Tot 1968 werd wereldwijd aangenomen, dat de mens dood is, als zijn hart en circulatiesysteem onherroepelijk stilstaat. Volgens deze definitie is een lichaam zonder hartslag, zonder reflexen, star, koud en laat het spoedig lijkvlekken zien.
Om nog transplanteerbare organen te verkrijgen heeft men in 1968 aan de Harvard universiteit in Boston (USA) een nieuwe definitie van de dood ingevoerd.
Al vele jaren mag ik de Heere Jezus Christus als arts en christen dienen. Dat doe ik onder andere in het missionaire werk: “Christen in dienst aan zieken”. De medische dienst is bijzonder geschikt om de harten van mensen te bereiken en hen ook bekend te maken met het evangelie van Jezus Christus. Geneeskunde en evangelie horen voor mij bij elkaar.
De bekende theoloog Martyn Lloyd-Jones studeerde geneeskunde en theologie. Toen het om de vraag ging of hij als arts of anderszins medisch zou gaan werken, besloot hij om in de verkondiging van het evangelie te dienen. Zijn argumentatie was: Als arts zou hij door de genezing de patiënten weer in hun zondige leven terugbrengen. Hij werd een theoloog van betekenis.
Zelf heb ik ook verscheidene jaren theologie gestudeerd. Voor mij was het antwoord op de vraag, arts of theoloog precies omgekeerd. Ik heb het beroep van arts gekozen en gemerkt, dat doordat ik medische hulp gaf de patiënten mij hun vertrouwen gaven. Daardoor kon ik gemakkelijker hun het evangelie van Jezus Christus verkondigen.
Dat maak ik in het bijzonder mee tijdens mijn medische inzet in Moldavië, Rusland, de Oekraïne en in Mongolië. Een voorbeeld hiervan:
In Oost-Europa komen ook hoge communistische functionarissen op mijn spreekuur in de veronderstelling dat “een Duitse arts een goede arts is en de geneeskunde in Duitsland kwalitatief hoog is.” Een communist vroeg mij na het medisch onderzoek eens angstig: “Dokter, moet ik sterven?” “Ja,” antwoordde ik, “u moet sterven. Maar er is een hoop, die boven de dood uitgaat. Wilt u daar iets over weten?“ “Ja,” antwoordde hij. Ik zei: „Deze hoop is voor mij Jezus Christus, Gods Zoon, die als mens en Redder naar de wereld kwam.” Ik getuigde daarna tot hem van de weg naar de hemel door Gods genade.
Voor mij horen de wetenschappelijke voortuitgang in de geneeskunde en het evangelie bij elkaar. De beroemde wetenschapper Louis Pasteur heeft veel ontdekkingen ook van bacteriën als ziekteveroorzakers gedaan. Hij geloofde in Jezus Christus. “Veel wetenschappelijke inzichten leiden naar God,” zei hij.
De ontwikkeling van de antibiotica heeft tot een succesvolle bestrijding van infectieziekten geleid. Een mijlpaal was de invoering van sulfonamide door prof. Gerhard Domagk in 1938. Door zijn onderzoekswerk moeten naar schattingen tot 100 miljoen mensen van een voortijdige dood bewaard zijn. Zijn zoon, professor Götz Domagk, was later in Göttingen mijn hoogleraar. Tot de medische vooruitgang horen ook nieuwe manieren van opereren, diagnostische methodes als röntgen, computertomografie, enz. Deze hebben alle aan de enorme medische ontwikkeling bijgedragen. Daardoor kon er sprake zijn van transplantaties.
Vandaag de dag is het mogelijk om bijna alle organen, behalve de hersenen, te transplanteren. Bij de autologe transplantatie wordt weefsel of celmateriaal van het ene lichaamsdeel naar een ander lichaamsdeel verplaatst. De donor is daarbij tegelijkertijd de ontvanger van het transplantaat. Een voorbeeld hiervan is de huidtransplantatie bv. bij verbrandingen.
Bij allogene transplantatie worden organen, weefsels of celmateriaal van een levende of hersendode donor op een ontvanger van hetzelfde type, dus van de ene mens op de andere overgebracht. In het vervolg is slechts van allogene transplantatie sprake.
De geschiedenis van de transplantatiegeneeskunde
In het begin van de 20e eeuw creëerde vooruitgang in de operatietechniek en in het bijzonder die van de vaatchirurgie de voorwaarden tot wetenschappelijk verantwoorde transplantaties.
De eerste geslaagde transplantatie van een nier werd in 1954 tussen een eeneiige tweeling in Boston (USA) verricht. In 1963 volgde de eerste geslaagde levertransplantatie en in hetzelfde jaar de eerste longtransplantatie. Twee jaar later, in 1965, volgende de eerste overdracht van een alvleesklier.
Wereldwijd kreeg de eerste harttransplantatie in december 1967, verricht door Christian Barnard in Kaapstad/Zuid- Afrika, grote aandacht. In 1989 slaagde de eerste multiorgaantransplantatie, dus de gelijktijdige transplantatie van meerdere organen. Problemen, die een transplantatie aanvankelijk bemoeilijkten, zoals ontbrekende conserveringsmogelijkheden van uitgenomen organen of immuun-afweerreacties van de ontvanger, konden door toenemende ervaring en ontwikkeling van immuunonderdrukkende (afstoting verhinderende) medicijnen gedeeltelijk overwonnen worden.
De stand van onderzoek
Vanuit medisch oogpunt kunnen, zoals al genoemd, intussen een veelvoud aan cellen, weefseldelen, organen of hele organische systemen getransplanteerd worden.
Op de website van de Nederlands Transplantatiestichting (NTS) staan alle getallen over transplantatie in Nederland genoemd. Zo werden er in 2016 tot en met oktober 562 organen getransplanteerd. Een transplantatie kan in principe alleen slagen, als het transplantaat door het organisme van de ontvanger niet afgestoten wordt. De transplantatie van lichaamsvreemde organen kan in het organisme van de ontvanger afweerreacties oproepen, die tot gevolg hebben, dat het orgaan zijn functie niet op zich kan nemen.
Onderscheid wordt gemaakt tussen de acute afstotingsreactie, die in de eerste dagen na de transplantie optreedt en min of meer duidelijk van aard is en de chronische afstotingsreactie, waarbij het orgaan het geleidelijk opgeeft.
Om de functiebekwaamheid van het getransplanteerde orgaan te kunnen onderhouden moet de lichaamseigen afweer, het immuunsysteem van de ontvanger dus, met behulp van immuunonderdrukkende medicamenten onderdrukt worden.
Deze medicijnen ter onderdrukking van het immunsysteem moeten levenslang voorgeschreven worden gegeven. Na de transplantatie is het belangrijk een dreigende afstoting onmiddellijk te onderkennen.
Van 1972 tot 1976 heb ik aan de universiteit van Hannover op dit gebied wetenschappelijk gewerkt. Professor Pichelmayr voerde daar met zijn medewerkers de transplantaties uit. Daar hoorde ook de eerste levertransplantatie in Duitsland bij.
Ik heb onderzoeken naar vroegtijdig onderkenning van afstotingsgevaar na niertransplantaties uitgevoerd. Daarbij ging het om de eiwituitscheiding in de urine na een niertransplantatie.
De normale urine van de mens bevat meestal minder dan 100 mg. eiwit totaal in een etmaal urine. Kwantitatief overweegt daarbij het albumin. Een sterke toename van de albuminuitscheiding in de urine van meer dan 1 g per etmaal is een aanduiding van acuut afstotingsgevaar.
In een dergelijk geval moet de dosis van het immuunonderdrukkende medicijn duidelijk verhoogd worden om het functioneren van het getransplanteerde orgaan in stand te houden. Verdere controles op eiwit kunnen aantonen of het afstotingsgevaar afneemt. Dat is het geval als de eiwituitscheiding normaal wordt. Andere klinische symptomen van een acuut afstotingsprobleem zijn: koorts, verminderde hoeveelheid urine die uitgescheiden wordt, hartkloppingen, ook wel tachycardie genoemd, en een toename van de witte bloedlichaampjes, de lymphocyten, in de urine. Zoals al genoemd moet de medicatie van immuunonderdrukking voortdurend, dus levenslang ingenomen worden. Daardoor wordt het gevaar van infecties aanzienlijk hoger. Het risico op kanker wordt 10x groter, dit als een soort bijwerking/gevolg van de immuun onderdrukkende medicatie.
Gebrek aan organen
Op dit moment bestaat een grote discrepantie tussen beschikbare donororganen aan de ene kant en patiënten die een transplantaat nodig hebben aan de andere kant.
Volgens gegevens van de NTS staan er jaarlijks rond de 1000 mensen op de wachtlijst voor orgaandonatie en rond de 150 mensen gaan dood, terwijl ze wachten. Terwijl je als donor wel 8 levens kunt redden: met je hart, je 2 nieren, longen, lever, alvleesklier en je dunne darm. Ieder jaar redden een paar honderd orgaandonoren zo de levens van ongeveer 1200 mensen.
Daarom werd in Duitsland in 2012 de zogenoemde ‚beslissingsoplossing’ ingevoerd. De bedoeling daarvan is, dat alle ziektekostenverzekerden ouder dan 16 jaar onder andere van hun ziektekostenverzekering de vraag krijgen of ze na hun dood hun organen willen doneren. Deze beslissing moet dan in een donorsysteem bewaard worden. Ondanks invoering hiervan is het aantal donoren elk jaar met 12,8 % gedaald en intussen zelfs met 18% (1e kwartaal 2013). Het is mogelijk dat de manipulatieschandalen tot een teruggang van de donorbereidheid hebben geleid. Om het aantal donoren toe te laten nemen werd in Groot-Brittannië voorgesteld om het Ministerie van Volksgezondheid de begrafeniskosten te laten overnemen.
Ook in Nederland is nu door de Tweede Kamer met een wetsvoorstel voor wijziging van het donor-systeem ingestemd. Deze wet is nog niet van kracht, de Eerste Kamer moet er ook nog over stemmen. Er zijn velen geweest die hun donorregistratie hebben teruggetrokken bij het voorstel van deze wet. Echter meestal hebben ze zich niet goed in de wet verdiept. Ten eerste is de wet nog niet door de 1ste kamer. Verder wordt elk persoon, voordat men in de nieuwe wet donor wordt, meerdere malen, gedurende een lange periode gevraagd zich te registreren, hetzij met ja, hetzij met nee.
Gaat het bij de donor om een overledene?
Het dilemma bij een orgaantransplantatie is, dat een potentiële donor ‚zo dood mogelijk’ en de organen voor de ontvanger‚ zo vers en levend’ mogelijk moeten zijn!
Dat brengt ons bij de vraag: Wat weten wij over het levenseinde van de mens?
Als arts heb ik veel mensen zien sterven en hen in de laatste etappe van hun leven begeleid en daarbij Gods Woord gelezen en gebeden. Ik was er nog steeds, wanneer de ziel en de geest het lichaam verlieten. Mijn taak als arts was dan om een lijkschouwing uit te voeren en bij het zien van de overledene bepaalde doodskenmerken schriftelijk vast te leggen. Ongeveer 2 tot 3 uur na de stilstand van het hart en het vaatstelsel worden lijkvlekken zichtbaar en lijkverstarring treedt op. Pas dan mag in de regel de begrafenisonderneming het lichaam ophalen. De organen die in verval raken zoals hart, nieren, lever enz. kunnen dan echter niet meer voor transplantatie gebruikt worden. Ook voor weefseldonatie geldt dat het lichaam binnen 3 uur na overlijden gekoeld moet worden.
Tot het jaar 1968 werd over de hele wereld erkend, dat de mens dood is, als hart en daarmee de vaatcirculatie onherroepelijk stilstaat. Om nog transplanteerbare organen te verkrijgen, heeft men in 1968 aan de Harvard universiteit in Boston (USA) een nieuwe definitie van de dood ingevoerd.
De „hersendood“
Een mens met een onomkeerbare coma, dus een bewusteloze die niet weer tot bewustzijn komt, wordt voor ‚hersendood’ verklaard en deze toestand wordt dan als dood van de hele mens gedefinieerd! Voor 1968 golden mensen met de bovengenoemde diagnose als levend. Hersendood is een heel letterlijk woord: de hersenen zijn dood. Het lichaam wordt kunstmatig beademd. Hierdoor blijven hart, longen, lever, pancreas, nieren en dunne darm geschikt voor transplantatie. Iemand die hersendood is kan geen pijn meer voelen en heeft geen bewustzijn meer. Om überhaupt te kunnen voelen, moet namelijk de hersenstam nog actief zijn. Dat is het centrale doorgeefluik van alle prikkels.
Onder hersendood wordt verstaan het volledig en onherstelbaar verlies van de functies van de hersenen bij patiënten die met ernstig hersenletsel op de intensive care zijn terechtgekomen. Door bijvoorbeeld een ernstig ongeval of een grote beroerte zijn alle hersenfuncties van de patiënt verwoest.
De hersenstam, grote hersenen en het verlengde merg zijn onherstelbaar beschadigd. Behandeling heeft geen zin meer, herstel is niet meer mogelijk. Dit wordt een ‘infauste prognose’ genoemd.
Iemand is pas hersendood als uitgebreid onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat hij niet meer reageert op prikkels en de hersenen ook geen elektrische activiteit of doorbloeding meer vertonen. Met andere woorden: de patiënt kan geen pijn meer voelen en heeft geen bewustzijn meer. Maar omdat hij nog wel aan de beademing ligt, blijft het hart kloppen en het bloed door de rest van het lichaam nog stromen.

De diagnostisering van hersendood
Volgens de Duitse wet op transplantatie (TPG) mogen organen die van levensbelang zijn slechts aan overledenen ontnomen worden. Ondanks de beschreven symptomen, die duidelijk tonen dat het bij donoren om stervenden en niet om doden gaat, geldt de zogenoemde hersen-dood als criterium voor een legale orgaanverwijdering. Hersendood wordt gedefinieerd als uitval van de grote hersenen, de kleine hersenen en de hersenstam. De hersenen bestaan uit de grote hersenen, de kleine hersenen en de hersenstam. Dit is nauw verbonden met het ruggenmerg en het autonome zenuwstelsel (verzorgt inwendige organen als spijsvertering, ademing en hart).
Hoe wordt de hersendood volgens de richtlijnen van de Duitse medical association van 1998 vastgesteld?
Aangetoond moet worden wat de oorzaak van de hersenschade is, bv. een beroerte. Daarbij moeten bepaalde vaststellingen, waarvan de symptomen op hersendood lijken, maar die kunnen verdwijnen, uitgesloten worden. Vastgesteld moet worden, dat er van een coma, dat is een diepe bewusteloosheid zonder dat er sprake is van beweging, reflexen en ademstilstand, sprake is. De hersenschade moet onomkeerbaar zijn.
Problemen
De diagnostiek die door de Duitse Medical Association is voorgeschreven omvat slechts deelgebieden van de hersenen, de functies van de hersenschors, de kleine en middenhersenen horen daar niet bij. Een coma is geen afdoend symptoom voor de diagnose van een beschadiging van de hersenschors. Het meten van hersenactiviteit door middel van een EEG is tot slechts 3 mm onder de oppervlakte mogelijk. Een zogenoemde nullijn wordt echter als criterium voor hersendood gebruikt.
De Nederlandse procedure volgens de NTS
De artsen doen het onderzoek in 3 stappen. Samen duren die meestal een paar uur. Alles is nauwkeurig vastgelegd in het hersendoodprotocol. Er zijn altijd meerdere artsen die de testen doen. Het gaat dan om:
- de reflexen onderzoeken
- de hersenactiviteit onderzoeken
- de ademhaling onderzoeken.
Standpunten van wetenschappers
- De medische universiteit Newark (USA) en andere klinieken: de klinische en apparatieve hersendooddiagnostiek leidt tot verschillende resultaten.
- De American Academy of Neurology (AAN) heeft in 2010 aangegeven dat aan de door haar zelf in 1995 voorgeschreven hersendiagnostiek een wetenschappelijke fundering ontbrak.: eine fehlende wissenschaftliche Fundierung bescheinigt: Er zou zowel geen voldoende wetenschappelijk bewijs zijn voor de juiste observatietijd om de on-omkeerbaarheid van hersendood vast te stellen, alsook geen betrouwbaarheid van de verschillende ademstilstandtests en de apparative processen. Verder onderzoek is nodig.
- Prof. dr. dr. Gerhard Roth, Universiteit Bremen, Instituut voor hersenonderzoek:
- De hersendood is niet volledig eenduidig te diagnostiseren. Noch ademstilstand, noch uitval van diepe hersenstamreflexen, noch het proces van neurofysiologische registratie, noch de doppleronografie (= (echo van de bloedvaten) bestrijken met volledige zekerheid alle hersenfuncties. In de vakwereld is dat sinds lange tijd bekend.
