen eenzelfde type kwaliteit bieden terwijl een deel van die scholen bovendien iets doet aan godsdienstles.

Stelling 4: Durf als christelijke school risicovol te ondernemen.
In een tijd dat onderwijs vergeleken wordt met het bedrijfsleven (ik verzorg nota bene een onderwijsmodule ‘schoolmarketing en public relations’ aan de pc-opleiding schoolleider primair onderwijs), beschouwen we het christelijk onderwijs als een vorm van maatschappelijk ondernemerschap. De school biedt diensten aan de samenleving: je hebt wat te bieden. Niet als een service-instituut dat werkt op de formule van “u vraagt en wij draaien”, maar vanuit uw eigen ROEPING en opdracht. Met dit soort praktische zaken bezig zijn betekent concreet: je eigen visie op onderwijs ontwikkelen en daarbij zorgvuldig reageren op wat je in je directe omgeving waarneemt. Vervolgens aan die visie doelen koppelen, middelen erbij zoeken en evalueren. Centraal hierbij geldt: wacht niet af, gedraag je niet als filiaalhouder, maar handel als zelfstandig ondernemer. Je bent niet strikt gebonden aan een bepaalde formule waar je niet van af mag wijken. Er zijn weliswaar onderwijswetten in verband met de subsidie, maar je mag ook heel veel zelf. Soms leidt dit tot risicovol ondernemen, zeker als het gaat om je nek uit te steken in het pal staan voor christelijke waarden en normen die op de Bijbel zijn gegrond.

Als voorbeeld wil ik hier noemen het waarschuwen voor het verschijnsel ‘nieuwetijdskinderen’. Kinderen die spiritueel begaafd zijn zouden moeten worden begeleid om het spirituele verder in hen te doen ontwikkelen. Je kunt als school stellingen innemen om dit verschijnsel bespreekbaar te maken en vanuit de Bijbel handvatten aanreiken hoe hiertegen te vechten.

Stelling 5: Wees kritisch en leer te kijken naar jezelf.
Hoe krijgen we bevestiging van ons gevoel dat we inderdaad doen wat we beloven te doen en ook denken te doen. Laat ook anderen naar je identiteit en kwaliteit kijken. Collegiale consultatie, intervisie, bij elkaar lessen bijwonen, feedback geven en elkaar daartoe ook tevoren uitnodigen, open staan voor ideeën van anderen. Durf elkaar te bevragen op identitaire zaken. Vraag om geloofsbelevingen van collega’s en hoe zij omgaan met gevoelige onderwerpen in en buiten de klas. Onlangs zei iemand in een nascholingscursus die ging over identiteit: “We weten toch van elkaar hoe we denken, we gaan bijna allemaal naar dezelfde kerk.” Die uitspraak is tekenend. We vragen het maar niet omdat we het wel weten. Onderwijs is een gesloten provincie en soms lijkt het erop dat men het graag zo houdt. Soms gebeurt dat uit oprechte zorg voor goed onderwijs, soms lijkt daar angst achter te zitten. En angst is een slechte raadgever. Bovendien past die afschermende houding niet bij onze tijd. Die vraagt om openheid, transparantie, responsivitiet.

Stelling 6: Verschiet niet van kleur, maar werk nauw samen met gelijkgezindten en let op overeenkomsten.
In de toekomst staan we als christenen samen sterk door de kracht van Gods Geest. Laat dat onze drijfveer zijn om zoveel mogelijk samenwerking te zoeken met collega-schoolverenigingen en -besturen die God willen dienen en Zijn Woord als leidraad beschouwen voor leer en leven. Het letten op uiterlijke verschillen voert af van waar het nou werkelijk om gaat.

Stelling 7: Je hoeft het, Gode zij dank, niet alleen te doen.
Per definitie is het lopen in de zone van identiteit geen eenzame bezigheid. Als dat wel zo is, is het motief misschien onjuist. Het geeft te allen tijde een “we-feeling”- gevoel waarbij de vraag om openheid, transparantie en responsivitiet uitgangspunt is. Als je ergens voor staat, wordt dat vandaag nog sterk gewaardeerd. Als je de boodschap maar niet belerend communiceert. Pure transparantie geeft je echtheid of authenticiteit. Dat heb je als je in afhankelijkheid van God bezig bent. De Heilige Geest bezielt ons om dit mooie werk te kunnen doen. Zo wil Hij ons helpen om in ons onderwijs kinderen direct of indirect bij Jezus te brengen. Dat geeft ons werk kwaliteit. In dat opzicht is kwaliteit identiteit. Het effect ervan is dat Jezus tot Zijn eer komt. Daar doen we het dan ook voor. Alleszins de moeite waard !

drs. J.J. Bakker, Christelijke Hogeschool Ede

Terugkeer van de verdoemden uit de hel

Bovenstaande tekst staat op een kaart van het nieuwe spel yu-gi-oh.
Een nieuwe rage!!
Moeders kopen voor hun kinderen speciaal chips van het merk Lays om dopjes te sparen voor dit spel.

De geest van yu-gi-oh
De kaarten dragen titels zoals “Uitwisseling van de Ziel”, “Ultiem Offer”, “Opgeroepen Schedel” en “Tovenaar van de ten dode gedoemde”. De laatstgenoemde kaart geeft deze sinistere waarschuwing: “Een slaaf van de duistere kunsten, deze tovenaar is een meester van dodelijke toverformules.” Aan de teksten merk je uit welke hoek de wind waait. Wat een beïnvloeding van de kinderen van de basisschool!

