Soms worden aanhangers van andere religies aangeduid als ‘andersgelovigen’. Zij zouden allemaal geloven in dezelfde God. B&O haalt twee bekende zendingswetenschappers aan en formuleert een eigen standpunt.
Ten aanzien van de NAAM van Jezus Christus zegt de Bijbel het volgende:
Hand. 4:12: “En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de
hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden.”
Joh. 14:6 : Jezus zei tot Thomas: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven;
niemand komt tot de Vader dan door Mij.”
Introductie
Deze folder is niet een actie tegen een persoon of instituut, maar beoogt een bijdrage te zijn in de discussie over de identiteit van de christelijke scholen, die ook en juist in deze tijd ‘School met de Bijbel’ willen zijn. Onze samenleving wordt steeds meer gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen uit andere culturen, men spreekt dan ook wel van een pluriforme, multiculturele samenleving. Het gevolg hiervan is een grote verscheidenheid aan opvattingen, niet alleen op sociaal maar ook op religieus gebied. Onmiskenbaar komt ook het onderwijs hiermee in aanraking en wordt het hierdoor beïnvloed.
In de samenleving zien wij steeds meer dat ‘multicultureel’ gaat worden tot ‘multi-religieus’. Soms lijkt het wel alsof het christelijk geloof een godsdienst is van het westen, en dat buitenlanders meestal een ‘ander geloof’ aanhangen. Dit is een generalisering, want ook buitenlandse kinderen kunnen uit christelijke gezinnen komen, en Nederlandse kinderen blijken dikwijls ‘nergens meer aan te doen’.
Cultuur en religie zijn dus niet identiek!
Toch staan christelijke scholen voor de volgende vraag:
Hoe gaan wij om met mensen en kinderen die andere, en dan met name religieuze, opvattingen hebben en toch onze christelijke scholen bezoeken? Dit is een urgente vraag, ook al vanwege het nieuwe leergebied ‘Geestelijke stromingen’, waar iedere school mee te maken krijgt (ook scholen die niet bezocht worden door kinderen van andere etnische groepen). Wij houden ons met deze vraag bezig, omdat ook vanuit kerkelijke kring, of vanuit de opleidingen, soms een mening wordt verwoord die heel anders is dan de schoolleiding, bestuur of ouders dat gewend zijn. Wij doelen nu in het bijzonder op het recent verschenen boek van drs J.D. Kraan: Bijbel en anders-gelovigen. Dit boek is voor de christelijke scholen een uitdaging en de gevolgen kunnen heel ingrijpend zijn.
Om op de gestelde vraag enig zicht te krijgen, hebben wij vijf onderwerpen gekozen die van wezenlijk belang zijn voor wat wij geloven, met name ook voor het uitdragen ervan aan kinderen van andere etnische groepen. Deze onderwerpen zijn:
- ANDERSGELOVIGEN
- DE ENE NAAM: JEZUS CHRISTUS
- DE OPENBARING VAN GOD
- GERECHTIGHEID EN HEIL
- ZENDING EN DIALOOG.
Achtereenvolgens zullen wij deze telkens vanuit drie opvattingen benaderen, en wel tweemaal principieel en eenmaal vanuit de praktijk van een christelijke school die bezocht wordt door een hoog percentage (35%) leerlingen uit andere etnische groepen, waaronder veel Moslims en Hindoes.
(1) De opvattingen van Drs J.D. Kraan, zoals verwoord en anderen (instemmend) citerend in zijn boek: Bijbel en andersgelovigen
(2) Zendingswetenschappers zoals H. Kraemer en J. Verkuyl, blijkens citaten uit enkele van hun belangrijkste werken
(3) De praktijk van een School met de Bijbel in een grote stad.
Eigenlijk is, bijbels gezien, de term ‘andersgelovigen’ onjuist. De Schrift kent slechts één geloof, en bijbelse prediking is erop gericht ‘gehoorzaamheid des geloofs’ te bewerken onder alle volken.
Ongeloof is dus, evenals ‘anders-geloven’, ongehoorzaamheid aan de Almachtige God. Dit wil niet zeggen dat christenen beter zouden zijn dan anderen, want alle mensen zijn van nature in opstand tegen God en Hem ongehoorzaam; dat geldt dus ook voor joden en christenen die zich richten tegen de openbaring van God.
Vooraf dient nog te worden opgemerkt dat iedereen, die zich vanuit zijn christen-zijn bezig houdt met genoemde problematiek, vooraf basis-keuzes heeft gemaakt. Dat bepaalt dan ook de wijze waarop deze vragen worden benaderd en de inhoud die eraan wordt gegeven.
Het feit dat men dan dezelfde woorden of Bijbelgedeelten gebruikt, wil dus beslist niet zeggen dat men de Bijbel ook op dezelfde wijze hanteert.
Daarom vermelden wij expliciet dat wij ons kunnen vinden in de teneur van de citaten van dr. Kraemer en dr. Verkuyl (telkens verwoord onder (2).
Het standpunt van Bijbel & Onderwijs is verwoord onder (3) en gaat uit van de Bijbel als het onfeilbare en onveranderlijke Woord van God, ingegeven en te verstaan door de Heilige Geest, met als centrale boodschap het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus, Zijn opstanding, hemelvaart en wederkomst.
ANDERSGELOVIGEN
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Ook anderen zoals moslims, hindoes en boeddhisten dienen als gelovigen beschouwd te worden” (p.126)
“Maar die God staat in het middelpunt, die ook door joden en moslims als God aanbeden wordt” (p.158)
(2) Opvatting van dr Verkuyl:
“In de communicatie van het evangelie met moslims kunnen we niet volstaan met de opmerking dat christenen en moslims en talmoedische joden allen in één God geloven en dat ze allen op de een of andere manier monotheïsten zijn en dat daarom hun godsconcepties vrijwel gelijk zijn. Zulke opmerkingen getuigen van grote opppervlakkigheid” (J. Verkuyl, Met moslims in gesprek over het evangelie, p.47/48)
“Wie knielt voor Jezus, de Gekruisigde en Verrezene, kan niet meer zeggen dat het er niet toe doet wat je gelooft en in wie je gelooft. Wie knielt voor Jezus kan niet meer zeggen: Ik zie tussen de boodschap van Jezus, Boeddha, Mohammed e.a. slechts relatieve verschillen” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.98)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
De School met de Bijbel staat open voor alle kinderen van wie de ouders christelijk onderwijs op prijs stellen. In het toelatingsgesprek worden altijd de volgende drie punten helder gesteld:
a. dagelijks wordt aan alle kinderen vanuit de Bijbel verteld
b. dagelijks wordt gebeden tot God die we kennen door Jezus Christus
c. dagelijks worden christelijke liederen gezongen door alle kinderen.
Er wordt dus niet gesproken over andersgelovigen of ongelovigen; er wordt slechts gesproken over kinderen die voor de School met de Bijbel kiezen en die vaak verschillende culturele achtergronden hebben.
DE ENE NAAM: JEZUS CHRISTUS
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Dat is het nieuwe van deze tijd: er vindt vernieuwing van een eeuwenoud model plaats; niet Christus staat centraal; niet Hij is exclusief of normatief maar de God die zich naast Christus ook openbaarde op andere wijzen” (p.141, n.a.v. de theologie van Paul Knitter in diens boek: No other name?)
“Misschien blijkt Jezus aan het einde van de tijden toch exclusief en normatief te zijn, maar zo’n hypotheek kunnen we momenteel niet leggen op het gesprek met andersgelovigen” (p.143)
“In de Bijbel staat God centraal. Christus kwam om dienstbaar te zijn aan God en de mensen. Door de verzoening die Hij bracht zal Hij aan het eind der tijden voor ieder de weg, de waarheid en het leven blijken te zijn” (p.166)
(2) Opvatting van dr Verkuyl:
“De boodschap, waarmee de Christelijke Kerk vanaf haar ontstaan tot nu toe in de wereld gestaan heeft en staat, kan worden samengevat in de belijdenis: JEZUS IS HEER. Wanneer de christelijke kerken in alle werelddelen dat belijden, dan bedoelen ze daarmee, dat Hij de Alpha en de Omega is voor de hele wereldgeschiedenis, de Enige Middelaar Gods en der mensen.
Als de christelijke kerken belijden, dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid, dan bedoelen ze daarmee wat Simon Petrus beleed door de Hoge Raad van Israël: “Er is onder de hemel geen andere Naam de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden’, Hand. 4:12” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.16)
“Alles is in de Bijbel geschreven opdat de lezers mogen geloven in Jezus, wan wie dit boek getuigt in talloze variaties” (J. Verkuyl, Met moslims in gesprek over het evangelie, p.37)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
Centraal in het totale onderwijsgebeuren staat de Bijbel, waardoor we God kunnen leren kennen in Jezus Christus. Daaruit blijkt dat er slechts één manier en Naam is om God te leren kennen.
Het doel van het onderwijs is het vormen en toerusten van kinderen door begeleiding, hulp en voorleven tot zelfstandigheid en de ontplooiing van kinderen volgens bijbelse normen, opdat zij mogen komen, indien de Here dit wil zegenen, tot een persoonlijke relatie met Jezus Christus en van daaruit gaan functioneren in de samenleving.
DE OPENBARING VAN GOD
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Volgens de Bijbel is er maar één God die wat kan, maar een God die schept en redt, draagt en bevrijdt. Dat is een belangrijke conclusie voor de ontmoeting met andersgelovigen. Want als er maar één God is die zich, ook aan andersgelovigen, niet onbetuigd gelaten heeft (Hand.14:17), dan mogen andere religies gezien worden als antwoorden op de openbaring van de ene God” (p.51)
(2) Opvatting van dr Kraemer en dr Verkuyl:
“. . . Volledige handhaving van het unieke karakter van de christe lijke openbaring als Gods soevereine, toenaderende handeling, hetgeen zeggen wil dat er geen bruggen zijn van menselijk religieus geweten naar de realiteit van Christus en dat het exclusief Gods genade is en geen menselijke bijdrage of geschiktheid in wat voor opzicht ook, met als resultaat ‘het afvallen van de oogkleppen'” (H. Kraemer, The Christian Message in a non-Christian World, p.132)
“Maar als de vraag wordt gesteld of wij de God en Vader van Jezus Christus op dezelfde wijze mogen belijden als moslims dat doen in hun iman (geloof), dan moeten we eerlijk zeggen: De God en Vader van Jezus Christus is anders dan Allah in de Islam” (J. Verkuyl, ‘Met moslims in gesprek over het evangelie’, p.125)
“God knoopt in de Christus-openbaring niet aan bij de religies. Maar God sluit wel aan en knoopt wel aan bij wat Hij van zichzelf geopenbaard heeft en openbaart. Er is tussen zijn scheppings- en herscheppingsopenbaring continuïteit. Maar er is discontinuïteit tussen de menselijke religies en Gods openbaring in Christus” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.110)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
Het totale gebeuren in onderwijs en opvoeding is gebaseerd op dat wat God in de Bijbel van Zichzelf openbaart, wat Hij zegt over mens en samenleving en over hoe we met elkaar om dienen te gaan.
Andere mensen nemen andere gewoonten mee, mede bepaald door culturele en religieuze achtergronden. Wij accepteren de verschillen in cultuur en gewoonten en besteden daar aandacht aan.
Het is de opdracht voor de christen om ongeacht de cultuur (de Nederlandse of een andere) Jezus Christus te verkondigen aan mensen, in de wetenschap dat daardoor een cultuur mede beïnvloed wordt. Het doel is echter in de eerste plaats de verandering van het hart, zodat het op Christus zal zijn gericht.
GERECHTIGHEID EN HEIL
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Zij die werken der gerechtigheid gedaan hebben, goede vruchten vertoond hebben door op te komen voor de gevangene, de vreemdeling, de zieke, de hongerige etc. mogen ingaan tot het Koninkrijk. Anderen, zij die dachten Jezus te kennen, worden buitengesloten” (p.56)
“Niet alleen christenen dragen vrucht. De vruchten van andersgelovigen mogen herkend worden als gaven van God” (p.57)
(2) Opvatting van dr Verkuyl:
“Ieder mens, van welk volk, van welke cultuur, van welke religie ook, ondergaat de aantrekkingskracht van deze heilsweg, gebaand door goede werken; maar ieder mens van welke religie ook, heeft het Evangelie nodig om tot het besef te komen dat de weg van de nomos (de wet) doodloopt en opgeheven wordt door de Persoon en het werk van Jezus: ‘Want Christus is het einde der Wet tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft’, Rom.10:4-13” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.129)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
De enige grond voor behoud is de genade die er is van God door het geloof in de verzoening gebracht door Christus. Vanuit het geloof komt de vrucht van de Geest tot ontplooiing in het leven van de gelovige. Het is het gevolg van de genade.
Maar het is niet omgekeerd zo, dat wanneer iemand de werken der gerechtigheid doet, hij daarmee zijn behoud bewerkt.
Het is goed wanneer de teamleden in de omgang met elkaar en met anderen laten zien hoe dat praktisch werkt, bijv. door fouten te erkennen, door vergeving te vragen en te geven; niet iemand op diens zwakke punten te pakken, maar deze juist steunen en bemoedigen; door elkaar aan te vullen en samen het werk te doen.
ZENDING EN DIALOOG
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Als wij in (andersgelovige) vreemdelingen hier en nu Christus niet vinden, gaan wij dan verloren?” (p.73)
“Wie vandaag nog een antithetische, agressieve zendingsactiviteit bedrijft, staat het evangelisch getuigenis in de weg” (p.123)
“De enige mogelijkheid om van die Heer te getuigen, is de weg van dialogische openheid” (p.124)
“Ook anderen zoals moslims, hindoes en boeddhisten dienen als gelovigen beschouwd te worden (p.126)
“Het waardevolle . . . is dat we onontkoombaar voor de vraag gesteld worden of bepaalde bijbelteksten of zelfs de strekking van hele bijbelboeken de dialoog met andersgelovigen in de weg staan” (p.66)
(2) Opvatting van dr Kraemer en dr Verkuyl:
“Waarom dan, gezien in bijbels licht, is de communicatie van de christelijke boodschap te beschouwen als een op zichzelf staande categorie? In de eerste plaats vanwege het bijzondere karakter.
Het is niet een boodschap waarvan de dragers het recht hebben te besluiten of ze wel of niet gecommuniceerd zou moeten worden . . . Ze moet gecommuniceerd worden omdat ze het resultaat is van het profetisch geweten dat ze het woord is van de Heer van het heelal: ‘Hoor, o hemelen en luister, o aarde; want de Heer heeft gesproken'” (H. Kraemer, The communication of the Christian Faith, p.22)
“Als Jezus Christus voor alle tijden en voor alle volkeren van beslissende betekenis is en als aan Hem gegeven is de Naam die boven alle naam is, dan is het ook de onnalaatbare plicht en roeping om dat Evangelie van deze gekruisigde en verrezen Heer bekend te maken onder de volkeren. Het is dan ook van daaruit volkomen verstaanbaar dat in alle evangeliën en ook in de Handelingen der apostelen het bevel tot verbreiding van het Evangelie klinkt” (J.Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.143)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
Het Evangelie is niet gericht tégen mensen en culturen, maar is een verlossende en heilbrengende boodschap voor iedereen die ernaar wil horen. Op een School met de Bijbel die open staat voor iedereen, is die boodschap dus voor iedereen die bij de school is betrokken, zonder onderscheid des persoons.