- De uitspraak ‚de dood van een mens is ingetreden, als zijn hersenfuncties onomkeerbaar uitgevallen zijn’ is fout. Een zogenoemde hersendood is niet de dood van de mens.
Wereldwijd zijn er 30 verschillende definities voor hersendood.
Samenvatting
- Bij een donor gaat het ondanks de nieuwe definitie van dood om een stervende, niet om een dode. De orgaanafname leidt tot de volledige dood, waarbij ook het hart niet meer klopt.
- Bij de donor kon tot jaren terug de hersendood niet duidelijk vastgesteld worden. De toestand van bewusteloosheid (coma) en de nullijn in de EEG zijn daarvoor niet voldoende.
- Hersendood mag niet gelijkgesteld worden aan de dood van de hele mens.
- Het immuunsysteem van de orgaanontvanger moet levenslang onderdrukt worden. Daardoor worden vatbaarheid voor infecties en het algemene risico op kanker aanzienlijk verhoogd. Van afstotingsproblemen bij de ontvanger is veelvuldig sprake.
Gevolgen van de praktijk van orgaantransplantatie:
Hart op bestelling
In maart 2013 verscheen in het weekblad ‚Die Zeit’ een bericht over orgaantransplantatie in China. Volgens dat bericht zijn er daar ongeveer 40 centra voor orgaantransplantatie. Onder de kop ‚Hart op bestelling’ werd bericht dat bij terdoodveroordeelden in de gevangenis organen worden verwijderd. Gevangenissen en klinieken werken daarbij nauw samen, waarbij men voor het moment waarop de doodstraf uitgevoerd wordt, rekent met de behoefte aan te transplanteren organen. Elk jaar wordt in China 4000 keer de doodstraf uitgevoerd. 60% van hen die een orgaan ontvangen, ontvangen die van iemand die geëxecuteerd wordt. In Europa wachten patiënten vaak maanden op een orgaan, in China slechts enkele dagen.
Al „afgeslacht“
Verscheidene jaren geleden maakte een familielid van een bekende van mij een vakantiereis naar Portugal: ze kwam om bij een verkeersongeluk. Toen de familie kwam om van de over-ledene afscheid te nemen, konden ze eerst niet terecht. Pas na veel aandringen lukte het hen om bij de dode te komen. Ze merkten toen, dat men organen getransplanteerd had.
Persoonlijk standpunt (Prof. Weise)
Het lichaam van de mens – ook dat van de stervende – behoort aan God en niet aan mij. Als christen wijs ik orgaandonatie af. Zij bespoedigt de dood voor het door God gegeven tijdstip. Ik beveel daarom aan om een niet-donorcertificaat bij je te dragen.
Orgaantransplantatie vanuit christelijk oogpunt
De medische transplantatie is gegrond op een mechanisch wereld- en mensbeeld. Het lichaam van de donor dient daarbij als onderdelenmagazijn. Mensen willen graag nog iets goeds doen als ze hun organen geven, zodat een ander nog verder leven kan.
Een patiënt die zichzelf christen noemde, zei me eens: ‚Dokter, in de hemel heb ik mijn organen niet meer nodig’.
Wat de consequenties zijn van deze verschillen in mensvisie voor onze opstelling tegenover orgaantransplantatie is niet zomaar te zeggen. We maken immers allen wel op ÈÈn of andere manier gebruik van diezelfde moderne geneeskunde en voor veel mogelijkheden ervan kunnen we met recht dankbaar zijn. Naar het ons voorkomt, noopt het achterliggende denken ons tot een houding van grote voorzichtigheid en zorgvuldigheid bij het omgaan met (de mogelijkheid van) orgaantransplantatie.
Iedereen zal in vrijwilligheid een keuze moeten kunnen maken omtrent het afstaan van orga-nen na overlijden.
Daarbij is het goed ons af te vragen of we, als we zelf in de situatie verkeren dat een transplantatie levensreddend zou kunnen zijn, die ingreep dan zouden willen of zelfs mogen weigeren? En als we in dat geval wel zouden willen ontvangen, is het dan egoïstisch niet te willen afstaan? Onze keus moet een beslissing in geloof zijn, te nemen in de weg van bestudering van Gods Woord en van gebed. Een ieder zij in zijn eigen geweten ten volle verzekerd.
Door God geschapen
Voor het concept van het christelijke mensbeeld, namelijk dat de mens door God naar zijn beeld is geschapen, is hier geen plaats. In Genesis 1 vers 27 staat al: “En God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hem, en Hij schiep hen als man en vrouw.”
Ook in Psalm 8 vers 6 staat: “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heer-lijkheid en luister gekroond.”
En in Psalm 139 vers 13 en 14 lezen we: “Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Ik loof U dat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben.”
En in 1 Thessalonicenzen 5 vers 23: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.”
De mens bestaat dus uit lichaam, ziel en geest. Als de mens sterft, gaat het lichaam in verderf over en ziel en geest ontsnappen uit het lichaam. Als christen geloven wij ook Gods Woord, dat er een opstanding van het lichaam voor alle mensen is. In 1 Korinthe 15 vers 42-44 staat:
Zo is het ook met de opstanding der doden. “Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.”
Ons sterfelijk lichaam zal tot een onsterfelijk lichaam, een geestelijk lichaam veranderd worden en met ziel en geest verenigd worden. De wedergeboren gelovigen zullen dan de eeuwigheid in de hemel met de Heere Jezus doorbrengen. Degenen die het genadeaanbod van de Heere ‚Doe boete’ afgewezen hebben en dat zijn de meeste mensen, zoals de Heere Jezus zegt, zullen de eeuwigheid in de hel doorbrengen, waar vuur is, dat met zwavel brandt, en waar wenen en tandengeknars zal zijn. Dit moet ons ook vermanen om boodschappers in Christus’ plaats te zijn en vanuit liefde tot de verlorenen te gaan met de boodschap: “Laat u met God verzoenen.”
Ik wil graag afsluiten met Kolossenzen 3 vers 12-17:
“Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!”
Bronnen
http://de.wikipedia.org/wiki/Hirntod
http://www.drze.de/im-blickpunkt/organtransplantation
Ottfried Windecker in „Heil oder Heilung“ – Betanien-Verlag, blz. 146 ev, uitgever Manfred Weise
https://www.transplantatiestichting.nl/medische-procedure/donatieprocedure/orgaandonatie/als-de-donor-hersendood
prof. dr. Manfred Weise
Prof. Weise is internist en was hoogleraar aan de universiteit in Giessen (Dld). Hij heeft deze lezing gehouden op de Maleachi-conferentie in Zavelstein (De)
Vertaling: Laura Vos
Bewerking: drs. C.J. Slotboom-Vreugdenhil
Bekijk het pesten eens anders (2)
Een warm nest thuis belangrijk voor ieder kind
Zoals we in het vorige artikel hebben gezien, is het voor kinderen van het grootste belang, dat ze thuis een warm nest hebben. Bij kinderen die dit voorrecht missen, die niet veilig gehecht zijn aan hun ouders, zien we vaak dat hun sociaal-emotionele ontwikkeling problematisch is. Bij de zogenaamd geremde types zie je, dat hun frustratie over de verstoorde band met hun ouders naar binnen slaat. Veel van deze kinderen krijgen psychische problemen. Bij de kinderen van het ontremde type zien we echter, dat de frustratie eerder naar buiten slaat. Deze kinderen gaan hun frustratie afreageren op anderen. Hun drijfveren zijn vooral jaloezie en frustratie. Gefrustreerd, omdat ze thuis een warm nest missen en jaloers, omdat ze het niet kunnen uitstaan dat een ander wel gelukkig is.
Er wordt wel eens gezegd dat onze tijd geen taboes kent. Toch kent onze tijd ook onderwerpen waar bijna niemand over wil praten en waar in de media nauwelijks of geen aandacht voor is. Eén van die onderwerpen is het feit dat 40% van de kinderen niet veilig aan de ouders gehecht is. Dat dit onderwerp een taboe is, is begrijpelijk. Als we onder ogen willen zien wat de oorzaken zijn, dat de band tussen veel ouders en hun kinderen ernstig is verstoord, zouden we onze samenleving compleet anders moeten inrichten. Veel van de zogenaamde verworvenheden of kroonjuwelen, waar met name partijen zoals D66 voor hebben gestreden, zouden moeten worden opgegeven. En die bereidheid is er nu juist niet. Laten we het taboe echter maar eens doorbreken en de vraag stellen waarom de band tussen zoveel ouders en hun kinderen is verstoord? Wat is veilige hechting eigenlijk? Welke factoren kunnen de hechting verstoren? En wat kunnen ouders doen om de band met hun kinderen te versterken? Veilige hechting zou je kunnen omschrijven als de intieme band die je met een ander opbouwt. Het is voor ieder mens van levensbelang om zo’n band te kennen. Zonder veilige hechting kan geen enkel kind zich goed ontwikkelen. Er gelden drie voorwaarden wil een kind zich veilig kunnen hechten:
Alle drie genoemde voorwaarden zijn van fundamenteel belang voor de opvoeding. Maar in onze samenleving wordt het ouders vaak wel heel moeilijk gemaakt om sensitief-responsief te zijn. Want sensitief-responsief vereist, dat tenminste één van beide ouders aanwezig is. Als beiden afwezig zijn, is het onmogelijk om goed aan te voelen wat je kind nodig heeft en om daar adequaat op te reageren. Ongetwijfeld zullen feministen dit niet graag willen horen. Zij zullen wellicht tegenwerpen dat hechting evolutionair bepaald is en tegenwoordig eigenlijk overbodig, omdat ouders hun kinderen niet meer hoeven te beschermen tegen de wilde beesten zoals vroeger. Op grond van de Bijbel weten we echter, dat hechting een scheppingsgave van God is. Mensen zijn door hun Schepper bedoeld om zich veilig te hechten aan God en aan anderen zoals hun (groot)ouders, broers en zussen. In die zin hebben we door de zondeval allemaal een hechtingsstoornis, omdat we zonder verzoening, vijanden van God zijn. De zonde maakt, dat we geneigd zijn om God en de naaste te haten. De Bijbel laat ons zien hoe mensen ontaarden als de band met hun Schepper en met elkaar wordt verstoord. Het is daarom geen wonder dat onthechting leidt tot enerzijds psychische problemen en anderzijds tot antisociaal gedrag. En als er één feit is dat niemand kan ontkennen, dan is dat wel dat onze samenleving in een fase van onthechting verkeerd.
U kent ongetwijfeld de uitdrukking, dat het gezin de hoeksteen van de samenleving is. Goede en stabiele gezinnen, waar ouders en kinderen veilig gehecht zijn aan God en elkaar, zijn het fundament van een samenleving. Sloop dat fundament en je krijgt vanzelf het dak op je hoofd. We leven in een tijd van onthechting. Het gezinsleven wordt steeds verder ondermijnd door de overheid en door andere maatschappelijke ontwikkelingen. Zo zien we bijvoorbeeld, dat in de Amersfoortse Vinex-wijk Vathorst circa 50% van de huwelijken uitdraait op een scheiding. De bewoners hebben er vaak voor veel geld een huis gekocht op een klein stukje grond. Veel echtparen moeten keihard werken om aan hun financiële verplichtingen te kunnen voldoen. En zo gaan veel kinderen niet alleen naar school, maar ook naar de voor- en naschoolse opvang. Dit soort ontwrichtende factoren van het gezinsleven dragen er mede aan bij, dat jaarlijks ongeveer 70.000 kinderen er getuige van zijn dat hun ouders gaan scheiden. Ongeveer 500.000 kinderen hebben (bijna) geen contact meer met hun vader. Welk kind heeft tegenwoordig nog het voorrecht dat hij kan opgroeien in een warm nest? Wat te denken van de circa 30.000 kinderen die jaarlijks in een kindertehuis of pleeggezin worden geplaatst? Wat denken we van de 70.000 kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik? Of de ongeveer 500.000 kinderen die getraumatiseerd zijn vanwege de ernstig verstoorde relatie met hun ouders? Voor een groot deel van de kinderen is geen onbezorgde jeugd weggelegd.
We moeten hier overigens opmerken dat er ook gezinnen zijn waar beide ouders werken en de kinderen toch veilig gehecht zijn. Omgekeerd is het waar dat er ook gezinnen zijn waar de moeder thuis is en de kinderen niet veilig gehecht zijn. Maar het feit dat veel ouders fulltime werken, is wel een factor die de band tussen ouders en kinderen verstoort. Helaas heeft onze overheid hier geen oog voor. Integendeel, want gezinnen met zogenaamde eenverdieners krijgen een straftax opgelegd en betalen daardoor fors meer belasting. Voor een gezin dat bijvoorbeeld € 50.000,00 verdient, betalen tweeverdieners circa € 5.000,00 minder belasting dan een gezin waar een eenverdiener dit verdient. De verwachting is zelfs dat dit verschil in de toekomst nog toeneemt. Het wordt door dergelijke maatregelen voor steeds meer vrouwen praktisch onmogelijk om zelf te kiezen of ze thuis willen blijven bij de kinderen. Het overheidsbeleid is erop gericht om vrouwen zoveel mogelijk te dwingen te participeren in het arbeidsproces. Dat de kinderen vaak kind van de rekening zijn, schijnt onze overheid niet belangrijk te vinden. De bedoeling is dat postmoderne vrouwen niet langer financieel afhankelijk zijn van hun man. Ze zijn dat nu echter veelal van hun baas!
Zoals eerder opgemerkt is ongeveer 40% van de kinderen niet veilig gehecht. Dat betekent dus, dat circa 60% wel veilig is gehecht en dat ze dus tenminste met één ouder of opvoeder wel een goede band hebben. Meestal is dit de primaire hechtingsfiguur, de moeder. De meeste kinderen zijn niet veilig gehecht aan hun vader en eigenlijk heeft ieder kind dat wel nodig. Zo kan een kind zich ook veilig hechten aan broertjes, zusjes, opa’s, oma’s, enz.. Aan hoe meer mensen een kind veilig gehecht is, des te beter. Uit onderzoek weten we, dat mensen die niet veilig gehecht zijn aan hun ouders vaker trouwen met iemand die ook niet veilig gehecht is. Het hoeft geen betoog dat de kans op echtscheiding significant hoger is, als geen van beide echtgenoten weet hoe je je veilig kunt hechten aan de andere echtgenoot. Wie als kind veilig gehecht is, zal zich ook eerder hechten aan zijn echtgenoot. Daarom is het belangrijk dat we onze kinderen bij het opgroeien leren, dat ze voor hun toekomstige echtgenoot naar iemand uit een goed nest zoeken. Verder weten we uit onderzoek, dat kinderen die niet veilig gehecht zijn aan hun ouders, later meestal ook kinderen krijgen die niet veilig gehecht zijn. Gedragswetenschappers noemen dit intergenerationele overdracht. Bewust of onbewust dragen we veel van onze eigen opvoeding over op onze kinderen. Er zijn echter ook ouders die boos zijn over hun eigen opvoeding en die zich voornemen om het totaal anders te doen. Dat zie je bijvoorbeeld bij mensen die vroeger heel streng zijn opgevoed en die praktisch geen liefde hebben ervaren. Uit reactie nemen ze zich voor om hun kind veel vrijheid te geven en ze stellen nauwelijks grenzen. In het licht van het voorgaande kunnen we begrijpen wat hier misgaat: ze krijgen daardoor meestal ook kinderen die zich niet veilig kunnen hechten.
Het zou goed zijn als we onszelf eens afvragen of we als kind zijn opgegroeid in een warm nest. Hebben we als kind de kans gekregen om ons veilig te hechten aan onze ouders? Stel dat dit niet zo is, dan is de kans groot dat onze kinderen zich ook niet veilig aan ons kunnen hechten. Om precies te zijn is die kans volgens onderzoek 82%. Volgens onderzoekers is deze intergenerationele overdracht sterk tot in het derde en vierde geslacht. Maar volgens gedragswetenschappers kunnen mensen zelfs tot in de late volwassenheid leren om zich alsnog veilig te hechten aan bijvoorbeeld hun echtgenoot en hun kinderen. De negatieve intergenerationele overdracht kan dus zeker worden doorbroken!
Zeger Wijnands
Bekijk het pesten eens anders (1)
Een veilige plek op school en een warm nest thuis belangrijk voor ieder kind
Introductie
Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen is het van het grootste belang dat ze zowel thuis als op school een veilige plek hebben. Helaas toont onderzoek aan dat dit voorrecht voor steeds minder kinderen vanzelfsprekend is. Zo is ruim 40% van de kinderen niet veilig gehecht aan de ouders. Daarnaast zijn steeds meer leerlingen slachtoffer van pesten.