Op de website van dit spel staat over de laatste versie:

“Duel Monsters is een kaart-vecht-spel waarin de spelers verschillende mysterieuze schepselen tegen elkaar laten vechten in wilde, magische duels? Geladen met ontzagwekkende monsters en machtige toverkaarten, zijn Yugi en zijn vrienden totaal geobsedeerd door het spel.”

“Maar,” verzekert de yu-gi-oh website ons, “daar zit meer achter deze kaart dan het oog ziet!” Dat zit er inderdaad. Het mythisch heelal introduceert bij de kinderen een alternatief wereldbeeld, dat spoedig zo vertrouwd kan worden voor de jonge fans, dat het Gods waarheid verduistert en belangrijke feiten over de slechte wereld verdoezelt.

Evenals de mythe van Harry Potter, wordt de mythische wereld van Yugi versterkt met zijn eigen geschiedenis. De kinderen leren dat het hedendaagse populaire duelleerspel vijfduizend jaar geleden begon in Egypte, toen de Farao’ s een spel speelden met magische rituelen, waarzeggerij en de gecombineerde macht van monsters en magie. Maar, zoals men zou kunnen verwachten, al die “magische toverformules en woeste schepselen …..dreigden de hele wereld te vernietigen!” Maar een machtige Farao bracht een eind aan de crisis door “zeven machtige totems.” Zoals in heidense godsdiensten had een machtige shaman de kwade toverspreuken bestreden door nog machtiger geesten aan te roepen. Een ouderpaar heeft leerkrachten van de basisschool van hun kinderen gewezen op de gevaren van dit spel. Deze ouders mailden verder nog: Een occulte betovering die twee decennia geleden ondenkbaar leek, heeft zich als een razend vuur door de westelijke naties en over de wereld uitgespreid. De tijden zijn inderdaad veranderd en de goden en de geesten achter oude Keltische Samhain (de wortels van Halloween) zullen in een juichende stemming zijn.

Als mens worden wij allen biologisch verwekt en geboren. Uitzondering op deze regel is het eerste mensenpaar Adam en Eva. God schiep de eerste mens, Adam, naar Zijn beeld en gelijkenis. Diens lichaam formeerde God uit de aarde. God “bouwde” Eva uit Adam. De mens noemde zijn vrouw “Eva, omdat zij de moeder van alle levenden is geworden” (Gen. 3:20).

Alle mensen – kinderen van God?

God heeft uit één (mens) het hele menselijke geslacht gemaakt (aorist: een afgesloten handeling; Hand. 17:26). De mens stamt af van de mens, van Adam – niet van dieren, dus niet bijvoorbeeld van apen. In de door God geschapen Adam, het hoofd van de mensheid, zijn wel alle mensen als zodanig schepselen van God. Een biologisch kind wordt men echter door verwekking en geboorte. Zo wordt men ook in geestelijk opzicht pas een kind van God door geestelijke verwekking en geestelijke geboorte ( “wedergeboorte”) in Christus Jezus. Daarom zijn niet alle mensen kinderen van God.

Alle mensen – zondaren voor God

Door Adam is de zonde de wereld binnengekomen en door de zonde (de ongehoorzaamheid van die ene mens tegenover zijn Schepper) de dood (Rom. 5:12,19). Daardoor is ook de hele schepping, waarover Adam aangesteld was, aan de vergankelijkheid onderworpen (Rom. 8:20-21). De dood bestond dus niet vóór die ene daad van overtreding van de eerste mens, Adam. Daarom kunnen er geen mensen (‘oermensen’) of dieren (bv. dinosaurussen) geleefd hebben en gestorven zijn, vóórdat Adam tegen zijn Schepper gezondigd had. Hoewel menselijke fossielen op de bovenste laag gevonden worden, moet Adam al geleefd en tegen God gezondigd hebben tijdens de onderste fossielenlaag. Vóór de zondeval van de mens was er geen dood en kunnen er dus ook geen fossielen zijn. Fossielen zijn altijd een teken van fysieke dood.

Alle mensen moeten sterven (Hebr. 9:27)

“De prikkel van de dood” is de zonde van de mens tegenover zijn Schepper (1Kor. 15:56). De dood is “het loon van de zonde” tegenover God, is Gods gericht over de overtreding van Zijn Woord door de eerste mens, de stamvader van de mensheid, Adam. (Rom. 6:23). Tot Golgota “heerste de zonde in de dood” (Rom. 5:21). Zonder zonde geen dood!

In de evolutietheorie daarentegen is de dood een onmisbaar instrument van ontwikkeling en vooruitgang. Zonder dood géén evolutie. Ook daarom is een zogenaamde ‘theïstische evolutie’, waarbij God “in den beginne” een evolutieproces aangezwengeld of gebruikt zou hebben, uitgesloten. God gaf en geeft immers leven. Hij heeft geen welgevallen aan de dood van goddelozen (Ezech. 18:23). Daarom zond God juist Zijn Zoon naar onze aarde vol zondaren om plaatsvervangend Zijn straf voor hun zonde te dragen. Daardoor heeft Jezus Christus juist “de dood van zijn kracht beroofd” en door Zijn dood de duivel die de macht had over de dood, onttroond (2Tim. 1:10; Hebr. 2:14). God gebruikte niet de plaatsvervangende dood van Zijn Zoon voor de voortgang van een of andere ‘evolutie’ – in tegendeel, om de dood te overwinnen. De dood is de laatste vijand die onttroond wordt (1Kor. 15:26) – is dus nooit Gods instrument van ‘evolutie’ (geweest). Jezus’ dood en opstanding logenstraffen iedere (macro)evolutieleer.

