Erfelijke eigenschappen liggen opgeslagen in het DNA van de celkern. Ik denk dat op dit moment de opbouw van het DNA het sterkste argument vormt tegen evolutie.
DE ORDELIJKE BOUW VAN DNA ALS ARGUMENT TEGEN EVOLUTIE

Prof. Dr. Willem den Otter
(hoogleraar zoölogie)

Erfelijke eigenschappen liggen opgeslagen in het DNA van de celkern. Ik denk dat op dit moment de opbouw van het DNA het sterkste argument vormt tegen evolutie. Ik volg hierbij de volgende gedachtegang:

Alle erfelijke eigenschappen liggen gecodeerd in DNA. Anders gezegd: het DNA in een cel zorgt er voor dat een mens, een dier of een plant kan groeien uit een cel, meestal een bevruchte eicel. De letters van deze code worden gevormd door de bouwstenen die men basen noemt. Deze basen heten Guanine (G), Adenine (A), Cytosine (C) en Thymine (T). Er wordt dus gebruik gemaakt van een alfabet van maar 4 letters. Deze letters worden alleen gebruikt voor het maken van 3-letter woordjes. Als we zo’n woordje even aangeven met 1-2-3 , dan zijn er voor 1 vier mogelijkheden, namelijk G, C, A, en T. Dit geldt ook voor 2 en 3. Het hele taaltje heeft dus slechts 4 x 4 x 4 = 64 verschillende woordjes. Dit is overigens voldoende want deze 64 woordjes duiden aminozuren aan; en er zijn slechts ruim 20 verschillende aminozuren, zodat 64 woordjes meer dan voldoende is. Deze aminozuren zijn op hun beurt weer de bouwstenen van de eiwitten waaruit ons lichaam is opgebouwd. Een reeks basen zoals AAT-GAC-TAG-GGC- vormt dus in dit geval 4 woordjes die coderen voor 4 achter elkaar liggende aminozuren; dat is het beginnetje van een eiwitmolecuul. Hoe die vertaling van woordjes naar aminozuren en eiwitmoleculen precies gaat, is voor dit betoog niet belangrijk.

De mens heeft 3 miljard basen in het DNA. Die moeten precies in de goede volgorde liggen. Een foutje in slechts één op de 3 miljard basen kan tot een erfelijke ziekte leiden, zoals bloederziekte, kleurenblindheid, zenuw- en spierziekten. Veel andere foutjes worden echter getolereerd. Biologie leert dus dat menselijk DNA 3 miljard basen keurig op een rijtje moet hebben. Evolutie beweert dat dit alles door toeval ontstaan is (ik heb het dus over wat John Jacobs een “materialistische atheïstische” evolutietheorie noemt).
We zouden de basen kunnen nummeren van 1 tot drie miljard. Die zouden door toeval allemaal in de goede volgorde komen te liggen. Dat betekent voor base nummer 1 een kans van 1 op 4 , want er zijn 4 verschillende basen, die ieder toevallig op de eerste plaats zouden kunnen komen. Dit zelfde geldt voor alle basen t/m de 3 miljardste. Het aantal basen-reeksen dat door toeval zou kunnen ontstaan neemt schrikbarend snel toe. Probeer het maar eens met 6 basen. Nu zijn er al 4 x 4 x 4 x 4 x 4 x 4 = 4096 combinaties mogelijk. Slechts één hiervan zou de juiste zijn. Voor het genoom van een mens zou de kans dat de goede reeks van 3 miljard basen door toeval op een rijtje terecht komt een kans maken van 1 op de 4 tot de macht 3 miljard. Dat is een getal dat bestaat uit precies 1.806.179.974 cijfers! Die kans is dus zo klein dat het onvoorstelbaar is.
Ik zal proberen duidelijk te maken waarom dit onvoorstelbaar is. Ik denk dat het enigszins duidelijk te maken is met ruimtelijke voorbeelden:
Laten we beginnen deze kans te vergelijken met de kans om de bekende speld in een hooiberg te vinden. Laten we een speld zoeken van 1 mm3 in een hooiberg van 10 bij 10 bij 10 meter. Die hooiberg is 10 000 x 10 000 x 10 000 maal groter dan die speld. Anders gezegd: hij is 10 tot de macht 12 maal groter. Oftewel, die hooiberg is een miljoen x een miljoen maal groter dan die speld. Nu we er over nadenken wordt het duidelijk dat het verstandig is om geen speld in een hooiberg te gaan zoeken! Maar dit gaat nog maar over een getal met 12 nullen! We moeten nadenken over een getal met zo’n 1,8 miljard cijfers!
Zo kan je ook uitrekenen hoe groot de kans is om een speld van 1 mm3 te vinden in een ruimte zo groot als de aardbol. De aardbol is ongeveer 10 tot de macht 27 maal zo groot als onze speld.
Iedereen zal begrijpen dat het geen enkele zin heeft om zo’n speld op aarde of ergens in de aardbol te zoeken. Daar komt nog bij: 10 tot de macht 27 is nog niets vergeleken met een getal van 1,8 miljard cijfers.
Laten we nog iets groters bedenken. Licht verspreidt zich vanuit één punt in alle richtingen met een snelheid van 300.000 km per seconde. In één jaar wordt dat dus een fabelachtig grote lichtbol. Wat rekenwerk levert op dat zo’n lichtjaar-bol ongeveer 3,5 maal 10 tot de macht 57 mm3 bevat. Deze gigantisch bol heeft een omvang in mm3 die toch maar slechts 58 cijfers vergt. Dit is nog steeds niets vergeleken met 1,8 miljard cijfers. Het is duidelijk dat de kans dat DNA door toeval ontstaat onvoorstelbaar klein is.
Het lijkt me duidelijk dat een correct DNA-molecuul niet door toeval kan ontstaan.
Laten we eens even veronderstellen dat er toch langs deze weg een cel te voorschijn komt en dat daaruit een man groeit. Waar komt dan een vrouw vandaan die bij hem past? Het evolutionistische antwoord zou kunnen zijn: de vrouw komt uit de man (bijvoorbeeld door verlies van een Y-chromosoom en duplicatie van een X-chromosoom). Maar hoe kan die man bestaan en zich voortplanten zo lang er nog geen vrouw is?
Er zijn natuurlijk nog heel wat andere problemen. Een mens kan alleen leven wanneer er voldoende planten en dieren beschikbaar zijn. Het eten van die planten en dieren heeft alleen maar zin doordat zij biologisch aan een mens verwant zijn. Een mens heeft zuurstof, water en voedsel nodig. De temperatuur moet zeer nauwkeurig geregeld worden. Hoe kan het dat deze zaken allemaal keurig door toeval op het juiste moment aanwezig zijn?

Misschien vraag jij je af waarom dit DNA-molecuul-als-bezwaar-tegen-evolutie zo belangrijk is. Het antwoord is dat DNA essentieel is voor het ontstaan van leven; de hele complexiteit van ons biologische bestaan wordt aangestuurd door dit molecuul. De problemen die een materialistische atheïstische evolutietheorie oproept om dit molecuul te verklaren zijn nu wel duidelijk geworden.

Natuurlijk ken ik nogal wat argumenten die tegen de geschetste gedachtegang ingebracht worden. Het lijkt me goed enkele de revue te laten passeren:
– Argument: Evolutie is wel degelijk mogelijk, want in een paar miljard jaar kan alles wel ontstaan. Mijn antwoord is, dat een paar miljard jaar veel te kort is. Want een miljard jaar heeft slechts ongeveer 3 maal 10 tot de macht 16 seconden. Dat is veel te weinig om door toeval iets te laten ontstaan waarvan de kans ongeveer is 1 op een getal met 1,8 miljard cijfers.
– Argument : Er is niet alleen puur toeval; er bestaan ordenende principes of bepaalde stappen in de vorming van zo’n molecuul . Antwoord: Waar zijn dan die ordenende principes die ervoor zorgen dat het eerste DNA netjes wordt gevormd?
– Argument: Er hoeft waarschijnlijk veel minder DNA door toeval gemaakt worden, want heel veel stukken DNA worden vele malen gekopieerd. Antwoord: Dat is wel zo, maar dat lost het probleem niet op. Stel je maar eens voor dat elk stuk DNA wel 1000 keer voorkomt; dat zou betekenen dat niet 100% van het DNA door toeval gemaakt moet worden, maar 0,1%. Er moeten dan niet 3 miljard basen door toeval op een rij gemaakt worden, maar 3 miljoen. De kans dat zoiets door toeval gebeurt is ongeveer 1 op een getal met ongeveer 1,8 miljoen cijfers. Ook dit is niet realistisch.
– Argument: Er zijn 64 3-letter woordjes voor ca 20 aminozuren. Er zijn dus aminozuren die door meer dan één 3-letter woordje worden benoemd. De toevals-kans voor een correct DNA wordt dus aanzienlijk groter. Daarvoor moet je corrigeren. Antwoord: Dat klopt. Maar een simpele berekening toont ook hier aan dat dit geen realistische kans biedt voor de toevallig correcte vorming van DNA.
– Argument: Leven begon niet met menselijk DNA maar bijvoorbeeld met DNA van een bacterie. Dat DNA is veel kleiner. De kans op de toevallige vorming van dit bacterie DNA is gigantisch veel groter dan van menselijk DNA. Antwoord: Accoord. Maar de kans is nog steeds onrealistisch klein.