Notoire pesters
Het is inmiddels 4 jaar geleden dat ik een boek mocht publiceren met de titel ‘Als je wordt buitengesloten. Hoe ouders en leraren een einde kunnen maken aan pesten op school’. Dit boek is vooral het resultaat van een omvangrijke literatuurstudie. Tijdens die studie viel het mij op dat er een aantoonbaar verband is tussen de ontwrichting van steeds meer gezinnen, en de enorme toename van
pestgedrag op scholen. Het trof me dat de Zweedse onderzoeker prof. Dan Olweus al ruim 3 decennia geleden signaleerde dat notoire pesters meestal niet zo’n goede band hebben met hun ouders, terwijl hun slachtoffers dat vaak juist wel hebben. Bovendien blijkt uit onderzoek dat de meeste notoire pesters al op relatief jeugdige leeftijd een strafblad hebben.
In de Ottho Gerhard (OG) Heldringstichting heeft men onderzoek gedaan naar het verband tussen antisociaal gedrag en het ontbreken van veilige hechting. Zoals u waarschijnlijk weet, is de OG-Heldringstichting een gesloten inrichting voor jongeren met ernstige gedragsproblemen. Uit dat onderzoek bleek dat 93% van de jongeren die daar vastzitten niet veilig gehecht is aan hun ouders. De resterende 7%, die dus wel veilig gehecht is, laat zien dat veilige hechting niet altijd een garantie is dat die jongeren wel op het rechte pad blijven, maar de kans dat ze ontsporen is statistisch gezien veel kleiner. Stel je voor dat iedereen veilig gehecht zou zijn aan z’n ouders, dan kunnen we 90% van de gevangenissen sluiten.
Frustratie en jaloezie
Nu is het overigens zeker niet zo, dat alle kinderen die niet veilig gehecht zijn aan hun ouders, criminelen worden. Het zijn met name degenen van het zogenaamde ontremde type, die hun frustratie gaan afreageren op anderen. Frustratie en jaloezie zijn dan ook twee belangrijke oorzaken van hun pestgedrag. Gefrustreerd vanwege de verstoorde band met hun ouders en ook jaloers vaak vanwege het levensgeluk van een ander. Anderzijds zijn er echter ook kinderen van het geremde type. Bij hen zien we dat de frustratie over de verstoorde band met hun ouders meestal eerder naar binnen slaat. Veel van deze kinderen ontwikkelen bij het ouder worden psychische problemen. Circa 90% van de psychiaters zouden overbodig worden, als alle kinderen veilig gehecht zijn aan hun ouders.
Intergenarationele overdracht
Uit onderzoek blijkt verder dat mensen die geen goede band hebben met hun ouders, later meestal ook kinderen krijgen die niet veilig gehecht zijn. Gedragswetenschappers noemen dit intergenerationele overdracht. Het zou goed zijn dat we ons eens afvragen of we als kind veilig gehecht waren aan onze ouders, of we zijn opgegroeid in een warm nest. Dat is belangrijk, want het onder ogen durven zien dat je als kind niet veilig gehecht was, is de eerste stap in het doorbreken van deze negatieve intergenerationele overdracht.
Onthechting
Tal van maatschappelijke ontwikkelingen leiden er toe dat het gezinsleven steeds verder wordt ondermijnd. Het gezin is de hoeksteen (= fundament) van de samenleving. Sloop dat fundament en je krijgt vanzelf een keer het dak op je hoofd. Onze postmoderne samenleving kenmerkt zich door onthechting. De gevolgen laten zich raden. In dit en volgende artikelen willen we hier nader op ingaan. Wat kunnen ouders er aan doen dat hun gezin een warm nest is, waarin kinderen zich goed kunnen ontwikkelen? Het is voor de ontwikkeling van kinderen van het grootste belang dat ze veilig gehecht zijn aan hun ouders. Zo is het trouwens ook van groot belang dat ze op school een veilige plek hebben. Er zijn in ons land vele duizenden mensen die ernstig psychisch beschadigd zijn, omdat ze op school jarenlang werden gepest. Pesten is de afgelopen decennia een groot probleem geworden. Een onderzoek van ruim 20 jaar geleden bracht al aan het licht dat circa 380.000 leerlingen er het slachtoffer van waren. En in de jaren daarna is het alleen maar omvangrijker en vooral agressiever geworden, ook door de invloed van internet. Toch worden de gevolgen van pesten helaas nog vaak onderschat.
Gevolgen van pesten
Wat doet pesten eigenlijk met je? De eerste gevolgen van pesten zijn angst en stress, want als je wordt buitengesloten, kan het bijvoorbeeld zomaar gebeuren dat je na schooltijd wordt opgewacht. Het kan ook zijn dat ze je een hele tijd met rust laten. Maar altijd is er die onzekerheid dat je niet weet wat je te wachten staat. Voor zo’n leerling is meestal wel één ding zeker: Als ze je weer opnieuw aanvallen, is er niemand die je kan
of wil helpen. Wat het nog erger maakt, zijn de tegenstrijdige adviezen die volwassenen geven. ‘Je moet ze negeren’, zegt de één, ‘dan stopt het vanzelf.’ ‘Nee’, zegt de ander, ‘je moet zeggen “Stop, hou op!”’. En weer een ander zegt: ‘Je moet maar eens terugslaan.’ Dit soort adviezen leiden echter zelden tot de oplossing en maken het meestal alleen maar erger. Als angst en stress te lang duren, leidt dat tot psychische schade. Veel leerlingen worden er depressief door, gaan lijden aan een beschadigd zelfbeeld en krijgen psychosomatische klachten zoals hoofdpijn, buikpijn, vaak verkouden, huiduitslag, enzovoorts. Veel gepeste leerlingen hebben bovendien zelfmoordgedachten. We zien bij deze leerlingen vaak dat de cijfers op school geleidelijk of abrupt verslechteren.Wat gebeurt er met een leerling die voortdurend met angst en stress naar school gaat en die daardoor psychisch beschadigd is geraakt? Die zal zich steeds vreemder in de klas gaan gedragen. Dit sociaal onhandig gedrag van slachtoffers is meestal een gevolg van pesten. De zogenaamde passieve slachtoffers trekken zich terug uit het sociale leven van de klas, en houden zich het liefst zoveel mogelijk afzijdig, in de hoop dat ze dan met rust worden gelaten. Bij de provocerende slachtoffers zien we om dezelfde reden dat ze terugslaan of terugschelden. Meestal werkt ook dit averechts. Leerlingen die langdurig zijn gepest, kunnen gekke dingen gaan doen, en dat komt doorgaans niet omdat ze gek zijn, maar omdat ze beschadigd zijn. De gepeste leerling krijgt vervolgens steeds meer te maken met onbegrip van klasgenoten, maar helaas meestal ook van leraren. Want deze leerkrachten merken doorgaans weinig of niets van het pesten, omdat dit in het geniep gebeurt. Maar ze zien wel die ene leerling die steeds meer moeite heeft om zich te handhaven in de groep. Als het pesten dan uiteindelijk – soms pas na een lange tijd aan het licht komt, denken leraren vaak dat het slachtoffer dit zelf heeft uitgelokt. Zo raakt een slachtoffer gevangen in een vicieuze cirkel, waar je op eigen kracht niet meer uitkomt. Dit wordt ook een neerwaartse spiraal, want de pesterijen leiden tot steeds meer psychische schade, de leerling zal daardoor steeds meer vervreemden van de rest, het onbegrip neemt toe, de pesterijen worden nog agressiever, enzovoorts.
Schadelijk
Pesten is echter niet alleen voor het slachtoffer schadelijk. Het is juist voor kinderen die pesten, omdat ze thuis een warm nest missen, van het grootste belang dat ze op school leren dat je ook op een andere manier met elkaar kunt omgaan. Anders dan ze thuis gewend zijn. Juist voor deze kinderen is het belangrijk dat de school een veilige plek is. Daarnaast zijn er nog de kinderen uit de ‘zwijgende’ middengroep. Zij zien dat een ander kind wordt gepest, maar ze houden hun mond, vaak uit angst dat ze zelf een volgend slachtoffer worden. Ook zij zijn in feite slachtoffer van de onveilige sfeer op school.
Geneigd tot alle kwaad
De omstandigheden thuis en op school hebben een enorme invloed op de ontwikkeling van kinderen. Humanisten zullen dit van harte beamen. Volgens de humanistische mensvisie is de mens van nature geneigd het goede te doen. Het zijn volgens hen louter de omstandigheden die er voor zorgen dat we het verkeerde doen. Daarmee zien zij echter een belangrijk feit over het hoofd. We zagen hierboven al dat 7% van de jongeren die vastzitten in de OG Heldringstichting, wel veilig gehecht is aan de ouders. De omstandigheden verklaren dus niet alles! De Bijbel doet dat wel. Zo weten we uit Gods Woord dat mensen sinds de zondeval geneigd zijn om God en de naaste te haten. Ook onze frustratie en jaloezie zijn er het directe gevolg van. En die frustratie en jaloezie zijn weer belangrijke oorzaken zijn van pesten. Ieder mens – en ook ieder kind – heeft wel iets van die frustratie en jaloezie in zijn hart. De wortel van het kwaad zit dus in ons hart, en negatieve omstandigheden zijn als Pokon, die dat kwaad enorm kan laten groeien. Ook dat weten we uit de Bijbel. Zo is de Bijbel ook het enige middel dat het kwaad bij de bron kan aanpakken. Zoals de Heere Jezus aan Nicodemus duidelijk maakte: zonder wedergeboorte kunnen wij het Koninkrijk van God niet ingaan.
De humanistische visie
Humanisten hebben een andere visie op de diepste oorzaak van het kwaad. Daarom zullen zij ook voor een andere aanpak van het pestprobleem kiezen. Zo gebruiken veel (christelijke) scholen de Kanjertraining. Volgens Gerard Weide, de bedenker van deze training, willen kinderen eigenlijk helemaal niet pesten, maar willen zij juist het goede doen. Het gaat volgens hem echter fout, omdat kinderen niet geleerd hebben het goede te doen, maar juist verkeerd gedrag hebben aangeleerd. Met de Kanjertraining wil men hen verkeerd gedrag afleren en goed gedrag aanleren. Helaas ziet men
zie webshop bijbelenonderwijs.nl
zo voorbij aan de diepste oorzaak van pesten en maakt de Kanjertraining het probleem veelal eerder erger, dan dat het een oplossing biedt. Dat veel christelijke scholen kiezen voor de Kanjertraining, laat zien hoever zij vervreemd zijn van het Bijbels denken. We vinden deze training ook op steeds meer reformatorische scholen. Wat is er toch aan de hand binnen de kerken dat dit soort methoden zo vanzelfsprekend wordt geaccepteerd? Op die vraag willen we in één van de volgende artikelen terugkomen.
Tot slot
Er is een aantoonbaar verband tussen de toename van pesten op scholen en het feit dat onze samenleving in een fase van onthechting verkeerd. In mijn boek gaat het daarom ook over relatie tussen pesten en veilige hechting. Meer dan een kwart van het boek gaat over veilige hechting. Wat is veilige hechting eigenlijk? Wat kan de hechting van ouders en kinderen verstoren? En hoe kunnen ouders de band met hun kind versterken? Ook op deze en andere vragen willen we later in enkele artikelen nader ingaan. Uiteraard Deo volente: Zo de Heere wil en wij leven!
Zeger Wijnands
Digitale media verwoesten kinderhersenen en maken de mens onmondig.
Prof. dr. Gertraud Fischer Teuchert-Noodt leidde de afdeling neuronanatomie/biologie van het menselijk lichaam aan de universiteit van Bielefeld (Duitsland). Tot haar bijzondere onderzoeksgebieden behoorden neurale netwerken en de ontwikkeling van de psycho-cognitieve hersenfuncties.
In de jongste uitgave 3/17 van het tijdschrift: Umwelt, Medizin, Gesellschaft doet de hersenonderzoekster in een interview verslag van de gevaren van digitale media vooral met betrekking tot kinderen en jongeren. De conclusie van de opmerkingen van de onder-zoekster is shockerend: Kinderen en jongeren zouden digitale media bij voorkeur helemaal niet moeten benutten, want dit heeft desastreuze gevolgen voor de training van de jonge hersenen.
Digitale media (bv. de smartphone) zorgen er bij kinderen voor dat er voortijdige rijping van de zenuwnetwerken in de hersenen plaatsvindt. Deze voortijdige rijping vermindert het geestelijk vermogen en maakt bovendien verslaafd.
Teuchert-Noodt: “Het zou het verstandigst zijn, dat ouders hun kinderen ertoe brengen om van alle elektronica af te zien en dat digitale media volledig uit kinderdagverblijven en basisscholen verdwijnen.”
Een belangrijke reden is, dat digitale media het zogenoemde limbische systeem in de hersenen van het kind beïnvloeden. Het limbische systeem is een functionele eenheid van de hersenen, die emoties verwerkt. Door deze beïnvloeding wordt een circuit geactiveerd dat op zijn beurt met betrekking tot verslaving van cruciaal belang is. Jonge mensen hebben echter nog niet de mogelijkheid om verslavingsgedrag onder controle te houden. Alleen door het voorste deel van de hersenen, de frontale kwab, kan een bepaalde controle uitgeoefend worden. Vanuit de voorste hersenen komen het bewuste denken, plannen, alsook het omzetten in handelen voort. Bepaalde vaardigheden in de frontale kwab komen niet door genetische aanleg, maar moeten langzaam getraind worden. De hersenonderzoekster: “Ieder mens moet zijn voorste hersenen, dus ruimte en tijdbetrokken vaardigheden, kunnen ontwikkelen en versterken. Dat betreft de ontwikkeling en ver-sterking van nieuwsgierigheid, moed, wil, sociaal gedrag, daadkracht en vermogen tot anticiperen (anticipatie= vooruitlopen op iets wat pas later komt), wat een belangrijke voorwaarde is om de volgende dag door te komen. Een digitale opleiding van kinderen verhindert automatisch de rijping van deze noodzakelijke kwaliteiten…….. Psychisch uit balans raken in de ontwikkeling, angsten, agressiviteit en veel andere tekorten zullen versterkt worden en daar kunnen ervaren psychiaters al lang verslag van doen. Wij bevinden ons al midden in de digitale leefervaring. Zonder het voortdurende aarden van ruimte en tijd van de voorste hersenen zal ook de volwassen mediafreak de regie over zijn leven uit handen geven. Hij kan niet anders dan in een aangeleerde hulpeloosheid omlaag storten.”
Wanneer je de onderzoeksresultaten van Teuchert-Noodt en de daaruit naar voren komende beoordelingen volgt, dan kun je tot de volgende samenvatting komen: Mensen, die met digitale media opgroeien en die als volwassene constant gebruiken, zorgen ervoor dat ze niet meer onafhankelijk kunnen denken en handelen, ze verliezen de overhand over hun eigen doen en laten. Als men dit gevaar uit de weg wil gaan, is er maar één mogelijkheid die echt werkt: “Verstandig omgaan met digitale media vereist van de volwassene de eigenlijk vanzelfsprekende intelligentie om een bewuste, zelfbeheerste omgang met in het algemeen zo min mogelijk mediagebruik privé en een volledig afzien van media in wettelijk beschermde (zonder digitale me-dia) vakanties te beoefenen.”
Bron: Topic, 11/2017
Hoe beschermen we onze kinderen? Christelijke gezinnen en de digitale media
In de wereld, maar niet van de wereld
Dat is de uitdaging waar wij als christen mee te maken hebben. De wereld waarin we leven is een mediasamenleving. Dus kunnen wij er niet aan ontkomen een standpunt in te nemen in de omgang met de moderne media. Als we het niet doen, dan worden we eenvoudig meegesleurd en bevinden wij (of onze kinderen) ons eens ergens waar we nooit hadden willen zijn. Als christenen moeten we niet eenvoudig met de stroom meegaan en al helemaal niet onze kinderen onbeschermd aan deze stroom overlaten. En als we al in het midden van deze stroom zitten? Dan moeten we het er niet bij laten, maar we moeten schuld belijden, dus bekeren en ons gebruik van de media, vooral ook het gebruik door onze kinderen daarvan, van de grond af aan opnieuw regelen. Dat is juist de bijzondere kans die we hebben als christenen: wij mogen met Gods hulp altijd fouten en tekortkomingen belijden en weer opnieuw beginnen, ook als de kennissen- of vriendenkring van onze kinderen misschien met onbegrip of zelfs afwijzend reageren.
Maar ons standpunt moet handen en voeten hebben. Christenen zijn mondige onderzoekers. Zij zijn niet “altijd dwarsliggers” die al het moderne veroordelen. Ze zijn ook geen meelopers, die zich door de schijnbaar onbegrensde mogelijkheden van internet, smartphone & co laten verblinden.
Het nevenstaande boekje dat ik geschreven heb, wijst eerst op een aantal standpunten die weliswaar wijd verbreid zijn (ook onder christenen), maar die gezinnen op den duur niet helpen, omdat ze evenmin een Bijbels fundament hebben. Wat is het standpunt van veel mensen ten opzichte van de digitale media?