Alle mensen: kinderen der ongehoorzaamheid

Gen. 5:1-2 herhaalt het mooie dat ten dage dat God Adam schiep, Hij hem naar Zijn beeld en gelijkenis maakte. Maar Gen. 5:3 bericht daarna het ontstellende dat – na de zondeval – “Adam een zoon verwekte naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Set”.

Alle mensen zijn via Set zodoende beelddragers van de in zonde gevallen stamvader Adam. Allen zijn wij in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren (Ps. 51:7; Rom. 5:12-18). Men noemt dit feit ‘erfzonde’: ieder mens erft de zondige natuur (de oude mens) en geeft deze weer door aan het nageslacht.

Als afstammelingen van de ongehoorzame Adam noemt de Bijbel ons mensen “kinderen der ongehoorzaamheid” (Ef. 2:2; 5:6). Terugziende op zijn opstelling tegenover Jezus Messias vóór zijn bekering schrijft de apostel Paulus: “Vroeger waren ook wij (joden) verdwaasd, ongehoorzaam” (Titus 3:3; Ef. 2:3: “trouwens ook wij allen ..”). En hij herinnert de gelovigen uit de heidenen er aan dat zij “eertijds aan God ongehoorzaam” waren (Rom. 11:30).

God ziet de mens “in Adam” na diens zondeval aan. De Bijbel noemt ons mensen daarom “kinderen van de toorn van God” (Ef. 2:3) die alleen opgeheven is voor allen die niet meer “in Adam”, maar “in Christus” zijn. Op anderen blijft Gods toorn (Joh. 3:36). De diagnose van Gods Woord is dat wij allen van nature zondaren zijn, verloren, geestelijk dood, Gode vijandig gezind. Deze ons aller aangeboren positie “in Adam” tegenover God de Schepper heeft met het psychologische begrip ‘identiteit’ uiteraard niets te maken.

Niemand kan aan deze positie tegenover God van hemzelf of van een ander ook maar iets veranderen.

Een Kind is ons geboren, een Zoon ons gegeven”

Deze profetie aangaande de Here Jezus in Jes. 9:5 wordt door de engel Gabriël bij zijn bezoek aan Maria nader ingevuld: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal het Heilige dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden” (Luk. 1:35). Deze profetie is vervuld in de Here Jezus Christus: “U is heden de Heiland geboren … welke is Christus, de Here” (Luk. 2:11).

Als “Zoon des mensen” is Jezus geboren uit een vrouw (Gal. 4:4; Mat. 1:18; 2:1). Jezus werd dus niet ‘geschapen’ zoals de koran beweert.

Als “Zoon van God” is de Heiland door Gods kracht door de Heilige Geest verwekt – dus bovennatuurlijk en niet op natuurlijke wijze door een (zondig) mens. De Here Jezus is de enige op deze aarde die niet “in zonde ontvangen” is.

Het ernstige misverstand onder moslims als zouden christenen geloven dat God omgang met Maria had gehad, wordt hardnekkig in stand gehouden, maar op grond van Gods Woord talloze malen duidelijk weerlegd. Daar ten tijde van Mohammed de Bijbel nog niet in het Arabisch vertaald en hij bovendien analfabeet was, kon hij eventuele dwaalleringen moeilijk aan de feiten in Luk. 1 toetsen. Het Griekse werkwoord episkiazoo (‘overschaduwen’; vgl. Mat. 17:8) wordt bovendien nooit voor geslachtelijk verkeer gebruikt, evenmin eperchomai (‘over iemand komen’; vgl. Hand. 1:8).

Aspekten van het Zoonschap van Jezus Christus

Vanuit de eeuwigheid bezien is Christus de Zoon van God vóórdat Hij een menselijk lichaam ontving. Men noemt dat de pre-existentie van de Zoon van God. God zond Zijn Zoon (Joh. 3:16; Gal. 4:4).

Op grond van de incarnatie, de bovennatuurlijke menswording (geestelijke verwekking) is Jezus Christus “het Woord dat vlees (mens) werd” (Joh. 1:14). Iedere geest, die niet belijdt dat Gods Zoon in het vlees gekomen (niet waarachtig mens van vlees en bloed geworden) is, is de geest van de antichrist, de geest der dwaling (1Joh. 4:1-3,6; dwaling (Gr.planè) hier in de zin van op een dwaalspoor brengen, bedrog (vgl. Mat. 27:62-64; Ef. 4:14).

In verband met het kruisoffer is Christus de “eigen Zoon”, die “God niet spaarde, maar voor ons allen overgegeven heeft” (Rom. 8:32).

Wat betreft het feit dat God Hem uit de doden opwekte, is Jezus Christus “door de opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn” (Rom. 1:3-4). De opstanding uit de doden is Gods bevestiging dat Zijn Zoon een fysiek lichaam had gekregen, Hij een fysieke dood was gestorven en temidden vanuit de doden fysiek was opgestaan. Op Jezus’ fysieke Hemelvaart zal Zijn fysieke wederkomst op aarde volgen (Hand. 1:9-11) – dus niet ‘geestelijk’ zoals dwaalleraars beweren.

Een lichaam hebt Gij mij bereid” (Hebr. 10:5)

Jezus Christus kreeg een door God bereid menselijk lichaam óm “in Zijn lichaam onze zonden op het hout te dragen” (1Petr. 2:24). Wat de wet niet kon doen … heeft God door Zijn eigen Zoon in de gestalte van een mens (vlees) te zenden … en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees (Rom. 8:3). Daartoe was “Jezus Christus voorbestemd vóór de grondlegging van de wereld, maar nu voor u geopenbaard in deze laatste tijd” (1Petr. 1:18-20).