Dit uit zich o.a. in het respect voor elkaars cultuur en het bespreken van verschillende opvattingen in het licht van de Bijbel. Maar ook in bijv. het geschenk dat iedere leerling krijgt tijdens de Kerst, of de Bijbel die wordt meegegeven aan kinderen die de school verlaten (in welke groep ook).
Biologie en Verzorging
De vakken Biologie en Verzorging dragen in aanzienlijke mate bij tot de levensbeschouwelijke vorming. Bijbel & Onderwijs reikt aanvullingen aan waardoor deze vakken bijdragen tot een bijbelse mens- en wereldvisie.
Meer dan ooit tevoren, komen natuurwetenschappers tot de overtuiging dat ‘Bijbel’ en ‘Wetenschap’ geen tegenstellingen hoeven te zijn, iets wat de apostel Paulus reeds in 1 Timotheüs 6:20 betoogde. Biologen zouden hier niet bij moeten achterblijven en daarom verwijzen wij hen naar de speciale pagina Schepping en evolutie die Bijbel & Onderwijs heeft ingericht en waarin onder meer naar enkele aanbevolen publicaties en websites wordt verwezen.
Kerndoelen basisvorming Biologie
Op een christelijke school moeten enkele uitgangspunten van het vak Biologie vanuit de Bijbel worden aangescherpt, zodat het vak, evenals Verzorging, niet van God en zijn Woord afleidt, maar juist daarheen voert. Drie hiervan worden hier genoemd, waarbij onze toevoegingen op de overheidskerndoelen cursief zijn weegegeven.
* De leerlingen zijn zich bewust dat het leven door God gegeven is en erkennen de Goddelijke orde die God in de schepping gelegd heeft.
* De leerlingen hebben kennis van de creatie- en evolutietheorie, en zij hebben daarbij geleerd onderscheid te maken tussen feiten en meningen.
* De leerlingen herkennen biologische aspecten in een maatschappelijke situatie en kunnen georiënteerd op de Bijbel positieve en negatieve elementen hieraan onderscheiden; mede daardoor kunnen zij een gemotiveerd standpunt bepalen en beslissingen nemen over het eigen gedrag en dat van anderen.
* Een ander belangrijk aspect hierbij is het op verantwoorde wijze omgaan met seksualiteit.
In verband met de eerste twee punten: informatie over beide modellen en kritisch leren denken, verwijzen wij naar de hierboven vermelde speciale pagina, waarin onder meer naar enkele aanbevolen publicaties en websites wordt verwezen.
Het vak Verzorging werd in 1995 ingevoerd en bevat tal van elementen die van God afvoeren. Vandaar dat reeds een jaar later een christelijke bewerking van een leerboek is verschenen onder de titel Zorg nou zelf (uitg. SMD, Leiden), dat op diverse christelijke scholen zijn weg heeft gevonden.
TOVERACADEMIE
In 2005 was tijdens de kinderboekenweek het thema ‘Toveracademie’. De legitieme vraag is of je als christen zo’n thema kunt aanvaarden.
HET ONMOGELIJKE MOGELIJK MAKEN
De stichting CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) heeft half mei alle basisscholen in Nederland voorzien van een folder waarin het thema voor de kinderboekenweek 2005 wordt omschreven. Die kinderboekenweek (van 5-15 oktober) staat in het teken van “De toveracademie – Boeken vol magie”. Het is een thema om mee te spelen, zo stelt de stichting cpnb. “Kinderboekenweek 2005 draait dus om het onmogelijke mogelijk maken.”
Dat het onderwerp ‘TOVERACADEMIE’ voor de basisscholen zou zijn, was al een tijdje bekend. In meerdere persberichten sinds november 2004 heeft de stichting CPNB het publiek op de hoogte gesteld van haar keuze. Die keuze blijkt niet onomstreden. In februari verschenen twee open brieven, gericht aan ouders en scholen. In beide brieven wordt gewezen op het grensoverschrijdende karakter van een thema als magie. Bijbel & Onderwijs heeft de brieven verspreid onder ruim 5000 leden en belangstellenden. Direct brak er een stevige discussie los binnen veel scholen, kerken en onder ouders, met de vraag of dit thema wel verantwoord is. Inmiddels blijken steeds meer scholen te besluiten niet met het – door de stichting CPNB voorgedragen – thema mee te doen. Velen kiezen voor het alternatieve thema – ‘Wonderlijk’ – dat wordt aangeboden door de werkgroep Christelijke kinderboeken.
Inmiddels ziet de stichting cpnb de kritiek op het thema groeien en heeft de Vereniging Bijbel & Onderwijs onder druk gezet om met negatieve en onware publiciteit te stoppen.
In een persbericht (12 mei 2005) ontkent het CPNB kinderen ‘duivelse praktijken’ te willen bijbrengen.
In de recent verschenen folder bedankt de stichting CPNB Harry Potter. Het fenomenale succes van de serie rond de tovenaarsleerling, bewijst volgens hen, dat boeken vol magie boeiend zijn voor kinderen en volwassenen. Tijdens de kinderboekenweek bieden zij aktiviteiten aan die variëren van knutselen tot een project “waarin de school 2 weken lang in een Toveracademie wordt veranderd.” Verder wordt onder meer een quiz gepresenteerd waardoor de kinderen “spelenderwijs vertrouwd raken met betoverende kinderboeken.”
Uit de discussies van de afgelopen periode blijkt, dat de meningen zeer verdeeld zijn in Nederland. Velen vinden het belachelijk om je druk te maken over magie en tovenarij. Het is immers – zo stellen zij – allemaal maar een spelletje. Bovendien geloven steeds minder christenen nog in het bestaan van de duivel. Maar daarnaast is er ook een groeiende groep ouders en scholen die grote bedenkingen hebben bij het ‘speelse’ karakter van de magie. Mede door de boeken over Harry Potter is hekserij een modeartikel geworden. De groei van de wicca-aanhang spreekt wat dat betreft ook boekdelen. Maar tovenarij blijkt in de praktijk helemaal geen spelletje. Tovenarij is een duivelse praktijk, zo blijkt in werkelijkheid en zo wordt geschreven in de bijbel (Handelingen 8:9-13, Jesaja 8:18-22).
In moderne muziek, computerspelletjes, stripboeken en leesboeken wordt gewelddadig en occult gedachtegoed (spelenderwijs) met de paplepel ingegeven. Vooral aan kinderen, die heel open zijn en nog geen goed onderscheid kunnen maken tussen fantasie en werkelijkheid, wordt een angstaanjagend wereldbeeld gepresenteerd, een wereld waarin strijd gevoerd dient te worden met geesten en monsters. Hiertegen is slechts verweer mogelijk door het oproepen van onzichtbare hulpkrachten, die vriendjes worden genoemd. Deze vorm van visualisatie en het leren toepassen van paranormale krachten, toverspreuken en vervloekingen – die soms nog echt blijken te werken – vormen de basis voor de strijd. Over onschuldige spelletjes, muziek en boeken gesproken. Het begint schijnbaar aardig en speels, maar leidt uiteindelijk tot ellende en dood. Harry Potter draagt een anti-bijbelse wereldbeschouwing over en leert kinderen onder meer lastige opvoeders (leraren, ouders) te vervloeken…
Helaas blijkt, dat er heel gemakkelijk grenzen overschreden worden. Velen hebben geen flauw besef van wat zich afspeelt onder kinderen en jongeren, noch wat de immense gevaren zijn van ‘spelen met de onzichtbare wereld’. Kinderen kunnen van jongs af aan wennen aan geweld en agressie. Ze komen daarnaast via tv-programma’s, computerspelletjes en internet in aanraking met zaken als erotiek, sciencefiction en demonie. In het tv-programma ‘Bij ons thuis’, van Teleac, werd op 7 maart 2005 uitgebreid aandacht besteed aan de invloed van erotische clips op kinderen en tieners. Kijken leidt vaak tot doen, was de conclusie. Dat laatste wordt ook bevestigd in enkele onderzoeken naar de relatie tv-geweld en de werkelijkheid. “Kinderen die van jongs af aan worden geconfronteerd met agressie en geweld op televisie, raken al vroeg in hun leven afgestompt en gaan als pubers en jongvolwassenen op zoek naar sterkere prikkels om te kunnen griezelen en gruwelen. De industrie bedient hen op hun wenken met, om maar iets te noemen, de steeds engere en gewelddadigere Halloweenfilms.” (Elsevier 10, 12 maart 2005)
Ach, zeggen mensen die graag relativeren, ze weten heus wel het verschil tussen de virtuele en echte wereld. Maar reclamemakers en trendwatchers weten wel beter. Kinderen én volwassenen zijn zeer gevoelig voor impliciete en expliciete televisieboodschappen, of die nu waar zijn of niet.”(Elsevier 10, 12 maart 2005) Die gevoeligheid is er zeker ook ten aanzien van allerlei magische thema’s. Vooral in een tijd waarin het christelijke geloof wordt uitgehold en de kerk lijkt te hebben afgedaan, zoeken velen toch naar mystiek en religie. Grenzeloos gaan velen op zoek naar wat verborgen is. Het onmogelijke moet waargemaakt worden. Het occulte is al jaren in, maar leidt ook al jaren tot grote problemen.
Daarom is het motto ‘toveracademie’ echt grensoverschrijdend en levensgevaarlijk.
authenticiteit
Over bijbelse authenticiteit … als geleefde identiteit
‘U zegt dat nu wel… maar hoe denkt u er zelf over… en past u het ook zelf toe?… ‘ Zomaar een opmerking van Wim, een leerling in Havo 4 die aan het denken zet. De jongen had een poosje geluisterd naar de uitleg over vergeving en kwam toen met deze opmerking. De uitleg was voor hem kennelijk niet voldoende. Daar hoorde nog iets bij. Iets van de leraar. Iets dat verder reikt dan vakkennis en zelfs verder dan geloofskennis…
Orthodoxie én… orthopraxie
In de bijbels georiënteerde opvoedingsliteratuur is decennia lang nagedacht en geschreven over de vraag ‘Hoe draag ik de geloofsinhouden op een bijbelse wijze over en tegelijkertijd op een manier, die aansluit bij jongeren en duidelijk overkomt. Er ontstonden vele zeer waardevolle kind- en/of leerstofgerichte modellen van leerstijlen en pedagogische schema’s. Maar intussen is er bij de jongeren – zowel in de thuissituatie als op school (en zeker in de kerk) een heel andere vraag ontstaan. De vraag naar de echtheid. De vraag naar de persoon achter het verhaal. De vraag naar de opvoeder achter de opvoeding. Het zijn niet meer (alleen) de grote verhalen die het hem doen bij jongeren. Ook de persoon(lijkheid) van de opvoeder doet er toe. Zijn/haar echtheid dus. Jongeren maken zich minder druk om de inhoud, zij ‘screenen’ de opvoeder op taal, voorkomen, voornemen, uiterlijk, gedrag, etc., trekken hun ‘echtheidconclusies’ en vertalen deze conclusies in beoordelingscriteria voor de opvoeding. Een opvoeder is pas echt, als hij/zij doet wat hij/zij zegt en vice versa, met andere woorden of het gedrag in overeenstemming is met de verkondigde boodschap. Hier is de authenticiteit van de opvoeder in het geding. Wat verstaan we hieronder?
Geleefde identiteit
Het is best wel lastig om precies aan te geven wat we verstaan onder ‘authenticiteit’. Als ik het u zou vragen, zou u het dan meteen kunnen zeggen? Meestal wordt er gedacht aan woorden als: echtheid, wijsheid, enthousiasme, openhartigheid, gedrevenheid, vriendelijkheid, stabiliteit, relativeringsvermogen, nadoen, mildheid, houding en betrokkenheid. Maar ook omschrijvingen als ‘een innerlijke stem’, ‘geestelijke gezondheid’, ‘zelfbeheersing’ en ‘goed ogend gedrag’, komen voor. In de meeste van deze uitdrukkingen horen we iets doorklinken dat zowel betrekking heeft op de binnenkant als op de buitenkant, zeg maar het uiterlijke gedrag. Daarom zou ik authenticiteit voorlopig willen vertalen met ‘geleefde identiteit’.
Ook in jeugdstudies wordt met regelmaat gewezen – met name in het kader van kerkverlating – op deze dubbelheid. Het zijn in het bijzonder de ervaringen op dit terrein, namelijk het teleurstellende gedrag van zogeheten (mede)gelovigen, die het (prille) jongerengeloof om zeep helpen. Er klinken dan opmerkingen als: ‘Dat had ik nooit van hem/haar gedacht.’ ‘Hij is me behoorlijk tegengevallen’. Jongeren haken af vanwege het gedrag van (mede)gelovigen.
Bovenstaande roept de vraag op naar het eigene van authenticiteit. Betreft het (een specifieke vorm van) kennis? Of moeten we authenticiteit opvatten als een vaststaand – en daarmee onveranderlijk – gegeven met betrekking tot aard en aanleg? Of is authenticiteit een vaardigheid en (dus) een te ontwikkelen communicatief technisch handelen? Of moeten we authenticiteit duiden als een gevoel, een bijzondere vorm van vriendschap, waarvan (slechts) de aanwezigheid bewonderd en de afwezigheid betreurd kan worden? Of is het niet meer of minder dan een (christelijke) gave? Voor de beantwoording van deze vraag hebben we korte verkenning op het terrein van de psychologie nodig, toegespitst op de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit.
Identiteit… door externiteit
Jongeren zoeken zichzelf. Sinds Erikson wordt hier het begrip ‘identiteitsontwikkeling’ voor gebruikt: een boeiend, spannend en tegelijkertijd meer dan eens moeizaam proces. In dit proces eigent men zichzelf rollen en betekenissen toe, die niet altijd door anderen als zodanig worden gezien en toebedeeld. De eigenschappen die de jongere zelf denkt te hebben, worden niet gezien. Taken die hij wil verrichten, vertrouwt men hem (nog) niet toe. Door zijn veelal ongenuanceerde visie op hervormingen wordt hij meer dan eens niet begrepen en/of serieus genomen. Bovendien ervaart hij dat hij meer is dan alleen de ‘ik’ die hij kende en waarmee hij vertrouwd was. Maar wie of waar is dan de ware ik? Veel jongeren scheppen zich een denkbeeldig publiek en voor dat publiek spelen zij de rol van degene die ze willen of misschien wel zouden kunnen zijn. In feite staan ze onophoudelijk ‘op de planken’, in afwachting van de reacties van het ‘hooggeachte’ publiek, die in dit geval verder reiken dan het gebruikelijke applaus. Na deze psychologische verkenning gaan we de betekenis van ‘het publiek’ na.
Christelijke identiteit vanuit de relatie met Christus
Het is bekend dat kinderen en jongeren nauwkeurig letten op het gedrag van de mensen in hun omgeving. Ze nemen dit waar en reageren daarop door bepaalde elementen over te over en te gebruiken als bouwstenen voor hun identiteit en zich van de overige elementen te distantiëren. Zo ontstaat hun identiteit via hun relaties. Voor de christelijke identiteit zijn drie relatievormen relevant, die met elkaar samenhangen: de relatie met de Here Jezus Christus, de relatie met de jongeren en tenslotte de relatie met zichzelf.