Enthousiast?
In feite is de wereld binnen enkele jaren drastisch veranderd door de digitale technologie en de wereldwijde netwerken. We hebben toegang tot informatie- en communicatiebronnen die wat betreft kwantiteit, variëteit, snelheid en bereik alles overtreffen van wat eerder beschikbaar was. Zijn we echter ethisch gezien daarmee verder dan de Atheners in Handelingen, die “hun tijd aan niets anders besteedden dan om wat nieuws te zeggen en te horen” (Hand 17:21)? Wat dragen de digitale media bij aan onze geestelijke groei? Helpen ze ons bij het nakomen van Gods doelen voor ons leven? Leren we meer wijsheid, bezonnen nadenken, actieve naastenliefde, nederigheid, puurheid of geduld? Of worden we eerder gehinderd in deze deugden? Dan is enthousiasme ongepast.
Afwijzend?
Nee, natuurlijk willen we niet blind zijn voor de dingen die echt beter zijn geworden met behulp van moderne technologieën. Om een paar sleutelwoorden te noemen:
En zelfs het actieve gebruik van de moderne media biedt ons als christenen nieuwe mogelijkheden. Via internet en moderne communicatiekanalen kunnen wij bijvoorbeeld het evangelie zenden naar landen die geen evangelieverkondiging en Bijbelverspreiding toestaan.
Pragmatisch?
Dat lijkt op het eerste gezicht de gouden middenweg te zijn. Media zijn slechts transportmiddelen. Het is blijkbaar alleen belangrijk wat men daar mee transporteert en wat men daardoor afneemt. Het komt dus op de inhoud aan. Van de media kunnen we altijd en overal gebruik maken om het ons makkelijker te maken. Deze schijnbaar “verstandige” benadering is echter een misvatting, want de media doen wat met ons, met onze hersenen en met onze persoonlijkheid en dat zelfs onafhankelijk van welke inhoud ze transporteren. Gemiddeld grijpt iedere Duitser meer dan 100 keer per dag zijn smartphone, onderbreekt daarvoor zijn werk en gedachten. Werkpauzes die vroeger voor nadenken of stille gebeden gebruikt werden, gaan steeds meer verloren, om in plaats daarvan de nieuwste WhatsApp nieuwtjes of dergelijke meldingen te gebruiken. Wereldse hersenonderzoekers, zoals prof. Manfred Spitzer, slaan al jaren alarm, maar veel christenen wiegen zich met hun pragmatische aanpak in bedrieglijke zekerheid.
Gelaten?
Veel ouders hebben wel een onprettig gevoel over wat hun kinderen allemaal met pc en smartphone doen, maar de druk van buiten is zo sterk dat men gelooft: “Het is wel erg, maar toch niet meer te veranderen. De pc wordt in-tussen voor school en beroep gebruikt, en zonder WhatsApp is men als buitenstaander van zijn vriendenkring, misschien zelfs van de jeugd van de gemeente geïsoleerd.” Nee, een houding van berusting en gelatenheid is een fatale fout! Op veel alledaagse terreinen is het belangrijk om onze kinderen en adolescenten te beschermen tegen gevaren (wegverkeer, waarschuwingen voor slecht weer of infectieziekten). Zouden wij ze dan zonder bescherming achterlaten in de jungle van digitale werelden? In plaats van een wig tussen generaties toe te laten (de jongeren leven in de mediawereld en de ouderen hebben er geen idee van wat ze daar doen), zouden we het mediathema moe-ten zien als een kans voor open gezinssamenhorigheid. Is het geen goed oefenveld om te leren hoe je Bijbelse principes kunt toepassen op actuele situaties in het leven?
Wettisch?
Zijn een paar regels de oplossing van het probleem? Typische voorbeelden: “Maximaal één uur internet per dag” of “Pas op zestienjarige leeftijd je eerste eigen smartphone.” Dat kunnen in individuele gevallen verstandige aanbevelingen zijn, maar zeker niet in het algemeen. Ze kunnen niet afgeleid worden van Bijbelse principes noch effectieve bescherming bieden! Zelfs in een uur kun je veel schadelijke dingen zien en zelfs met zestien jaar (dikwijls juist dan!) kan men nog erg kwetsbaar zijn voor negatieve invloeden. Waar ouders en leiders naar moeten streven, is dat kinderen zowel onderscheidingsvermogen als een geestelijke overtuiging hebben (zoals de jonge Daniël, die nam zich in zijn hart voor om zich niet te verontreinigen, zie Daniël 1: 8). We bereiken deze houding niet door wetticisme.
Vrijblijvendheid?
Omgekeerd betekent dit niet, dat je helemaal geen regels zou moeten geven. Veel opvoeders zijn van mening dat het voldoende is om jongeren voor te lichten over de gevaren van de media en het dan aan hun eigen verantwoordelijkheid over te laten. Als christenen weten we, dat de mens niet alleen rationeel handelt en daarom is voorlichting alleen niet een oplossing voor het probleem.
Veel raadgevers en voorlichtingsinstanties beperken zich tot waarschuwen tegen de “rode gebieden” van internet, dat wil zeggen, tegen schadelijke in-houd, tegen aanvallen van hackers, verslaving, oplichting en spionage van onze gegevens. Het zijn terechte waarschuwingen en het is goed om de gevaren te kennen en ertegen te waken, bijvoorbeeld door bescherming en filterprogramma’s.
Maar onze aandacht moet niet alleen gericht zijn op deze onmiddellijke gevaren, maar ook op de overvloed aan banaliteiten die worden geconsumeerd en uitgewisseld via de media. Denk aan de daaraan verspilde levenstijd en onderschat niet de impact op onze persoonlijkheid, vooral op kinderen. Hersenonderzoekers hebben vastgesteld: kinderen worden bij mediagebruik meestal onbeschermd overgeleverd. Ze wijzen op: ongewenste prikkels, emotioneel opwindende beelden en dubieuze aanbiedingen. Dit heeft een wezenlijke invloed op de ontwikkeling van het menselijk brein. Hersenontwikkeling is gerelateerd aan gedrag, denken, voelen en geheugen. Als kinderen en tieners dagelijks urenlang voor hun schermen doorbrengen, verandert hun perceptie, hun gevoel voor ruimte en tijd, hun emotionele wereld en het vermogen om hun weg te vinden in het echte leven.
De cruciale vraag waar het van afhangt, wat de media met ons en onze kin-deren doen, is niet hoeveel minuten per dag we met ze omgaan (dat hangt van veel factoren af, zoals ons beroep of de vereisten van de betreffende school). Nee, de cruciale vraag is welke innerlijke houding we tegenover de media hebben. Wat zijn ze voor ons of voor onze kinderen? Voor veel jonge mensen van tegenwoordig zijn hun personal computers en vooral hun mobiele apparaten statussymbolen, prestigeobjecten en de populaire gaming- en communicatieapparatuur. Juist deze houding moet worden aangepakt! Wat we nodig hebben om veilig te blijven voor het verkeerde denken van deze wereld is een kritische afstand. Computers en mobieltjes zijn niets anders dan werkgereedschappen of alledaagse voorwerpen. Als we dat geloof-waardig kunnen overbrengen (en dat kan alleen als we het als volwassenen voorleven!), dan lukt het om als een christelijk gezin een goede weg te vinden door de mediajungle.
De meest effectieve bescherming, vooral binnen een christelijk gezin, is daar-om het principe dat pc en mobieltje (indien mogelijk geen smartphone!) geen privé- apparaten, maar gezinsapparaten zullen zijn en dat het gebruik zo mogelijk onder de ogen van andere gezinsleden zal plaatsvinden. Een groot gevaar van smartphones en sociale netwerken is namelijk het feit dat onze tieners een groot deel van hun tijd in een parallelle wereld doorbrengen. Het is een wereld waar volwassenen geen toegang tot hebben: een wereld waarin niet alleen een heel eigen taal wordt gesproken, maar waar eigen regels en waarden van toepassing zijn. Deze waarden worden meestal niet beoordeeld aan de hand van Bijbelse maatstaven en er zijn geen ouders, leraren of jeugd-leiders die het in de gaten kunnen houden en waar nodig corrigerende maat-regelen kunnen nemen. Niet zelden wordt in deze wereld gepest, gelasterd, roekeloos geflirt of op zijn best slechts “gechilld” (= jeugdtaal voor niets doen) en urenlang onzinnigheden uitgewisseld. In deze wereld wordt het denken en oordelen van veel jonge mensen gevormd, maar meestal niet volgens Bijbelse criteria. Wijsheid, heiligheid, reinheid, respect voor gezag, nederigheid, kuisheid en veel andere Bijbelse waarden worden in deze parallelle wereld niet geleerd.
En dit is toch Gods doel voor onze dagelijkse routine: communicatie hoort binnen het gezin plaats te vinden en deze communicatie zal moeten dienen om Bijbels denken en handelen te leren: “Deze woorden, die ik u heden ge-bied, moeten in uw hart zijn. U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u op-staat” (Deuteronomium 6: 6-7).
De uitvoering van de voorgestelde praktijken zal beslist enige strijd kosten. Laten we alert zijn en bidden dat we niet tegen elkaar strijden in de gezinnen (kinderen versus ouders) – daarin zou de vijand zegevieren – maar dat we samen vechten tegen de overweldigende tijdgeest, tegen alle groepsdruk en alle verleiding, tegen de poging van de duivel om een wig tussen families te drijven, om de jongeren van de ouderen te scheiden en ze in plaats daarvan te trekken in een parallelle wereld. Gezinnen zijn een schepping van God, bedacht als een zegen, waar kinderen opgroeien en voor hun verdere leven geleid en gevormd worden. Sociale netwerken daarentegen zijn de uitvinding van machtige bedrijven, waarvan het hoofddoel is zoveel mogelijk gegevens van mensen te verzamelen om die voor hun eigen doeleinden te gebruiken en er veel geld mee te verdienen.
We moeten ons ervan bewust zijn dat we in een geestelijke strijd gewikkeld zijn. Gepoogd wordt ons denken en ons oordeel te verzwakken en, zo mogelijk, aan te passen aan de tijdsgeest. Het is een kwestie van stand-houden en onze kinderen sterk maken. Moge onze hemelse Vader ons daarbij helpen!
Axel Volk
vertaling dr. Wim Hoek
Axel Volk is de auteur van Wie schützen wir unsere Kinder? Uitg. Daniel Verlag ISBN 978-3-945515-08-2
Orgaantransplantatie – optie voor christenen?
Tot 1968 werd wereldwijd aangenomen, dat de mens dood is, als zijn hart en circulatiesysteem onherroepelijk stilstaat. Volgens deze definitie is een lichaam zonder hartslag, zonder reflexen, star, koud en laat het spoedig lijkvlekken zien.
Om nog transplanteerbare organen te verkrijgen heeft men in 1968 aan de Harvard universiteit in Boston (USA) een nieuwe definitie van de dood ingevoerd.
Al vele jaren mag ik de Heere Jezus Christus als arts en christen dienen. Dat doe ik onder andere in het missionaire werk: “Christen in dienst aan zieken”. De medische dienst is bijzonder geschikt om de harten van mensen te bereiken en hen ook bekend te maken met het evangelie van Jezus Christus. Geneeskunde en evangelie horen voor mij bij elkaar.
De bekende theoloog Martyn Lloyd-Jones studeerde geneeskunde en theologie. Toen het om de vraag ging of hij als arts of anderszins medisch zou gaan werken, besloot hij om in de verkondiging van het evangelie te dienen. Zijn argumentatie was: Als arts zou hij door de genezing de patiënten weer in hun zondige leven terugbrengen. Hij werd een theoloog van betekenis.
Zelf heb ik ook verscheidene jaren theologie gestudeerd. Voor mij was het antwoord op de vraag, arts of theoloog precies omgekeerd. Ik heb het beroep van arts gekozen en gemerkt, dat doordat ik medische hulp gaf de patiënten mij hun vertrouwen gaven. Daardoor kon ik gemakkelijker hun het evangelie van Jezus Christus verkondigen.
Dat maak ik in het bijzonder mee tijdens mijn medische inzet in Moldavië, Rusland, de Oekraïne en in Mongolië. Een voorbeeld hiervan:
In Oost-Europa komen ook hoge communistische functionarissen op mijn spreekuur in de veronderstelling dat “een Duitse arts een goede arts is en de geneeskunde in Duitsland kwalitatief hoog is.” Een communist vroeg mij na het medisch onderzoek eens angstig: “Dokter, moet ik sterven?” “Ja,” antwoordde ik, “u moet sterven. Maar er is een hoop, die boven de dood uitgaat. Wilt u daar iets over weten?“ “Ja,” antwoordde hij. Ik zei: „Deze hoop is voor mij Jezus Christus, Gods Zoon, die als mens en Redder naar de wereld kwam.” Ik getuigde daarna tot hem van de weg naar de hemel door Gods genade.
Voor mij horen de wetenschappelijke voortuitgang in de geneeskunde en het evangelie bij elkaar. De beroemde wetenschapper Louis Pasteur heeft veel ontdekkingen ook van bacteriën als ziekteveroorzakers gedaan. Hij geloofde in Jezus Christus. “Veel wetenschappelijke inzichten leiden naar God,” zei hij.
De ontwikkeling van de antibiotica heeft tot een succesvolle bestrijding van infectieziekten geleid. Een mijlpaal was de invoering van sulfonamide door prof. Gerhard Domagk in 1938. Door zijn onderzoekswerk moeten naar schattingen tot 100 miljoen mensen van een voortijdige dood bewaard zijn. Zijn zoon, professor Götz Domagk, was later in Göttingen mijn hoogleraar. Tot de medische vooruitgang horen ook nieuwe manieren van opereren, diagnostische methodes als röntgen, computertomografie, enz. Deze hebben alle aan de enorme medische ontwikkeling bijgedragen. Daardoor kon er sprake zijn van transplantaties.
Vandaag de dag is het mogelijk om bijna alle organen, behalve de hersenen, te transplanteren. Bij de autologe transplantatie wordt weefsel of celmateriaal van het ene lichaamsdeel naar een ander lichaamsdeel verplaatst. De donor is daarbij tegelijkertijd de ontvanger van het transplantaat. Een voorbeeld hiervan is de huidtransplantatie bv. bij verbrandingen.
Bij allogene transplantatie worden organen, weefsels of celmateriaal van een levende of hersendode donor op een ontvanger van hetzelfde type, dus van de ene mens op de andere overgebracht. In het vervolg is slechts van allogene transplantatie sprake.
De geschiedenis van de transplantatiegeneeskunde
In het begin van de 20e eeuw creëerde vooruitgang in de operatietechniek en in het bijzonder die van de vaatchirurgie de voorwaarden tot wetenschappelijk verantwoorde transplantaties.
De eerste geslaagde transplantatie van een nier werd in 1954 tussen een eeneiige tweeling in Boston (USA) verricht. In 1963 volgde de eerste geslaagde levertransplantatie en in hetzelfde jaar de eerste longtransplantatie. Twee jaar later, in 1965, volgende de eerste overdracht van een alvleesklier.
Wereldwijd kreeg de eerste harttransplantatie in december 1967, verricht door Christian Barnard in Kaapstad/Zuid- Afrika, grote aandacht. In 1989 slaagde de eerste multiorgaantransplantatie, dus de gelijktijdige transplantatie van meerdere organen. Problemen, die een transplantatie aanvankelijk bemoeilijkten, zoals ontbrekende conserveringsmogelijkheden van uitgenomen organen of immuun-afweerreacties van de ontvanger, konden door toenemende ervaring en ontwikkeling van immuunonderdrukkende (afstoting verhinderende) medicijnen gedeeltelijk overwonnen worden.
De stand van onderzoek
Vanuit medisch oogpunt kunnen, zoals al genoemd, intussen een veelvoud aan cellen, weefseldelen, organen of hele organische systemen getransplanteerd worden.
Op de website van de Nederlands Transplantatiestichting (NTS) staan alle getallen over transplantatie in Nederland genoemd. Zo werden er in 2016 tot en met oktober 562 organen getransplanteerd. Een transplantatie kan in principe alleen slagen, als het transplantaat door het organisme van de ontvanger niet afgestoten wordt. De transplantatie van lichaamsvreemde organen kan in het organisme van de ontvanger afweerreacties oproepen, die tot gevolg hebben, dat het orgaan zijn functie niet op zich kan nemen.
Onderscheid wordt gemaakt tussen de acute afstotingsreactie, die in de eerste dagen na de transplantie optreedt en min of meer duidelijk van aard is en de chronische afstotingsreactie, waarbij het orgaan het geleidelijk opgeeft.
Om de functiebekwaamheid van het getransplanteerde orgaan te kunnen onderhouden moet de lichaamseigen afweer, het immuunsysteem van de ontvanger dus, met behulp van immuunonderdrukkende medicamenten onderdrukt worden.