God heeft echter Zijn Zoon niet alleen een fysiek lichaam bereid, maar nadat Hij verhoogd en de heilige Geest uitgestort was, ook een geestelijk Lichaam: de Gemeente. Jezus Christus is het Hoofd van Zijn Gemeente, Zijn Lichaam – Gods kinderen zijn er de levende leden van.

Hoe kan een nakomeling van de ongehoorzame Adam een kind van God worden?

Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk gemaakt door het Kruisoffer en de opstanding van de Here Jezus Christus. Daardoor werd de weg gebaand voor de uitstorting van de heilige Geest op aarde.

Zoals fysieke verwekking element van een natuurlijke geboorte uit mensen is, is geestelijke verwekking het element van bovennaturlijke, geestelijke geboorte uit God. Schrift met Schrift vergelijkend zien wij het volgende.

Het Woord Gods is het levende zaad (Luk. 8:11). Gods geschreven Woord, dat gelezen of verkondigd wordt, is het centrale instrument van geboorte uit God. Behartigenswaardig blijft daarom de vermaning van de Here Jezus: “Ziet dan toe, hoe gij hoort” (Luk. 8:18). We kunnen onder een verkondiging fysiek aanwezig zijn en de Bijbel in onze stille tijd of aan tafel al of niet mechanisch lezen zonder dat we er ook innerlijk bij betrokken zijn. Bovendien gaat het er om, de consequenties te trekken uit datgene wat we gehoord of gelezen hebben, het om te zetten in de daad. Anders misleiden wij onszelf (Jak. 1:21-25). Zei niet de Here Jezus: “Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?” (Luk. 6:46).
Overeenkomstig Jak. 1:18 heeft God Zijn kinderen “voortgebracht door het woord der waarheid”. De apostel Paulus schrijft de gelovigen in Korinthe: “ .. gij hebt niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus door het evangelie verwekt” (1Kor. 4:15).

Waar niet Gods Woord, het Woord der Waarheid over God, Jezus Christus en de heilige Geest, over de verloren, natuurlijke mens enz. gebracht wordt, kan nauwelijks sprake zijn van kinderen Gods. Opmerkelijk is de vermaning van de Here: “Ziet toe, wat gij hoort” (Mat. 4:24)!

In het gesprek van de Here met Nicodémus weten wij dat wedergeboorte (lett. geboorte van Boven) of geboorte “uit water en Geest”, voorwaarde is om het koninkrijk van God binnen te gaan. Hier wordt Gods Woord vergeleken met water (vgl. Ef. 5:26; Joh. 15:3). Ook de geboorte uit God zelf wordt met een waterbad vergeleken: “Hij heeft … ons gered door het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing door de heilige Geest … “(Titus 3:5).

“Wat uit de Geest geboren is, is geest”, zei de Here Jezus (Joh. 3:6). Wij mogen echter de wedergeboorte door Gods Geest niet uitspelen tegen die uit Gods Woord alsof ze iets anders of zelfs iets meer zou betekenen dan wedergeboorte door middel van Gods Woord. God zelf inspireerde de Bijbel door Zijn Geest. God werkt door middel van de “Geest der waarheid” in en door “het Woord der waarheid” om een mens van zonde en genade te overtuigen en om geestelijk leven in hem te bewerkstelligen. Woord en Geest zijn niet van elkaar te scheiden – ook niet in verband met de wedergeboorte.

niet uit het vlees”

De uitdrukking “uit de Geest geboren” staat niet op zich zelf, maar als tegenstelling tot “geboren uit het vlees” of “uit bloed”, d.i. op natuurlijke wijze (Joh. 1:13a). Wij erven allerlei eigenschappen van onze ouders – positieve èn negatieve, en helaas altijd de zondige natuur. Het is een voorrecht wanneer men kind van gelovige ouders is en misschien ook biddende grootouders heeft. Maar geestelijke zaken zoals bijvoorbeeld wedergeboorte, kindschap Gods, eeuwig leven, gerechtigheid Gods, vergeving van zonden zijn nooit erfelijk.

Timotheüs, mijn waar kind in het geloof”

Timotheüs had een moeder en grootmoeder met “ongeveinsd geloof”. Zij onderrichtten hem van kindsbeen af in de heilige Schriften (2Tim. 1:5; 3:15). Hun geloofswandel, voorbede en bijbelonderricht waren wel een lange voorbereiding op de wedergeboorte van hun (klein)kind, maar ze konden nooit een vervanging zijn voor de persoonlijke bekering en het persoonlijk geloof van Timotheüs zelf. Zeker had Timotheüs in de loop der jaren veel bijbelkennis opgedaan en zal hij bidden geleerd hebben. Tot op zekere hoogte kon hij het geloofsleven van zijn ouderlijk huis wel imiteren, maar het levend geloof door de levende verbinding met de Here Jezus niet erven. Het was de apostel Paulus die Timotheüs tot de persoonlijke, levende relatie met de Here Jezus Christus mocht leiden en zodoende zijn geestelijke vader en Timotheüs zijn geestelijk kind in het (levend) geloof werd (1Tim. 1:2).