Het fundamentele van de christelijke identiteit ligt m.i. in het feit dat de eerstgenoemde relatie het startpunt vormt voor de overige relaties. Deze relatie willen we hier duiden met het nieuwtestamentisch woord ‘navolging’. Het gaat om de roepstem van de Levende Christus, die ons bepaalt bij de gehoorzaamheid aan Hem, Die ons is voorgegaan op de weg van lijden, sterven, opstanding en verheerlijking, opdat wij Hem zouden volgen en zouden zijn als Hij. Hij gaat voor en wil dat ik Hem volg. Hij is de Leermeester, ik de leerling. Overigens, voor alle helderheid, we leggen hier de nadruk op Jezus’ Leermeesterschap, zonder voorbij te gaan aan Zijn status en heilsbetekenis als Verlosser en Heiland.
Christus zoeken samen met medechristenen
Een relatie met de Here Jezus Christus onderhouden wil dan niet minder zeggen dan ons te laten gezeggen en niet te laten afschrikken door het lijden om vervolgens, met en door Hem, deel te krijgen aan Zijn verkondigde Koninkrijk. Tijdens deze poging tot navolging blijkt al spoedig dat het weliswaar een persoonlijke, maar daarmee niet een individuele onderneming kan blijven. In de ontmoeting met en de navolging van de Ander, hebben we de ontmoeting met de ander meer dan nodig.
Het opbouwen van een relatie met Christus noopt tot intermenselijke relaties. Alleen op de Weg ten Leven komt het tot een ware en levende ontmoeting (letterlijk: het wegnemen van leed) met anderen. Hier liggen de wortels van christelijke authenticiteit. De liefde van en voor de Meester brengt bij-Eén en bijeen. Ten diepste mogen we elkaar zoeken, vinden, vasthouden en ondersteunen in de gezamenlijke poging om de Meester te volgen en de vreugde van het geloof te ontdekken. Onze houding naar en relatie met jongeren zal zich op grond van bovenstaande moeten kenmerken door het uitleven van vergeving, ontferming, liefde, barmhartigheid, zachtmoedigheid en geduld. We zullen bereid en in staat moeten zijn minder gevorderde volgelingen te helpen en te ondersteunen en ons te laten gezeggen door hen die misschien, terwijl ze jonger zijn, reeds verder dan wij gevorderd zijn op de weg van de navolging. We zullen onze jongeren moeten leren zien als gekwalificeerde jongeren. We zullen moeten leren streven naar eenheid en gemeenschap door verbondenheid, betrokkenheid en wederkerige hulpvaardigheid die zich uiten in begrip, acceptatie, integriteit, luistervaardigheid, voorbeeld zijn, theologisch standvastige volgzaamheid, sportiviteit, zelfbeheersing en relativerende humor. Hier valt natuurlijk veel meer van te zeggen, dan in dit bestek mogelijk is.
Omgaan met jongeren krijgt daarmee iets van op weg (de wereld in) gaan, uit zijn op de ontmoeting met anderen, in de gemeenschap met (jonge) mensen treden (werkelijk willen ontmoeten), tegemoet komen, vergezellen, observeren (luisteren op hùn golflengte), begeleiden, komen tot een gedachtewisseling, vertrekken van wat de ander al weet, doorbreken van vastgeroeste gedragspatronen (confrontatie), het openbaringsgebeuren centraal stellen (leren waarnemen van de Leermeester) d.m.v. een uitleg van de Schriften, afzien van resultaatsdenken. (‘Is de opvoeding geslaagd?’). Ik denk bij dit alles specifiek aan een drietal pericopen: Lucas 19 en 24 en Johannes 4. Leest u die, met het oog op dit thema, maar eens na.
Zondaar… en tegelijkertijd gerechtvaardigd…
Wat betekent de ‘navolging’ voor het zelfbeeld van de catecheet? In de ontmoeting met de Here Jezus Christus worden ons twee aspecten van het menszijn aangezegd: we zijn zondaar en tegelijkertijd gerechtvaardigd (M. Luther). Wanneer we beide laten doorwerken in onze beleving, ervaren we over onszelf droefheid èn vreugde en zien we onszelf als mensen, die niets hebben èn tegelijkertijd alles bezitten. Mensen, voor wie de Eeuwigheid is toegesloten èn heropend. We kunnen niet anders dan ons met teleurstelling verbazen over ons falend handelen èn ons tegelijkertijd met grote vreugde verwonderen over Zijn feilloos handelen. De realiteit van schuldbesef en zondenvergeving is het fundament van zelfkritiek èn zelfrespect. Op dit fundament wil Christus verder bouwen aan ons zelfbeeld, met bouwstenen, die door het louterende werk van de Heilige Geest gevormd zijn: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.
Voor deze gelegenheid zou ik ze als volgt willen vertalen: de steen van de bescheidenheid, geworteld in het ontzag voor Hem, Die ons voorgaat en in de bewustwording van de ten principale onmogelijke positie als opvoeder. Bescheidenheid die als vanzelf ontstaat vanwege de vraag: ‘Wie ben ik dat ik dit kan en mag doen?’ De tweede bouwsteen heet ‘zelfaanvaarding’. Voor het aangezicht van God mogen we onszelf zijn en tegelijkertijd levende getuigen van de Here Jezus zijn. Daarbij gaan we onze persoonlijke vragen en twijfels niet uit de weg, maar laten ons ook niet door hen meevoeren. Wanneer de Here Jezus Zijn zendingsopdracht meegeeft aan de discipelen blijkt, dat ook zij nog geen volleerde leerlingen zijn, want, zo lezen, sommigen twijfelden. De derde bouwsteen heet ‘opofferingsbereidheid’. Juist als je jezelf verliest, zul je je leven vinden (Matth. 16). In de bijbels georiënteerde opvoeding zal iets zichtbaar moeten zijn van de bereidheid tot zelfverloochening en kruis dragen. De vierde bouwsteen wil ik aanduiden met ‘relativerende wederkerigheid’. Dit laat zich het beste uitdrukken in de dubbelheid ‘Leraar en leerling’. Opvoeder en opvoedeling trekken gezamenlijk op als leerlingen die naast elkaar plaats nemen in de ‘Leerschool van de Heilige Geest’. Beiden laten zich gezeggen door Hem Die als Enige gezag (dus waarachtig iets te zeggen) heeft. De vijfde bouwsteen heet “zelfdiscipline”. Wat is op dit moment goed aan de orde te stellen en wat niet? Op welke wijze pak ik het aan? Wie ben ik en wie wil ik zijn (voor de jongeren)? Hoe maak ik weloverwogen keuzes en beslissingen? Hoe laat ik nabijheid en distantie elkaar afwisselen ten dienste van een vruchtbare pedagogische ontmoeting? Dit veronderstelt een geduldige houding en een respect voor gevoelige momenten. De zesde bouwsteen heet “dienen”. In eenvoud en helderheid zal de opvoeder steeds bedenken dat hij niet zelf op de voorgrond dient te staan. Zijn aanwezigheid – en daarmee alles wat hij is, zegt en doet – heeft een verwijzende functie. Hij is identificatiefiguur, of hij het leuk vindt of niet, met specifieke bedoelingen. De zevende bouwsteen is de “nederigheid”, die zich laat zien in het toegeven van fouten en kennishiaten. Niet de opvoeder die zich voordoet als ‘allesweter’ geeft blijk van authenticiteit, maar juist hij/zij die het aandurft toe te geven niet alles te weten en zelf ook vaak te moeten zoeken naar antwoorden. We hoeven echt (!) niet op alle vragen antwoorden te weten, maar je moet wel achter (en vooral in) je woorden te staan. Een heldere, eenvoudige getuigenis van je eigen (gebrekkige) omgang met God maakt veel goed. Het is goed van tijd tot tijd eens in je hart te laten kijken en open-hartig je eigen moeiten aan te geven. Zowel de persoonlijke pieken als de dalen van je geloof mogen best eens genoemd worden, zonder in ‘ervaringsopvoeding’ te vervallen. Zolang het maar echt is. Als voorbeeld: een opvoeder die wijst op het belang van de kerkdienst, maar daar zelf slordig mee omgaat, maakt zichzelf en zijn boodschap (!) ongeloofwaardig. Een opvoeder die oproept tot het deelnemen aan kerkelijke activiteiten en zelf vaak verstek laat gaan, ontkracht zijn eigen betoog.
Bijbelse authenticiteit
Authentiek zijn wil in wezen niets anders zeggen dan betrouwbaar zijn. Zeggen wat je doet en doen wat je zegt. Een proces van voortdurende oefening in de juiste houding (Verboom). Door schande en schade een beetje wijs worden. En als je denkt dat het een keer helemaal mislukt is, let u dan eens op de start van de volgende opvoedingssituatie: de jongeren beginnen als opnieuw. Zij geven u een nieuwe kans. Prachtig toch!?
Zoekend naar een geschikte vergelijking kom ik (met genoemde auteur) uit bij de voorstelling van de gids. In het berglandschap van het christelijk geloof wijst de opvoeder op alle prachtige vergezichten die onderweg te zien zijn. Zie je dat? Kijk daar eens! Zouden we het soms zo kunnen doen? Hebben we hier iets aan? Maar ook waarschuwt hij voor gevaren en valkuilen, waar hijzelf minstens evenzeer voor beducht moet zijn als de anderen.
Ten slotte…
Bovenstaande is bedoeld ter overweging. Zeker niet om te ontmoedigen. Wanneer u als lezer die neiging toch bij uzelf bespeurt, wil ik u bemoedigen met woorden die Augustinus ooit richtte aan een Carthaagse diaken, die catechisatie moest geven. Hij schrijft in De catechizandibus rudibus:
‘Wat nu uw persoonlijke zorgen betreft, ik zou toch liever niet zien dat u zich liet verontrusten door het zo vaak bij u optredende gevoel dat u een minderwaardig en vervelend betoog ten beste geeft. Het kan namelijk wel zijn, dat uw leerling niet die indruk heeft gekregen, maar dat u zelf door uw verlangen dat er iets beter te horen werd geboden, bent gaan menen, dat uw woorden voor de oren van anderen niet goed genoeg waren. Ik ken dat ook van mezelf: vrijwel altijd ben ik ontevreden met wat ik zeg; ik wil namelijk zo graag iets beters geven’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1982, p. 16. Geciteerd uit: W. Verboom; Catechese in de praktijk, Zoetermeer 1997).
Drs. H. Bakhuis
ANtWoord: ANW methode voor het christelijk onderwijs
Het nieuwe vak Algemene NatuurWetenschappen roept tal van levensbeschouwelijke en ethische vragen op. De nieuwe methode ANtWoord gaat hier vanuit de Bijbel op in.
Een nieuw vakgebied
Met de invoering van de vernieuwde Tweede Fase voor de bovenbouw van Havo en VWO, worden er ook nieuwe vakken ingevoerd. Eén van die nieuwe vakken is Algemene Natuurwetenschappen, afgekort ANW. Vier vragen staan bij dit vak centraal:
* Waar haal je kennis vandaan? * Hoe weet je wat waar is?
* Hoe gebruik je kennis? * Mag alles wat kan?
Deze vragen bieden alle kansen voor scholen om zich te profileren. Christelijke scholen hebben nieuwe mogelijkheden om hun identiteit gestalte te geven.
Het examenprogramma kent zes domeinen. Het eerste gaat over vaardigheden en is gelijk aan dat van de vakken biologie, natuurkunde en scheikunde. Het tweede gaat over analyse en reflectie en gaat over de vier bovengenoemde vragen. De inhoudelijke domeinen gaan over Leven (onder andere over de oorsprong), over Biosfeer (zoals duurzame ontwikkeling), over Materie (zoals productieprocessen) en over Heelal.
Het vak Algemene Natuur Wetenschappen
Natuurwetenschappers, en in hun kielzog technici, staan in hoog aanzien in onze technologische maatschappij. Kennis over gezondheid, voedsel voor iedereen en allerlei toepassingen van natuurwetenschap maken ons leven aangenaam. ANW heeft als belangrijkste doel dat leerlingen gaan nadenken over de rol die natuurwetenschap om hen heen vervult. De onderwerpen voor ANW zijn gegroepeerd rond vier domeinen: Materie, Leven, Biosfeer en Heelal. Daarbij moet de natuurwetenschap in een context worden geplaatst die voor de leerlingen raakt aan hun eigen beleving.
Het onderwijs in het vak ANW richt zich op de vragen rond de natuurwetenschap. Er komen vragen aan de orde over de geschiedenis van natuurwetenschap en techniek, de betrouwbaarheid (is alles waar wat de wetenschap beweert) en hoe de wetenschappelijke kennis toegepast mag worden. Objectieve en waardenvrije wetenschap bestaat niet. Denk maar aan DNA-technologie, ingrijpen in landbouwgewassen, beheer van de aarde, hoe de kosmos en het leven zijn ontstaan, enzovoort.
Een ANtWoord op ANW
Bij ANW komt de identiteit van het onderwijs nadrukkelijk in beeld. Daarom is op mijn initiatief ANtWoord ontwikkeld. Van harte gesteund door het DGS, het GPC en Bijbel en Onderwijs is er een breed team van acht auteurs gevormd. Na een periode van brainstormen over de uitgangspunten, is van start gegaan met het schrijven van het materiaal. Vanaf september 1999 is er in vijf scholen ervaring opgedaan met de ‘nulde’ versie. Na het nodige schaafwerk zijn in maart de prachtig vormgegeven boeken van de persen gerold. De methode bestaat uit een leer-/werkboek (met werktekst en opdrachten), een full-colour bronnenboek (met uitlegteksten, excursen en bronnen), een internetsite (nog in ontwikkeling) en een docentenboek
HOE NU VERDER?
Open brief tegen toveracademie
Naar aanleiding van de open brieven over De Toveracademie, is een storm van reacties los gekomen. In de pers is op heel verschillende manieren gereageerd. Soms was dat verontwaardigd, dan weer beschuldigend, maar ook heel gelaten. Veel kranten en tijdschriften hebben artikelen geschreven en in diverse radio- en tv-programma’s werd er aandacht aan besteed.
Ook vanuit onze achterban is breed gereageerd. Deze reacties waren overwegend positief. Verder zijn er veel vragen naar ons toegekomen. Wat blijkbaar niet voor iedereen duidelijk is geworden, is het feit dat beide open brieven in eerste instantie bedoeld waren als eye-opener, om een discussie op gang te brengen. De brieven moeten in eerste instantie dan ook gezien worden als een hartenkreet. Verdere onderbouwing blijft dus noodzakelijk. Het mag duidelijk zijn dat het B&O niet alleen maar gaat om het beroeren van de gemoederen, maar om een daadwerkelijke inspanning om de achtergronden van het toveren aan de kaak te stellen. Een grote gezamenlijke inspanning blijft nodig, omdat er heel wat op het spel staat!
Waar gaat het om?