Zo lang het DNA binnen evolutionistisch denken door toeval moet ontstaan, is dit mijns inziens het hardste argument tegen evolutie. Darwin echter ging uit van één of meer door God geschapen levensvormen. Deze aanname van Darwin is met het bovenstaande bevestigd.

Darwin schreef zijn boek in 1859. Sindsdien is de evolutietheorie niet meer weg te denken uit de biologie. Maar de argumenten tegen de evolutietheorie lijken mij vele malen sterker dan de argumenten ervoor.

Nu ik vaststel dat de evolutietheorie het DNA niet kan verklaren, zal het voor iedere lezer duidelijk zijn, dat ook creationisme (opgevat als alternatieve natuurwetenschap) het mechanisme van het ontstaan van dit molecuul op geen enkele manier kan verklaren. Ik ben dus geen evolutionist en ook geen creationist. Ik kan me heel goed voorstellen dat een onderzoeker nadenkt over mechanismen die het ontstaan van DNA kunnen verklaren. Maar ik denk dat de conclusie nu nog altijd is: er bestaat geen zinnige en onderzoekbare hypothese voor het ontstaan van het complete menselijke DNA. Ik kan ook niet inzien waarom een wetenschappelijk onderzoeker persé een hypothese moet hebben ter verklaring van het ontstaan van het DNA . Ik denk dat we alleen kunnen zeggen :
“Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar…..” (Romeinen 1:20).
Maar dan hebben wij de gebieden van natuurwetenschappen, evolutionisme en creationisme verlaten.

Er komt veel op u af als opvoeder en docent. U hebt veel impulsen te verwerken die u dient te beoordelen, voordat u uw kinderen eraan blootstelt. Het lezen van boeken is daar een van.

Als leerkracht op een basisschool, in het midden van het land, gaat niet alleen de ontwikkeling van mijn eigen kinderen, maar ook die van mijn leerlingen mij aan het hart. Omdat ik boeken vaak “proeflees”, voordat mijn kinderen en leerlingen deze te lezen krijgen, heb ik een beeld van wat er speelt.

Ik zie boeken en jeugdliteratuur als een middel om kinderen iets bij te brengen; ze op een toegankelijke manier een les te leren. Omdat ik een verkeerde tendens ontwaar binnen de huidige jeugdliteratuur, wil ik met dit artikel waarschuwen, aan de alarmbel trekken. We moeten onze kinderen beschermen.

Eerder kregen we met de boeken over Harry Potter te maken waarin het occulte centraal staat. Dat gebeurde ook dichter bij huis, in de boeken van Paul van Loon. Een zeer kwalijke zaak. Daar is vanuit onze hoek ook adequaat op gereageerd. Het is een tendens in jeugdboeken om onze kinderen te confronteren met een verheerlijking van het occulte.

Inmiddels heb ik een nieuwe tendens opgemerkt waarvoor we onze kinderen moeten beschermen: een verdere verloedering van jeugdboeken waarmee wij en onze kinderen worden geconfronteerd.
Daarbij doel ik op de zogenaamde verheerlijking en normalisering van geweld, negativiteit en zelfs grafschennis. Als voorbeeld wil ik daarvoor het boek ‘De zuurtjes’ van Jaap Robben en Benjamin Leroy gebruiken.

Het jeugdboek ‘De zuurtjes’ gaat over onvriendelijkheid. De hoofdpersonen Harry en Huibert Zuur maken elkaar en hun omgeving het leven zuur. Allereerst is dat een slecht thema voor een kinderboek. Boeken hebben een voorbeeldfunctie.
Dit boek is een verheerlijking van schelden, vloeken en ruziemaken. Alsof dit nog niet erg genoeg is, mishandelen ze ook hun huisdier. Daarnaast heerst er in het boek een sfeer alsof het slecht is je aan regels te houden, maar dat terzijde.

Mijn belangrijkste knelpunt in dit boek is dat er wordt gedaan alsof de ouders van de hoofdpersonen slapen, terwijl dat niet het geval is. Er is iets gruwelijks met de vader van de hoofdpersonen gebeurd waarna hun moeder de vader heeft begraven in de tuin. Ook de moeder is vervolgens overleden, maar er wordt gedaan alsof ze nog leeft. Vervolgens wordt aan het eind van het verhaal de vader opgegraven. Op een paginagrote illustratie is te zien hoe een hond het stoffelijk overschot van de vader heeft opgegraven en in zijn bek heeft. Het spijt me u hiermee te moeten confronteren. Maar in dit boek heerst de duisternis.
Het Nederlands Dagblad verwoordde het zo in een recensie over het boek op 30 oktober 2010:

“In het stuk waarin uitgelegd wordt waarom Harry en Huibert niet over het gras mogen lopen, slaan de makers door in hun fantasie en wordt het boek te gruwelijk.”

Ik wil nog verder gaan dan deze recensie. Het is een satanisch boek. Dit boek is een duidelijk voorbeeld van het gevaar van fantasie. Dit boek zet aan tot grafschennis en wangedrag. Door middel van het gebruik van fantasie proberen de makers van dit boek kinderen naar de duisternis te trekken.

En zoals ik al in de inleiding schetste, is het niet enkel dit boek, het is een tendens. Ook in het boek ‘Niets’ van Janne Teller graven de hoofdpersonen een overleden broertje op n.a.v. een weddenschap. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Verder noem ik boeken als ‘Nooit meer lief’ van Anna van Praag of ‘Tiffany Dop’ van Tjibbe Veldkamp. In de laatste twee boeken wordt de slechtheid van de personen als heel gewoon beschreven. ‘Tiffany Dop’ kreeg al terechte kritiek van de Bond tegen het Vloeken. Maar notabene het CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) prijst deze schrijver en bekroont het boek zelfs. Een stimulans waardoor het boek alleen nog meer kinderen dreigt te bereiken. Ook het eerder genoemde ‘De zuurtjes’ wordt door het CPNB als kerntitel in de kinderboekenweek aanbevolen en voor de Kinderjury op de tiplijst.

Om te voorkomen dat onze kinderen ongevraagd geconfronteerd worden met deze boeken, trek ik nu aan de bel. Het is van groot belang om niet alleen als opvoeder gewaarschuwd te zijn. Ook docenten en voorgangers moeten op de hoogte zijn van dit kwaad. We zijn nog op tijd. Als voorganger kunt u hier wellicht aandacht aan schenken in uw dienst of in uw berichtgeving.

Mocht u als docent met uw klas of school bijvoorbeeld meedoen aan de Kinderjury, dan kunt u uw leerlingen afraden op dit boek te stemmen.

Zelf heb ik contact gezocht met de lokale boekhandel. Na een gesprek met de boekhandelaar hebben ze in overweging genomen om ‘Niets’ en ‘De zuurtjes’ niet meer te verkopen. Ook mijn bibliotheek overweegt om het laatst genoemde boek uit de collectie terug te trekken.

U bent uiteraard vrij om mijn voorbeeld te volgen en op deze manier onze kinderen te beschermen.

Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden. (1 Petrus 5:8)

M.H. I.

Een aantal Bijbelse normen wordt in de boven genoemde boeken ondergraven:

Respect voor het dode lichaam
In het boek Niets en in De zuurtjes graaft men een overledene op. In het laatste boek drinken de hoofdpersonen zelfs een kop thee met het skelet van de vader.

Verruwing van taal
In Tiffany Dop en Nooit meer lief komen veel vloeken en scheldwoorden voor. In De zuurtjes schelden de hoofdpersonen geregeld op elkaar.

Respect voor ouders en ouderen
Grof taalgebruik, tutoyeren van ouders en niet opvolgen van regels getuigen niet van respect. Ook door het belachelijk maken van gebreken van ouderen, zoals in De zuurtjes, merk je een negatieve houding.

In het boek Tiffany Dop wil de hoofdpersoon graag zwanger worden, terwijl ze pas 13 is.

Het zet kinderen aan tot gewelddadigheid
De hoofdpersonen in De zuurtjes hebben bijvoorbeeld een vaste dag per week waarop ze ruzie maken. Ook in de andere boeken is veel geweld. In het boek Niets hakken de hoofdpersonen een vinger van een vriendje af.

Wie de Here Jezus persoonlijk als Heer kent, kan niet over Hem zwijgen. Zijn werk in ons, brengt je tot het Bijbels getuigenis: Jezus Christus is Heer. Thuis of op school, je vertelt van Zijn werk in en door u. Hieronder het verhaal van een kind van God dat op een zinkend schip en in ijskoud water van de oceaan getuigt van zijn Heer en Heiland.

John Harpers laatste bekeerling

John Harper, een baptistenvoorganger uit Glasgow in Schotland, had drie maanden in de Moody gemeente in Chicago dienst gedaan. Gedurende die tijd had de gemeente een van de wonderbaarlijkste opwekkingen in haar geschiedenis beleefd.