Zoals bij de geboorte uit de ouders het geval is, gaat meestal ook aan de geestelijke geboorte uit God een voorbereidingstijd vooraf zoals Gods bemoeienis door Zijn bewaring en leiding, een gebedsverhoring, een verlangen naar en oprecht zoeken van God, een bepaalde omstandigheid of ontmoeting, een woord … Maar alle voorbereidende genade is op zich nog geen geestelijke of wedergeboorte en geen persoonlijke bekering – zoals ook de natuurlijke zwangerschap op zich nog geen (natuurlijke) geboorte is. Daar waar wedergeboorte en persoonlijke bekering ontbreken bestaat het gevaar van menselijke vroomheid, van een pseudo-christendom dat op den duur geen stand houdt tegen secularisatie, dwaalleringen of crisis en zorgen van het leven. Wat uit vlees – ook uit ‘vroom vlees’ – geboren is, is èn blijft vlees.

niet uit de wil van het vlees”

De gevallen, natuurlijke mens (hier: “het vlees”) is met zijn verstand, wil en gevoel tot veel in staat. Maar bijvoorbeeld opleiding, bijbelkennis, kerkelijke of theologische prestaties betekenen nog geen leven uit God met een vernieuwd denken. Ook morele en sociale prestaties zijn geen weg tot of bewijs van bijbelse bekering en wedergeboorte. “Jezus, niet mijn eigen kracht, niet het werk, door mij volbracht … “

Evenmin zijn religieuze prestaties, goede werken, riten en ceremoniën, al of niet mystieke ervaringen, een droom of visioen, vasten en wenen e.d een levende deur tot de levende God. Dat is Jezus Christus alleen: “niet het offer dat ik breng, niet de tranen, die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen” (Gezang 174)! Er is geen vervanging voor de persoonlijke, levende verbinding met de levende Here door geestelijke geboorte uit God en persoonlijke bekering. Als er iemand was, die wist hoe “op vlees vertrouwen” er uit kan zien en tot eigenroem leidt, is het wel de apostel Paulus. Maar dat alles achtte hij na zijn bekering tot de Here Jezus “tot schade”. Ja, hij gaf zelfs alles prijs “om Christus te mogen winnen” (Fil. 3:4b-14).

niet uit de wil van een man”

God is soeverein. God heeft het exclusieve recht om ons te zeggen hoe Hij wil dat zondaars Zijn kinderen kunnen worden: door Zijn (geschreven) Woord en Geest, door christocentrische verkondiging, waarbij het kruis centraal staat. Alleen daarop kan Zijn zegen rusten. Toch menen veel christenen dat dat ‘nu niet meer werkt’ of althans ‘niet genoeg’ is ‘in deze tijd’. ’Naar de wil van christenmensen’ moet men nu gebruik maken van management- en verkoopmethoden, van psychologische technieken en vooral van moderne muziek naast film, drama, theater, pantomime. Ook moeten genezings- en bevrijdingsdiensten georganiseerd worden. Naar ‘de wil van christenmensen’ moet de verkondiging op behoeften van de mèns (antropocentrisch) georiënteerd, ‘klantvriendelijk’ en ‘laagdrempelig’ zijn … God voorschrijven hoe Hij geestelijke kinderen moet voortbrengen? Ook door suggestie of dwang kan niemand wedergeboren worden.

doch uit God geboren zijn”

“Gijlieden”, zei de Here Jezus tot Nicodémus, een ‘kind van Abraham’, “moet van Boven (wederom) geboren worden” (Joh. 3:7). De afstamming van Abraham was en is dus onvoldoende. Ook wat uit joods, protestants of rooms katholiek ‘vlees’ geboren is, is en blijft immer ‘vlees’!

“Uit God geboren worden” laat het voor de mens passieve, goddelijke aspect zien. In Joh. 1:12 zien wij de menselijke verantwoordelijkheid in de werkwoorden “Hem (de Here Jezus Christus) aannemen” en “in Hem geloven”, d.w.z. het vertrouwen alleen op Christus en Zijn werk stellen en in geloof het hele leven aan Hem uitleveren, opdat Hij voortaan de algehele regie heeft.

In Joh. 3:16 laat de Here Jezus Zelf beide aspecten zien: God heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven. God is altijd de Eerste, de Initiatiefnemer. Maar: “opdat ieder, die in Hem gelooft … eeuwig leven hebbe”. God heeft Zijn Zoon gegeven. Het menselijke antwoord op Gods Geschenk betekent “allen, die Hem (Christus)aangenomen hebben, heeft Hij (God) volmacht (Gr. exousia) gegeven om kinderen Gods te worden” (Joh. 1:12).

Het persoonlijke, bewuste en in geloof aannemen van de gekruisigde, opgestane, verheerlijkte en wederkomende Here Jezus Christus als Gods onverdiende geschenk is overeenkomstig Joh. 1:12-13 de voorwaarde om Gods kind te worden. Een bijbelse léér over Christus is weliswaar belangrijk. Maar het aannemen van een Christologie maakt iemand niet tot een kind van God. Het gaat om het in geloof aannemen van de Persoon van de Here Jezus Christus Zelf!

Ook de apostel Paulus verbindt de beide aspecten met elkaar: “Want door genade zijt gij behouden door geloof en dat (Gr. touto, onzijdig, slaat op behouden ziin, niet op geloof, Gr. pistis, vrouwelijk) is niet uit uzelf, (maar) het geschenk van God, opdat niemand roeme” (Ef. 2:8).

Oproep tot bekering – een bijbelse zaak?