De open brieven blijken aanleiding de discussie te openen over de grenzen van het toelaatbare. Een discussie, die echter veel verder gaat dan de vraag of je nu wel of niet een sprookje mag voorlezen aan kinderen, zoals door sommige journalisten wordt beweerd. Het gaat om de visie van waaruit ouders opvoeden of scholen onderwijs verzorgen. Al die opvoeders maken op grond van hun levensbeschouwing keuzes voor de kinderen die hun zijn toevertrouwd. Zij kiezen voor het overdragen van waarden en geven grenzen aan door normen en regels af te spreken.
Overal in onze samenleving zien we nu juist die grenzen vervagen. Niet alleen in het verkeer worden regels overtreden, zodat de onveiligheid toeneemt. Ook in de omgang met elkaar worden grenzen overschreden. De onveiligheid neemt toe door toename van criminaliteit, zinloos geweld, aanrandingen of ongewenste intimiteiten. Regelmatig breken er discussies los over het toenemende geweld onder kleuters, agressie op basisscholen en wapens in het voortgezet onderwijs. Onderzoek toont aan dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen geweld op tv en geweld op straat. Recentelijk is ook de discussie opgelaaid over de effecten van alle moderne muziek en bijbehorende clips, die soms zeer erotisch geladen zijn. Het lijkt duidelijk dat kinderen en jongeren voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de moderne media.
Door middel van teksten, beelden en handelingen worden de grenzen steeds gemakkelijker verlegd en overschreden. Steeds openlijker worden bijbelse waarden ter discussie gesteld en raken kinderen en jongeren gewend aan geweld, erotiek en het paranormale. Een en ander lijkt daarbij te werken als een nauwelijks zichtbaar proces. Wat eerst niet kon, kan in het klein nu wel en straks ook in het groot.
Ernstig onderschat!
Verreweg de meeste mensen geloven helemaal niet in het bestaan van de duivel, zelfs onder christenen is dit bestaan een discussiepunt. Het mag duidelijk zijn dat de duivel, die in de bijbel ‘de mensenmoordenaar van den beginne en de vader der leugen’ (Joh. 8:44) wordt genoemd, door de introductie van deze leugen vrij spel krijgt. Grenzeloos en straffeloos kan hij zijn gruwelijke werk achter de schermen blijven uitvoeren. Niet voor niets worden we opgeroepen geen deel te nemen aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ze veeleer te ontmaskeren (Ef. 5:11).
In onze wereld blijken diverse van die werken regelrecht van duivelse herkomst te zijn. Veel grof geweld kan niet anders dan uit demonische bron ontspringen. Recentelijk werden tijdens een heavy-metal concert 5 mensen doodgeschoten. In Amerika zijn op de Columbine High School een aantal mensen doodgeschoten door jongeren die het spelletje ‘doom’ speelden. In de videoproductie “They sold their souls for rock and roll” wordt duidelijk gemaakt dat satanist Aleister Crowley de grondlegger is van veel demonische teksten in de moderne muziek (Visie 50, december 2004). Door middel van muziek wilde hij bestaande – christelijke – normen afbreken.
In moderne muziek, computerspelletjes, stripboeken en leesboeken wordt gewelddadig en occult gedachtegoed (spelenderwijs) met de paplepel ingegeven. Vooral aan kinderen, die heel open zijn en nog geen goed onderscheid kunnen maken tussen fantasie en werkelijkheid, wordt een angstaanjagend wereldbeeld gepresenteerd. Er wordt een wereld gepresenteerd waarin strijd gevoerd dient te worden met geesten en monsters. Hiertegen is slechts verweer mogelijk door het oproepen van onzichtbare hulpkrachten, die vriendjes worden genoemd. Deze vorm van visualisatie en het leren toepassen van paranormale krachten, toverspreuken en vervloekingen – die soms nog echt blijken te werken – vormen de basis voor de strijd. Over onschuldige spelletjes, muziek en boeken gesproken.
De bewijzen voor deze magische realiteit liggen voor het oprapen.
Topheks ‘Starhawk’ merkt over de ‘onschuldige’ boeken van Harry Potter op: “Ik vind Harry Potter ook leuk. Fantastische film. En goed voor kinderen, omdat het de wereld van de magie voor ze opent…Heerlijk. Ja, Potter heeft hekserij tot een mode-artikel gemaakt en dat zal nog langer doorgalmen. Kinderen kunnen daardoor steeds gemakkelijker toegeven aan hoe ze energie waarnemen om ons heen…” (Onkruid 148, juli-augustus 2002, pag.15).
In het tijdschrift Visie merkt M. Wisse het volgende op: “Het verschil is dat Sneeuwwitje en de zeven dwergen, Doornroosje en Hans en Grietje zich afspelen in een irrealistische wereld, overduidelijk een sprookje. Behulpzame kabouters, snoephuisjes en een honderdjarige slaap komen onwerkelijk over en staan mijlenver van de wereld van kinderen. De toverkunst houdt in die sprookjes ook niemand in een wurgende angst, integendeel. Harry Potter daarentegen speelt zich af in een gedetailleerd realistische en actuele wereld, met auto’s, pesterijen, een school en een snibbige tante. In zo’n wereld, die kinderen herkennen, wijst Harry met zijn toverstok op het hart van Dirk, zijn rotneefje (en vervloekt hem)…Het genre Harry Potter wekt de indruk (door het contact met overledenen…) dat er een ander, maar niet bijbels, leven is na de dood…’Opzij, of ik vervloek je’, zegt Harry tegen zijn oom als deze om opheldering vraagt.” [1][1]
Harry Potter draagt een anti-bijbelse wereldbeschouwing over en leert kinderen onder meer… lastige opvoeders (leraren, ouders) te vervloeken…We mogen ons gelukkig prijzen dat die vloeken vaak niets lijken te ‘doen’.
Een enquête over ‘religiositeit, occultisme en satanisme’ onder 700 jongeren in de leeftijd tussen 14 en 29 jaar in Tirol toonde een grote belangstelling (ruim 40%) voor occulte fenomenen aan (droomduidingen, telepathie, genezingswonderen). Zo’n 30% had hier ooit mee geëxperimenteerd (glaasje draaien, kaartleggen, pendelen, droomduidingen, horoscopen). Ruim 50% zag de film ‘Buffy – in de ban van de demonen’, Akte X’, ‘Lord of the rings’, ‘Harry Potter 1 en/of 2’, ‘Het 6e zintuig’.
Conclusies:
Bovengenoemde voorbeelden maken duidelijk dat het gevaar van bepaalde soorten muziek, films, spelletjes en lectuur, met name voor kinderen, niet te onderschatten is.
Toveracademie is grensoverschrijding!
Helaas blijkt, dat er heel gemakkelijk grenzen overschreden worden. Velen hebben geen flauw besef van wat zich afspeelt onder kinderen en jongeren, noch wat de immense gevaren zijn van ‘spelen met de onzichtbare wereld’. Kinderen kunnen van jongs af aan wennen aan geweld en agressie. Ze komen daarnaast via tv-programma’s, computerspelletjes en internet in aanraking met zaken als erotiek, sciencefiction en demonie. In het Tv-programma ‘Bij ons thuis’, van Teleac, werd op 7 maart uitgebreid aandacht besteed aan de invloed van erotische clips op kinderen en tieners. Kijken leidt vaak tot doen, was de conclusie. Dat laatste wordt ook bevestigd in enkele onderzoeken naar de relatie tv-geweld en de werkelijkheid. “Kinderen die van jongs af aan worden geconfronteerd met agressie en geweld op televisie, raken al vroeg in hun leven afgestompt en gaan als pubers en jongvolwassenen op zoek naar sterkere prikkels om te kunnen griezelen en gruwelen. De industrie bedient hen op hun wenken met, om maar iets te noemen, de steeds engere en gewelddadigere Halloweenfilms.” (Elsevier 10, 12 maart 2005)
Natuurlijk is het duidelijk dat tv meer invloed heeft dan een (strip)boek. Maar de gewenning begint vaak zo onschuldig en sluipend. Precies daar ligt het probleem voor de hele golf van geweld en occultisme die kinderen, tieners en jongeren lijkt te overspoelen. Als het nu zo ver moet komen dat kinderen ook nog eens op een ‘onschuldige wijze’ moeten gaan wennen aan allerlei vormen van magie of toverij in de entourage van een Toveracademie, dan is er sprake van een absolute grensoverschrijding. Er staat zeer veel op het spel: het welzijn van kinderen is in het geding! Met alle kracht dienen we hier in het geweer te komen.
“Ach, zeggen mensen die graag relativeren, ze weten heus wel het verschil tussen de virtuele en echte wereld. Maar reclamemakers en trendwatchers weten wel beter. Kinderen én volwassenen zijn zeer gevoelig voor impliciete en expliciete televisieboodschappen, of die nu waar zijn of niet.”(Elsevier 10, 12 maart 2005) Die gevoeligheid is er zeker ook ten aanzien van allerlei magische thema’s. Vooral in een tijd waarin het christelijk geloof wordt uitgehold en de kerk lijkt te hebben afgedaan, zoeken velen toch naar mystiek en religie. Grenzeloos gaan velen op zoek naar wat verborgen is. Het occulte is al jaren in, maar leidt ook al jaren tot grote problemen.
Daarom is het motto ‘toveracademie’ echt grensoverschrijdend en levensgevaarlijk.
Hoe nu verder?
De vraag is nu: hoe verder? Hoe moeten ouders en scholen reageren?
De open brieven hadden tot doel de discussie op gang te brengen, dat is gelukt. Die discussie gaat soms wel erg kort door de bocht, te gemakkelijk wordt aan de boven genoemde argumenten voorbij gegaan. Christenen die waarschuwen voor tovenarij en de gevaren van agressie, geweld en demonische praktijken worden snel bestempeld als fundamentalisten die terug willen naar de Middeleeuwen.
De discussie zal dus voortgezet moeten worden, maar wel op basis van argumenten. Die argumenten vallen in twee groepen uiteen:
De bijbelse argumenten staan en vallen met ons geloof in die éne God, die Zich in ruim voldoende mate aan ons geopenbaard heeft in Zijn Woord. Wie de Bijbel serieus neemt weet dat hij verre dient te blijven van toverij (Deut. 18:10, Lev. 19:26, Openbaring 18:23, 21:8, 22: 15). Toverij en waarzeggerij zijn namelijk ‘gaven’ van de vorst der duisternis, de duivel, die leiden tot de dood. Toverij leidt tot normloosheid en opstand tegen Gods gezag. Toverij leidt uiteindelijk tot de dood in plaats van tot het leven. De duivel blijft een mensenmoordenaar vanaf het begin (Johannes 8:37-47 en Jesaja 8:19-22).
Naast de bijbelse argumenten, die niet iedereen zomaar zal onderschrijven, zijn er ook pedagogische argumenten, die ruimschoots toegelicht zijn in het voorgaande. Doorgaans leiden magische boeken op subtiele wijze kinderen binnen in een wereld van (duivels) geweld. Kijken naar geweld op tv leidt tot geweld in het dagelijks leven. Kijken naar erotische clips blijkt wel degelijk invloed op jongeren te hebben. Enge en gewelddadige Halloweenfilms zijn wel degelijk een volgende stap in de geweldsspiraal die door de filmindustrie wordt opgebouwd.
Alle gewenning op die gebieden leidt tot steeds verdergaande afstomping. Waarom zou dat met toverij/magie niet het geval zijn?
Ouders en scholen
Ouders kunnen de volgende actie ondernemen tegen het motto ‘toveracademie’.
Van de werkgroep ontvingen we onlangs het volgende overzicht:
Wij zijn momenteel bezig met de volgende zaken:
– de drie actieboeken
– de actie-cd + muziekboek
– de werkmap voor basisonderwijs en zondagsscholen
– een concerttour.
Eind maart/begin april verzenden wij opnieuw een persbericht, waarin wij onder meer zullen aankondigen dat wij op de kinderboekensite een titellijst zullen presenteren van christelijke kinderboeken die aansluiten bij ons thema `Wonderlijk´.
En de laatste optie is wel degelijk je kind niet naar de lessen te laten gaan, wanneer de school toch kiest om verder te werken met het thema ‘toveracademie’.
Tenslotte
Ook met bovenstaand informatie is niet alles gezegd, maar wel de kern weergegeven. Mochten er vragen blijven liggen, schroom dan niet om ons te mailen of te bellen.
[1][1] ‘Nieuwste Harry Potter. Duisternis te positief ingekleurd’, Visie 3-9 januari 2004, pag.74,75 (de delen tussen haakjes zijn samengevatte tekst).
[2][2] ‘Religiosität, okkultismus, satanismus – Ergebnisse einder aktuellen Jugendstudie aus Tirol’ (Zeitschrift für Religions- und Weltanschauungsfragen, november 2004, pag.417-424).
Andersgelovigen en de ene Naam
Soms worden aanhangers van andere religies aangeduid als ‘andersgelovigen’. Zij zouden allemaal geloven in dezelfde God. B&O haalt twee bekende zendingswetenschappers aan en formuleert een eigen standpunt.
Ten aanzien van de NAAM van Jezus Christus zegt de Bijbel het volgende:
Hand. 4:12: “En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de
hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden.”
Joh. 14:6 : Jezus zei tot Thomas: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven;
niemand komt tot de Vader dan door Mij.”
Introductie
Deze folder is niet een actie tegen een persoon of instituut, maar beoogt een bijdrage te zijn in de discussie over de identiteit van de christelijke scholen, die ook en juist in deze tijd ‘School met de Bijbel’ willen zijn. Onze samenleving wordt steeds meer gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen uit andere culturen, men spreekt dan ook wel van een pluriforme, multiculturele samenleving. Het gevolg hiervan is een grote verscheidenheid aan opvattingen, niet alleen op sociaal maar ook op religieus gebied. Onmiskenbaar komt ook het onderwijs hiermee in aanraking en wordt het hierdoor beïnvloed.
In de samenleving zien wij steeds meer dat ‘multicultureel’ gaat worden tot ‘multi-religieus’. Soms lijkt het wel alsof het christelijk geloof een godsdienst is van het westen, en dat buitenlanders meestal een ‘ander geloof’ aanhangen. Dit is een generalisering, want ook buitenlandse kinderen kunnen uit christelijke gezinnen komen, en Nederlandse kinderen blijken dikwijls ‘nergens meer aan te doen’.
Cultuur en religie zijn dus niet identiek!
Toch staan christelijke scholen voor de volgende vraag:
Hoe gaan wij om met mensen en kinderen die andere, en dan met name religieuze, opvattingen hebben en toch onze christelijke scholen bezoeken? Dit is een urgente vraag, ook al vanwege het nieuwe leergebied ‘Geestelijke stromingen’, waar iedere school mee te maken krijgt (ook scholen die niet bezocht worden door kinderen van andere etnische groepen). Wij houden ons met deze vraag bezig, omdat ook vanuit kerkelijke kring, of vanuit de opleidingen, soms een mening wordt verwoord die heel anders is dan de schoolleiding, bestuur of ouders dat gewend zijn. Wij doelen nu in het bijzonder op het recent verschenen boek van drs J.D. Kraan: Bijbel en anders-gelovigen. Dit boek is voor de christelijke scholen een uitdaging en de gevolgen kunnen heel ingrijpend zijn.