Hij was echter nog niet lang in Schotland of hij werd verzocht terug te keren en zijn dienst voort te zetten. Harper trof gauw maatregelen voor zichzelf en zijn zesjarig dochtertje, Nana, om aan boord van de Lusitania naar Amerika terug te reizen. Hij besloot echter zijn vertrek nog een week te verschuiven, zodat zij op een nieuw schip konden reizen, dat op het punt stond zijn eerste reis te maken: de Titanic. Dit schip kwam op 14 april 1912 om 23.40 uur in botsing met een ijsberg.

Toen de passagiers gewaarschuwd werden hun hutten te verlaten, wikkelde Harper zijn dochter in een deken en zei tegen haar, dat zij hem op zekere dag terug zou zien en vertrouwde haar toe aan een van de bemanningsleden. Nadat hij gezien had, dat ze veilig aan boord van een van de reddingsboten was, trok hij zijn zwemvest uit en gaf het aan een van de andere passagiers.

Eén van de overlevenden herinnert zich duidelijk, hoe hij riep: ‘Vrouwen, kinderen en ongeredden in de reddingsboten!’ Harper rende toen langs de dekken en verzocht de mensen dringend zich tot Christus te bekeren en terwijl het schip verder zonk, vroeg hij het scheepsorkest van de Titanic te spelen: ‘Nader mijn God tot u.’

Hij verzamelde mensen op het dek om zich  heen, knielde toen neer en hief met een heilige vreugde op zijn gezicht zijn armen omhoog om te bidden. Toen het schip begon te slingeren, sprong hij in het ijskoude water en zwom wild naar ieder die hij bereiken kon en smeekte hen zich tot de Heer Jezus te bekeren, opdat ze gered zouden worden.

Toen hij tenslotte te zeer onderkoeld was, zonk John Harper weg in het water en kwam in de tegenwoordigheid van de Heer. Hij was 39 jaar oud geworden.

De laatste bekeerling

Vier jaar later stond een jonge Schot met de naam Aguilla Webb voor een bijeenkomst in Hamilton, Canada, op en gaf het volgende getuigenis: Ik ben een overlevende van de Titanic. Toen ik in die vreselijke nacht alleen op een stuk hout dreef, brachten de golven Mr. John Harper eveneens op wrakhout in mijn nabijheid. ‘Man,’ zei hij, ‘bent u gered?’ ‘Nee,’ zei ik, ‘dat ben ik niet.’ Hij antwoordde: ‘Geloof in de Here Jezus en je bent gered.’ De golven droegen hem weg, maar vreemd genoeg brachten ze hem even later weer terug en hij vroeg opnieuw: ‘Bent u nu gered?’ ‘Nee,’ zei ik, ‘als ik oprecht ben, kan ik dat niet zeggen.’ Harper zei weer: ‘Geloof in de Here Jezus en je bent gered.’ Kort daarop ging hij onder. En daar alleen in de nacht met twee mijl water onder me, geloofde ik in de Here Jezus. Ik was John Harpers laatste bekeerling.

William Andrew uit Glasgow noteerde in een waardering voor Harper die in 1912 met de titel ‘De drie thema’s van een held’ gepubliceerd werd, dat die thema’s van John Harpers preken waren: Het kruis van Christus, Gods wonderbare genade voor mensen en de snelle komst van onze Here Jezus.

Bron: George Harper ‘My brother as I knew him’ (‘Mijn broer zoals ik hem kende’). Overgenomen uit ‘Der schmale Weg’ nr. 3, 2011.

Een kwestie van je hersenen erbij houden of . . . . .?

Hoe is het mogelijk?
In het blad voor het reformatorisch onderwijs, DRS Magazine van september 2011, stond een artikel met de titel: Wil je met je hoofd leren, dan moet je met je voeten beginnen. Toen ik de tekst vluchtig doorscande, viel mij de illustratie van de twee hersenhelften onmiddellijk op.  Ik was op zijn zachtst gezegd verbaasd. Dit verwachtte ik niet in een magazine, dat toch duidelijk een uiterst orthodoxe signatuur kent en zich doorgaans kenmerkt door Woordgetrouwe bedachtzaamheid. Ik vermoed, dat het artikel ook zeker niet uit kwade opzet zal zijn geschreven. Het is mogelijk dat aan publicatie onkunde ten grondslag[1] ligt. Je ziet hoe de vijand als ten tijde van Israëls tocht naar het beloofde land de zwakke plek weet te vinden voor zijn aanval[2]: de achterhoede, vrouwen en kinderen – hier specifiek direct het kind, maar indirect wel degelijk ook de ouder.

NLD en MRT
Naast het al maar groeiend aantal ontwikkelingsstoornissen onder met name jongeren[3] zijn er ook nog stoornissen die vallen onder de noemer non verbale leerstoornissen, afgekort met NLD[4]. Onder deze noemer vallen ook motorische ontwikkelingsproblemen. Hoewel er feitelijk weinig over de oorzaken van NLD bekend is, wordt er echter beweerd dat NLD via neurologisch onderzoek aantoonbaar is. Als hulp bij motorische ontwikkelingsproblemen is er de Motorische Remedial Teaching, afgekort MRT en hierover ging het in het bedoelde artikel in het DRS Magazine.

New age (!)
De door de MRT voorgestane ideologie blijkt, voor wie de moeite neemt zich hierin te verdiepen, doorspekt met de vanuit de new age komende gedachte van de twee hersenhelften[5]. Dan is het oppassen geblazen. Binnen de MRT wordt al te vanzelfsprekend op de rol van de verschillende hersenhelften gewezen en het kan haast niet anders –  invloed new age – op de dominantie van één van de hersenhelften. Aangezien tot op heden elke wetenschappelijke onderbouwing voor dergelijke ideeën ontbreekt, mist de MRT haar legitimatie en berust het gedachtegoed ervan op louter aannames. Het is bekend dat er mensen zijn die volledig met één hersenhelft[6] functioneren en bovendien onderstrepen bekende neurowetenschappers dat de beide hersenhelften een duidelijke interactie kennen[7]. De suggestie al zou de ene hersenhelft te weinig gebruikt worden, is een onbewezen zaak. Voor de christen is wat prof. dr. R.Franzke, hoogleraar Pedagogiek, stelt, namelijk dat de ideologie van de twee hersenhelften met name verspreid wordt vanuit occulte bron[8], een wel degelijk serieus te nemen waarschuwing.

Samenvattend
Het valt uitermate te betreuren dat tot binnen de hulpverlening vrijwel klakkeloos allerlei, zeker voor de christen, te bevragen tot radicaal af te wijzen zaken worden overgenomen[9]. In de seculiere gezondheidszorg wordt MRT sowieso aanvaard. Helemaal verdrietig en zeker ook alarmerend is het gegeven dat juist in een hoek waar je dat het minst zou verwachten bedenkelijke verschuivingen en ontwikkelingen plaatsvinden[10]. Een kwestie van je hersens erbij houden of van geestelijk waakzaam zijn?

Drs. J.G.Hoekstra

 