De Bijbel spreekt niet alleen over Gods grote geschenk: de Persoon van Jezus Christus die wij in geloof moeten aannemen, maar ook over bekering. Het begrip bekering en de oproep daartoe is geen uitvinding van bepaalde christenen, maar van God Zelf. Jezus Christus begon Zijn openbare dienst met de oproep: “Bekeert u” (Mat. 4:17). Daarom riepen ook de apostelen op tot bekering. Op zich is de oproep tot bekering dus een volkomen bijbels legitime zaak.

Adam had zich bij zijn ongehoorzaamheid tegenover Gods Woord van God àfgekeerd. Later riep God Israël tot Zijn uitverkoren volk om Hem toe te behoren en Hem te dienen. Maar hoe vaak keerde het volk God de rug toe. Hoe vaak moest God daarom nota bene Zijn eigen volk – niet heidenen – oproepen zich om te keren, zich te bekeren ván hun eigen weg tót Hem!

Wij allen” dwalen als schapen en gaan van nature onze eigen weg, de brede weg die ten verderve leidt. Om op “de smalle weg” te komen die Jezus Christus is en ten leven leidt, moet ieder zich omkeren, d.i. zijn eigen weg verlaten, de rug toe keren, en de “smalle weg” betreden.

“De goddeloze verlate zijn (eigen) weg .. en hij bekere zich tot de Here (Jes. 55:6-7).

De apostel Petrus roept al in zijn allereerste prediking op tot bekering, en wel nota bene de vrome joden op het oorspronkelijk joodse pinksterfeest in Jeruzalem, centrum van religieus jodendom (Hand. 2:38; vgl. 3:19: 5:31). Waarom? Petrus herinnerde zich de opdracht van de Here Jezus aan Zijn discipelen vlak voor Zijn Hemelvaart dat zij alle volken bekering en vergeving van zonden in Zijn naam moeten verkondigen, te beginnen in Jeruzalem (Luk. 24:47).

Alle mensen overal”

Ook de apostel Paulus riep Joden en heidenen (Grieken) op om zich te bekeren (Hand. 14:15; 20:20-21). Waarom deed hij dat?

In de eerste plaats, omdat bekering Gods wil is met het oog op het laatste oordeel: “God dan verkondigt … heden alle mensen overal dat zij zich moeten bekeren, omdat Hij een dag bepaald heeft, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig oordeelt” en wel door Jezus Christus (Hand. 17: 30-31). De Redder is later de Rechter. Persoonlijke, bewuste bekering tot God in Jezus Christus is dus de enige mogelijkheid om aan het eindoordeel te ontkomen. Zo ernstig is de verkondiging van bekering in Gods oog!

Als God zegt “alle mensen overal”, dan bedoelt God ook alle mensen overal – zowel alle mensen buiten de kerk als binnen de kerk, dus ook theologen, predikanten, voorgangers, kerkeraadsleden, diakenen, jeugdleiders en kinderclubleidsters – ook in Nederland. Waarom eigenlijk doen we op dit essentiële punt niet wat God zegt, maar bidden wel in het Onze Vader: “Uw wil geschiede” ?

Bekering – waarvan?

In de tweede plaats is Paulus door de Here Jezus geroepen om bekering te verkondigen. Daarbij gaf de Here als het ware Zijn model van verkondiging en pastoraat in evangelistische zin met als doel dat iemand zich bekeert ván – tót, zich afkeert van en toekeert naar (Hand. 26:18-20).

De belangrijke en zeer verantwoordelijke taak van de apostel Paulus én van iedere gelovige is: de ogen te openen door Gods Woord. Ieder mens is immers geestelijk blind voor Gods heiligheid en gerechtigheid alsook voor zichzelf, zijn positie tegenover God (“in Adam”) en zijn innerlijke toestand (zondaar, niets goeds in hem, verloren, onder Gods toorn enz.). Daardoor kan iemand een boodschap van ‘God heeft je lief’ en ‘Jezus stierf voor je’ wel interessant en aardig vinden. Maar hij beseft niet waarom. Ze treft niet het geweten en leidt niet tot verbrokenheid voor God, niet tot berouw en daarom niet tot bijbelse bekering – met alle gevolgen van dien.

De ogen moeten geopend worden waarvan men zich in concreto in het eigen leven moet afkeren – ook van dwaalleringen, van wereldse, verslavende, perverse en occulte praktijken (bv. in de muziek, op internet, bij computerspelletjes, bij bepaalde methoden van diagnostiek, genezing en geneesmiddelenbereiding).

Bekering – tot wie?

Zich afkeren van bepaalde vormen van duisternis en zondenbelijdenis zijn natuurlijk goed. Maar op zich is het geen bijbelse bekering, als de persoonlijke, bewuste en totale overgave aan God in Jezus Christus, de Here ontbreekt. Een bijbelse bekering is het al evenmin, als men zegt, Jezus als Heiland te hebben aangenomen, maar men zich daarbij niet meteen radicaal van het oude leven met de oude levensstijl heeft áfgekeerd.

Bijbelse bekering moet altijd uit twee aspecten bestaan, namelijk: ván – tót en wel tegelijkertijd. Anders is men niet tot een werkelijke bekering gekomen, maar tot een pseudobekering en bedriegt men zichzelf. Als niet beide kanten van dezelfde medaille verkondigd wordt – ook in het jeugdwerk – wordt de medemens bedrogen.