Om op de gestelde vraag enig zicht te krijgen, hebben wij vijf onderwerpen gekozen die van wezenlijk belang zijn voor wat wij geloven, met name ook voor het uitdragen ervan aan kinderen van andere etnische groepen. Deze onderwerpen zijn:
Achtereenvolgens zullen wij deze telkens vanuit drie opvattingen benaderen, en wel tweemaal principieel en eenmaal vanuit de praktijk van een christelijke school die bezocht wordt door een hoog percentage (35%) leerlingen uit andere etnische groepen, waaronder veel Moslims en Hindoes.
(1) De opvattingen van Drs J.D. Kraan, zoals verwoord en anderen (instemmend) citerend in zijn boek: Bijbel en andersgelovigen
(2) Zendingswetenschappers zoals H. Kraemer en J. Verkuyl, blijkens citaten uit enkele van hun belangrijkste werken
(3) De praktijk van een School met de Bijbel in een grote stad.
Eigenlijk is, bijbels gezien, de term ‘andersgelovigen’ onjuist. De Schrift kent slechts één geloof, en bijbelse prediking is erop gericht ‘gehoorzaamheid des geloofs’ te bewerken onder alle volken.
Ongeloof is dus, evenals ‘anders-geloven’, ongehoorzaamheid aan de Almachtige God. Dit wil niet zeggen dat christenen beter zouden zijn dan anderen, want alle mensen zijn van nature in opstand tegen God en Hem ongehoorzaam; dat geldt dus ook voor joden en christenen die zich richten tegen de openbaring van God.
Vooraf dient nog te worden opgemerkt dat iedereen, die zich vanuit zijn christen-zijn bezig houdt met genoemde problematiek, vooraf basis-keuzes heeft gemaakt. Dat bepaalt dan ook de wijze waarop deze vragen worden benaderd en de inhoud die eraan wordt gegeven.
Het feit dat men dan dezelfde woorden of Bijbelgedeelten gebruikt, wil dus beslist niet zeggen dat men de Bijbel ook op dezelfde wijze hanteert.
Daarom vermelden wij expliciet dat wij ons kunnen vinden in de teneur van de citaten van dr. Kraemer en dr. Verkuyl (telkens verwoord onder (2).
Het standpunt van Bijbel & Onderwijs is verwoord onder (3) en gaat uit van de Bijbel als het onfeilbare en onveranderlijke Woord van God, ingegeven en te verstaan door de Heilige Geest, met als centrale boodschap het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus, Zijn opstanding, hemelvaart en wederkomst.
ANDERSGELOVIGEN
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Ook anderen zoals moslims, hindoes en boeddhisten dienen als gelovigen beschouwd te worden” (p.126)
“Maar die God staat in het middelpunt, die ook door joden en moslims als God aanbeden wordt” (p.158)
(2) Opvatting van dr Verkuyl:
“In de communicatie van het evangelie met moslims kunnen we niet volstaan met de opmerking dat christenen en moslims en talmoedische joden allen in één God geloven en dat ze allen op de een of andere manier monotheïsten zijn en dat daarom hun godsconcepties vrijwel gelijk zijn. Zulke opmerkingen getuigen van grote opppervlakkigheid” (J. Verkuyl, Met moslims in gesprek over het evangelie, p.47/48)
“Wie knielt voor Jezus, de Gekruisigde en Verrezene, kan niet meer zeggen dat het er niet toe doet wat je gelooft en in wie je gelooft. Wie knielt voor Jezus kan niet meer zeggen: Ik zie tussen de boodschap van Jezus, Boeddha, Mohammed e.a. slechts relatieve verschillen” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.98)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
De School met de Bijbel staat open voor alle kinderen van wie de ouders christelijk onderwijs op prijs stellen. In het toelatingsgesprek worden altijd de volgende drie punten helder gesteld:
a. dagelijks wordt aan alle kinderen vanuit de Bijbel verteld
b. dagelijks wordt gebeden tot God die we kennen door Jezus Christus
c. dagelijks worden christelijke liederen gezongen door alle kinderen.
Er wordt dus niet gesproken over andersgelovigen of ongelovigen; er wordt slechts gesproken over kinderen die voor de School met de Bijbel kiezen en die vaak verschillende culturele achtergronden hebben.
DE ENE NAAM: JEZUS CHRISTUS
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Dat is het nieuwe van deze tijd: er vindt vernieuwing van een eeuwenoud model plaats; niet Christus staat centraal; niet Hij is exclusief of normatief maar de God die zich naast Christus ook openbaarde op andere wijzen” (p.141, n.a.v. de theologie van Paul Knitter in diens boek: No other name?)
“Misschien blijkt Jezus aan het einde van de tijden toch exclusief en normatief te zijn, maar zo’n hypotheek kunnen we momenteel niet leggen op het gesprek met andersgelovigen” (p.143)
“In de Bijbel staat God centraal. Christus kwam om dienstbaar te zijn aan God en de mensen. Door de verzoening die Hij bracht zal Hij aan het eind der tijden voor ieder de weg, de waarheid en het leven blijken te zijn” (p.166)
(2) Opvatting van dr Verkuyl:
“De boodschap, waarmee de Christelijke Kerk vanaf haar ontstaan tot nu toe in de wereld gestaan heeft en staat, kan worden samengevat in de belijdenis: JEZUS IS HEER. Wanneer de christelijke kerken in alle werelddelen dat belijden, dan bedoelen ze daarmee, dat Hij de Alpha en de Omega is voor de hele wereldgeschiedenis, de Enige Middelaar Gods en der mensen.
Als de christelijke kerken belijden, dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid, dan bedoelen ze daarmee wat Simon Petrus beleed door de Hoge Raad van Israël: “Er is onder de hemel geen andere Naam de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden’, Hand. 4:12” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.16)
“Alles is in de Bijbel geschreven opdat de lezers mogen geloven in Jezus, wan wie dit boek getuigt in talloze variaties” (J. Verkuyl, Met moslims in gesprek over het evangelie, p.37)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
Centraal in het totale onderwijsgebeuren staat de Bijbel, waardoor we God kunnen leren kennen in Jezus Christus. Daaruit blijkt dat er slechts één manier en Naam is om God te leren kennen.
Het doel van het onderwijs is het vormen en toerusten van kinderen door begeleiding, hulp en voorleven tot zelfstandigheid en de ontplooiing van kinderen volgens bijbelse normen, opdat zij mogen komen, indien de Here dit wil zegenen, tot een persoonlijke relatie met Jezus Christus en van daaruit gaan functioneren in de samenleving.
DE OPENBARING VAN GOD
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Volgens de Bijbel is er maar één God die wat kan, maar een God die schept en redt, draagt en bevrijdt. Dat is een belangrijke conclusie voor de ontmoeting met andersgelovigen. Want als er maar één God is die zich, ook aan andersgelovigen, niet onbetuigd gelaten heeft (Hand.14:17), dan mogen andere religies gezien worden als antwoorden op de openbaring van de ene God” (p.51)
(2) Opvatting van dr Kraemer en dr Verkuyl:
“. . . Volledige handhaving van het unieke karakter van de christe lijke openbaring als Gods soevereine, toenaderende handeling, hetgeen zeggen wil dat er geen bruggen zijn van menselijk religieus geweten naar de realiteit van Christus en dat het exclusief Gods genade is en geen menselijke bijdrage of geschiktheid in wat voor opzicht ook, met als resultaat ‘het afvallen van de oogkleppen'” (H. Kraemer, The Christian Message in a non-Christian World, p.132)
“Maar als de vraag wordt gesteld of wij de God en Vader van Jezus Christus op dezelfde wijze mogen belijden als moslims dat doen in hun iman (geloof), dan moeten we eerlijk zeggen: De God en Vader van Jezus Christus is anders dan Allah in de Islam” (J. Verkuyl, ‘Met moslims in gesprek over het evangelie’, p.125)
“God knoopt in de Christus-openbaring niet aan bij de religies. Maar God sluit wel aan en knoopt wel aan bij wat Hij van zichzelf geopenbaard heeft en openbaart. Er is tussen zijn scheppings- en herscheppingsopenbaring continuïteit. Maar er is discontinuïteit tussen de menselijke religies en Gods openbaring in Christus” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.110)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
Het totale gebeuren in onderwijs en opvoeding is gebaseerd op dat wat God in de Bijbel van Zichzelf openbaart, wat Hij zegt over mens en samenleving en over hoe we met elkaar om dienen te gaan.
Andere mensen nemen andere gewoonten mee, mede bepaald door culturele en religieuze achtergronden. Wij accepteren de verschillen in cultuur en gewoonten en besteden daar aandacht aan.
Het is de opdracht voor de christen om ongeacht de cultuur (de Nederlandse of een andere) Jezus Christus te verkondigen aan mensen, in de wetenschap dat daardoor een cultuur mede beïnvloed wordt. Het doel is echter in de eerste plaats de verandering van het hart, zodat het op Christus zal zijn gericht.
GERECHTIGHEID EN HEIL
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Zij die werken der gerechtigheid gedaan hebben, goede vruchten vertoond hebben door op te komen voor de gevangene, de vreemdeling, de zieke, de hongerige etc. mogen ingaan tot het Koninkrijk. Anderen, zij die dachten Jezus te kennen, worden buitengesloten” (p.56)
“Niet alleen christenen dragen vrucht. De vruchten van andersgelovigen mogen herkend worden als gaven van God” (p.57)
(2) Opvatting van dr Verkuyl:
“Ieder mens, van welk volk, van welke cultuur, van welke religie ook, ondergaat de aantrekkingskracht van deze heilsweg, gebaand door goede werken; maar ieder mens van welke religie ook, heeft het Evangelie nodig om tot het besef te komen dat de weg van de nomos (de wet) doodloopt en opgeheven wordt door de Persoon en het werk van Jezus: ‘Want Christus is het einde der Wet tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft’, Rom.10:4-13” (J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.129)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
De enige grond voor behoud is de genade die er is van God door het geloof in de verzoening gebracht door Christus. Vanuit het geloof komt de vrucht van de Geest tot ontplooiing in het leven van de gelovige. Het is het gevolg van de genade.
Maar het is niet omgekeerd zo, dat wanneer iemand de werken der gerechtigheid doet, hij daarmee zijn behoud bewerkt.
Het is goed wanneer de teamleden in de omgang met elkaar en met anderen laten zien hoe dat praktisch werkt, bijv. door fouten te erkennen, door vergeving te vragen en te geven; niet iemand op diens zwakke punten te pakken, maar deze juist steunen en bemoedigen; door elkaar aan te vullen en samen het werk te doen.
ZENDING EN DIALOOG
(1) Opvatting van drs Kraan e.a.:
“Als wij in (andersgelovige) vreemdelingen hier en nu Christus niet vinden, gaan wij dan verloren?” (p.73)
“Wie vandaag nog een antithetische, agressieve zendingsactiviteit bedrijft, staat het evangelisch getuigenis in de weg” (p.123)
“De enige mogelijkheid om van die Heer te getuigen, is de weg van dialogische openheid” (p.124)
“Ook anderen zoals moslims, hindoes en boeddhisten dienen als gelovigen beschouwd te worden (p.126)
“Het waardevolle . . . is dat we onontkoombaar voor de vraag gesteld worden of bepaalde bijbelteksten of zelfs de strekking van hele bijbelboeken de dialoog met andersgelovigen in de weg staan” (p.66)
(2) Opvatting van dr Kraemer en dr Verkuyl:
“Waarom dan, gezien in bijbels licht, is de communicatie van de christelijke boodschap te beschouwen als een op zichzelf staande categorie? In de eerste plaats vanwege het bijzondere karakter.
Het is niet een boodschap waarvan de dragers het recht hebben te besluiten of ze wel of niet gecommuniceerd zou moeten worden . . . Ze moet gecommuniceerd worden omdat ze het resultaat is van het profetisch geweten dat ze het woord is van de Heer van het heelal: ‘Hoor, o hemelen en luister, o aarde; want de Heer heeft gesproken'” (H. Kraemer, The communication of the Christian Faith, p.22)
“Als Jezus Christus voor alle tijden en voor alle volkeren van beslissende betekenis is en als aan Hem gegeven is de Naam die boven alle naam is, dan is het ook de onnalaatbare plicht en roeping om dat Evangelie van deze gekruisigde en verrezen Heer bekend te maken onder de volkeren. Het is dan ook van daaruit volkomen verstaanbaar dat in alle evangeliën en ook in de Handelingen der apostelen het bevel tot verbreiding van het Evangelie klinkt” (J.Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk? p.143)
(3) Opvatting van Bijbel & Onderwijs:
Het Evangelie is niet gericht tégen mensen en culturen, maar is een verlossende en heilbrengende boodschap voor iedereen die ernaar wil horen. Op een School met de Bijbel die open staat voor iedereen, is die boodschap dus voor iedereen die bij de school is betrokken, zonder onderscheid des persoons.
Dit uit zich o.a. in het respect voor elkaars cultuur en het bespreken van verschillende opvattingen in het licht van de Bijbel. Maar ook in bijv. het geschenk dat iedere leerling krijgt tijdens de Kerst, of de Bijbel die wordt meegegeven aan kinderen die de school verlaten (in welke groep ook).
ADHD.
Toen Jan ongeveer 6 jaar was, ging het niet meer op de ‘gewone’ basisschool. Met de diagnose ADHD ging hij naar het speciaal onderwijs. “Concentratie was het grootste probleem,” vertelt ‘ie, “steeds vaker werd het zo druk in m’n hoofd dat er iets ‘knapte. Als dat gebeurde, ging alles mis: praten en roepen door de klas, van m’n plaats lopen, het was allemaal heel vervelend, ook voor de andere kinderen… en voor de meester.”
Jan is nu 17 en we blikken samen terug op die tijd.
“Ik vond het helemaal niet leuk om naar die speciale school in de stad te gaan; maar gelukkig mocht ik één keer in de maand een dagje in m’n oude klas zitten en ik werd ook nog wel uitgenodigd op de verjaardagsfeestjes.” “Als kind was ik al vrij druk,” vertelt Jan, “ toen ik in groep drie zat, ben ik met m’n ouders naar het AZG (Academisch Ziekenhuis Groningen, nu AMCG) gegaan. Daar zijn onderzoeken geweest en hebben ze vastgesteld dat ik ADHD heb.”
Jan vertelt, dat hij toen ook medicijnen kreeg. Eerst iets wat hij niet meer weet, maar dat ook niet hielp en later Ritalin, dat wel hielp. “Ik werd rustiger in m’n hoofd, ik kon me langer concentreren, maar ik was ook eerder vermoeid.” Van z’n 6e tot z’n 16e heeft Jan Ritalin gebruikt.
Bij Saskia die in het laatste jaar van het VMBO zit, was dat anders.
Saskia heeft ook ADHD, maar kon aan geen enkel medicijn wennen. “Ik heb er wel zes verschillende gehad, maar ik voelde me er gewoon niet goed bij en het hielp ook niet.” Zij gaat nu naar de LWOO-afdeling van haar school (Leer-Weg Ondersteunend Onderwijs); dat is een klas met maximaal 16 leerlingen, met meer mogelijkheden voor individuele begeleiding. Als het even niet meer gaat, vraagt ze een ‘time-out’ of gaat ze naar de leerlingenbegeleider voor een gesprek. Ze heeft zichzelf aangeleerd om, door wat ze noemt ‘een bepaalde manier van denken,’ met haar moeiten om te gaan.