[1] De eerlijkheid gebied te vermelden dat de redactie is gewezen op het onderliggende New Age gehalte van het onderwerp en de aan te voeren bezwaren vanuit christelijk oogpunt, zij gaf evenwel aan geen reden te zien op het betreffende artikel terug te komen. Ook met de in het artikel genoemde therapeute is correspondentie gevoerd en elke betrokken partij is aangeschreven.
[2] Deuteronomium 25:17,18.
[3] Storingen met een reeks aan verschillende benamingen. Zie bijvoorbeeld het artikel Focussen in het onderwijs in Bijbel en Onderwijs mei 2010.
[4] De afkorting NLD komt van: Non-verbal Learning Disabilities, hierbij worden drie kern probleemgebieden gesignaleerd: 1. motorische problemen, 2. visueel, ruimtelijk en organisatorische problemen, 3. sociale problemen.
[5] Er wordt bijvoorbeeld graag verwezen naar de in de jaren zeventig van de vorige eeuw gedane ontdekkingen van dr. Sperry en dr. Ornstein over het menselijk brein. Op ingenieuze manier zouden de beide hersenhelften zich op elkaar weten af te stemmen. Het is Sperry die hierbij evenwel een waarschuwende kanttekening heeft geplaatst (zie noot 10) waarmee binnen de MRT echter geen rekening gehouden lijkt te worden. Juist in de genoemde zeventiger jaren zien we allerminst wetenschappelijk bewezen ideeën volop vanuit de New Age beweging gepromoot worden. Voorop in dit proces liep het boegbeeld van de New Age beweging, Marilyn Ferguson. Toen ook de natuurkundige Fritjof Capra deze onrijpe gedachten promootte, kreeg het al snel een onterecht wetenschappelijk aureool.
[6] Een voorbeeld daarvan wordt expliciet vermeld door de Stichting Schriftontwikkeling die zich uitdrukkelijk bezig houdt met de motorische problematiek/vaardigheid rond de schriftontwikkeling. Het gaat in het betreffende voorbeeld om een Duits meisje dat naar een gewone school gaat, kan fietsen en skaten, ja, een volkomen normaal leven leidt dat gelijkwaardig is aan dat van andere kinderen met twee hersenhelften. Nog altijd staat de medische wereld voor een raadsel. Dit voorbeeld blijkt allerminst op zich zelf te staan. De genoemde stichting stelt, met een verwijzing naar dr. B. van Cranenburgh, neurofysioloog in het boekje van Anneke van Luyk Linkshandig, handig of onhandig? (BZZTôH, Den Haag 1992) dat het: Vooral sinds de opkomende hersenwetenschappen van groot belang [is] ons in dit opzicht voorzichtig op te stellen en niet al te veel theorieën en hypothesen te ventileren over de samenwerking tussen de hersenhelften. Een door zeker de MRT te overwegen advies.
[7] De communicatie via het corpus callosum (de hersenbalk).
[8] Fragwürdig ist diese Theorie (van de beide hersenhelften – jgh), weil sie vor allem von bekennenden Hexen verbreitet wird und regelmäßig  zur  Anwendung  magischer,  religiöser  und  dubioser  esoterischer  Praktiken  aus der Hexenliteratur und aus dem Tao Yoga führt. Aldus prof. dr. R. Franzke – Bron B&O, zie ook: www.reinhard-franzke.de.
[9] Vgl. voor wat deze ontwikkeling aangaat het recent verschenen boek van de arts R. van der Ven, Complementaire en alternatieve zorg in de Nederlandse ziekenhuizen. Een beschrijving van een ontwikkeling, Johannes Multimedia, Doorn 2011.
[10] Het zich beroepen op neurologisch onderzoek maant zondermeer tot voorzichtigheid. Immers, op gelijke wijze wordt ook wel geprobeerd het door God in zijn Woord als tegennatuurlijk en zonde genoemde probleem van de homoseksualiteit (Rom. 1:18v.v.) te verklaren. Is het toeval dat juist deze problematiek (ook) binnen orthodox christelijke kring al meer wordt geaccepteerd (en inmiddels op dergelijke scholen praktiserende homoseksuele docenten worden getolereerd en deze praktijk zelfs vanuit bepaalde achterliggende, zich christelijk noemende onderwijsorganisaties, wordt gepromoot)?

Een heikel onderwerp: homeschooling of thuisonderwijs . Bij Bijbel & Onderwijs is bekend dat christenouders voor thuisonderwijs kiezen. Wat is de reden? Hieronder een bijdrage van ouders waarin zij uitleggen waarom ze voor dit onderwijs hebben gekozen.

Wij kiezen voor thuisonderwijs

Met vier jaar mogen kinderen in Nederland al naar school en vanaf hun vijfde jaar zijn ze voor de wet leerplichtig. Wij begonnen, naar aanleiding van de informatiebrochure die we van de overheid kregen, met onze zoektocht naar een passende school, toen ons kind 3 jaar oud was. Maar een school die onze levensovertuiging in het onderwijs uitdraagt, hebben wij niet kunnen vinden. Wat nu? We hebben de situatie bij God gebracht en Hij heeft ons laten zien dat er nog een weg is: Thuisonderwijs.

Hoe ging dat verder?
Thuisonderwijs in Nederland; niemand die wij kennen, doet dat. Kan het eigenlijk wel hier? En worden onze kinderen dan wel toegelaten op een vervolgopleiding? In landen als Nieuw-Zeeland, België en de VS is thuisonderwijs een keuze naast schoolonderwijs, maar in Nederland is het nog vrij onbekend. Toch was het eenvoudig om op internet een betrouwbare site te vinden over thuisonderwijs in ons land. Aan de hand van deze site hebben we zowel de juridische als de praktische kant van thuisonderwijs grondig onderzocht. Uiteindelijk kregen we een duidelijk beeld van hoe het thuisonderwijs wettelijk is geregeld in ons land en wat er allemaal bij komt kijken.

Hoe krijg je vrijstelling vanwege richtingbezwaar?
Vrijstelling vanwege richtingbezwaar ontstaat van rechtswege wanneer je, binnen de wettelijk gestelde voorwaarden, een kennisgeving van richtingbezwaar bij de gemeente hebt afgegeven. Je maakt dan aanspraak op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van je kind op een school. Enkele eisen waaraan de kennisgeving moet voldoen, is dat deze op tijd moet worden ingediend en de verklaring dient te bevatten dat tegen de richting van alle nabijgelegen scholen overwegende bedenkingen bestaan. De volledige voorwaarden zijn na te lezen in de Leerplichtwet 1969 (LPW). Nadat wij onze kennisgeving bij de gemeente hadden afgegeven, vroeg de leerplichtambtenaar van de gemeente ons nog om onze geloofsrichting te noemen. Toen we hiervan een korte uiteenzetting hebben gegeven, kregen we de brief met daarin de bevestiging van de vrijstelling thuisgestuurd.

Thuisonderwijs in de praktijk
Hoe ouder ons kind wordt, hoe meer gestructureerd we de vakken willen gaan geven. De komende tijd verdiepen we ons in de methoden voor lezen en schrijven en de methoden voor rekenen. Dit alles moeten we zelf bekostigen, maar het voordeel daarvan is dat we ook selectief kunnen zijn in de boeken en methoden die we aanschaffen. Boeken waarin bijvoorbeeld de evolutietheorie als waarheid wordt onderwezen, zullen wij niet gebruiken. Verder biedt het thuisonderwijs ons de ruimte om in te spelen op de interesse van ons kind waardoor het leren snel gaat, leuk is en de geleerde stof blijft hangen. Het één op één lesgeven heeft als voordeel dat we ons kind steeds actief kunnen betrekken bij de les.

Conclusie
Wij vonden het jammer dat wij geen passende school voor ons kind hebben kunnen vinden, maar zijn nu dankbaar dat de Heere ons de mogelijkheid van het thuisonderwijs op ons pad heeft gebracht. Hoewel het thuisonderwijs in Nederland een vrij onbekende vorm van onderwijs is, is er toch op internet veel informatie te vinden en zijn we niet de enigen in Nederland die deze weg bewandelen. Alvorens de keuze voor thuisonderwijs te maken is het goed om je grondig te verdiepen in de Leerplichtwet en de benodigde materialen. Zo weet je wat je te wachten staat en kun je goed voorbereid aan de slag gaan.


[i] In de Ver. Staten volgen zo’n  2 miljoen kinderen thuisonderwijs. Dit aantal groeit van 2 tot 8 %.  Wie belangstelling voor documentatie over dit onderwerp heeft, kan bij het kantoor de artikelen ‘6 redenen voor homeschooling (= thuisonderwijs)’ en ‘Socialisatie bij thuisonderwijs’ opvragen.

Geweld?
Het is lastig om er achter te komen hoe vaak geweld nu daadwerkelijk in games voorkomt. Een oorzaak hiervan kan gevonden worden in de mogelijke manieren om onderzoek te doen en de verschillen die men daarbij hanteert. De ene onderzoeker kan er voor kiezen om iedere schop in een film afzonderlijk te tellen terwijl een andere onderzoeker één gevecht als één geheel aanziet. In het eerste voorbeeld mag duidelijk zijn dat de telling velen malen hoger zal komen te liggen. Ook valt op dat er vooral tellingen van  mediageweld worden verricht in de Verenigde Staten. Nikken (2007) geeft aan dat in veel besprekingen van jeugd en media wordt vermeld dat kinderen rond hun twaalfde jaar gemiddeld al twintigduizend moorden en nog eens honderdduizend andere geweldacties via de media hebben waargenomen. Hoewel de waarnemingen gebaseerd zijn op Amerikaans onderzoek, zijn de cijfers schokkend.

Is er echter ook onderzoek geweest in Nederland? Nikken (2007) bracht tussen 1989 en 2001 alle kinderuitzendingen in kaart. Eén van de belangrijke constateringen die hij daarbij deed, was dat het aantal kinderprogramma’s enorm was gestegen. In 1989 waren dit er 1100 en in 2001 bijna 15.000. Hij constateert,  dat er in die tijd ook een duidelijke toename is geweest van gewelddadige kinderprogramma’s. Een ander belangrijk feit wat tijdens zijn onderzoek naar voren is gekomen, is dat de publieke omroepen sinds 1993 nog nauwelijks gewelddadige kinderprogramma’s uitzenden. Het meeste geweld binnen kinderprogramma’s is dus te zien bij de commerciële omroepen.