Wij zagen reeds dat Joh. 1:12 spreekt over het aannemen van “Hem”, dat is de Here Jezus Christus Zelf. Eigenlijk lezen wij niet van een oproep om Jezus als Heiland aan te nemen. Reeds in Luc. 2:11 laat deze eerste evangelistische boodschap duidelijk zien dat de Heiland de Here is.
Daarom schrijft Paulus: ”Wij prediken Christus Jezus als Here” (2Kor. 4:5). Heiland en Here zijn niet van elkaar te scheiden: de Heiland wil de heerschappij hebben over alle facetten van het leven dat Hij redt en wel onmiddellijk bij de bijbelse bekering. Jezus Christus moet Heer zijn vanaf de bekering. Waar Jezus geen Heer is, daar kan Hij ook geen Heiland zijn en is er eigenlijk geen sprake van een bijbelse bekering – een gevaarlijke situatie. Het gaat ook in Joh. 1:12 om de gehele Christus in al Zijn ambten en niet om een selectie daarvan naar gelang het ons uitkomt.

Bekering – vergeving

Christus’ evangelistische opdracht aan Paulus hield dus in om de ogen te openen, opdat de mensen zich zouden bekeren, “opdat zij vergeving van zonden … zouden ontvangen”. Blijkbaar hangen bijbelse bekering en vergeving nauw samen zoals bekering ván – tót niet van elkaar te scheiden zijn. Of wij ons realiseren dat vergeving niet ‘los verkrijgbaar’ is, niet zonder voorafgaan – de bijbelse bekering ván het eigenmachtige oude ik – leven tót God in Jezus Christus?

Als wij denken en zeggen: ‘Hoofdzaak vergeving van zonden’ misleiden wij ons zelf en anderen. God heeft Zijn Zoon gegeven, opdat wij in Hem eeuwig leven ontvangen en niet verloren gaan. Hoofdzaak is dus Jezus Christus Zelf en niet één van de geestelijke zegeningen die God in Hem gegeven heeft (Ef. 1:3). “Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet (aangenomen) heeft, heeft het leven niet “ (1Joh. 5:11-12). Wie zich op bijbelse wijze bekeerd en dus de Here Jezus Christus aangenomen heeft, heeft alles in Hem, o.a. Gods vergeving, als wij onze zonden die ons bewust zijn, belijden (1Joh. 1:9).

Christenen – kinderen van Jezus?

De Bijbel spreekt uitsluitend van “kinderen van God” (o.a. 1Joh. 3:1-2) door de geestelijke geboorte uit God –niet door geboorte uit Jezus Christus. Nooit heeft de Here Jezus Zijn discipelen aangesproken met ‘Mijn kinderen’. Integendeel. Hij leerde hun in het “Onze Vader” tot God te bidden – niet tot Zichzelf.

Lezen of horen we van een ‘boodschap van Jezus’ die zegt: ‘Mijn zoon’, ‘mijn dochter’ of ‘mijn kinderen’, dan is het duidelijk dat daar, waar geen bedrog van mensen, “een andere Jezus”, een “valse christus” in het spel is.

In het kinderwerk moeten onze uitdrukkingen bijbels zijn en blijven. Daarom moeten wij niet vragen: “Wil je een kindje van de Here Jezus worden?” of zeggen: “Dank de Here Jezus dat je Zijn kind bent”. Dat zijn ze niet en kunen het ook niet worden.

Alle ongelovigen – kinderen van de duivel?

In de strijdgesprekken van de Here met Farizeeën en andere geestelijke leiders springen twee dingen in het oog: Zij hebben moordplannen, willen Hem grijpen en doden (Joh. 7:19,23,30, 32; 5:18) en ze liegen, zeggende: “Hij heeft een demon” (Joh. 8:48,52; 10:52; NBG onjuist: Hij is bezeten). Dáárin was déstijds dé moordenaar en leugenaar (Joh. 8:44), de duivel, van déze joods-geestelijke leiders de vader. Dat te generaliseren en op grond daarvan ‘bevrijdingspastoraat’ toe te passen, ‘opdat’ de ongelovigen zich kunnen bekeren, is volslagen onbijbels en niet ongevaarlijk. De Zoon van God werd Zoon des mensen, opdat mensen kinderen Gods kinderen kunnen worden!

Levenslessen uit het boek Spreuken: Geef leiding aan een jong mens. Algehele toewijding van het leven aan God.

B&O magazine, december 2001, door ds. E.J. van de Linde, Almelo


Opvoedingsdoel
Het is tegenwoordig ‘in’ om overal doelen voor te formuleren. Ook in de opvoeding kom je dat tegen. Vandaag is een belangrijk opvoedingsdoel: opvoeden tot weerbare, zelfstandige persoonlijkheden. Hoe belangrijk dit ook is, het bijbelse handboek voor opvoeding wijst als hoofddoel aan: ‘Opvoeden in de vreze des Heren’ (Spr. 1:7). Wat houdt dat in?

  • Ontzag bijbrengen voor de God die ons gewild en geschapen heeft (Ps. 139:13-16).
  • Leren ontdekken hoe groot het heelal van God is, hoe gevarieerd Zijn werken in flora en fauna zijn, hoe klein – minuscuul klein – Hij de moleculaire basics van het leven heeft geformuleerd.
  • Toestaan ontwapend te worden door Zijn gevende liefde. In de geschiedenis kreeg deze liefde concreet gestalte in de komst van Gods Zoon, Jezus Christus, en vandaag spreekt Hij mij persoonlijk toe vanuit de Bijbel.
  • Leren verbaasd te zijn wanneer mensen zich van God afkeren, want daardoor dreigt hun leven verloren te gaan.

Dat, in grove trekken, houdt dit begrip ‘opvoeden in de vreze des Heren’ in.