ADHD.
ADHD is een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. De afkorting komt van Attention Deficit Hyperactivity Disorder (in de volksmond: Alle Dagen Heel Druk). (Soms wordt de diagnose ADD gesteld, zonder de hyperactieve component dus.) ADHD is een combinatie van slechte concentratie, overbeweeglijkheid, rusteloosheid en impulsiviteit en staat beschreven in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM ‘Diagnostisch en Statistisch Handboek van Geestesziekten’) van de American Psychiatric Association (APA Amerikaanse Psychiatrische Vereniging).
De DSM is hèt handboek in de wereld van de psychiatrische ziekten.
In de vierde editie (DSM-IV) staat voor ADHD dat individuen met deze stoornis moeite kunnen hebben met hun aandacht voor details of onzorgvuldige fouten kunnen maken in huiswerk of andere taken (criterium A1a). Onder criterium A1b staat vervolgens: Het werk is vaak slordig, nonchalant uitgevoerd zonder er veel over nagedacht te hebben. Zij (de leerlingen) lijken vaak met hun gedachten ver weg te zijn, alsof ze niet luisteren of niet horen wat er zojuist is gezegd (criterium A1c). 1) De overige criteria zijn varianten hier op.
Toename ADHD en Ritalingebruik.
ADHD groeide in de VS van 150.000 kinderen in 1970 tot een half miljoen in 1980, een miljoen in 1990 en momenteel zijn er zo’n 7 à 8 miljoen kinderen met de diagnose ADHD. In Groot-Brittannië steeg het aantal Ritalin recepten de afgelopen acht jaar van 2000 naar 160.000. 2) In het veel kleinere Nederland gingen er in 1999 eveneens 160.000 Ritalinrecepten over de toonbank van de apotheek. 3) Volgens het rapport van de Gezondheidsraad is het aantal voorgeschreven tabletten Ritalin sinds 1995 van 2,2 miljoen gestegen naar 22 miljoen in 1999. Een vertienvoudiging dus. 4)
Ritalin.
Ritalin (methylfenidaat hydrochloride) is het belangrijkste medicijn waarmee ADHD wordt bestreden. De Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA ‘Drug Handhavings Bureau’) heeft Ritalin gekwalificeerd als een ‘klasse 2 drug’ wat ook door andere landen wordt onderschreven. Dat is dezelfde categorie als bijvoorbeeld cocaïne en amfetaminen (‘speed’ in de Amerikaanse volksmond). Het zijn drugs met een allerhoogst gevaar voor verslaving en misbruik. De Wereldgezondheidsorganisatie kwam dertig jaar geleden al tot dezelfde conclusie. Ritalin heeft sterke chemische overeenkomsten met amfetaminen en cocaïne en heeft ook dezelfde bijwerkingen.
In de VS staat Ritalin hoog op de lijst van gestolen drugs. Op straat wordt het verhandeld onder namen als ‘vitamin R’ en ‘R-Ball.’ Het wordt vermalen tot poeder om het op te snuiven of op te lossen in water. In een onderzoek onder ruim 44000 studenten in Indiana geeft 7 procent toe het tenminste één maal geprobeerd te hebben en 2,5 procent gebruikt het maandelijks of vaker. 5)
Bijwerkingen.
De bijwerkingen van Ritalin staan beschreven in de Physician’s Desk Reference 1999 (‘Dokters Bureau Referentie’) en zijn onder andere: zenuwachtigheid, slapeloosheid, overgevoeligheid (inclusief huiduitslag), koorts, anorexia, misselijkheid, duizeligheid en hartkloppingen. In het handboek van de huisarts staat vervolgens te lezen dat voldoende informatie over de veiligheid en de efficiëntie bij het gebruik van Ritalin op lange termijn niet bekend zijn.
Een document op de website van de Amerikaanse FDA (Food and Drug Administration) kondigt aan dat er vraagtekens zijn omtrent de veiligheid van middelen met de grondstof methylfenidaat. Onder andere Ritalin en Concerta (een ander medicijn tegen ADHD) blijken zeer negatieve psychiatrische effecten te veroorzaken. Het betreft: visuele hallucinaties, zelfmoordgedachten, psychotisch gedrag, agressie en gewelddadig gedrag. 6)
De FDA overweegt om de etiketten te laten wijzigen en stelt ook een onderzoek in naar andere stimulerende middelen die zijn goedgekeurd voor de behandeling van ADHD (28 juni 2005).
Volgens de Amerikaanse psychiater Peter Breggin, directeur van het Internationale Centrum voor de Studie van Psychiatrie en Psychologie, zijn afwijkingen in de hersenen vrijwel zeker te wijten aan een eerdere blootstelling aan een psychiatrische medicatie. 7) Ook meent hij dat ontwenningsverschijnselen bij stopzetting van Ritalin vaak leiden tot depressie, vermoeidheid en zelfmoordneigingen wat weer kan leiden tot nieuwe medicatie. Hij legt ook een verband tussen de toenemende agressiviteit en geweld op scholen en het gebruik van psychiatrische medicijnen. 8)
Farmaceutische industrie.
Volgens Dr. Pelsser van het ADHD Centrum in Eindhoven brengt een dieet bij meer dan de helft van de kinderen een behoorlijke vermindering van de klachten. In het interview met Radio Nederland Wereldomroep merkt Dr. Pelsser ook op dat het nadeel van medicijnen is dat er zo veel geld mee te verdienen valt. 9) Richard Scruggs heeft in de VS een landelijke rechtszaak aangespannen tegen de makers van Ritalin: Ciba Geneva Pharmaceuticals, ook bekend onder de naam Ciba-Geigy (opgekocht door Novartis AG, die is gefuseerd met Sandoz) in oktober 2000.
Hij beschuldigt hen ervan dat ze samen met de APA en de Amerikaanse belangenvereniging CHADD (Children And Adults With ADHD) in het geheim een frauduleuze samenwerking zijn aangegaan. Scruggs die eerder deel uitmaakte van het team advocaten dat de machtige tabaksindustrie op zijn knieën kreeg, beweert dat de definitie van ADHD teveel is gesterkt, zodat men meer Ritalin kon verkopen. 10)
Ook in Groot-Brittannië worden rechtszaken aangespannen tegen verscheidene gezondheidsdiensten inzake de verstrekking van Ritalin. 11)
Controversieel.
Het lijkt er op dat je over het onderwerp ADHD bijna alles kunt zeggen, zo ongeveer van: “Het bestaat niet en het is geen ziekte, want het valt met geen enkele test aan te tonen en de medicatie is ronduit gevaarlijk” tot “maar goed dat men tegenwoordig de deskundigheid heeft om deze ziekte/stoornis op te sporen en dat er zo’n geweldig medicijn voor is.” Het moet trouwens ook gezegd worden dat er niet weinig artsen/psychiaters/wetenschappers zijn die de eerste mening zijn toegedaan.* Feit is echter ook, dat er, zoals men ze vroeger noemde, hyperactieve kinderen zijn die door hun hyperactiviteit veel moeite hebben om in ons (reguliere) onderwijssysteem goed te kunnen functioneren.
De klassieke vraag laat zich stellen: is het middel erger dan de kwaal?
Maar dan: hoe erg is de ‘kwaal,’ of wordt, wat vroeger ‘vervelend gedrag’ genoemd werd en heel veel oorzaken kan hebben, nu als ziekte/stoornis bestempeld? In hoeverre speelt de inrichting van ons onderwijssysteem hierin een rol? Kernwoord voor het omgaan met ADHD is ‘struktuur.’ Hoe is het gesteld met de struktuur, het dagritme in onze gezinnen?
Diagnose.
De APA concludeerde in de DSM-III dat 8 van de 14 symptomen voldoende zijn om bij een kind ADHD vast te stellen. In 1994 werd die lijst uitgebreid tot 18 en onderverdeeld in 2 groepen. Nog maar 6 symptomen van 9 uit een groep voldoen aan een ADHD-diagnose. “Een diagnose waar geen specifieke test voor bestaat en die geen wetenschappelijke oorzaak kent. ADHD is geen hersenstoornis, omdat daar geen enkel bewijs voor te vinden is.”
Tot die conclusies kwamen zowel de National Institutes of Health Concensus Development Conference 1998 over ADHD, als de Amerikaanse Academie voor Kindergeneeskunde (2000). Tussen 1952 en 1994 vond de APA meer ongepast gedrag en groeide zijn DSM van 112 stoornissen en ziekten tot163 in1968,224 in1980,253 in1987 en374 inde 1994 editie. Een handboek dat zijn oorsprong vond tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar het was ontwikkeld om ‘afwijkend’ gedrag te groeperen. Bij het doornemen van de vele stoornissen kunt u trouwens ook Criterium 315.2 tegenkomen. Het is een ‘Opstelstoornis,’ waarbij een kind laag scoort met het schrijven van opstellen.
Kinderpsychiater Prof. Buitelaar, die zeker niet bekend staat als tegenstander van het gebruik van Ritalin, zegt in ‘Ublad Online’ dat het verschil tussen ziek en gezond zijn bij ADHD een glijdende schaal is en ook dat de afgrenzing arbitrair is. Hij pleit dan ook voor een aantal maatregelen, waaronder meer scholing van artsen, maar stelt ook dat de explosieve stijging voor een deel kan komen door de onderhandelingscultuur die is ontstaan bij artsen. “Als ouders zelf al de diagnose ADHD hebben gesteld, dan is het voor de arts vaak moeilijk om die mensen daar vanaf te praten.” 12)
Stappen.
Intussen heeft Saskia een aantal stappen ondernomen om beter met haar ADHD om te kunnen gaan: in de les, tijdens het werken aan opdrachten, mag ze haar MP3 speler aan hebben. Daardoor wordt ze minder gauw afgeleid. Ze heeft drie keer per week een coach die haar begeleid met het maken van haar huiswerk. Deze coach wordt betaald uit haar PGB (Persoons-Gebonden Budget). Verder probeert ze, als het te druk wordt in haar hoofd, door een stuk zelfdiscipline, zichzelf te dwingen aan één ding tegelijk te denken.
Lichtpuntjes.
Voor Jan bleek de diagnose en de daarop volgende stappen: medicatie, het speciaal onderwijs en de coach die hij kreeg toegewezen, een uitkomst. Jan is nu ongeveer een jaar van de Ritalin af. “Ik ben wat volwassener en ook wat rustiger geworden,” zegt hij. Hij ziet dankbaar terug op de tijd dat hij, omdat het thuis niet meer ging, enkele maanden bij zijn opa en oma kon wonen.
Op de vraag hoe het nu gaat zonder medicatie, antwoordt Jan: “Toen ik er mee stopte, was het alsof er een waas wegviel; het klinkt raar, maar vroeger kon ik, zeg maar, een paar honderd meter kijken en nu wel kilometers! Het was, alsof ik uit een soort tunnel kwam. Het helpt dat wij in ons gezin een dagritme hebben; we eten en bidden, bijvoorbeeld, ook samen. Als het druk wordt in m’n hoofd, kan ik ook met God praten, dat geeft me een rustig gevoel. Op een slechte dag vraag ik me wel ‘es af: waarom ging het zo slecht vandaag, waarom is mijn leven zo moeilijk? Maar ik kan altijd bij God terecht, ook met mijn emoties; Hij geeft lichtpuntjes als het donker is.”
Ref.:
1) Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th edition. APA – Washington,
DC. 1994
2) Ritalin Ban Urged For UK Children Under Five – Liz Smith
http://www.wsws.org/articles/
3) Trouw, 8 februari 2001 – Werking ADHD-pil raakt omstreden – Edwin Kreulen
4) http://www.gr.nl/pdf.php?ID=178
5) Recreational Ritalin – Kids Now Using It for ‘Fun’ – Nicole Ziegler
http://www.rense.com/general/ritd.htm
6) http://www.fda.gov/
7) Toxic Psychiatrie, Peter R. Breggin MD,St. Martin’s Press (1994)
8) Talking Back to Ritalin – Peter R. Breggin, M.D – Common Courage Press 1998
9) http://www9.sbs.com.au/radio/language.php?news=science&language=Dutch
10) Reuters 16 september 2000 – zie ook: www.ritalinfraud.com
11) Stimulants Are Not The Answer (Santa) www.santa.inuk.com
12) http://www.ublad.uu.nl/WebObjects/UOL.woa/3/wa/Ublad/archief?id=1015732
Dennis Rodie http://www.dennisrodie.com/page14b.html
* zie o.a. http://www.newstarget.com/020227.html
ADHD (feitelijke informatie)
Achtereenvolgens komen aan de orde: ‘Wat is ADHD’, ‘Verschijnselen van ADHD’, ‘Verschillende vormen van ADHD’, Overeenkomsten en verschillen tussen ADHD en PDD-NOS’.
Ik wil wel tussen de lijntjes schrijven,
maar soms wil mijn hand niet…
Ik wil wel rustig naar buiten lopen,
maar als ze tegen me aan botsen word ik opeens kwaad…
Ik wil wel aan die rekentaak beginnen,
maar er vliegt zo’n mooie vlinder buiten…
Ik wil er wel aan beginnen,
maar er staat zo’n eng beestje bij getekend…
Ik wil wel stilzitten,
maar ik heb zo’n kriebel van binnen en mijn voeten gaan vanzelf bewegen…
Ik wil wel opletten,
maar ik hoor de moeders op de gang praten,
en een vreemde meneer…
Van de hak op de tak.
Rondrennen, de aandacht ergens niet bij kunnen houden, niet luisteren: het hoort bij kinderen. Ook volwassenen kunnen zich soms moeilijk concentreren, maken slordigheidsfouten of zitten onrustig te schuiven tijdens een vergadering. Maar bij sommige kinderen en volwassenen overheerst het gebrek aan concentratie en rust. Ze hebben moeite het dagelijks leven te organiseren en te plannen. Schoolprestaties en werk lijden hier ernstig onder. Ze hebben ook problemen in contacten met leeftijdsgenoten en zijn thuis moeilijk hanteerbaar. Zulke kinderen en volwassenen lijden aan een aandachtstekortstoornis met hyperactviteit, vaak afgekort tot ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder, Vrij vertaald: aandachts-regulatie probleem. (in de volksmond genoemd: Alle Dagen Heel Druk). Vroeger werd dit ook wel (maar onterecht) Minimal Brain Damage (MBD) genoemd (minimale hersenbeschadiging).
DSM
De DSM is het handboek van psychiatrische ziekten en is de afkorting van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (Diagnostisch en Statistisch Handboek voor geestesziekten) van de American Psychiatric Association (APA Amerikaanse Psychiatrische Vereniging). Het beschrijft ADHD als een combinatie van slechte concentratie, overbeweeglijkheid, rusteloosheid en impulsiviteit.