Deze medicijnen ter onderdrukking van het immunsysteem moeten levenslang voorgeschreven worden gegeven. Na de transplantatie is het belangrijk een dreigende afstoting onmiddellijk te onderkennen.
Van 1972 tot 1976 heb ik aan de universiteit van Hannover op dit gebied wetenschappelijk gewerkt. Professor Pichelmayr voerde daar met zijn medewerkers de transplantaties uit. Daar hoorde ook de eerste levertransplantatie in Duitsland bij.
Ik heb onderzoeken naar vroegtijdig onderkenning van afstotingsgevaar na niertransplantaties uitgevoerd. Daarbij ging het om de eiwituitscheiding in de urine na een niertransplantatie.
De normale urine van de mens bevat meestal minder dan 100 mg. eiwit totaal in een etmaal urine. Kwantitatief overweegt daarbij het albumin. Een sterke toename van de albuminuitscheiding in de urine van meer dan 1 g per etmaal is een aanduiding van acuut afstotingsgevaar.
In een dergelijk geval moet de dosis van het immuunonderdrukkende medicijn duidelijk verhoogd worden om het functioneren van het getransplanteerde orgaan in stand te houden. Verdere controles op eiwit kunnen aantonen of het afstotingsgevaar afneemt. Dat is het geval als de eiwituitscheiding normaal wordt. Andere klinische symptomen van een acuut afstotingsprobleem zijn: koorts, verminderde hoeveelheid urine die uitgescheiden wordt, hartkloppingen, ook wel tachycardie genoemd, en een toename van de witte bloedlichaampjes, de lymphocyten, in de urine. Zoals al genoemd moet de medicatie van immuunonderdrukking voortdurend, dus levenslang ingenomen worden. Daardoor wordt het gevaar van infecties aanzienlijk hoger. Het risico op kanker wordt 10x groter, dit als een soort bijwerking/gevolg van de immuun onderdrukkende medicatie.
Gebrek aan organen
Op dit moment bestaat een grote discrepantie tussen beschikbare donororganen aan de ene kant en patiënten die een transplantaat nodig hebben aan de andere kant.
Volgens gegevens van de NTS staan er jaarlijks rond de 1000 mensen op de wachtlijst voor orgaandonatie en rond de 150 mensen gaan dood, terwijl ze wachten. Terwijl je als donor wel 8 levens kunt redden: met je hart, je 2 nieren, longen, lever, alvleesklier en je dunne darm. Ieder jaar redden een paar honderd orgaandonoren zo de levens van ongeveer 1200 mensen.
Daarom werd in Duitsland in 2012 de zogenoemde ‚beslissingsoplossing’ ingevoerd. De bedoeling daarvan is, dat alle ziektekostenverzekerden ouder dan 16 jaar onder andere van hun ziektekostenverzekering de vraag krijgen of ze na hun dood hun organen willen doneren. Deze beslissing moet dan in een donorsysteem bewaard worden. Ondanks invoering hiervan is het aantal donoren elk jaar met 12,8 % gedaald en intussen zelfs met 18% (1e kwartaal 2013). Het is mogelijk dat de manipulatieschandalen tot een teruggang van de donorbereidheid hebben geleid. Om het aantal donoren toe te laten nemen werd in Groot-Brittannië voorgesteld om het Ministerie van Volksgezondheid de begrafeniskosten te laten overnemen.
Ook in Nederland is nu door de Tweede Kamer met een wetsvoorstel voor wijziging van het donor-systeem ingestemd. Deze wet is nog niet van kracht, de Eerste Kamer moet er ook nog over stemmen. Er zijn velen geweest die hun donorregistratie hebben teruggetrokken bij het voorstel van deze wet. Echter meestal hebben ze zich niet goed in de wet verdiept. Ten eerste is de wet nog niet door de 1ste kamer. Verder wordt elk persoon, voordat men in de nieuwe wet donor wordt, meerdere malen, gedurende een lange periode gevraagd zich te registreren, hetzij met ja, hetzij met nee.
Gaat het bij de donor om een overledene?
Het dilemma bij een orgaantransplantatie is, dat een potentiële donor ‚zo dood mogelijk’ en de organen voor de ontvanger‚ zo vers en levend’ mogelijk moeten zijn!
Dat brengt ons bij de vraag: Wat weten wij over het levenseinde van de mens?
Als arts heb ik veel mensen zien sterven en hen in de laatste etappe van hun leven begeleid en daarbij Gods Woord gelezen en gebeden. Ik was er nog steeds, wanneer de ziel en de geest het lichaam verlieten. Mijn taak als arts was dan om een lijkschouwing uit te voeren en bij het zien van de overledene bepaalde doodskenmerken schriftelijk vast te leggen. Ongeveer 2 tot 3 uur na de stilstand van het hart en het vaatstelsel worden lijkvlekken zichtbaar en lijkverstarring treedt op. Pas dan mag in de regel de begrafenisonderneming het lichaam ophalen. De organen die in verval raken zoals hart, nieren, lever enz. kunnen dan echter niet meer voor transplantatie gebruikt worden. Ook voor weefseldonatie geldt dat het lichaam binnen 3 uur na overlijden gekoeld moet worden.
Tot het jaar 1968 werd over de hele wereld erkend, dat de mens dood is, als hart en daarmee de vaatcirculatie onherroepelijk stilstaat. Om nog transplanteerbare organen te verkrijgen, heeft men in 1968 aan de Harvard universiteit in Boston (USA) een nieuwe definitie van de dood ingevoerd.
De „hersendood“
Een mens met een onomkeerbare coma, dus een bewusteloze die niet weer tot bewustzijn komt, wordt voor ‚hersendood’ verklaard en deze toestand wordt dan als dood van de hele mens gedefinieerd! Voor 1968 golden mensen met de bovengenoemde diagnose als levend. Hersendood is een heel letterlijk woord: de hersenen zijn dood. Het lichaam wordt kunstmatig beademd. Hierdoor blijven hart, longen, lever, pancreas, nieren en dunne darm geschikt voor transplantatie. Iemand die hersendood is kan geen pijn meer voelen en heeft geen bewustzijn meer. Om überhaupt te kunnen voelen, moet namelijk de hersenstam nog actief zijn. Dat is het centrale doorgeefluik van alle prikkels.
Onder hersendood wordt verstaan het volledig en onherstelbaar verlies van de functies van de hersenen bij patiënten die met ernstig hersenletsel op de intensive care zijn terechtgekomen. Door bijvoorbeeld een ernstig ongeval of een grote beroerte zijn alle hersenfuncties van de patiënt verwoest.
De hersenstam, grote hersenen en het verlengde merg zijn onherstelbaar beschadigd. Behandeling heeft geen zin meer, herstel is niet meer mogelijk. Dit wordt een ‘infauste prognose’ genoemd.
Iemand is pas hersendood als uitgebreid onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat hij niet meer reageert op prikkels en de hersenen ook geen elektrische activiteit of doorbloeding meer vertonen. Met andere woorden: de patiënt kan geen pijn meer voelen en heeft geen bewustzijn meer. Maar omdat hij nog wel aan de beademing ligt, blijft het hart kloppen en het bloed door de rest van het lichaam nog stromen.
De diagnostisering van hersendood
Volgens de Duitse wet op transplantatie (TPG) mogen organen die van levensbelang zijn slechts aan overledenen ontnomen worden. Ondanks de beschreven symptomen, die duidelijk tonen dat het bij donoren om stervenden en niet om doden gaat, geldt de zogenoemde hersen-dood als criterium voor een legale orgaanverwijdering. Hersendood wordt gedefinieerd als uitval van de grote hersenen, de kleine hersenen en de hersenstam. De hersenen bestaan uit de grote hersenen, de kleine hersenen en de hersenstam. Dit is nauw verbonden met het ruggenmerg en het autonome zenuwstelsel (verzorgt inwendige organen als spijsvertering, ademing en hart).
Hoe wordt de hersendood volgens de richtlijnen van de Duitse medical association van 1998 vastgesteld?
Aangetoond moet worden wat de oorzaak van de hersenschade is, bv. een beroerte. Daarbij moeten bepaalde vaststellingen, waarvan de symptomen op hersendood lijken, maar die kunnen verdwijnen, uitgesloten worden. Vastgesteld moet worden, dat er van een coma, dat is een diepe bewusteloosheid zonder dat er sprake is van beweging, reflexen en ademstilstand, sprake is. De hersenschade moet onomkeerbaar zijn.
Problemen
De diagnostiek die door de Duitse Medical Association is voorgeschreven omvat slechts deelgebieden van de hersenen, de functies van de hersenschors, de kleine en middenhersenen horen daar niet bij. Een coma is geen afdoend symptoom voor de diagnose van een beschadiging van de hersenschors. Het meten van hersenactiviteit door middel van een EEG is tot slechts 3 mm onder de oppervlakte mogelijk. Een zogenoemde nullijn wordt echter als criterium voor hersendood gebruikt.
De Nederlandse procedure volgens de NTS
De artsen doen het onderzoek in 3 stappen. Samen duren die meestal een paar uur. Alles is nauwkeurig vastgelegd in het hersendoodprotocol. Er zijn altijd meerdere artsen die de testen doen. Het gaat dan om:
Standpunten van wetenschappers
Wereldwijd zijn er 30 verschillende definities voor hersendood.
Samenvatting
Gevolgen van de praktijk van orgaantransplantatie:
Hart op bestelling
In maart 2013 verscheen in het weekblad ‚Die Zeit’ een bericht over orgaantransplantatie in China. Volgens dat bericht zijn er daar ongeveer 40 centra voor orgaantransplantatie. Onder de kop ‚Hart op bestelling’ werd bericht dat bij terdoodveroordeelden in de gevangenis organen worden verwijderd. Gevangenissen en klinieken werken daarbij nauw samen, waarbij men voor het moment waarop de doodstraf uitgevoerd wordt, rekent met de behoefte aan te transplanteren organen. Elk jaar wordt in China 4000 keer de doodstraf uitgevoerd. 60% van hen die een orgaan ontvangen, ontvangen die van iemand die geëxecuteerd wordt. In Europa wachten patiënten vaak maanden op een orgaan, in China slechts enkele dagen.
Al „afgeslacht“
Verscheidene jaren geleden maakte een familielid van een bekende van mij een vakantiereis naar Portugal: ze kwam om bij een verkeersongeluk. Toen de familie kwam om van de over-ledene afscheid te nemen, konden ze eerst niet terecht. Pas na veel aandringen lukte het hen om bij de dode te komen. Ze merkten toen, dat men organen getransplanteerd had.
Persoonlijk standpunt (Prof. Weise)
Het lichaam van de mens – ook dat van de stervende – behoort aan God en niet aan mij. Als christen wijs ik orgaandonatie af. Zij bespoedigt de dood voor het door God gegeven tijdstip. Ik beveel daarom aan om een niet-donorcertificaat bij je te dragen.
Orgaantransplantatie vanuit christelijk oogpunt
De medische transplantatie is gegrond op een mechanisch wereld- en mensbeeld. Het lichaam van de donor dient daarbij als onderdelenmagazijn. Mensen willen graag nog iets goeds doen als ze hun organen geven, zodat een ander nog verder leven kan.
Een patiënt die zichzelf christen noemde, zei me eens: ‚Dokter, in de hemel heb ik mijn organen niet meer nodig’.
Wat de consequenties zijn van deze verschillen in mensvisie voor onze opstelling tegenover orgaantransplantatie is niet zomaar te zeggen. We maken immers allen wel op ÈÈn of andere manier gebruik van diezelfde moderne geneeskunde en voor veel mogelijkheden ervan kunnen we met recht dankbaar zijn. Naar het ons voorkomt, noopt het achterliggende denken ons tot een houding van grote voorzichtigheid en zorgvuldigheid bij het omgaan met (de mogelijkheid van) orgaantransplantatie.
Iedereen zal in vrijwilligheid een keuze moeten kunnen maken omtrent het afstaan van orga-nen na overlijden.
Daarbij is het goed ons af te vragen of we, als we zelf in de situatie verkeren dat een transplantatie levensreddend zou kunnen zijn, die ingreep dan zouden willen of zelfs mogen weigeren? En als we in dat geval wel zouden willen ontvangen, is het dan egoïstisch niet te willen afstaan? Onze keus moet een beslissing in geloof zijn, te nemen in de weg van bestudering van Gods Woord en van gebed. Een ieder zij in zijn eigen geweten ten volle verzekerd.
Door God geschapen
Voor het concept van het christelijke mensbeeld, namelijk dat de mens door God naar zijn beeld is geschapen, is hier geen plaats. In Genesis 1 vers 27 staat al: “En God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hem, en Hij schiep hen als man en vrouw.”
Ook in Psalm 8 vers 6 staat: “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heer-lijkheid en luister gekroond.”
En in Psalm 139 vers 13 en 14 lezen we: “Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Ik loof U dat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben.”
En in 1 Thessalonicenzen 5 vers 23: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.”
De mens bestaat dus uit lichaam, ziel en geest. Als de mens sterft, gaat het lichaam in verderf over en ziel en geest ontsnappen uit het lichaam. Als christen geloven wij ook Gods Woord, dat er een opstanding van het lichaam voor alle mensen is. In 1 Korinthe 15 vers 42-44 staat:
Zo is het ook met de opstanding der doden. “Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.”
Ons sterfelijk lichaam zal tot een onsterfelijk lichaam, een geestelijk lichaam veranderd worden en met ziel en geest verenigd worden. De wedergeboren gelovigen zullen dan de eeuwigheid in de hemel met de Heere Jezus doorbrengen. Degenen die het genadeaanbod van de Heere ‚Doe boete’ afgewezen hebben en dat zijn de meeste mensen, zoals de Heere Jezus zegt, zullen de eeuwigheid in de hel doorbrengen, waar vuur is, dat met zwavel brandt, en waar wenen en tandengeknars zal zijn. Dit moet ons ook vermanen om boodschappers in Christus’ plaats te zijn en vanuit liefde tot de verlorenen te gaan met de boodschap: “Laat u met God verzoenen.”
Ik wil graag afsluiten met Kolossenzen 3 vers 12-17:
“Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!”
Bronnen
http://de.wikipedia.org/wiki/Hirntod
http://www.drze.de/im-blickpunkt/organtransplantation
Ottfried Windecker in „Heil oder Heilung“ – Betanien-Verlag, blz. 146 ev, uitgever Manfred Weise
https://www.transplantatiestichting.nl/medische-procedure/donatieprocedure/orgaandonatie/als-de-donor-hersendood
prof. dr. Manfred Weise
Prof. Weise is internist en was hoogleraar aan de universiteit in Giessen (Dld). Hij heeft deze lezing gehouden op de Maleachi-conferentie in Zavelstein (De)
Vertaling: Laura Vos
Bewerking: drs. C.J. Slotboom-Vreugdenhil
ORGAANTRANSPLANTATIE – Mag alles wat kan?
Valt er een grens te trekken bij transplantatie? Wat kun je in de Bijbel over ons lichaam lezen?
1. Inleiding: Hoe bepaalt een christen zijn standpunt?
Het standpunt van een christen wordt bepaald door de Bijbel. Sommige richtlijnen staan daarin heel direct als geboden of verboden, voor andere aspecten van het leven is meer kennis van Gods Woord nodig.
Zo merken we in de Bijbel verschil op tussen
De gevolgen voor het kind van God zijn ook verschillend:
Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren (Joh. 14:2 1).
Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen (Joh. 14:23).
Als we Gods Woord bewaren, komt er een heel nauwe relatie met de Vader en de Zoon: Ze komen bij ons wonen! Dit onderscheid kan geïllustreerd worden aan de hand van een voorbeeld van een kind met aardse ouders. Het maakt verschil uit of een kind een opdracht (gebod) van de ouders opvolgt, of dat het kind goed let op wat de ouders zeggen en hen dan op hun verjaardag iets geeft wat ze op prijs stellen. Zo zal ook een gelovige bij het bepalen van zijn standpunt niet alleen letten op duidelijke geboden of verboden in de Bijbel, maar vooral ook trachten na te speuren waar Gods verlangen naar uit gaat.
2. Organen geven: een geoorloofde liefdedaad?
Organen en weefsels zijn slechts bruikbaar, als er nog leven in is. Voor grote organen houdt dit in, dat de bloedsomloop en voor weefsels dat de stofwisseling, nog intact moet zijn. Welk medisch doodscriterium men ook kiest, men kan niet afwachten tot alle leven weggevloeid is, omdat dan voor bepaalde delen de ontbinding reeds ingezet is. Om aan geschikte organen te kunnen komen, zal men deze dus moeten halen uit een lichaam dat, ofwel nog in zijn geheel, ofwel wat betreft de organen nog levend is. Voor vitale organen houdt dit in, dat wegnemen de dood ten gevolge heeft. Denk dan eens aan:
Eenvoudig in te zien is dat: ‘uw bloed eisen’ (= het verbod op zelfdoding), en ‘van de hand van de mens’ het verbod op moord doodslag inhoudt.