Opvoedingsweg
De grote vraag voor ouders is: Hoe zal ik dat bijbrengen? Spr. 22:6 zegt dan: “Oefen de knaap volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.” Hier belooft de Meesteropvoeder ons nogal wat. Een gegarandeerd goede opvoeding! Hoe moet dat? Hier wordt duidelijk dat je de jonge jaren goed moet gebruiken om de Here centraal te stellen. In de jeugd moeten de basics bijgebracht worden, goed voor de algemene ontwikkeling, maar vooral goed voor de geloofsopvoeding.

Daartoe klinkt de oproep: “Oefen de knaap”, of zoals de titel zegt: “geef leiding aan een jong mens.” Daarin moeten/mogen we als ouders, als gemeente, tijd investeren, zoals we als ouders hardop en als gemeente zwijgend beloofden bij de doop (of het opdragen) van het kind. Leer de kinderen de Bijbel te waarderen, leer hen hun noden en vreugden in het gebed bij God te brengen, leer hen hoe met God te rekenen en niet te spotten, geef je kinderen indrukken weer van je eigen beleving van Gods grote liefde, van je worstelingen en je uitzichten in het volgen van Jezus Christus.


De eis van zijn weg
Daarbij hebben wij hetzelfde probleem als onze kinderen: van nature denken we in een klein kringetje om onszelf alleen. Daarom is de kennis van de Bijbel zo verlossend. De Here klaagt: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis.” (Hosea 4:6). Een onderdeel van de zonde is een stuk onbuigzaamheid, je hardnekkig vasthouden aan je eigen eindje. Op tijd en met liefde mag het hart van een kind richting God en Gods weg gebogen worden.

Dat zit in het tweede deel van Spreuken 22:6, waar staat dat we leiding hebben te geven aan een jong mens “volgens de eis van zijn weg.” In ‘zijn weg’ zit het meeliften met de ontwikkeling van het kind. Met een klein kind ga je anders om, ook in de geloofsopvoeding, dan met een ouder kind. Bij het leiding geven aan het kind hebben we rekening te houden met zijn begrip en bevattings- en invoelingsvermogen. Je gaat een kind van 3 toch niet de tafel van 5 leren? Zo praat je met een kind van 5 ook nog niet over het waarom van het lijden. Een goede regel is: blijf in de pas met je kind. Het geeft met zijn vragen wel aan waar het zit.

Belangrijk is ook de houding waarmee we ‘oefenen’ of ‘opleiden’, zoals je het ook kunt vertalen. Wie met zijn kinderen zonder liefde omgaat en hen wettisch afscheept met wat geloofsslogans, zegt daarmee eigenlijk: ik heb geen tijd voor een echt gesprek over het geloof in God, of ik vind dat te moeilijk, te persoonlijk.
Waarom zou je je eigen moeiten niet delen met je kinderen ( als ze ouder worden)? Jongeren zijn gevoelig voor een teer en bewogen hart. Vragen van je kinderen kunnen je als opvoeder gigantisch aan het denken zetten. Daarom: leer samen teksten uit de Bijbel, zing met elkaar na de maaltijd en praat samen over geloofsvragen.


De roede?
En als een kind nu niet wil luisteren? Hem of haar de ruimte geven om zichzelf te zijn (en te blijven. We weten allen dat de Spreukendichter niet gecharmeerd is van een vrije opvoeding. Koppen uit de krant, zoals “Vrije opvoeding bevordert criminaliteit” zijn kort door de bocht, maar bevestigen deze lijn. Spreuken 13:24 zegt: “Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg.” Duidelijk staat hier het liefhebben van je kind centraal. . . Zelf zal ik nooit vergeten dat mijn vader – als we echt iets hadden uitgehaald – eerst met ons bad en dan een stevige tik uitdeelde. Dat was liefde, zie je achteraf. In de opvoeding hoeven we dus niet altijd leuk en aardig te zijn (soms uit schuldgevoel omdat we zo weinig tijd vrijmaken voor onze kinderen).

Doet God trouwens ook niet zo: “Wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here,” (Hebr. 12:6). Dat heeft alles te maken met ons onbuigzame hart. We willen soms niet zien dat we op een verkeerde weg zitten. Uit liefde neemt God dan wel harde maatregelen. Als opvoeders mogen we ons spiegelen aan deze goddelijke handelwijze. Om ons kind te behouden!
Dat is geen vrijbrief om onze kinderen murw te maken (‘te verbitteren’, Ef. 6:4). Wel om een streep te zetten onder het vijfde gebod, opdat ze de belofte die aan dit gebod verbonden is, met eigen ogen mogen beleven.

Laten we bij de opvoeding vooral niet vergeten: het is de toon van het huwelijk die de muziek van de opvoeding maakt. Als ouders geïrriteerd met elkaar omgaan, kun je niet verwachten dat kinderen spontaan en vriendelijk met elkaar spelen . . .


Discussievragen
Aan het artikel zijn de volgende discussievragen toegevoegd:

  1. Wanneer staat het opvoeden tot weerbare, zelfstandige persoonlijkheden op gespannen voet met het opvoeden in de vreze des Heren en wanneer grijpt het op elkaar in?
  2. Een constatering is: opvoeders – ook christelijke – zijn tegenwoordig onzeker. Is dat zo?
  3. Heeft de gemeente ook een echte opvoedingstaak of moeten we alleen maar aardig zijn voor de kinderen van de gemeente?
  4. Durven ouders in onze tijd hun opgroeiende kinderen nog wel leuke dingen te ontzeggen op basis van geloofsargumenten?
  5. Bespreek het punt van het niet zullen sparen van de roede.