Bovenstaande onderzoeken zijn met name gericht op het geweld op de tv. Welke cijfers kunnen we nu hanteren voor geweld in games? Ook hierbij moeten we helaas weer constateren, dat er grote verschillen zijn tussen de onderzoeken. De uitkomsten liggen tussen de 53% en 89%. Dat wil zeggen dat deze percentages geweld bevatten in de onderzochte games. De ene onderzoeker geeft aan dat 53% van de door hem onderzochte games geweld bevat, terwijl de andere onderzoeker komt met een percentage van 89%.  Een  meer  recente  studie  die  op  het  onderzoeksmodel  van  de  National  Television Violence Study gebaseerd  is, maakt het mogelijk om nauwkeuriger onderzoek te doen naar het percentage geweld in games. In dit onderzoek wordt namelijk onderscheid gemaakt in de verschillende leeftijdscategorieën. Zij constateerden een duidelijk verschil van geweld in games die geschikt waren voor 6 jaar en ouder  en die  voor  13  jaar  en  ouder.  Men  onderzocht  ruim  60  populaire  games  en  men kwam  tot  de  conclusie dat gemiddeld 68% van de games geweld bevatte. Daarvan kwam in de leeftijdscategorie 6+  57%  geweld  voor.  Dat  zijn  gemiddeld  genomen  1,2  geweldacties  per  minuut. In de tweede categorie lag dit percentage aanzienlijk hoger, maar  liefst  90% van alle games voor 13 jaar en ouder bevat geweld. Per minuut vinden dan gemiddeld 4,6 geweldacties plaats (Nikken, 2007, pp. 21, 22).

Voor  de  categorie  16  jaar  en  ouder  heeft  Amerikaans  onderzoek  uitgewezen  dat  98%  van  de  games geweld  bevatte  en  dat  het  geweld  in  ruim  een  derde  van  het  eerste  uur  speeltijd  aanwezig  was.  De overgrote meerderheid  van de geweldacties (90%) hield in dat de speler moedwillig anderen in het spel moest verwonden, terwijl meer dan twee derde van de geweldacties gericht was op het doden van de tegenstanders in het spel (Nikken, 2007, p. 22).

Wat trekt kinderen aan in gewelddadige games?
Hoe komt het toch dat er een enorme aantrekkingskracht lijkt te bestaan naar alles waarvan we eigenlijk weten dat het wellicht verkeerd  is?  Tot  op  de  dag  van  vandaag  zijn  er  dan  ook  nauwelijks onderzoeken uitgevoerd die op zoek zijn gegaan naar de verklaring waarom men zich zo aangetrokken tot mediageweld voelt. Vooral op kinderen schijnt geweld in de media een grote aantrekkingskracht te hebben. Het merendeel van de kinderen, zo’n 70%,  gebruikt de computer om te gamen. Belangrijk hierbij op te merken is dat de game-industrie  hier  ook  een  belangrijke  bijdrage  aan  levert.  Zij  houden  de  voorkeuren  en  trends  van kinderen en jongeren nauwlettend in de gaten. De nieuwste computerspellen bieden dan ook veel actie, snelheid,  aantrekkelijke  muziek,  goede  effecten  en  beeld  in  filmkwaliteit.  Dit  zijn  slechts  enkele voorbeelden die ervoor zorgen dat kinderen aan het scherm gekluisterd blijven zitten. Er is meer, veel meer… Nogmaals  benadruk  ik  dat  er  op  dit  moment  nog  te  weinig  onderzoek  is  gedaan  naar  de  redenen waarom   men   mediageweld   opzoekt.   Toch   geeft   Nikken   (2007)   aan   dat   er   door   een   aantal wetenschappers diverse theorieën naar voren zijn gebracht als verklaring voor de aantrekkelijkheid van het mediageweld. Mevr. Kim de Vries noemt vervolgens Evolutionair ontwikkelde fascinatie, Gevoelscontrole, Angstbeheersing, Sensatie, Groepsdruk en identiteitsontwikkeling, Geweldaanleg, Nieuwsgaring en Sociale context.

Heeft mediageweld invloed?
Steeds meer ouders en opvoedkundigen geven aan, dat zij zich zorgen maken om de hoeveelheid geweld  in  de  media.  Toen  in  1976  de  game  ‘Death  Race’  uitkwam, werd  deze  na  luid  protest  van  de markt  gehaald.  In  de  game  moest  men  mensen  overrijden  waarvoor  men  punten  kreeg  toegekend. Dit was destijds onaanvaardbaar. Echter anno 2011 liggen er games op de markt die veel verder gaan dan dat… ik denk dan aan het plegen van massamoorden waarbij details niet achterwege worden gelaten. De spetters bloed vliegen in het rond, over het zien van de ingewanden nog maar te zwijgen. Ik denk dat de zorg van ouders en opvoedkundigen wel degelijk terecht is. Het televisiegeweld wordt steeds   realistischer;   geweldbeelden   worden   zo   gedetailleerd   mogelijk   weergegeven.   Uit   vele onderzoeken  blijkt  dat  kinderen  agressiever  worden  van  mediageweld.  Agressief  gedrag  komt voort uit een samenspel van factoren. Het heeft onder andere te maken met de persoonlijkheid en het temperament van het kind. Agressief gedrag wordt ook aangeleerd. Dit gaat via ervaring, maar ook wordt gedrag in de omgeving ‘afgekeken’. Op televisie hebben kinderen een superheld, die ze nadoen (rolmodel). De invloed van gewelddadige figuren blijft echter niet beperkt tot letterlijke imitatie. Een algemene les is dat geweld loont en een goed middel is om conflicten op te lossen. Dus waar laten we onze kinderen naar kijken?

De schaduwzijde van gamen
Heeft het  spelen  van  gewelddadige  computergames  nadelige  gevolgen? De vraag  is  of  deze  gevolgen  opwegen  tegen  de  positieve  invloeden. Zijn positieve invloeden niet op alternatieve manieren in te vullen? Als we onderstaande  gegevens  naast  die  van  de  ontwikkelingspsychologie   leggen  dan  zijn  er goede theoretische redenen om aan te nemen dat het effect van geweld in de media op jonge kinderen wel degelijk van grote (negatieve) invloed is.

Betrekking op de verschillende gebieden van de ontwikkeling

Sociale ontwikkeling
In het boek “Fair Play? (Violence, Gender) and Race in Video Games” (2001) wordt genoemd dat uit vele onderzoeken blijkt dat het spelen van computerspellen een direct verband heeft met isolatie, eenzaamheid, vetzucht, geloof in stereotypes op  basis van geslacht en toename van agressief gedrag. Het is zelfs waarschijnlijk dat het unieke interactieve karakter van een game veel directer invloed heeft op  de  houding,  overtuiging  en  gedragingen  van  kinderen,  dan  traditionele  vormen  van  media, zoals de televisie. Ook Murray, professor  in  ontwikkelingspsychologie  aan  de  Kansas  State  Universiteit  is  fel  tegen  het spelen  van  gewelddadige  computergames en vooral door  kinderen.  Hij citeert onderzoeken  waaruit naar voren komt dat kinderen die geweld zien, geweld gebruiken en noemt dat het geweld in games zich vaak richt op minderheden of vrouwen. Ook haalt hij  uit  het onderzoek dat het spelen van games de visuele waarneming verbetert en gaat hier hard tegenin. Het verkrijgen van deze vaardigheid komt met teveel  schadelijke  gevolgen,  aldus  Murray.  Gewelddadige  games  zijn  populair  onder  kinderen,  vooral jongens,  vanwege  de  controle  die  kan  worden  uitgeoefend,  het  geweld  en  de  erotische  natuur  van sommige  spellen en  kinderen  zijn  op  deze  leeftijd  nog  sterk  hun  sociale  vaardigheden  aan  het ontwikkelen,  vooral  met  betrekking  tot  het  andere  geslacht,  daarom  is  ieder  voorbeeld  dat  kinderen krijgen in sociale interactie extra belangrijk. De kennisvoorraad waarmee ze hun werkelijkheid bepalen, wordt aangelegd wat invloed heeft op iedere reactie die deze kinderen op een situatie zullen hebben.

 

Eén van de interessante stukjes die ik ben tegengekomen, was een filmpje  waarin  Amerikaanse  onderzoekers door hersenonderzoek  onderbouwden  welke  invloed gewelddadige games hadden op onze hersenen. In het onderzoek werd een jongen van ongeveer 9 jaar oud aangesloten op apparatuur die de activiteit meet in de hersenen. Vervolgens werd er een game aangezet die geen geweld bevatte. De activiteit in de hersenen werd gemeten. In kaart werd gebracht welke delen van de hersenen actief waren. Er was op dat moment geen afwijkend beeld te constateren. In het tweede gedeelte van het onderzoek moest de  jongen  een  game  spelen  waarbij  veel  geweld  voorkwam,  zo  moest  de  jongen  o.a.  vijanden doodschieten. Bij deze laatste meting bleek dat het gedeelte in de hersenen waar het sociale gedeelte zich vormt en afspeelt, werd uitgeschakeld. Het gedeelte wat dus onze omgang met anderen reguleert en   aanstuurt   werd   op   non-actief   gezet.