In de vierde editie (DSM-IV) staat voor ADHD dat individuen met deze stoornis moeite kunnen hebben met hun aandacht voor details of onzorgvuldige fouten kunnen maken in huiswerk of andere taken (criterium A1a). Onder criterium A1b staat vervolgens: Het werk is vaak slordig, nonchalant uitgevoerd zonder er veel over nagedacht te hebben. Zij (de leerlingen) lijken vaak met hun gedachten ver weg te zijn alsof ze niet luisteren of niet horen wat er zojuist is gezegd (criterium A1c). 1) De rest van de criteria zijn varianten hier op.
Verschijnselen van ADHD
Een kind of volwassene kan ADHD hebben wanneer meerdere van onderstaande verschijnselen aanhoudend sterk aanwezig zijn, zowel thuis als op school of in sociale contacten.
Aandachts- en concentratieproblemen.
Kinderen en volwassenen met ADHD zijn snel afgeleid. Elke prikkel, de telefoon, een kat in de tuin of een klasgenoot die zit te giechelen, maar ook de eigen fantasie en gedachtegang laat hun aandacht afdwalen, waardoor ze vergeten waar ze mee bezig waren. Daardoor maken ze dingen niet af, beginnen om de haverklap aan iets anders en maken veel fouten. Verder kunnen kinderen en volwassenen met ADHD moeilijk luisteren en dingen onthouden, waardoor andere mensen het gevoel hebben nauwelijks contact met hen te krijgen. Ze vergeten afspraken en verjaardagen en raken spullen kwijt.
Hyperactiviteit of overbeweeglijkheid.
Kinderen met ADHD wiebelen, draaien of friemelen voortdurend of ze tikken bijvoorbeeld steeds met hun voet op de grond. Ze praten veel en druk en kunnen erg doordraven. Bij volwassenen met ADHD lijkt de hyperactiviteit op het oog vaak afgenomen. Van binnen voelen ze zich echter nog even onrustig als vroeger. Ze hebben geleerd de neiging tot bewegen te onderdrukken. Mensen met ADHD kunnen zich moeilijk ontspannen.
Impulsiviteit.
Kinderen en volwassenen met ADHD handelen voor ze denken. Ze doen onbezonnen dingen. Ze vallen mensen in de rede, flappen dingen eruit, geven antwoord voordat de vraag helemaal is gesteld en dringen voor zonder dit in de gaten te hebben.
Overige verschijnselen.
– Heftige en onvoorspelbare emotionele uitbarstingen, bijvoorbeeld driftbuien en huilbuien. Dit komt ten dele voort uit frustratie doordat veel dingen niet lukken.
– Moeite onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken.
– Moeite sociale signalen op te vangen.
– Weinig gevoel voor tijd hebben en moeilijk kunnen plannen. Dit uit zich bijvoorbeeld in te laat komen op afspraken en opdrachten niet op tijd afkrijgen.
– Onhandigheid, houterigheid: vaak vallen en knoeien.
Bijkomende klachten of problemen
ADHD gaat bij meer dan de helft van de kinderen en volwassenen gepaard met andere klachten, zoals depressie en angst- en dwangproblematiek. Bij kinderen komt de combinatie met leerproblemen, zoals dyslexie, en agressief gedrag nogal eens voor. ADHD kan verder samengaan met eet-, gok-, drugs- of alcoholverslaving.
Verschillende vormen van ADHD
Sommige kinderen en volwassenen met ADHD hebben wel grote problemen hun aandacht ergens bij te houden, maar zijn niet hyperactief. Ze zijn juist opvallend stil, dromerig en passief. Deze vorm van ADHD wordt ook wel ADD genoemd, Attention Deficit Disorder (aandachts tekort stoornis). ADHD kan zich ook uiten in grote impulsiviteit en hyperactiviteit zonder aandachtsproblemen.
Een veel voorkomend gedragsprobleem
Op basis van voornamelijk buitenlands onderzoek wordt aangenomen dat 3% tot 5% van de kinderen onder de 16 jaar ADHD heeft. Van alle 2 miljoen kinderen van 5 tot 14 jaar in Nederland zouden dus 60.000 tot 100.000 voldoen aan de diagnose ADHD. Zeker 3 op de 100 kinderen in Nederland heeft last van ADHD, waarvan 1 ernstig. De klachten nemen bij ongeveer eenderde in de loop van de jaren wel af. Ongeveer 30-60% van hen houdt klachten als volwassene.
De diagnose ADHD wordt vier keer zo vaak gesteld bij jongens als bij meisjes. Mogelijk wordt de stoornis bij meisjes minder snel herkend dan bij jongens, omdat ze vaker ADD hebben; ze zijn minder agressief en hyperactief en komen daardoor minder snel in de problemen.
Niet afwachten
Kinderen met ADHD zijn vaak eenzaam of worden gepest, omdat ze spelletjes verstoren of te wild zijn. Ook hebben ze vaak conflicten thuis en met leerkrachten op school. Veel mensen met ADHD lukt het niet een opleiding af te ronden. Ze hebben vaak moeilijkheden met het houden van werk of relaties. Ze komen bij anderen over als onattent en egocentrisch, omdat ze ongepaste opmerkingen maken of afspraken niet nakomen. Velen hebben het gevoel “het niet goed te doen” en “het niet voor elkaar te krijgen”, terwijl ze weten dat ze het kunnen. Ook hebben ze grotere kans op verslavingen, verkeersongelukken en lopen ze meer risico in aanraking te komen met criminaliteit.
Bron:
Drs. H.Swaab-Barneveld is neuropsycholoog in het Academisch Ziekenhuis, Utrecht. Zij is verbonden aan het ADHD team,
Dr. R. J. yan der Gaag is kinder- en jeugd psychiater, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Utrecht en aan polikliniek De Piethorst van Psychiatrisch Ziekenhuis, Veldwijk (Ermelo/Lelystad).
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th edition. APA – Washington,
DC. 1994
Trimbos-instituut , Utrecht
OVEREENKOMSTEN EN VERSCHILLEN TUSSEN ADHD EN PDD-NOS
Een kind met PDD-NOS neemt dikwijls iets te letterlijk. Zo is er een verhaal van een jongen van elf die niet begon aan de opgaven van het verkeersexamen. Wat was nou het geval? Op de foto’s van verkeerssituaties stond een kind op een mountainbike. Bij elke foto werd gevraagd: “Wat zou jij doen?” Het jongetje had geen mountainbike, maar een gewone fiets. Hij kon de vragen dus niet beantwoorden…
Een leerkracht moet weten dat hij alleen maar brokken veroorzaakt als hij de druk bij het kind opvoert. Te grote druk kan leiden tot agressief gedrag, wat een uiting van paniek kan zijn.
ADHD en PDD-NOS
Als we sociaal gedrag nu eens vergelijken met fietsen…
Een kind met ADHD heeft, bij wijze van spreken, een fiets met een wiebelig stuur. Dat kind zet je wat langer dan andere kinderen bij jezelf achterop in het fietsstoeltje. Hij is immers een ramp voor zijn mede-weggebruikers. Later laat je hem naast je fietsen. Je staat doodsangsten uit en raakt uitgeput van dat gewiebel naast je. Je stuurt dikwijls bij, je raakt wel eens in de knoop, maar je komt wel vooruit. Als hij uiteindelijk voelt hoe los zijn stuur zit, dan kan hij zijn best gaan doen om de rechte weg te volgen. Eerst zal hij nog wel moeten fietsen met steunwieltjes (gedragstherapie en misschien medicatie), maar het zal hem steeds beter lukken zijn stuur in de hand te houden. Hij zal wel gebaat zijn bij paaltjes langs de weg die hem helpen herinneren: “Oh, ja, ik zit te dicht bij de kant. Hup, weer even naar het midden.” Daarbij is het fijn als de mede-weggebruikers niet steeds roepen: “Kijk toch uit sufferd hou je stuur recht.” Het is prettig als ze hem bijvoorbeeld even op zijn stuur wijzen, of op de paaltjes langs de weg. Dan komt hij er wel (tenminste – als er niet méér aan de fiets mankeert).
Speciaal bij ADHD:
Hanna Swaab: “Dingen die andere kinderen makkelijk afgaan, kosten een kind met ADHD “bergen energie”: je concentreren, je niet laten afleiden, snel doorwerken, meteen onthouden wat de juf zegt, niet wiebelen in je bank, netjes werken. Als het al lukt houden ze zo’n inspanning niet lang achter elkaar vol. Ik vergelijk het wel eens met de situatie waarin je zelf erg moe bent. Je hebt dan moeite om je aandacht erbij te houden, maar met veel wilskracht en inzet lukt het je nog wel eventjes te om je concentreren. Daarna ben je dan ook helemaal opgebrand. Als je dan als kind met ADHD van de juf te horen krijgt: “Zit nou eens stil, ik had je toch gezegd dat je moest doorwerken, het lijkt wel of je je best niet doet.”
“Toch is het voor een kind met ADHD natuurlijk ook belangrijk om een gevoel te ontwikkelen “de zaken onder controle te hebben”. Het is belangrijk te leren ervaren dat je ergens goed in bent, zodat je tevreden over jezelf kunt zijn. Ook voor het kind met ADHD is het prettig als hij kan overzien hoe hij een taak moet aanpakken en als hij greep heeft op de zaken waar hij mee bezig is. Alleen is een kind met ADHD zwak in het organiseren en plannen. Het lukt hem dus niet om zelf een goede taakhouding te ontwikkelen. Hij moet daarbij hulp hebben en het letterlijk “voorgeschreven” krijgen. Daarbij moet een kind met ADHD er steeds weer aan worden herinnerd wat er van hem wordt verwacht. Zo’n kind heeft blijvend behoefte aan ordening en structuur, aangeboden door zijn omgeving.”
Vrije situatie
“Heel belangrijk is de begeleiding in “vrije situaties” als er wat minder vaste regels zijn. Bijvoorbeeld bij het naar binnen of naar buiten lopen in de pauzes. In die situaties heeft een kind met ADHD extra begeleiding nodig, om te voorkomen dat hij door z’n impulsiviteit op een verkeerde manier op anderen reageert. Het is vaak plezieriger te voorkomen dat er dingen misgaan, dan het achteraf met een kind te moeten doornemen.”
Speciaal bij PDD-NOS
Rutger Jan van der Gaag: “Een kind met PDD-NOS heeft een heel ander probleem. Zo’n kind begrijpt heel weinig van de wereld om zich heen en van zichzelf in relatie met andere mensen.”
Het kind zit te vast in zijn eigen belevingswereld. Het kan informatie “van buiten” niet voldoende laten meesturen in zijn gedrag naar anderen. Het stemt zich onvoldoende af op wat een ander (de ouder of de leerkracht) van hem verwacht. Voor een buitenstaander is het moeilijk de gedachtensprongen van het kind te volgen. Daardoor kunnen de reacties heel onvoorspelbaar zijn. Dat geeft problemen in de relatie met de ouder/leerkracht.
Je kunt bij een kind met PDD-NOS niet blijven hameren op het aanvoelen van sociale situaties als dat juist zijn probleem is. Dat maakt het kind alleen maar onzekerder. In de omgang met een kind met PDD-NOS moet je andere wegen zoeken. Bijvoorbeeld de “cognitieve omweg”. De “cognitieve omweg” betekent: aanleren wat het kind niet automatisch aanvoelt of waarneemt. Je leert het kind bijvoorbeeld dat het niet bij de leerkracht op schoot moet gaan zitten. Het kind voelt niet uit zichzelf aan dat je zoiets niet doet. Het snapt niet dat leerkrachten andere mensen zijn dan ouders, en dat je daar dus op een andere manier mee omgaat.
Dan moet je als leerkracht dus zicht hebben op de problemen van kinderen met PDD-NOS. Je moet weten dat er bij hen sprake is van een zwakte in het “sociale snapvermogen”. Je moet weten wat dat betekent.
Koppigheid… of starheid:
De leerkracht moet dan wel kunnen inschatten dat “koppigheid” misschien wel onvermogen is, een uiting van starheid of rigiditeit. Je kunt het vergelijken met treinen. Die lopen in een vaste baan en kunnen alleen een andere kant op als er een wissel wordt verzet. Werkt de wissel niet, dan ontspoort de trein en geeft dat een hoop ellende.
Een kind met PDD-NOS heeft een ander probleem. Hem hebben we ook lang bij ons zelf achterop gehad, omdat hij vaak zo bang was op de weg. Wordt hij voor het eerst op z’n eigen fiets gezet, dan weet hij niet wat hij doen moet. Het zweet breekt hem uit: “Wat willen ze van me? Wat moet ik met dit ding?” Hem zullen we moeten vertellen: “Je pakt het stuur, zet je voet op de trapper, gaat op het zadel zitten, zet je voet op de andere trapper en beweegt om de beurt de trappers naar beneden.” Met heel veel geduld en uitleg zul je hem uiteindelijk wel op de fiets krijgen. Maar het zal meer en meer blijken dat het voor hem erg moeilijk is. Het is ook de vraag of het ooit automatisch zal gaan.
Bij elke nieuwe weg zal hij erg onzeker zijn. We zullen hem moeten leren steeds op de borden te letten. Soms lijkt het of ook hij zo’n wiebelig stuur heeft, net als het kind met ADHD. Maar bij hem heeft dat wiebelen toch een andere oorzaak: op elke nieuwe weg vergeet hij weer hoe hij moet fietsen, en dan gaat hij ongemerkt slingeren. Maar op een bekende weg die hij graag fietst, heeft hij geen problemen met z’n stuur. Het kan dus best zo zijn dat hij leert fietsen. Maar op nieuwe wegen zal er in veel gevallen iemand naast hem moeten gaan. Of hij zal mee moeten op de tandem. Later kan hij dan misschien voorop de tandem plaatsnemen, waarbij de persoon achterop blijft meedenken en af en toe aan de rem trekt.
Bron:
Drs. H.Swaab-Barneveld is neuropsycholoog in het Academisch Ziekenhuis, Utrecht. Zij is verbonden aan het ADHD team,
Dr. R. J. yan der Gaag is kinder- en jeugd psychiater, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Utrecht en aan polikliniek De Piethorst van Psychiatrisch Ziekenhuis, Veldwijk (Ermelo/Lelystad).
Aanvulling op sollicitatie-code voor Prot. Chr. Onderwijs
Bij het sollicitatiegesprek moet de identiteit van de school duidelijk aan de orde komen. Regels ter bescherming van de school en de sollicitant, waarop de school en de leraar aanspreekbaar zijn.
Zo nu en dan wordt Bijbel & Onderwijs gevraagd naar een sollicitatie-code voor het christelijk onderwijs, met name waar het gaat om de vraag of de identiteit van de sollicitant verenigbaar is met de identiteit van de desbetreffende school.
Als sollicitatie-code hanteren de meeste christelijke scholen het model en advies van het bestuur van de Nederlandse Protestants Christelijke Schoolraad (NPCS) te Voorburg. Daarin staan de gedragsregels voor het bestuur en de sollicitant vermeld die zijn afgestemd op de algemeen gangbare volgorde van gebeurtenissen binnen de sollicitatieprocedure.