De toevoeging ‘uit de hand van iemands broeder’ vergt wat meer nadenken. Deze woorden belichamen het doden door een broeder, dat wil zeggen door iemand die je genegen is. Tegenwoordig zal men zeggen: euthanasie (= goede dood) uit liefde of medelijden, of verwijderen van levende organen uit een stervende om een ander te helpen.
3. Het dode lichaam is geen afval.
Toen stierf Mozes, de knecht des Heren aldaar in het land Moab, volgens des Heren woord. En Hij begroef hem in een dal in het land Moab (Deut 34:5,6).
God zelf(!) begroef Mozes en een kind van God wil en zal op zijn Vader gaan lijken.
Maar Michaël, de aartsengel, durfde toen hij met de duivel in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes… (Judas: 9).
Zonder diep in te gaan op deze moeilijke tekst kan wel het volgende geconcludeerd worden: er woedt in de geestelijke wereld een strijd om het lichaam. Het hoeft ons als gelovige dan ook niet te verbazen, dat er verwarring heerst over het juiste handelen met onze organen na onze dood. De vele tegenstrijdige meningen, ook onder gelovigen, vinden hun oorsprong in de strijd in de geestelijke wereld.
4. De minachting voor het lichaam komt van satan.
Zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens………….
Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt (Rom 1:23, 24).
De boze krijgt van God toestemming het lichaam te onteren bij mensen die menselijk over God gaan denken en hun eigen inzicht volgen.
5. Ons lichaam is een tempel.
Weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam (1 Kor 6:19,20).
In de Bijbel is het lichaam niet slechts een omhulsel van de ziel, waarmee men naar believen kan handelen. God is Schepper van de hele mens. En die mens bestaat uit geest, ziel en lichaam. Het lichaam is geen bijkomstigheid, maar het is een “tempel van de Heilige Geest”. Door ongelimiteerde transplantatie wordt slechts de mens geëerd.
6. Wij zijn rentmeesters van ons lichaam.
Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? (1 Kor 6:15).
Bij punt 5 is zojuist gesteld, dat het lichaam niet een waardeloos omhulsel is, waar we mee kunnen doen wat we willen. Integendeel, het is een onderdeel van het lichaam van Christus. Door transplantatie stellen we onze leden ter beschikking van anderen.
En Hij de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Heere Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn (1 Thess 5:23).
Ook over ons lichaam zullen we verantwoording af moeten leggen. De ziel van een mens, (zijn persoon met gevoel, wil en verstand), is via het lichaam in contact met de stoffelijke wereld om zich heen en via de geest in contact met de onzichtbare wereld. Bij de komst van de Heere Jezus gaat het om de hele mens. Vanuit die gedachte zal men als gelovige handelen met zijn lichaam wat betreft bijvoorbeeld het aan de vernietiging prijsgeven bij crematie of het aan de sloop overgeven bij orgaandonorschap.
7. De grens voor transplantatie
De ziel die zondigt, die zal sterven (Ezech 18:4).
Een dode kan niet meer beslissen. De beslissing over organen van een dode wordt genomen door een levende. De levende wordt aansprakelijk gesteld en ter verantwoording geroepen. Iemand die tijdens zijn leven een beslissing neemt voor het handelen met zijn lichaam na de dood, zal dat Bijbels moeten verantwoorden.
Op grond van het bovenstaande lijkt wat betreft transplantatie de grens te liggen bij het in leven zijn van de donor. Alleen die organen mogen getransplanteerd worden die een levend persoon bewust en vrijwillig kan afstaan en daarbij normaal kan doorleven. Na het sterven van de donor kan en mag niet meer beslist worden over zijn organen.
8. De consequenties
Het trekken van deze grens heeft voor een gelovige uiteraard de consequentie dat men ook zelf geen organen van een dode zal accepteren.
Door deze grens te trekken voorkomt men de dilemma’s die kunnen rijzen bij het accepteren van organen van geaborteerde foetussen of organen van personen die voor dat doel gedood zijn. Dit gebeurt inmiddels wereldwijd en in de illegale orgaanhandel gaat het om veel geld.
Door deze grens te trekken vermijdt men ook de morele belasting van de nabestaanden, die optreedt bij het dood verklaren van een patiënt. Want als het moment aangebroken is dat een orgaan uit het lichaam van de donor genomen zal worden, moet men op grond van het ontbreken van hersensignalen besluiten dat de patiënt gestorven is en chirurgisch gaan ingrijpen.
Dr. W.Hoek
Naar aanleiding van het artikel over orgaandonatie nog enkele citaten en overwegingen.
De klassieke psycholoog Alfred Adler (1870 – 1937)
De klassieke psycholoog Alfred Adler (1870 – 1937)
Ouders volgen anno 2017 voor de opvoeding van hun kind(eren) een cursus die gestoeld is op de ideeën van Adler. Een boek met daarin opvoedingsmethoden eveneens op grond van deze psycholoog wordt niet alleen op cursussen,
maar ook door opvoeders zelf gebruikt: Kinderen opvoeden en vrede in het huis houden. Wie had kunnen denken dat deze Oostenrijkse arts nu nog invloed zou hebben? Als je zijn begrippenkader nagaat, kom je al gauw termen tegen die ook tegenwoordig nog opgeld doen: minderwaardigheidsgevoel, agressie, geldingsdrang en 0-5 jaar. Wie van een op de Bijbel gegrond denken uitgaat, botst met de humanistische ideeën van Alfred Adler. In het volgende artikel wordt kort zijn denken belicht.
Inleiding
Alfred Adler was een Joodse arts-psychiater in Wenen. Aanvankelijk was hij een van de vroege leerlingen en volgelingen van Sigmund Freud, eveneens een Joodse arts-psychiater in Wenen. Daarna, in 1911, brak Adler als eerste met Freud door diepgaande meningsverschillen én persoonlijke tegenstellingen. Adler was de eerste die een alternatief bood voor Freud, met name voor zijn seksuele en genetische constructie. Hij werd de vader van een van de klassieke richtingen binnen de psychoanalyse: de Individualpsychologie. Met deze benaming wilde Adler te kennen geven dat hij overwegend belang hechtte aan de individuele verschillen in de persoonlijkheid, volgens hem te weeg gebracht door milieuverschillen tijdens de jeugd. Ieder mens is uniek.
De persoon van de grondlegger en zijn psychologie
Een psychologische richting is niet objectief en niet neutraal: er is een nauw verband tussen enerzijds de levensgeschiedenis (privéleven en persoonlijke ervaringen), de cultuur en de tijd waarin de grondlegger leefde of leeft alsook zijn levensbeschouwing en anderzijds zijn psychologie en psychotherapie. Daarom is het nuttig en boeiend de biografische, morele, sociale, politieke én vooral de levensbeschouwelijke factoren van de grondlegger te bestuderen. Zo kunnen wij zijn eigen, andere kijk op de mens, theorie en therapie beter plaatsen en begrijpen en daarmee de eigen, specifieke benadering van zijn psychologische en psychotherapeutische richting. Evenals de psychologische richtingen van Freud en Jung begint ook de Individualpsychologie van Adler met de persoon van de grondlegger.
Adlers jeugd
Adlers vader was een welgestelde graanhandelaar. Hij was een man met een sterke persoonlijkheid die de dingen luchtig opnam. Alfred was zijn lievelingszoon. De verhouding tot zijn moeder was meer afstandelijk. Adlers relatie tot zijn ouders was dus anders dan, ja tegengesteld aan die van Freud tot zijn ouders. Zo werd ook zijn ontwikkelingspsychologie anders dan die van Freud.
Vanaf zijn geboorte was Adler ziekelijk. Hij leed aan rachitis. Adler kon pas lopen, toen hij 4 jaar oud was. Door een ernstige longontsteking verzwakte hij nog meer. Toen hij weer kon lopen, viel hij vaak en had verschillende ongelukken op straat. Adler verzette zich echter tegen zijn toestand. Er ontwikkelde zich in hem een sterke wil om zijn handicap te overwinnen en net zo te worden als ieder andere jongen. Hij wilde graag aan sport doen, maar dat ging niet. Daarom stortte hij zich op de studie. Evenals Freud studeerde hij medicijnen in Wenen.
Nog een ander aspect is van belang voor het denken van de jonge Adler en voor de ontwikkeling van zijn psychologie. Adler zat in zijn studententijd veel in de Weense koffiehuizen. Hij had veel socialisten onder zijn vrienden. Daardoor kreeg hij maatschappelijke belangstelling en werd hij ook zelf socialist.
Zijn theorieën berusten op ervaringen uit zijn jeugd. Die vroegere ervaringen leiden Adler tot de overtuiging dat de mens in zijn agressieve drift een psychisch mechanisme bezit dat hem in staat stelt een mechanisch tekort resp. zijn minderwaardigheidsgevoelens te overwinnen.
De ontwikkeling van Adlers theorieën
Wat Adler het meest opviel, was de fysieke minderwaardigheid van de mens t.o.v. het dier. De mens heeft door het ontwikkelen van zijn hersenen dit nadeel in een voordeel veranderd. De mens moest een sociaal dier worden om zijn minderwaardigheid t.o.v. andere dieren te compenseren, aldus Adler. Tijdens en na zijn medische studie bestudeerde hij de mogelijkheid van lichaamsdelen om een tekort te compenseren. De gedachtegang van hem is als volgt: Er bestaat een aangeboren en verworven minderwaardigheid van organen of orgaansystemen, waardoor deze de aangeboren prikkels niet kunnen verwerken. De daaruit voortvloeiende stuwing van prikkels doet het orgaan groeien (compensatie), eventueel overmatig groeien (overcompensatie).
Alfred Adler (bron Wikipedia)
Kan echter het minderwaardige orgaan de aangeboden prikkels niet verwerken, dan vloeien deze, volgens Adler, naar een ander orgaan af dat het tekort compenseert. Zo kan het gehoor een tekort aan gezichtsvermogen compenseren, ja zelfs overcompenseren, volgens de Weense arts.
Kunnen de prikkels echter geen vervangend orgaan tot groei stimuleren, dan stromen ze, volgens Adler, door naar het centrale zenuwstelsel om daar een groei van de intellectuele functies te weeg te brengen. Volgens Adler is de intelligentie dus “meerwaardig” geworden door verder gezonden, externe prikkels.
In 1908 verscheen Adlers “Der Aggressionstrieb im Leben und in der Neurose”. Daarin ontwierp Adler een theorie waarin de mens een psychische drift, agressie, heeft en dat die het mechanisme is dat hem in staat stelt een mechanisch tekort door compensatie te overwinnen. De prikkels komen niet alleen van buiten: een tweede prikkelbron komt uit het lichaam zelf. Deze stimuleren de organen tot een drift. Elk orgaan heeft zo zijn eigen drift: eetdrift, hoordrift, kijkdrift, enz. Als een orgaan de interne of externe prikkels niet verwerkt, gaan deze naar het centrale zenuwstelsel waar ze de aanleiding tot een psychische drift worden, die Adler de “agressiedrift” noemt. Zo wordt een onjuist verband tussen orgaanminderwaardigheid en agressiviteit gelegd.
In 1910 beschreef Adler wat bekend zou worden als het minderwaardigheidsgevoel. Volgens hem begint het ontdekken van de eigen minderwaardigheid bij het kind. Het groeit op te midden van grotere, sterkere, machtigere en autoritaire personen. Dat leidt tot minderwaardigheidsgevoelens. Het kind reageert daarop met “mannelijk protest”, met een streven naar kracht, gelding en superioriteit. Zwakheid was volgens Adler vrouwelijk. Zoals Freud poneerde dat ieder klein kind “van nature biseksueel” is, beweerde Adler dat ieder mens mannelijke en vrouwelijke attituden in zich heeft. Het leven is volgens hem een strijd van het mannelijke tegen het vrouwelijke, van kracht tegen zwakte.
Typische situaties waarin minderwaardigheidsgevoelens kunnen ontstaan.
1. De manier waarop ouders hun kinderen behandelen:
2. Het eigen lichaam waaraan al of niet terecht een orgaanminderwaardigheid gevonden wordt: Men voelt zich te dik of te dun.
3. Het gezinspatroon. Voor een enig kind is het moeilijk erkenning en zelfbewustzijn te vinden: Het moet zich voortdurend tussen volwassenen bewegen waardoor het tot ongewenste compensatie kan komen.
4. De financiële situatie waardoor men zich niet een eigen huis of reis kan veroorloven.
5. Crisissituaties zoals het overlijden van een familielid, een verbroken vriendschap of verloving, het zakken voor een examen.
Machtsdrift, geldingsdrang
De behoefte aan macht zou ontstaan door het gevoel van onmacht, veroorzaakt door bijv. een te strenge opvoeding. Het streven naar macht is, volgens Adler, de belangrijkste drijfveer van het menselijk gedrag. Het doel van het machtsstreven is het overwinnen/compenseren van de machteloosheid en inferioriteit. De vroegkinderlijke minderwaardigheidsgevoelens leiden tot het streven naar meerwaardigheid. Slechte opvoeding, orgaanminderwaardigheid of ongunstige situaties – zaken die dus buiten de verantwoordelijkheid van het individu liggen – kunnen minderwaardigheidsgevoelens versterken en de geldingsdrang mateloos doen stijgen. Minderwaardigheidsgevoelens zijn, volgens Adler, onvermijdelijk. Toch is het niet verkeerd ze te koesteren. Ze zijn van levensbelang om te blijven leven en zich te ontwikkelen, denkt de Weense arts.
Adlers houding tegenover gezag en normen
Als een echt kind van Freud keerde Adler zich tegen gezag: straf is uit den boze. Ouderlijke tucht mag dus volgens hem geen onderwerping aan gezag ten doel hebben. Ouderlijke tucht moet aan de ene kant initiatief en zelfvertrouwen, aan de andere kant sociale belangstelling en zorg voor anderen doen ontwikkelen. Het kind moet constructief en coöperatief zijn om zijn taak en situaties de hanteren.
Een wezenlijk aspect van de Bijbel is juist gehoorzaamheid (uit liefde) tegenover de drieënige God en tegenover personen aan wie God gezag heeft gegeven. De ouders moeten in de vreze des Heren kinderen tot gehoorzaamheid opvoeden en ouderlijke tucht in liefde en wijsheid hanteren (Spr 23:13; Ef 6:4; Hebr 12:7). De kinderen worden opgeroepen hun ouders te gehoorzamen en hun tucht aan te nemen (Ef 6:11; Col 3:20; Spr 1:8).
De Invidualpsychologie van Adler is niet neutraal.
Om verschillende redenen zijn Adlers theorieën niet neutraal: Ze zijn door zijn eliminatie van de drieënige God en Gods Woord dus ook van Gods Woordopenbaring omtrent de geschapen, gevallen en wedergeboren mens, niet neutraal. Gevolgen van zijn eliminatie van Gods Woord zien wij o.a. in
a. Adlers constructie van de minderwaardigheidsgevoelens. Zich met andere mensen vergelijken noemt hij geen zonde. De jaloezie die daaruit ontstaat, noemt hij een gevoel, maar geen zonde.
b. Adlers constructie van de machtsdrift. Geldingsdrang is bij hem een “drift”, geen zonde.
c. Adlers constructie van de agressiedrift. Agressie is een “drift”, een “natuurlijke drift”, maar geen zonde.
Adlers antropologie is niet neutraal
a. Adlers mensbeeld is atheïstisch. De mens zonder zijn betrokkenheid op God, zijn Schepper, bestaat echter niet.
b. Adlers mensbeeld is evolutionistisch, zowel door zijn ontwikkelingstheorie als door zijn constructie van de agressiedrift als middel om tot die ontplooiing te komen.
c. Adlers mensbeeld is deterministisch. Zijn mensbeeld wordt gedetermineerd door zijn “Leitlinie” (= levensstijl), die vanaf zijn 5e levensjaar “vastligt” door zijn toekomstgerichtheid en vooral door zijn onvermijdelijke minderwaardigheidsgevoelens en machtsdrift.
d. Adlers mensbeeld is evolutionistisch humanistisch-optimistisch: “De mens ontwikkelt zich van een min tot een plus” en wel door zijn “eigen mogelijkheden”.
De Bijbel openbaart ons echter géén humanistisch-optimistisch, maar een realistisch mensbeeld (Rom 7:18b; Ef 2:1-3; Hebr 9:27). Met al zijn “zelfontplooiing” gaat de hoogmoedige, verblinde mens Gods oordeel tegemoet. Onze enige hoop is Christus door Zijn volbrachte offer aan het kruis.