Rond  het  jaar  2000  begonnen  psychologen,  sociologen  en  neurologen  te vermoeden, dat het spelen van een computerspel een unieke reactie in de hersenen oproept. Ook werd het  feit  dat  gewelddadige beelden  uit  een  computerspel  een  gebruiker meer  aangrijpen  dan  dezelfde beelden in een film deze mensen duidelijk. Doordat de gebruiker niet alleen een karakter geweld ziet  gebruiken,  maar  zichzelf  in  het  karakter  plaatst,  zijn  games  veel  intenser, evenals  het  langdurige effect van de ervaring. Ook  onderzoek  op  de  Amerikaanse  universiteit  van  Michigan  geeft aan, dat  er wel degelijk een verband is tussen spelen van gewelddadig games en agressief gedrag. Wetenschappers volgden de hersenactiviteit van dertien gamers tijdens het spelen van de first-person shooter Tactical Ops: Assault on Terror. Ze gebruikten hiervoor een fMRI-scanner, die de hersenactiviteit in beeld brengt tijdens het uitoefenen van bepaalde taken. Bij elf spelers constateerden de onderzoekers een duidelijke toename van de bloedtoevoer in delen van de hersenen die in verband werd gebracht met agressie. Ook de lichaamsbewegingen van de spelers werden in het oog gehouden. Deze gegevens werden dan frame per frame vergeleken met de voortgang in het game.”Gewelddadige videogames worden regelmatig bekritiseerd voor het versterken van agressieve reacties, zoals  agressief  gedrag.  Op  neurobiologisch  niveau  hebben  we  aangetoond  dat  deze  link  bestaat”, verklaarde onderzoeker Rene Weber van Michigan State University (MSU). De  American  Psychological  Association  oftewel  APA  heeft  twee  onderzoeken  uitgevoerd  naar  het verband   tussen   gewelddadige   videogames   en   agressie.    De onderzoeken worden  gevoerd  naar  een  theoretisch  model  dat  de onderzoekers “GAAM”  noemen, wat  staat  voor  General  Affective  Aggression  Model.  Dit  model  combineert  bestaande  theorie  en  data over het leren, ontwikkelen, onderzoeken en uiten van menselijke agressie, uitgaande van het idee dat het  toepassen  van  geweld  grotendeels  gebaseerd  is  op  kennisstructuren  gecreëerd  door  sociale leerprocessen. GAAM gaat uit van vier hoofdhypothesen:

  • Door  rekening  te  houden  met  sociaal  cognitieve  leerprocessen  en  sociale  dynamiek  komt  de voorspelling  naar  voren  dat  blootstelling  aan  gewelddadige  videogames  over  een  langere periode positief gerelateerd zal zijn met agressie in een natuurlijke situatie
  • GAAM  voorspelt  dat  korte  termijn  blootstelling  aan  videogame-geweld  zal  leiden  tot  een toename van agressief gedrag
  • Ook  voorspelt  GAAM  dat  mensen  die  hoog  scoren  in  agressieve  persoonlijkheidsmaatstaven agressiever zullen reageren bij provocatie dan mensen die laag scoren
  • Ten vierde voorspelt GAAM dat korte termijn blootstelling aan agressieve videogames zal leiden tot  toename  in  agressieve  opvattingen  en  dat  dit  effect  de  korte  termijn  relatie  tussen gewelddadige inhoud en agressief gedrag tot op zekere hoogte bewerkstelligt.

Mevr. De Vries werkt in haar scriptie deze hypothesen verder uit en sluit tenslotte haar omvangrijke werk af met


De boom geplant aan waterstromen

Ik ben het onderzoek begonnen met Psalm 1. Daar wil ik ook mee eindigen. Het vat in enkele zinnen samen waar het allemaal om gaat. Alsje je verre houdt van datgene waar God zich tegen uitspreekt, als je gehoor geeft aan Gods Woord dan ben je als een boom welke goede vruchten voortbrengt, je bladeren zullen niet verwelken, je zult je gezegend voelen. Laten we deze gedachten, deze psalm meenemen in de media-opvoeding van onze kinderen. Laten we zijn wet overpeinzen iedere dag en iedere  nacht. Laten we Zijn Woord erbij pakken, als we onze kinderen leren welke games en tv-programma’s ons een verkeerd beeld geven wie God is en hoe Hij wil dat wij met elkaar omgaan.

Bron: een gedeelte uit de afstudeerscripte ‘Geweld in de media’ van mevr. Kim de Vries-Schippers
Mevr. De Vries is als leerkracht bij het basisonderwijs werkzaam.

‘Verstrikt – nieuw wetenschappelijk onderzoek over de gevolgen van vrije seks voor onze kinderen’

door dr. Joe S.McIlhaney en dr. Freda McKissic Bush
Uitg. Bijbel & Onderwijs, distr. Novapres, 176 pagina’s, € 14,90, zie webshop

Wat heeft anderhalve kilo hersenen te maken met iemands seksleven? Heel veel eigenlijk. Doorbraken op het gebied van de neurowetenschappen leggen de impact uit die seks op de zich ontwikkelende hersenen van adolescenten en jongvolwassenen heeft. Uit een enorme hoeveelheid wetenschappelijke data toont dit boek eenvoudigweg aan dat

– het brein door seksuele activiteit chemische stoffen aanmaakt, die partners emotioneel met elkaar verbindt.
– het verbreken van deze verbinding depressie veroorzaakt en het moeilijker maakt om zich in de toekomst met iemand anders te verbinden.
– de chemische stoffen die tijdens seks in de hersenen vrijkomen, verslavend kunnen zijn.
– de hersenen pas volledig volgroeid zijn op de leeftijd van 25 jaar.

Ouders en hulpverleners hebben nu de feiten om jongeren af te houden van fouten die hun leven kunnen veranderen en om hen zo te leiden dat ze hun gaven en talenten ten volle kunnen ontplooien.

Quote uit het boek van één van de jongeren die aan de onderzoeken meewerkte:

“Ik had geen idee dat seks in mijn tienerjaren de rest van mijn leven kon beïnvloeden.”


Inhoud

Woord vooraf bij de Nederlandse uitgave
Introductie

1 Laten we het over seks hebben
2 Maak kennis met de hersenen
3 Zich ontwikkelende hersenen en seks
4 Bagage uit het verleden
5 Langetermijndenken
6 Het streven naar geluk
7 Laatste overwegingen

Dankbetuiging
Noten
Index
Over de auteurs
Over The Medical Institute

Indoctrinatie in het biologieonderwijs

Worden wij eerlijk voorgelicht over wetenschap in publicaties en schoolboeken?

Wetenschap is in onze cultuur alomtegenwoordig. Velen hebben hoge verwachtingen van wetenschap. Vaak terecht. Wat hebben we al niet uitgevonden en hoeveel zaken die het leven aangenamer en gezonder maken zijn met behulp ervan niet ontwikkeld! Het is geen wonder dat wetenschap een groot krediet heeft in onze cultuur. Helaas gaat daarmee gepaard een tamelijk onkritisch aannemen van alles wat ons als ‘wetenschap’ wordt opgedist.

Wetenschap niet neutraal, maar gestuurd door vooronderstellingen

Wetenschap heeft vaak de pretentie, alles te kunnen verklaren. Maar wetenschap kan zich per definitie alleen maar bezighouden met alles wat waarneembaar is, wat geteld, gemeten en gewogen kan worden. En wanneer het gaat over de historische ontwikkeling van alles wat we thans waarnemen, wordt het al wat minder zeker. Dan gaat sterk meetellen wat we – vaak onbewust – als wereldbeeld, als vooronderstelling aannemen. De vroegere Harvard wetenschapper prof. Stephen J. Gould zei het zo: “Wetenschap is geen objectieve, op waarheid gerichte machine, maar een wezenlijk menselijke activiteit, die beïnvloed wordt door hartstochten, verwachtingen en culturele vooroordelen. Culturele denktradities hebben een sterke invloed op wetenschappelijke theorieën, geven vaak richting aan speculatiemethoden, vooral wanneer er vrijwel geen gegevens zijn om hetzij de verbeelding, hetzij de vooringenomenheid te beteugelen”.

Vooronderstellingen vaak als ‘bewezen’ verondersteld
Helaas wordt zijn waarschuwing kamerbreed in de wind geslagen. Vaak worden in artikelen, maar ook in leerboeken voor school, allerlei nog te bewijzen vooronderstellingen als feit binnen een redenering gebruikt. Er bestaat een moeilijk bedwingbare neiging om dat, wat men als vooropgesteld wereldbeeld heeft, als feit naar voren te brengen. De microbioloog Michael Denton noemde dat in zijn boek ‘Evolution, a theory in crisis’: The priority of the paradigm, oftewel: de vooronderstellingen krijgen voorrang boven de waarnemingen.

Maar ook de hierboven genoemde prof. Gould viel, ondanks zijn heldere opmerkingen, in deze valkuil. Hij had vastgesteld dat de paleontologie (fossielkunde) helaas geen bijdrage levert ter ondersteuning van de (macro-)evolutietheorie. Een groot stuk bewijs voor deze theorie wordt ontleend aan de veronderstelling dat er talloze fossiele tussenorganismen zijn gevonden tussen de diverse soortgroepen. Maar, zegt Gould, ze bestaan niet. Dus valt een van de belangrijkste bewijsgronden voor de evolutietheorie weg. Punt. Concludeert Gould nu dat dus die evolutie waarschijnlijk niet heeft plaatsgevonden? Nee, want – en hier komt de aap uit de mouw – evolutie (dat dus altijd nog bewezen moet worden) heeft plaatsgevonden, dat staat vast. Hier wordt dus de vooronderstelling als feit in de redenering ingevoerd.