Deze regels zijn echter erg algemeen en vermelden niets over het specifieke van het onderwijs, noch iets over de identiteit van de school. Vandaar de behoefte aan een aanvulling, waartoe wij hieronder in ’t kort enkele richtlijnen geven. Deze vallen in vier categorieën uiteen:
De meeste van deze regels worden in de praktijk gehanteerd. Sommige stellingen, zoals hierna omschreven onder A1, mogen vanzelfsprekend lijken, maar toch blijkt het nodig te zijn om zelfs zaken die voor de meesten vanzelfsprekend zijn, nog eens expliciet te vermelden.
Aanvulling gedragsregels sollicitatieprocedure (onderwijsgericht)
A1. Indien ter vervulling van de vacature een advertentie wordt geplaatst in een of meer landelijke of regionale periodieken, dan vermeldt het bestuur daarin zo concreet en duidelijk mogelijk de eisen en voorwaarden die aan de functie worden gesteld.
A2. Binnen een week na sluiting van de sollicitatie-termijn wordt aan alle sollicitanten de ontvangst van hun brief bevestigd. Wordt de sollicitant voor een gesprek uitgenodigd, dan ontvangt deze vooraf nadere gegevens omtrent de identiteit van de school, zoals deze in het sollicitatiegesprek aan de orde zullen komen. Hieronder vallen Artikel 2 en 3 van de statuten (Grondslag en doelstelling), de Identiteitsnota en de Schoolgids.
A3. Vertegenwoordigers van geledingen die voor de functie en functievervulling relevant zijn, worden betrokken bij de sollicitatieprocedure en nemen deel aan de sollicitatiegesprekken. Meestal bestaat deze commissie uit enkele bestuursleden, een MR-ouderlid, een personeelslid en de directie.
A4. De sollicitant verstrekt naar waarheid de inlichtingen die van hem worden gevraagd en die een inzicht kunnen geven in zijn geschiktheid en bekwaamheid voor de te vervullen functie, voor zover het geven van deze inlichtingen van hem verlangd kan worden.
Bespreking van de grondslag en identiteit
B1. De bespreking van grondslag en identiteit van de school vormt een wezenlijk onderdeel van het sollicitatiegesprek. Hierbij komen alle drie vormen van de christelijke identiteit aan de orde: de statutaire identiteit; de geschreven identiteit en de beleefde identiteit.
B2. Aan de sollicitant wordt gevraagd of de identiteit van de school, zoals deze blijkt uit de hem toegezonden documenten, duidelijk is. Indien nodig, wordt deze nader toegelicht en besproken, met name waar het gaat om de uitleg van en het omgaan met de Bijbel als grondslag van de school. Naast de pedagogische en onderwijskundige kwaliteiten vormt de invulling van de identiteit een onderdeel van de beoordeling van de geschiktheid en bekwaamheid van de sollicitant voor deze functie.
B3. Onder geschiktheid voor de functie wordt uitdrukkelijk mede begrepen de bereidheid van de sollicitant om onvoorwaardelijk instemming te betuigen met de grondslag en het doel van de rechtspersoon waarvan de school uitgaat, zijn werkzaamheden in overeenstemming daarmee te verrichten en zich in leer en leven daarnaar te gedragen.
B4. Het bestuur kan de sollicitant verzoeken een kort resumé te schrijven over wat het christelijk geloof voor hem inhoudt, toegespitst op wat dit betekent voor zijn wereldbeeld en levensstijl. Hij dient daarbij enkele voorbeelden te geven van actuele onderwijstrends en de wijze waarop het ‘Gij geheel anders’ van de Schrift hierin zijn mening en gedrag bepaalt.
B5. Voorbeelden van het ‘Gij geheel anders’ zijn onze houding tegenover aanhangers van een andere religie, leven in een spanningsveld en de invloed van het occulte op kind en school.
Proefles of werkbezoek
C1. Indien het bestuur dit wenselijk oordeelt of indien de sollicitant hierom verzoekt, kan de sollicitant worden uitgenodigd een proefles te geven. Over doel, inhoud en verdere gang van zaken bij deze proefles worden tijdig duidelijke afspraken gemaakt.
C2. Een werkbezoek aan de sollicitant in zijn huidige functie kan alleen met instemming van de sollicitant en op het moment dat deze heeft aangegeven. Na verkregen instemming van de sollicitant wordt toestemming gevraagd aan het bevoegd gezag van de school of instelling waarbij de sollicitant werkzaam is.
C3. Desgewenst wordt de sollicitant in staat gesteld de school of instelling tijdens een werkdag te bezoeken.
Gedragsregels om de identiteit metterdaad uit te dragen
D1. Na zijn aanstelling en indiensttreding maakt de sollicitant deel uit van het schoolteam en gelden ook voor hem de rechten en plichten die ook voor de andere leden gelden. Zo is hij te allen tijde aanspreekbaar op zijn bijdrage aan de identiteit van de school.
D2. Het bestuur beseft terdege aan welke ingrijpende veranderingen de school, en daarmee ook de leden van het schoolteam, in deze tijd blootstaan. Daarom zullen zij al het mogelijke doen om zich hierop gezamenlijk te bezinnen en om de leden van het schoolteam in staat te stellen zich hierop, vanuit de grondslag, te oriënteren.
D3. Van de teamleden wordt verwacht dat zij naar vermogen deelnemen aan bijeenkomsten of cursussen die hiertoe door het bestuur worden aangeboden.
drs. R.H. Matzken
De verheerlijking van het individu in de gemeente/kerk
Het is stil in de kerkzaal. Iedereen luistert aandachtig naar de spreker: “Jezus is voor jou gestorven, omdat jij zo waardevol bent! Ook al zou jij de enige bewoner op deze aarde zijn geweest, dan nog zou Hij voor jou gestorven zijn. Maak daarom een persoonlijke keuze voor Jezus. Zeg ‘JA’ tegen Hem!”
Na de preek zingen we liederen uit de bundel Opwekking met veelal teksten over hoe God er is voor jou, met jou meevoelt en hoe Hij jou zal zegenen. Ondertussen kunnen bezoekers die aangesproken zijn naar de nazorg gaan. Ik besluit mee te gaan. Er heerst een ontspannen sfeer in de nazorgruimte; tafels met stoelen staan klaar om gesprekken te voeren met bezoekers.
Op de tafels liggen kaartjes met bovenaan de titel “Jouw identiteit in Christus” met daaronder een tip: “Geloof dit en spreek het over jezelf uit.” Er volgt een opsomming over wie jij allemaal bent in Christus, aan de hand van veel Bijbelteksten. Het valt me op dat elke zin begint met “Ik ben…Ik ben…Ik ben…”. Als ik het aantal zinnen tel, kom ik al snel op 30 zinnen die jou vertellen wie jij allemaal bent. Een vraag komt in me op: “Het is toch alleen de Here God Die zegt “Ik ben, die Ik ben?”
De bezoekers van deze dienst gaan naar huis met twee duidelijke opdrachten: maak een persoonlijke keuze voor Jezus en spreek over jezelf uit wie je bent in Hem.
Individualisme
Onze geliberaliseerde samenleving koestert het individualisme als een groot goed. Iedereen moet zich vrij voelen om te denken en te zeggen wat hijzelf wil. Het is ieders persoonlijke vrijheid die een grote mate van autonomie geeft aan het individu. Het woord autonomie komt van autos (zelf) en nomos (regels). Je kunt het ‘vertalen’ met leven naar eigen regels.
Jij bepaalt en beschikt zelf over je eigen leven. Tussen de zelfbeschikkingsrechten van conceptie en het tijdstip van je eigen overlijden, zit nog een hele reeks van autonomische ‘normen en waarden’ zoals zelfontplooiing, zelfverwezenlijking en zelfhandhaving. Hier hoort zelfbereikbaarheid sinds enkele jaren ook bij: je wilt vrijwel altijd en overal bereikbaar zijn met je i-phone en i-pad (zodat mensen jou kunnen bereiken en jij overal je e-mail kunt lezen en het internet op kunt voor bijvoorbeeld het laatste nieuws).
Revoluties
De individualisering van de maatschappij in Nederland kreeg met name in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw een enorme ontwikkeling. De zogenaamde ‘vrijheid’-strijders uit die tijd vonden dat alles moest kunnen waar je zin in had. Het was een tegenbeweging van de verzuilde maatschappij. Mensen uit de verschillende zuilen, zoals het protestantisme, humanisme en katholicisme, gingen nauwelijks met elkaar om. Elke zuil had bijvoorbeeld zijn eigen school, sport- en muziekvereniging, radio-omroep en politieke partij. Persoonlijke keuzes werden gemaakt in het licht van de zuil waartoe je behoorde. In de jaren ’60 en ’70 nam de mondigheid van het individu toe en kwam er meer ruimte voor je eigen mening, je eigen keuzes en je eigen beleving. De cohesie binnen de zuilen brokkelde af. De focus draaide van het collectivisme naar het individualisme. Het begin van de secularisatie, de ontkerkelijking in Nederland, was hierdoor een feit.
Voor steeds meer Nederlanders werd het mogelijk om een opleiding te volgen en zich persoonlijk te ontwikkelen. De nadruk op carrière en de verwezenlijking van je eigen dromen werden steeds groter. Het recht van zelfontplooiing was geboren.
In de jaren ‘80 kwam de digitale revolutie met de uitvinding van de computer en de vele toepassingen ervan. De nieuwe manieren van communiceren krijgt de naam Social Media. We noemen het sociaal, omdat er sprake is van nieuwe manieren om met elkaar in verbinding te zijn. De sociale media hebben een schijn van gemeenschappelijkheid, maar blijkt in werkelijkheid een exponent te zijn van de individualisering van de maatschappij. Jij bepaalt achter jouw computer wanneer, hoe en hoelang je jouw ‘vrienden’ ontmoet in deze digitale samenleving. De Nederlander krijgt het steeds drukker en moet steeds vaker verschillende soorten informatiestromen verwerken.
Eén van de kernmerken van de postmoderne periode waarin we leven, is dat iedereen zijn eigen waarheid heeft. Wat je voelt en vindt, is waarheid voor jezelf. Zo ontstaat er een nieuw taboe: elkaar terechtwijzen is not-done. Jij maakt als individu zelf uit wat goed is in eigen ogen.
Dit alles maakt dat de samenleving verworden is tot een optelsom van idealen van individuen. En het gezin bestaat uit een samenwerkingsverband van individuen waarbij er rekening moet worden gehouden met elkaars prioriteiten.
De kerk als individualistische eenheid
De gemeente/kerk lijkt volop mee te doen met de individualisering. De gemeenschap der heiligen is een optelsom geworden van individuele gelovigen. Het Lichaam van Christus is een samenvoeging van individuele geestesgaven. Als het om geloof gaat, ligt de nadruk op het individualistische schaap in plaats van op de kudde als geheel. Het geloof is met de tijd geïndividualiseerd: Leven met en in Christus is een persoonlijke zaak geworden. Tussen jou en God. Zo ziet onze gemeenschap met Jezus eruit. “Het is mijn persoonlijke relatie met God” en o wee als je daar iets van vindt of kritiek op hebt, bijvoorbeeld in de vorm van elkaar wijzen op zonden en op de verlossing van Jezus Christus. Dat is not-done. Jouw persoonlijke beleving van de zondagse samenkomst is belangrijk geworden. Opwekkingliederen leren ons nauwelijks nog wat het betekent om als gehele gemeente de Here te aanbidden en Hem centraal te stellen in ons leven. De onderlinge gemeenschap en betrokkenheid moet vooral plaatsvinden in de kleinere Bijbelkringen. Enkele bezoeken aan verschillende van deze kringen leert mij al snel, dat het ook hier gaat om een optelsom van persoonlijke meningen en gevoelens die gerespecteerd moeten worden. De spanning stijgt in slechts enkele seconden, als je vraagt aan de kringdeelnemers wat de wil van Christus werkelijk is voor hun leven en of Gods Woord nog wel waarheidsbepalend is. Theoretisch wel, maar papier is geduldig. De praktijk laat een ik-gericht christendom zien. De meeste kerkgangers hebben hun eigen waarheid, terwijl er maar Eén de waarheid is: Jezus Christus. De individuele gemeenschap met de Here Jezus is los komen te staan van de onderlinge gemeenschap.
Een gemeenschap van betrokkenheid
Het woord gemeenschap (koinonia) in het Nieuwe Testament kun je ook weergeven met innerlijke onderlinge betrokkenheid. Ware gemeenschap met Christus, met Zijn Vader en met elkaar geeft een volmaakte blijdschap, schrijft Johannes (1 Johannes 1:3-4). Dat is de verkondiging van de Here die hij doorgeeft in zijn brief. Je kunt wel zeggen dat je gemeenschap hebt met Jezus door jouw persoonlijke geloof, maar als je in de duisternis en in je zonden blijft wandelen, ben je een leugenaar. En als je in het licht wandelt, dan komt door de onderlinge gemeenschap jouw zonde aan het licht en reinigt het bloed van Jezus Christus jou van alle zonden en ongerechtigheid.
Echter, individualistische gelovigen lossen liever zelf hun zonden op in hun persoonlijke relatie met God. Daardoor blijven zij in hun zonden wandelen en kennen geen werkelijke vrijheid door Jezus Christus. De gelovige meent zelf te weten wat goed is in eigen ogen, terwijl je juist elkaar nodig hebt om in Christus te blijven.
Jezus Christus stierf niet aan het kruis, omdat jij waardevol bent, maar omdat jij zondig bent (1 Johannes 4:10). Hij stierf niet voor vrienden, maar voor vijanden (Romeinen 5:10). De Vader toonde Zijn liefde door Zijn geliefde Zoon op te offeren voor zondige mensen, zodat zij konden leven. Met deze liefde moeten wij elkaar lief hebben (1 Johannes 4:7-10). Die liefde is nooit gericht op ons individualistisch zelf, maar op de Ander. (Filippenzen 2:1-5). Eerst gericht op Christus en dan naar elkaar (Johannes 15:9-14). Het gaat niet meer om onze eigen ik, maar om Christus in mij (Galaten 2:20). Dan pas kun je zien wat de ander nodig heeft en zul je jezelf en je bezittingen met anderen delen, zoals in de eerste christelijke gemeenschappen (Handelingen 2:42-47 en 4:32-37).
In de navolging van Christus is er geen plaats voor zelfontplooiing, zelfverwezenlijking, zelfhandhaving en autonomie. De Here Jezus zegt: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.” (Mattheüs 16:25).
Terug naar…
Moeten we als gemeente/kerk weer terug naar de verzuiling? Nee! We moeten terug naar Jezus Christus door ons te bekeren van ons eigen individualistische ik-gerichte godsdienst. We moeten als gemeente/kerk weer terug naar Gods Woord en ons bekeren van de ik-gerichte aangename evangelieverkondiging en opnieuw ontdekken wat werkelijke Bijbelse koinonia is. We moeten als ouders eerlijk durven kijken naar wat de werkelijke drijfveren zijn om het gezin “draaiende te houden”. Zijn deze gebaseerd op overleven of op Het Leven: Jezus Christus?
De opdracht van de Here Jezus is duidelijk: verlies je leven om Zijn wil, neem je kruis op, volg Hem en deel je leven met je gelovige broeders en zusters. Dat zal een lichtend licht en een zoutend zout zijn voor deze individualistische samenleving waarin de gemeente/kerk staat.
Siegfried Woudstra
De heer Woudstra is Bijbelleraar, theoloog en uitgever