Adlers psychologie is niet neutraal.
a. Volgens hem is jaloezie een gevoel en geen zonde.
b. Volgens hem is de oorsprong van een minderwaardigheidsgevoel de “zwakke positie van het kleine kind” i.p.v. het eigen hart. Dit uitgangspunt gaat in tegen de Bijbelse openbaring omtrent de schepping en de val van de mens.
c. Minderwaardigheidsgevoelens zijn volgens hem niet verkeerd, maar van levensbelang voor de (evolutionistische) ontwikkeling van de mens. Zonder dat gevoel komt de agressiedrift niet in actie.
d. Minderwaardigheidsgevoelens kunnen en moeten volgens hem in eigen kracht overwonnen worden. Onze oude natuur met haar superioriteits- en minderwaardigheidsgevoel is met Christus meegekruisigd. Dat wil zeggen dat ze door God zijn veroordeeld én in haar macht gebroken.
Adlers waarneming van het zichtbare (met name in eigen leven) nl. dat mensen door minderwaardigheidsgevoelens en geldingsdrang gedreven worden, is juist maar onvolledig (1Sam 16:7b). Toch is het niet zo dat Gods Woord alleen nodig is voor een áánvulling van het ontbrekende. In tegendeel, Gods Woordopenbaring ten aanzien van oorsprong, wezen en gevolgen van minderwaardigheidsgevoelens en machtsdrang is van een totaal andere orde. Daardoor zijn Adlers antropologie, psychologie en psychiatrie behalve onvolledig ook onjuist en niet neutraal.
“Zie, het woord des Heren hebben zij verworpen,
Wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?“ (Jer 8:9b).
Het Bijbels pastoraat staat tegenover de humanistische psychologie. In het volgende schema is dat kort weergegeven.
Bijbels pastoraat
Humanistische psychologie
E.Nannen
Van Dolfje tot weerwolfje?
Grenzeloos griezelen…
Oktober, de maand van het griezelen… Steeds vaker zie je feesten en activiteiten rond dit thema. Als ik foto’s over deze dingen bekijk, valt het me op dat ouders vaak nog meer dan de kinderen alles uit de kast halen om er in het donker of in een griezelige omgeving angstaanjagend uit te zien. En dat is de kick: angst aanjagen. Wanneer is dit het meest geslaagd? Als iemand stil wordt? Niet meer durft te kijken? Huilt?
Jong geleerd is oud gedaan. Toch?
Het is waar dat er gewenning optreedt. Dolfje weerwolfje is grappig en leuk. Het kan wel wat spannender. Iets meer informatie over weerwolven… Vervolgens nòg meer ‘thrill’. Volop keus! Dit is ook de trend voor een geslaagd griezelfeest: van griezelen tot angst aanjagen. Elke keer een schepje d’r boven op. Per slot van rekening ga je toch niet in de groep toegeven dat je het eigenlijk niet leuk meer vindt? Of dat je echt bang wordt? En als je dit laat zien, wordt erom gelachen, of ben je zó niet cool. Het is toch maar een spelletje? En wij verbazen ons erover waarom sommige kinderen niet lekker in hun vel zitten? Wakker worden ’s nachts? Niet meer alleen durven slapen? Denk er eens goed over na: Waar trek jij de grens?
Trek jij een grens…?
1. Angst is leuk.
Echt? Ik ben nog nooit iemand tegen gekomen die wakker werd en zei: “Ik heb toch zo’n fijne nachtmerrie gehad!”
2. Angst aanjagen is ‘gezellig’ of ‘grappig’?
Waar ligt de grens tussen lekker spannend en angstaanjagend? En wie mag of kan die grens bepalen? Ga je met je gezin een griezelactiviteit doen, dan heb je vaak al te maken met verschillende leeftijden. Kinderen kunnen ons regelmatig verbazen. Hoe weet je zeker of je je kind ergens een plezier mee doet? Ga je op de bonnefooi naar een griezelfeest of informeer je van tevoren wat er te zien en te horen is? Laat je niet (onaangenaam) verrassen!
3. Mijn kind kijkt al naar films die niet voor zijn leeftijd zijn. Zo’n griezelfeest is ‘appeltje eitje’.
Is er misschien al een grens gepasseerd? Ergens in het donker ronddwalen is natuurlijk niet hetzelfde als thuis op de bank.
4. De hele klas gaat. Mijn kind mag toch geen uitzondering zijn?
Dat is zielig. Voor wie? Je wilt niet dat je kind een meeloper is. Durf zelf een standpunt in te nemen. Misschien denken andere ouders er precies zo over maar durven ze geen grens te trekken. Je kunt een voorbeeld zijn!
5. Mijn kind wil per se, dan moet het maar.
Wie bepaalt thuis de dingen? Wie is verantwoordelijk? Kan een kind de consequenties overzien? Vertel duidelijk waarom je huiverig bent en wat je bezwaren zijn. Organiseer een leuk alternatief. Een gezellige avond of een uitje waar je wel gerust onder bent.
6. Hoe enger hoe leuker?
Volgens mij ga je hier anders over nadenken, als je kind ’s nachts huilend wakker wordt. Vaak is zo’n griezelactiviteit op de avond. Praat even na over de activiteit en stop de kinderen niet direct in bed.
7. Houd je kind in de gaten.
Wat doet je kind? Is zijn of haar uitstraling vrolijk en open? Of knijpt je kind wel erg hard in je hand? Let eens op de ogen: Kijkt het kind weg of heeft het de ogen dicht? Dan is de grens wellicht bereikt en moet je als ouder ingrijpen.
8.‘Nee’ is ‘nee’.
Als je kind aangeeft iets niet te willen zien of doen tijdens een griezelactiviteit, dan moet je dit serieus nemen.
9. Angst is een slechte raadgever.
Op het moment dat je bang bent, maak je snel verkeerde keuzes. Logisch nadenken gaat moelijker
10. Angst is stoer?
Dat is wat veel kinderen en ouders denken. ‘Ik durf dat wel’, ‘Ik heb lef’, en ‘Bang zijn is voor mietjes’. Kijk eens eerlijk naar jezelf: doe jij daaraan mee? Maak dit bespreekbaar. Hoe stoer is het, als jij je eigen grens durft aan te geven!
Grens passerend griezelen…
Ongezonde angst
Als angst te groot wordt, belemmert het je in het dagelijks leven. Angst verlamt en kan je tegen houden om goed te functioneren.
Gezonde angst
Angst hoort erbij in het leven. Het is een emotie, is gezond en stimuleert. Het is zelfs heel nuttig, omdat het zorgt dat je in veiligheid blijft en geen gevaarlijke dingen doet (zo houdt angst je tegen om van een 4 m hoog gebouw te springen). Geen probleem zou je zo zeggen. Maar dat wordt het wel als angst te groot wordt.
Wat is de relatie angst – vertrouwen?
Zonder vertrouwen voelen we angst en angst staat vertrouwen in de weg. Vertrouwen en zelfvertrouwen zijn kwaliteiten die de ontwikkeling en het leren stimuleren. Een gevoel van veiligheid is de basis voor een voorspoedige ontwikkeling van kinderen. Dit zijn belangrijke pijlers van het leven!
Past ‘angst aanjagen’ dan nog binnen ‘kinderspel?’
Op www.ed.nl (nieuwssite) van 27 okt. 2013 kwam ik de volgende kop tegen: “Angst wordt er tijdens de Halloweentocht genoeg aangejaagd, maar wel altijd met een knipoog”.
Met die snelheid van een knipoog is een ongezonde angst niet weggenomen…
Spreuken 1:33
Maar wie naar mij luistert, zal veilig zijn, hij hoeft geen angst te hebben voor het kwaad.
Jesaja 44:8
Vrees niet, laat de angst je niet verlammen: heb ik het je niet vanaf het begin laten horen, heb ik het je niet aldoor verteld? Jullie zijn mijn getuigen: is er een god buiten mij, of een andere rots? Ik ken er geen.
1 Johannes 4:18
De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.
Spreuken 14:26
Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen, het biedt je kinderen een schuilplaats
Vertaling: NBV
Hendrika van Delden-Jellema
Hoe griezelig is gruwelijk?
Zonder het ingrediënt spanning heeft de schrijver geen verhaal, want waarom zou de lezer verder lezen als alles oké is?
Laatst mocht de oma van Cas iets vertellen over het schrijven van verhalen in groep 3. Ik ben die oma en ik dacht dat een workshop wel leuker zou zijn dan alleen maar luisteren. We zouden vast allemaal wel een verhaal kunnen verzinnen aan de hand van een klein opstapje.
Cas en ik hadden alle knuffeldieren en handpoppen in een grote tas mee naar school gesjouwd. Iedereen deed een blindelingse greep in de tas en zo stond er op elk tafeltje een hoofdpersoon. En daarbij de opdracht om vragen te stellen en antwoorden te verzinnen. “Wie ben je? Wat is er gebeurd? Hoe voel je je? Hoe ga je dat oplossen?”
De hele klas snapte dat en iedereen verzon een drama, omdat er immers iets ‘opgelost’ moest worden! Wat hebben we genoten, meegeleefd en gelachen! Wat een enthousiasme om aan de beurt te komen, een boost van inspiratie, de klas stond er bol van.
Ik was zo trots dat ieder kind begreep dat een verhaal een reis is, dat er onderweg iets gebeuren moet. Het is geen wandelingetje vol wenselijk gedrag, maar een kronkelpad met obstakels en kuilen, soms smal en glad, door dalen en pas op de bergtop krijg je de beloning van een grandioos vergezicht.
Het verhaal moet verrassen en, als het even kan, ook overrompelen. Het moet zich zo aan de lezer opdringen dat het onontkoombaar is. Want alleen op die manier wordt de lezer onderdeel van het avontuur. En zo mooi om te zien hoe kinderen van groep 3 de echte wereld verpakken in een fictieve wereld.
Avontuur en spanning
Avontuur is een mooi woord! Het komt van het Latijnse woord ‘adventura’ en het betekent ‘de dingen die te beurt zullen vallen’. Dat geeft meteen het uitdagende perspectief van” het ongewisse onbekende” en “de lotgevallen van…”
De schrijver knipt een zaklantaarn aan en zegt: “Kom!” en gaat op pad. De lezer loopt mee, samen achter die kleine lichtbundel aan, door ongebaande streken, moerassen en wouden en het licht focust dan hier, dan daar. Soms is er opluchting, het gevoel dat we op de goede weg zijn, soms is er radeloosheid als het licht naast het pad lijkt te dansen. Soms staan we voor een blinde muur en moeten we terug om via een andere weg verder te komen.
Een verzonnen verhaal wordt herkenbaar als het zowel het menselijke als het onmenselijke vertelt. De ramp en het wonder, armoe versus rijkdom, geluk tegenover ongeluk, het verhaal ontstaat altijd in de bedding van de tegenstelling tussen goed en kwaad.
Maar om bij het thema terug te komen, hoe griezelig is gruwelijk? De wereld is griezelig en gruwelijk, geen liefelijk tafereel. Daar komen alle mensen wel achter in de loop van hun leven. In fictie ontmoet de lezer de wereld, in dilemma’s, in teleurstellingen, in worsteling, in liefde, in haat, in hoop en wanhoop. Als het goed is, gaat de lezer mee in de illusie en het avontuur en denkt hij niet: ‘Het is maar verzonnen.’
Tenzij het verhaal zo beangstigt dat er gesust moet worden. Dat je de spanning en de kromme tenen alleen verdragen kunt als je weet dat het goed afloopt. Als kind van een jaar of acht had ik dat heel erg bij mijn lievelingsboek “Kleine Zwerver” van W.G. van de Hulst. Zelfs toen ik het boek voor de vierde keer las, zat mijn vinger tussen de bladzijden waar het laatste hoofdstuk begon, want als het niet te harden was, kon ik heel snel even een portie opluchting bijtanken. En daarna weer verder zwelgen in zieligheid.
Een verhaal moet onrust veroorzaken, je moet verdwalen, in gevaar zijn, de wanhoop nabij, want dat maakt de thuiskomst zo mooi. Je leert de veiligheid waarderen, juist als je door onveilig gebied moet reizen. In die zin is een verhaal ook een testcase, je ruikt aan de grote boze buitenwereld. Je lijdt schipbreuk en wordt ternauwernood gered, terwijl je onder je eigen dekbed ligt. Door op te gaan in een verhaal leer je ook wat eenzaamheid is, hoe verlies voelt, wat dreiging met je doet. Je kunt een waarschuwing opdoen, of een terechtwijzing voor lief nemen. Dat zijn vingeroefeningen in levenservaring.
Maar hoever mag je gaan?
Ik heb nagedacht over het verschil tussen griezelig en gruwelijk. Beide woorden zijn etymologisch verwant aan het woord ‘afgrijzen’, maar er is een niveauverschil.
Griezelig roept afkeer op, gruwelijk roept walging op.
Van iets griezeligs wil je afstand nemen, van iets gruwelijks keert je maag zich om. Blijkbaar kan het afgrijzen zowel een uiterlijke als een innerlijke reactie oproepen. Dat geeft te denken, want in het eerste geval kun je je vege lijf wel redden als je een paar passen terug doet, maar in het tweede geval heeft het afgrijzen kans gezien ‘binnen’ te komen en moet je het kwijt zien te raken.
Een verhaal waarbij je moet griezelen heeft iets aantrekkelijks, als er een huivering over je rug loopt van spanning of als je kippenvel krijgt van schrik, zit er een uitdaging in die confrontatie. Het griezelige mobiliseert je emotie, terwijl je in feite geen risico loopt. Je maakt deel uit van het verhaal, je deelt de angst van de hoofdpersoon, je ervaart de ontzetting en de radeloosheid, maar het gebeurt in de wereld van de verbeelding. Je wordt meegezogen in het verhaal, maar het blijft fictie.
Een verhaal dat overloopt van gruwelijkheden, waar op plastische wijze koppen rollen en bloed vloeit, martelingen en folterpraktijken worden geëxposeerd, kan een kick geven, omdat je je op verboden terrein begeeft. We willen het niet meemaken, maar wel zién. Als er vroeger een openbare terechtstelling plaatsvond, liep de stad uit om te gaan kijken. En als de journaallezer waarschuwt dat de beelden schokkend kunnen zijn, zetten we de tv niet uit. Gevaar en geweld heeft een aanlokkelijke kant, ook hier de uitdaging, je slaat je handen voor je ogen, maar je kijkt tussen je gespreide vingers door. Mensen zoeken in boeken, films en spelletjes ook de grens op van wat je verdragen kunt. Hoeveel spanning kun je aan? En wat kun je morgen aan? Waar ligt de grens volgende week?
Het uitvergroten van de gruwelijke realiteit en zo mogelijk nog gruwelijker maken ter vermaak of leedvermaak, ik kan het geen spelletje vinden. Realistisch zijn is al heftig genoeg. Het kwaad is er, maar ik hoef me er niet tegenaan te schurken. Ik ben bang voor het verdwijnen van drempels en het vervagen van grenzen. Ik vind het geen pluspunt als iemand intens geniet van de meest gewelddadige boeken of films. Van geweld en gruwel moet je je leven lang blijven schrikken.
Het kwaad wel tonen maar niet showen.
Natuurlijk kun je als schrijver niet om het kwaad heen, het is een factor van belang, een katalysator in je verhaal. Maar ik ben als de dood dat ik het kwaad proclameer. Het kwaad moet zo worden neergezet dat het ook in de ogen van de lezer kwaad blijft. Tijdens het groeien van een nieuwe roman is er altijd wel een slapeloze nacht waarin dit dilemma speelt: Hoe toon ik het kwaad zonder er een showtje van te maken. Want dat showtje zou zomaar een buiging kunnen zijn.
Zo nu en dan moet ik wel iets lezen dat mij tegenstaat, omdat het van belang is voor mijn historisch besef en mij bij de les houdt over hoe gebroken dit bestaan is. Zo las ik “De tolk van Java” van Alfred Birney (Librisprijs 2016) al jankend van ellende, omdat ik de beschadigingen en het zweren van oud zeer herkende. De waarde van zo’n boek ligt in het feit dat er een stuk geschiedenis wordt vastgelegd en verbonden wordt met de schade aan mensenlevens. Als een waarschuwend uitroepteken mag het er zijn, niet als vermaak.
De praktijk van vandaag
Ik maak de impact van de verbeelding vaak genoeg mee met mijn kleinzoons, bij een erg spannend verhaal voel ik hun lijfjes verstrakken en kruipen ze dichter tegen me aan. En na afloop van het verhaal, als de opluchting de overhand krijgt, moeten we even gek doen vanwege het besef dat bij ons alles veilig is. Zo komt het evenwicht weer terug.
Iets gruwelijks heb ik nog niet voorgelezen, ik ben het ook niet van plan, geen gruwelverhalen en horrorboeken voorhanden hier.