Wat deed Gould nu, in samenwerking met zijn collega Niles Eldredge. Hij bedacht een nieuwe hypothese, punctuated equilibrium genaamd. Want, zei hij, dat evolutie heeft plaatsgevonden, is een feit. Wij zijn er toch? Nou dan! Dus moet er een verklaring zijn voor het ontbreken van die zgn. ‘tussenvormen’. En die is, volgens deze hypothese, dat evolutie een proces is, waarbij zeer lange tijden niets verandert en dan, plotseling, vindt er in zeer korte tijd een explosie van nieuwe soorten plaats. Het is logisch dat wij van die tussenvormen niets of bijna nooit iets terugvinden, want dat gaat allemaal zo snel, dat laat nauwelijks of geen sporen achter. Dit is een niet-verifieerbare uitspraak en daarmee dus geen wetenschap.

Vooronderstellingen in schoolboeken als feit opgevoerd
Overigens wordt deze totaal onbewezen hypothese in vele leerboeken alweer als feit opgevoerd. En het is verbazingwekkend hoe weinig oppositie er is tegen deze totaal onwetenschappelijke manier van doen.

De stichting De Oude Wereld is thans bezig om in biologieleerboeken voor het middelbaar onderwijs en het VWO alle plaatsen aan te wijzen (en hopelijk te doen corrigeren) waar deze praktijk wordt toegepast. Leerlingen worden namelijk opgezadeld met onjuiste opvattingen en soms ronduit leugens. Deze leerboeken worden doorgaans ook in het christelijk voortgezet onderwijs gebruikt. Zonder correcties.

Het lijkt er op, of de leerlingen bij voorbaat de kritiek uit handen moet worden geslagen.

Het werk van De Oude Wereld op dit gebied
De stichting De Oude Wereld hanteert tien categorieën voor fouten in de biologieleerboeken:

1. Scheppingsmodel aanduiden als niet-wetenschappelijk en evolutiemodel als wetenschappelijk.
Het begint al met de terminologie: wetenschap tegenover creationisme, terwijl het moet zijn: wetenschap(smodel) tegenover wetenschap(smodel), evolutie tegenover schepping, miljarden jaren tegenover korte chronologie.
‘Omdat creationisten religie als uitgangspunt nemen, gaan we hierop niet verder in.’ Echter, het alternatieve (bijbels-chronologisch) model gaat uit van andere wetenschappelijke hypotheses op diverse gebieden.
‘De evolutie wil vanuit de wetenschap een antwoord vinden, het creationisme vanuit de religie.’ Dat ook het evolutionisme uitgaat van religieuze uitgangspunten, nl. een werkelijkheid zonder God, wordt niet gezien.

2. Acceptatie door (vele) anderen gebruiken als argument ten gunste van het evolutiemodel
‘We nemen nu algemeen aan dat…’
‘De meeste biologen zijn het er tegenwoordig wel over eens, dat…’
‘De evolutietheorie, die nu algemeen aanvaard is…’

3. Overdreven taalgebruik
‘Er zijn sterke aanwijzingen, dat…’
‘Behalve fossielen zijn er nog andere sterke aanwijzingen voor de evolutietheorie.’
‘De overeenkomstige sterke overeenkomst in de bouw van embryo’s in de eerste stadia duidt op gemeenschappelijke voorouders van gewervelden.’ Hier klopt niets van. Het is een opvatting van Ernest Haeckel. Reeds in de Berliner Volkszeitung van 29-12-1908 geeft hij toe dat zijn embryotekeningen verzonnen zijn.
‘Het is zeer waarschijnlijk dat mens en mensapen een gemeenschappelijke voorouder hebben.’

4. De miljoenen/miljarden jaren brengen als feit en radiodateringen presenteren als vaststaand
‘De oudste sporen van leven vindt men in gesteenten van 3,5 miljard jaar oud.’
‘600 miljoen jaar geleden kwam het leven in een stroomversnelling.’
‘4 miljard jaar geleden begon er zuurstof in de atmosfeer te komen.’
‘IJstijden zijn afgewisseld met warmer klimaat vanaf 600 miljoen jaar geleden.’
‘Gedurende miljoenen jaren hebben levende wezens zich aan de veranderende omstandigheden aangepast.’
‘In de loop van zeer lange tijd zijn de levensvormen op aarde ontstaan en veranderd.’
Verder zijn er honderden zinsneden die gewoon de miljoenen/miljarden jaren als feit opvoeren, zonder enige restrictie.
Radiodateringen zijn gebruikt gaan worden, omdat ze grote leeftijden schijnen op te leveren. Halfwaardetijden worden als onwrikbare waarheden opgevoerd. Maar ze zijn gebaseerd op vele oncontroleerbare aannames.Verschillende onderzoeken hebben aangetoond hoe onbetrouwbaar deze dateringen zijn. Het RATE-onderzoek dat in Amerika is uitgevoerd geeft geheel andere uitkomsten.
‘De ouderdom van fossielen kan betrouwbaar worden vastgesteld aan de hand van radio-isotopen.’

5. Geen onderscheid maken tussen micro-evolutie (variatie) en macro-evolutie
‘De meeste biologen nemen aan dat de processen die aanpassing aan de omgeving (micro-evolutie) mogelijk maken, dezelfde zijn als die een rol spelen bij de soortvorming (macro-evolutie).’ Biologisch onderzoek komt al lange tijd tot heel andere conclusies.

6. Het neodarwinisme presenteren als een wetenschappelijk onaantastbare waarheid met mutatie en selectie als de door ieder aanvaarde mechanismen
Bijv. de longvis. ‘Een deel van het spijsverteringskanaal kreeg een nieuwe functie: ademhaling. Later ontstonden de neusgaten… Latere ontwikkeling zorgde voor gescheiden wegen van ademhaling en spijsvertering.’ Kreeg, ontstond, zorgde voor. Alleen maar stellingen, geen bewijzen, geen spoor van een uitleg van de mechanismen die daarvoor verantwoordelijk zouden zijn. Onwetenschappelijk.
‘Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat soorten voortdurend veranderen.’ Onjuist, natuurlijke selectie is een stabiliserende kracht, die afwijkingen afstraft.

7. De hypothetische ‘oersoep’ en ‘oeratmosfeer’ plus het ontstaan van leven uit levenloze stof presenteren als bewezen feiten.
‘Tot ongeveer 3 miljard jaar geleden was de samenstelling van de atmosfeer heel anders dan nu. De lucht bevatte geen zuurstof.’ Recent onderzoek toont aan dat er vanaf het begin zuurstof was, de atmosfeer nagenoeg dezelfde samenstelling had, de aarde een koele planeet was en oceanen en vastelanden dezelfde samenstelling hadden als nu.
‘Men denkt dat uit al deze reacties toevallig de eerste organische moleculen ontstonden en daaruit de eerste cellen.’ De proeven van Miller met de zgn. ‘oersoep’ vanaf 1953 worden aangevoerd als bewijs, maar Millers werk is helaas niet verder gekomen dan enkele aminozuren.
‘Sommige soorten ontwikkelden moleculen die zonlicht absorbeerden.’

8. Onjuiste informatie geven op het gebied van kosmologie, geologie, archeologie, historie en biologie
‘Langzaam begon men vraagtekens te plaatsen bij het scheppingsverhaal.’ Maar vele wetenschappers plaatsen daar ook heden nog geen vraagtekens bij. Het was een andere geest die er waaide binnen de Europese intelligentsia, die er belang bij had, om twijfel te zaaien aan het scheppingsbericht en in feite de hele Bijbel. Zoals Charles Lyell uitsprak:“Wij moeten af van de heerschappij van de geschriften van Mozes in de wetenschap”.
‘Stambomen worden gebruikt om verwantschap tussen soorten aan te geven.’ Maar Harvard-evolutionist S.J. Gould zei: “De stambomen die onze schoolboeken versieren, hebben slechts gegevens aan de knooppunten en de bladeren. De rest is speculatie.”
‘Homo habilis werd de voorouder van homo erectus’. Er is door de tijd heen een hele ‘stamboom’ van de menselijke afstamming opgezet. Maar de huidige situatie is dat we alleen maar apen en mensen hebben. Homo habilis = Australopithecus habilis, een aap. Homo erectus = een gewoon mens, net als de Neanderthaler en de moderne mens.

9. Homologie presenteren als goed argument pro evolutie
Homologie is uiterlijke overeenkomsten tussen organismen. ‘Homologie duidt op verwantschap van organismen: de organismen hebben een gemeenschappelijke voorouder.’ Maar homologe organen ontstaan vaak vanuit totaal verschillende delen van het embryo en kunnen dus geen afstamming aanduiden.

10. Stellen dat er vele fossiele overgangsvormen zijn terwijl die vrijwel geheel ontbreken
In veel leerboeken wordt breeduit gesuggereerd dat er vele overgangen zijn tussen de verschillende hoofddiergroepen, terwijl deze in het fossielenbestand vrijwel totaal ontbreken. Voor al die hypothetische overgangen bestaat in feite geen enkel bewijs. Zie S.J. Gould. Zij kunnen en mogen dus niet als feit worden voorgesteld.

Tenslotte
Deze sterk verkorte bloemlezing van de misinformatie, die via biologische leerboeken in MO en VWO aan de leerlingen wordt opgedrongen, geeft wel aan hoe ernstig de situatie is. Tot voor kort werden deze misvattingen niet tegengesproken. In het uit het Duits vertaalde, grondige biologieleerboek ‘Evolutie – het nieuwe studieboek’ wordt juist een consequente scheiding aangebracht tussen de biologische feiten en de vooronderstellingen, vanuit de evolutieopvatting als wel de scheppingsopvatting. En dat is ook de manier waarop informatie in het onderwijs moet worden gegeven. Dat voorkomt de huidige manipulatie van de leerlingen. Het is te hopen dat al het werk dat wordt gedaan er toe mag leiden, dat in het onderwijs ook op het gebied van de biologie waarheid en werkelijkheid weer de plaats gaan innemen van mythe, hypothese en veronderstelling.

Veel ouders onderschatten hoelang hun kinderen dagelijks achter de televisie en de computer zitten. Dat komt onder meer doordat kinderen veel meer met digitale media bezig zijn dan hun ouders lief is.
Er moet daarom een landelijke media-jeugdmonitor komen, die het mediagebruik van kinderen vanaf de peuterfase tot de jongvolwassenheid in kaart brengt, vindt Peter Nikken, die gistermiddag geïnstalleerd werd als bijzonder hoogleraar mediaopvoeding aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Die monitor moet om de paar jaar worden herhaald om trends te kunnen vaststellen.
Volgens Nikken hebben ouders behoefte aan concrete tips en ondersteuning om hun kinderen te kunnen begeleiden bij het omgaan met televisie, videogames, mobieltjes en internet. Hij wil daarom dat de media-jeugdmonitor ouders ook handvatten biedt om hun kinderen te leren verstandig met moderne media om te gaan. Veel kinderslaapkamers zijn multimediacentra geworden, met televisie en internet, signaleert Nikken, en ouders vragen zich af hoe ze paal en perk moeten stellen aan het mediagebruik van hun kinderen.
Op dit moment zijn er veel instellingen die ouders steun bieden met onder meer brochures, ouderavonden en trainingen. Maar volgens de nieuwe hoogleraar is die informatie vaak te algemeen en is het onduidelijk wat het oplevert. Nikken wil ook dat er meer aandacht komt voor de mediaopvoeding in gezinnen waar de opvoeding minder gemakkelijk verloopt, zoals bij kinderen met ADHD, autisme of gedragsstoornissen.
Volgens Nikken groeien kinderen op in een maatschappij die bol staat van moderne media. Naast de televisie, computer en laptops maken kinderen gebruik van smartphones, iPads, mp3’s, iPods, Playstation, Xbox en Wii. Opvallend daarbij is dat veel van die apparaten er ook in een uitvoering voor kinderen zijn. Ook het aantal televisiekanalen voor kinderen is de laatste jaren sterk uitgebreid. Volgens een rapport uit 2009 zijn vier van de vijf kinderen jonger dan twaalf jaar geregeld online. Uit recent Brits onderzoek blijkt dat kinderen tussen de twaalf en vijftien jaar gemiddeld een kwart van de dag (zes uur) bezig zijn met kijken, gamen en surfen.
redactie binnenland nd.nl, 10-06-2011

 

Hyves, Facebook, Twitter – of toch gewoon een boek?


Jongeren lezen steeds minder, een trend die zich al jaren doorzet. Hoe krijg je ze in tijden van Twitter en Facebook nog aan het boek?

‘Jahaa…’, had een jongen geroepen toen hem in het kader van een leesonderzoek was gevraagd of hij het leuk vond om een boekenbon te krijgen. Natuurlijk vond hij die bon leuk – inwisselen voor geld en er sigaretten voor kopen.
Jongeren en lezen – water en vuur? Nederlanders lezen al jaren steeds minder voor hun genoegen, blijkt uit tal van rapporten, en jongeren het minst van al. Kapers op de kust zijn sociale media als Twitter, Hyves en Facebook. Jongeren omarmen de nieuwe media en de boekenlezer vergrijst, signaleert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in 2010 in het rapport Alle Kanalen Staan Open.
Reden voor de overheid om project na programma ter ‘leesbevordering’ te lanceren. Zo loopt tot eind dit jaar Kunst van Lezen, waarmee het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kinderen kennis wil laten maken met de ‘waarde en het plezier van het lezen’.
‘Iedere generatie leest minder dan de generatie ervoor’, zegt socioloog Jos de Haan, die voor het SCP onderzoek deed naar onder meer de tijdsbesteding van de Nederlanders en de digitalisering van mediagebruik. ‘Iedere volgende generatie heeft ook te maken met meer concurrerende media.’
Jongeren hebben het drukker, is de verklaring, doen meer dingen buitenshuis, zitten meer achter de computer. ‘Maar zoveel leestijd als jongeren al hebben ingeleverd door de opmars van de televisie kan niet meer’, aldus De Haan. ‘Dan kom je onder de nullijn.’
Hoe krijg je jongeren in tijden van Twitter nog aan het boek? Een lastige vraag, meent De Haan. ‘Het meest voor de hand liggend zou zijn dat ze juist gaan lezen via de digitale media. Via smartphones, Ipads, e-readers. Maar ik ben daar sceptisch over, het gebeurt maar in beperkte mate.’
Bovendien, zegt De Haan, doen de nieuwe media juist een beroep op de korte spanningsboog. ‘De versnippering van de aandacht die zij teweeg brengen, en die soms wordt geprezen als ‘multitasking’ is niet bevorderlijk voor dingen die concentratie en verdieping vragen. En daar valt het lezen van complexe teksten onder.’ Sociale media als Twitter en Hyves zijn voor jongeren een andere tak van sport, benadrukt onderzoeker Sheila Rebel van de Nationale Jeugdraad. Jongeren gebruiken die vooral voor onderlinge communicatie. En ze zijn er niet zo van gecharmeerd als anderen zich daarin mengen. Culturele instellingen die jongeren zo proberen te bereiken, worden als indringers ervaren. ‘Het is of je als volwassene tussen een groepje jongeren gaat staan en zegt: Hé, gaan jullie mee naar het museum?’
Rebel deed in 2006 onderzoek naar het leesgedrag van scholieren, met een resultaat dat zij ‘hoopvol’ noemt: 46 procent gaf aan graag te lezen in de vrije tijd, bijna twee derde vond lezen belangrijk. Maar naar wat ze lazen, werd de jongeren niet gevraagd. ‘Wij waren allang blij dat jongeren lezen.’

Spreektaal
Het onderzoek van het SCP geeft een genuanceerder beeld omdat van kwartier tot kwartier het gedrag in de vrije tijd moest worden bijgehouden. ‘Als je aan iemand vraagt: lees je graag, speelt bij het antwoord sociale wenselijkheid vaak een rol. Maar leugentjes om bestwil kan je zo niet verkopen.’
Volgens projectleider Adriaan Langendonk van Kunst van Lezen maakt het voor de taalontwikkeling van jongeren ook wel degelijk uit wat ze lezen. ‘Ze lezen natuurlijk de hele dag door, op de computer, op Twitter of op Hyves. Maar op de sociale media wordt meestal van heel simpele bewoordingen gebruik­gemaakt, van spreektaal. Er wordt niet zorgvuldig geschreven en er worden veel Engelse woorden gebruikt.’
Kunst van Lezen, dat in 2008 van start ging met een budget van 9 miljoen euro – deels uit bibliotheekgelden, heeft onder meer voorleesprojecten voor kinderen van nul tot vier jaar. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die als baby worden voorgelezen, het later beter doen op school. En zo wordt, is de hoop, een toekomstige generatie lezers gekweekt. Langendonk: ‘Hoe vroeger je begint, hoe beter de taalontwikkeling.’

Ontlezing
‘Ontlezing’ is de algemeen ingeburgerde term voor de trend dat er steeds minder boeken, kranten en tijdschriften worden gelezen. Las de helft van de bevolking van 12 jaar en ouder in 1975 wekelijks boeken, in 2005 was dat nog 38 procent. Er wordt wel steeds meer van beeldschermen gelezen en er wordt ook veel uitgeprint. De tijdsbesteding aan onlinecomputergebruik in de vrije tijd is van 2000-2005 vervijfvoudigd tot 2,5 uur gemiddeld per week. Tieners (12-19 jaar) brengen zelfs 6,2 uur per week online door. Boeken, kranten en (publieke) radio maakten al voor 1995 een vergrijzing van hun publiek mee. Dat gebeurt ook bij televisie: tieners besteedden in 2005 al net zoveel tijd aan ICT als aan televisiekijken.
Marjolijn de Cocq nd.nl/Koen van Weel, 16-06-2011