Maar gruwelijk is wel de trend in kinderland, de speelgoedwinkel ligt er vol mee. Het Legoboekje van 2017 is voor bijna de helft gevuld met agressie in de vorm van angstaanjagende helden of schurken en griezelige voertuigen voorzien van vlammenwerpers en schietapparaten. Stort je in de strijd, oefen je vaardigheden, gebruik je formidabele X-Wing Fighter en je Spinjitzu tegen de Nindroids-skeletten en andere slechteriken. En als dat nog niet genoeg is, dan kun je met een programmeer-app via je smartphone je robots tot leven wekken.
Ik weiger Jestro’s Evil Mobile of de Chaoskoets van de Monster Meester aan te schaffen. Jammer voor de jongens, maar oma blijft volhouden: “Lego is om te bouwen, niet om te vechten.”
De enige pistolen die hier zijn toegestaan, zijn waterpistolen, daar hebben we er meer dan genoeg van, want bij een watergevecht doet oma zelf ook graag mee.
Computerspelletjes
Een tablet hoort tegenwoordig bij de opvoeding en je moet wel bewondering krijgen voor de vanzelfsprekende vingervlugheid waarmee kinderen zoiets weten te hanteren. Een spelletje downloaden is voor een vijfjarige een makkie. Ik kijk mee en zie een soort knollentuin, die verdedigd moet worden, er naderen namelijk in lappen gehulde vogelverschrikkers.
‘Kijk oma, ik schiet de zombies dood, want die stelen mijn sla en mijn wortels.’
‘Wat zijn nou weer zombies?’
‘Dat zijn levende doden. En als ik er één niet kan elimineren, dan splijt hij in tien zombies.’
Hoe kan oma dat nou een stom spelletje vinden en helemaal niet trots zijn dat het volgende level gehaald is? Ik denk aan “Kleine Zwerver” en ben vast al heel oud, daar helpt zelfs mijn zwak voor waterpistolen geen moedertje lief aan.
Troost en hoop
Er is op deze wereld gigantisch veel gruwelijks. Maar ik wil het niet verzinnen, want ik wil er mijn geest niet in oefenen. Dat wat ik verzin, moet troost en hoop bevatten. Ik wil niet eenzamer worden dan ik al ben, (want gruwen en walgen doe je letterlijk en figuurlijk in je uppie). Ik ben voor medemenselijkheid en elkaars hand zoeken en vasthouden onderweg achter het lichtje aan, ik geloof in de belofte van een nieuwe wereld.
Joke Verweerd
Carnaval? Kun je als christen een nar zijn?
Ieder jaar is het in de maanden februari en maart een hele drukte. Tot aan het aanbreken van Aswoensdag wordt er gedanst, gelachen, gedronken en de zogenaamde seksuele vrijheid uitgeleefd. Voor velen is het carnaval, het ‘vijfde jaargetijde’ prachtig. Als je op zoek gaat naar de betekenis en herkomst van carnaval – zo heet deze ‘tijd van de dwazen’ in Nederland –, dan verbaas je je, tenminste op het eerste gezicht. Er wordt ook een religieuze betekenis aan toegekend. Maar wij zijn eraan gewend geraakt, dat bepaalde heidense gebruiken tot christelijke feestdagen omgevormd werden, denk daarbij bijvoorbeeld aan Kerst. Het carnaval (Zuid-Duits: Fassnacht) is de ‘tijd voorafgaand aan de vastentijd’. Eigenlijk heeft dit woord te maken met ‘fasen’ en dat is een oud woord voor ‘dwaas zijn’. Veel later sprak men daarna van carnaval. ‘Carne vale’ komt uit het Middellatijn en betekent ‘vlees, vaarwel!’ Dat wil zeggen “Tot ziens vlees”, omdat er 40 dagen geen vlees gegeten wordt.
Daarom wordt met carnaval het eigen zondige vlees echt uitgeleefd. Er is ook nog een andere bron van het carnaval. Al in de tijd van de Romeinen werd aan het einde van het jaar de god Saturnus gevierd. Tijdens de ‘Saturnalia’ werden de slaven door de vrijen bediend. Ter ere van de godin Isis werd dan een scheepswagen door de straten getrokken en geschommeld. Waarschijnlijk laat zich van deze ‘Carrus navalis’ (drijvende wagen) het woord carnaval afleiden.
Later maakte men uit de heidense cultus een christelijk feest. En dit viel midden in de tijd van vasten en boetedoening, die na Kerst begon. Op de zondag voor Rozenmaandag (de ‘Laetare’) mocht men vrolijk feestvieren. Uit het feest van het verdrijven van de winter ontstond de ‘Vastavent’ (waarschijnlijk van het Keulse woord ‘Fastelovend’ afgeleid). Ook toen gold al: Op Aswoensdag is alles voorbij. De uitgelaten ‘Mommen en Trommen’ gingen ook niet aan de kloosters voorbij.
Monniken en nonnen vierden carnaval echter niet pas op zondag of maandag, maar al op vrouwencarnaval. Denk je eens in: Op papencarnaval werd zelfs een nar tot bisschop gekozen!
Een blik in de geschiedenis laat zien: Het carnaval heeft als ‘feest van de omgekeerde wereld’ een belangrijke plaats in de christelijke kalender .[1] Het is rechtstreeks verbonden met Aswoensdag en de voorafgaande en erop volgende vastentijd. Zonder die tijd zou carnaval niet denkbaar zijn. De eigenlijke vastentijd begint na Kerst en eindigt met Pasen.
Een christelijk carnaval?
Van het dwaze gedoe van carnaval zegt men te kunnen bewijzen dat het teruggaat op het twee-staten-model van de kerkvader Augustinus: Aan de ene kant sprak men over ‘het rijk van God’, aan de andere kant over ‘het rijk van de satan’.
In een korte tijd, namelijk bij het carnaval, kan het kortstondige rijk van satan zich in alle vluchtigheid, kleurigheid, met drastische overdrijving en dwaze praal ontvouwen. En de rooms-katholieke kerk lijkt een soort van ontspanning door losbandigheid opzettelijk te hebben gewild of tenminste te hebben toegestaan. Het doel was dat de christenen daardoor meer bereid zouden zijn het vasten weer over te nemen.
Voordat de 40-daagse Paasvastentijd begint op Aswoensdag [2] hebben de (naam-) christenen de laatste dagen nog één keertje (of vaker…) heel goed gegeten, gedronken, gedanst en feestgevierd, zich van alle benauwende banden bevrijd, om zichzelf daarna weer te kunnen motiveren voor de kerkelijke beperkingen.
Aswoensdag heeft z’n naam trouwens verkregen, doordat de as van de palmen van de Palmzondag van het voorbije jaar op deze Aswoensdag gewijd werd en door de priester op het voorhoofd of de schedel van de ‘gelovigen’ gestrooid werd. Daarbij moest iedereen eraan herinnerd worden, dat hij uit stof gevormd was en na zijn dood tot stof zou weerkeren. Op Aswoensdag werd volgens de volksoverlevering bovendien de duivel vanwege zijn misdrijven tegen de goddelijke verordening uit de hemel geworpen. Vandaar mogelijk ook de festiviteiten op de dagen voor de woensdag, waardoor de duivel om zo te zeggen moest worden verdreven.
Wat zegt de Bijbel ons met betrekking tot carnaval?
Tot zover wat informatie over het carnaval. Voor christenen komt nu de vraag op: Hoe gaan we om met carnaval? Heeft de Bijbel iets over dit onderwerp te zeggen? Daarbij willen we op deze plaats niet voorschrijven wat ouders tegen hun kinderen of hun leraren moeten zeggen, als die op school met carnaval te maken krijgen. Maar als wij Bijbelse antwoorden klaar hebben, zullen wij niet het gevaar lopen, bijvoorbeeld met een ongefundeerde mening de leraren van ons te vervreemden. Wij moeten in wijsheid wandelen, juist ‘tegenover hen die buiten zijn’ (Kolosse 4:5).
En hoe sta je tegenover carnaval?
De Bijbel spreekt natuurlijk vanzelfsprekend niet specifiek over carnaval. De Bij-bel is nu eenmaal geen wetboek, waarbij wij de dingen op alfabet kunnen naslaan. God laat ons in de Bijbel veel meer de grondregels zien, die wij op onze levenswandel moeten toepassen. Ons geweten moet in het licht van Gods Woord gesteld worden. Dan alleen kunnen we een besluit nemen dat Gods goedkeuring heeft, zonder dat we dit doen uit wettische gehoorzaamheid en het klakkeloos overnemen.
De carnavalstijd valt midden in de vastentijd. En over het vasten zegt de Schrift met name in het Oude Testament iets en verder in de Evangeliën en in Handelingen. Waarom noem ik dat nadrukkelijk? Omdat we in de Brieven van het Nieuwe Testament geen enkele vermaning over het vasten vinden. We vinden maar twee vermeldingen dat Paulus gevast heeft. Dat maakt duidelijk dat het letterlijke vasten in onze huidige tijd niet meer de betekenis kan hebben die het vroeger had.
Paulus heeft gevast (2 Korinthe 6:5; 11:27). En in Handelingen lezen we eveneens over vasten (Handelingen 10:30; 13:2; 14:23; 27:9). Vasten wordt ook in verband met het gebed genoemd (‘Maar dit geslacht gaat niet uit dan door bidden en vasten’, Mattheüs 17:21). Dat wijst erop, dat bij een ernstig gebed het past om af te zien van de genoegens van het dagelijks leven.
Aan deze Schriftplaatsen kun je zien dat het raamwerk van de huidige carnavalstijd (nl. een door de kerk voorgeschreven tijd van vasten) beslist geen Bijbels voorschrift voor christenen is. Daarmee zeg ik niet dat je vandaag niet zou mogen vasten, om op een bijzondere manier een gebedsonderwerp intensief voor God te brengen.
Maar er bestaat geen ‘christelijk vasten’. God wil veeleer dat wij in principe afstand doen van elke last en elk genot, die ons in de christelijke wedloop in de weg staan: ‘Laten wij alle last en de zonde die ons lichtelijk omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt, terwijl wij zien op Jezus…’ (Hebreeën 12:1).
Wij vinden, wat betreft het carnaval, uitbundige en ongebreidelde vreugdefeesten, die vergezeld gaan van oorverdovende muziek met overheersende ritmes. Alcohol, vandaag de dag vaak ook drugs en overmatige genotzucht zijn hier maar een paar voorbeelden van. Het zal iedere christen wel duidelijk zijn dat dat niets te maken heeft met de christelijke vreugde die wij mogen genieten. Petrus schrijft in zijn tweede brief: ‘Zij achten een zwelgpartij overdag een genot; [ze zijn] vlekken en smetten en zwelgen in hun eigen bedriegerijen, als zij met u brassen. Zij hebben ogen vol overspel en houden niet op te zondigen; zij verlokken onstandvastige zielen en hebben een hart, geoefend in hebzucht, kinderen van de vervloeking’ (2 Petrus 2:13-14).
En de kleinzoon van de grote koning Nebukadnezar, Belsazar in Daniël 5, zou ons tot een grote waarschuwing moeten zijn. Voor hem was het uitgelaten feest de laatste maaltijd in zijn leven; nu staat hij voor God, aan Wie hij rekenschap schuldig is voor zijn leven!
Trouwens, meestal gaat zo’n zwelgpartij gepaard met het lasteren van goddelijke Personen. Dat was zo bij Belsazar (Daniël 5:4). En Judas maakt dat in zijn brief ook heel duidelijk: ‘Maar evenzo verontreinigen ook deze dromers het vlees en verwerpen de heerschappij en lasteren de heerlijkheden… Maar dezen, al wat zij niet kennen, lasteren zij; en in al wat zij van nature weten, zoals de redeloze dieren, daarin verderven zij zich…. Dezen zijn vlekken in uw liefdemalen, zonder vrees brassen zij in uw bijzijn en weiden zichzelf’ (Judas 8-12).
Is het niet waar dat de beschrijving van deze mensen als dieren, juist in carnavalstijd, de spijker op de kop slaat? Daarbij zinspeel ik niet alleen maar op alle varianten in de verkleedkleren. En hoeveel wordt er in de carnavalstoespraken ook niet godslasterlijk gesproken. Daar kan een christen niets mee van doen hebben.
In 2 Petrus 3 hebben wij al gezien, dat tegelijk ook van echtbreuk sprake is. Er is nauwelijks een tijd waarin huwelijken en relaties zo zeer gevaar lopen als bij carnaval. Door de verkleding kun je de persoon tegenover je niet herkennen en ben je vrij om met diegene te dansen met wie je wilt. En niet zelden belanden dan twee wildvreemde mensen met elkaar in bed. Misschien alleen voor een nacht (al erg genoeg!), misschien ook voor een langere tijd.
De Bijbel spreekt daarover heldere taal: ‘Maar de vreesachtigen en ongelovigen en zij die gruwelen bedrijven en moordenaars en hoereerders, en tovenaars en afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood’ (Openbaring 21:8). Ook dat maakt duidelijk dat een christen zich bij het vieren van de carnaval niet goed kan voelen en er ook geen deel aan kan nemen. Anders kan het gebeuren, dat een gelovige zo’n zondig gedoe plezierig gaat vinden en zelf in zonde valt.
Bij het laatste punt is de verkleedpartij al ter sprake gekomen. Ook in de Bijbel vinden wij mensen die zich verkleed hebben. En je kunt niet zeggen, dat er ook maar één positief voorbeeld tussen zat. Saul verkleedde zich, toen hij naar de waarzegster ging; hij werd ontdekt (1 Samuël 28). Tamar was de schoondochter van Juda, maar zij verkleedde zich als een hoer (Genesis 38). Was het goed, dat Jakob zich verkleedde, om voor Ezau te spelen (Genesis 27)? En hoe ging het met Achab en Josia, die zich in de oorlog verkleedden (1 Koningen 22; 2 Kronieken 35)? Zelfs de duivel ‘verkleedt’ zich en komt daarom als een engel van het licht (2 Korinthe 11:14). En daarom komen ook zijn navolgers, valse profeten, in schaapskleren (Mattheüs 7:15).
Bovendien worden juist door de carnavaleske verkleedpartijen sommige verdorven personen en krachten onschuldig voorgesteld (duivel, heksen). Hoe zou een christen na het lezen van deze voorbeelden nog aan zulke verkleedpartijen kunnen meewerken? Als iemand zich verkleedt, wil hij een persoon voorstellen, iemand die hij in werkelijkheid niet is. Dat hebben we als kinderen vast en zeker allemaal wel eens een of andere keer gedaan. Hangt met dit verkleden echter niet vaak het verlangen samen, dat ik graag iemand anders had willen zijn, bepaalde eigenschapen graag zou hebben gehad, die de Heere mij niet verleend heeft?
Tenslotte wil ik graag nog iets zeggen over de zogenaamde vrouwencarnaval of ‘oudewijvencarnaval’. Op deze speciale donderdag hebben de vrouwen het voor het zeggen en kunnen zich van het hele gezag van de mannen ontdoen. Uiteindelijk is het hele carnaval immers een zich losrukken van alle normen en regels. Ieder kan doen en laten wat hij wil. Hij kan zijn persoonlijke ‘vrijheid’ uitleven (en merkt niet, dat het tenslotte niets anders is dan gevangenschap door de duivel).
Maar het overtreden van de scheppingsorde van God geeft de carnavalsvrouwen blijkbaar heel veel plezier, terwijl God heeft bepaald dat de man het hoofd van de vrouw is (1 Korinthe 11:3), en dat is een bepaling die tot vandaag de dag nog geldt. ‘U, vrouwen, weest aan uw mannen onderdanig, zoals het betaamt in de Heere’ (Kolosse 3:18). Dit vers kun je ook in de carnavalstijd niet simpelweg negeren!
Afsluitend
Al deze punten maken tenslotte duidelijk, dat een leven dat God behaagt niet te rijmen valt met het vieren van carnaval [3]. Natuurlijk mogen we blij zijn. We mogen ook best een goede maaltijd nemen, maar zwelgpartijen en bandeloosheid in de zin van carnaval passen totaal niet bij een christen. Omdat het niet bij Christus past. En Hem willen we graag eren!
Manuel Seibel
Bron: ©Volg Mij! 1/2015
[1] Het ‘liturgische jaar’ met zijn feesten en gebruiken is naar analogie met oudtestamentische, Joodse feesten geleidelijk in christelijke kerken geïntroduceerd en is niet op de Bijbel gefundeerd. Hoewel veel christenen bijv. Pasen of Kerstmis oprecht willen vieren, is de enige aangegeven speciale dag (‘feestdag’) in het Nieuwe Testament de eerste dag van de week, de ‘dag des Heeren’.
[2] Aswoensdag is in de rooms-katholieke traditie het begin van de 40 dagen durende vastentijd, die loopt tot en met Paaszaterdag,ook wel Stille Zaterdag genoemd.
[3] Laten we hier liever consequent zijn! Een christen die deelneemt aan carnaval, zonder de ergste uitwassen mee te maken, is altijd nog eerder een karikatuur van een discipel en zeker geen geloofwaardige getuige van zijn Heere en Zaligmaker.