Gods openbaring over zijn eigen scheppingswerk is niet beperkt tot Genesis 1 en 2. Ze is op veel plaatsen in de Schrift te vinden. We moeten dus de héle Schrift bestuderen en Schrift met Schrift vergelijken om Gods openbaring te leren verstaan. Gods Zoon, Jezus Christus, refereerde zo’n 25 keer aan de eerste helft van het boek Genesis – de schrijvers van het Nieuwe Testament brengen 175 citaten of verwijzingen. Zij behandelen, evenals de Here Jezus Zelf, het scheppingsbericht als geopenbaarde geschiedenis, niet als poëzie of allegorie, laat staan als een mythe.
Evolutie (verticale ontwikkelings- en afstammingsleer) als wereldbeschouwing is niet alleen een probleem in de biologie, maar ook bv. in de theologie, psychologie, pedagogie, sociologie, medische ethiek, geschiedeniswetenschap, taalwetenschap en politiek.
Inleiding
“In den beginne … God” (Gen 1:1). De drie-enige God alleen is pre-existent, vóór alles. De Schrift zegt niet: ‘In den beginne anorganische substanties’. Alleen één van beide kan pre-existent zijn: óf God óf de materie.
“In den beginne schiep God”: tijd én materie, hemel en aarde, dier en mens. Al het geschapene heeft een bovennatuurlijke, geestelijke oorsprong, maar is zelf niet metafysisch. Hoe kan het zogenaamde ‘theïstisch-evolutionisme’ dit geopenbaarde Bijbelse wereldbeeld combineren met de naturalistisch-materialistische wereldbeschouwing van de evolutieleer?
In den beginne schiep God, de almachtige, door zijn Woord: “En God sprak (zei) … ” (Gen 1:3 e.v., zes keer). “Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er” – onmiddellijk, compleet en perfect. De Schrift openbaart, dat alles door het gezaghebbende Woord van de almachtige God spontaan is ontstaan – niet via natuurlijke, evolutionaire processen gedurende miljarden jaren. Dus óf het ene óf het andere is waar. Er kan geen waarheidspluralisme zijn.
“In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God … Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit (Woord) is geen ding geworden … Het Woord is vlees (mens) geworden” (Joh 1:1-3,10,14). Jezus Christus is zowel “het Woord bij God” als “God”, ja “het Woord Gods” Zelve (Op 19:13). God heeft door Zijn Zoon alles geschapen, inclusief het leven en de mens. De verheerlijkte Jezus Christus zegt van Zichzelf: “Dat zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, “het begin (1) van de schepping Gods”(Op 3:14). De Here zegt niet, dat materie (oerknal, een oersoep of iets dergelijks) het begin is. “Want uit Hem en door hem en tot Hem zijn alle dingen”. Als men deze geopenbaarde waarheid niet aanneemt, hoe kan men er dan met de apostel aan toevoegen: “Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen”? (2)
Het Nieuwe Testament bericht over het gezag van het gesproken Woord van Jezus Christus,waarmee Hij leerde en zonden vergaf, zieken genas, de gestorven Lazarus levend uit zijn graf deed opstaan en zowel demonen als de natuur zijn bevelen kon opleggen. Op grond van geloof in Jezus Christus en in het gezag van zijn Woord zei de hoofdman in Kapernaüm in verband met zijn doodzieke knecht tot Hem: “Spreek slechts een woord en mijn knecht zal genezen” (Lc 7:7). Dat Woord is genoeg.
Bovendien heeft de Here in het gezag van het geschreven Woord van God de intensieve verzoekingen van de listige duivel in de woestijn kunnen weerstaan (Dt 8:3; 6:16; 6:13 en 10:20). Als zich hierbij de waarheid en goddelijke volmacht van Gods geschreven Woord in het vijfdeboek van de door God geroepen profeet Mozes openbaart, waarom dan tornen aan de waarheid van Gods geschreven Woord en van Gods almacht in eerste boek van dezelfde profeet (Genesis)? Zou de Here in dit opzicht ook ons moeten verwijten: “U dwaalt, want u kent de Schriften niet, noch de kracht Gods” (Mt 22,29)?
Als de Here “met een bevel” uit de hemel neerdaalt, zullen ontelbare christenen die in Christus gestorven zijn, uit de doden opstaan en met de dan levenden “in een ontelbaar ogenblik veranderd worden” en een onsterfelijk lichaam ontvangen (1Tes 4:15-17; 1Kor 15:52). Hij, de Almachtige, heeft daar geen miljoenen, laat staan miljarden jaren voor nodig, zelfs niet zes dagen!
Waarom is in het licht van deze feiten aangaande Christus’ gezaghebbend Woord het geopenbaarde bericht van het gezaghebbende Woord van dezelfde Here, waarmee Hij alles geschapen heeft dan discutabel (Joh 1:1-3; Ps 33:6,9)?
In den beginne schiep God alles uit het niets (ex nihilo): “ … dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (Heb 11:3). “Door het geloof” in de almachtige God en in zijn openbaring “verstaan wij”. Op Gods Woordopenbaring gegrond geloof betekent nooit uitschakeling van het door God gegeven verstand. Openbaringskennis gaat boven het menselijke verstand uit, maar niet tegen het verstand in.
De mens is niet alwetend, maar als schepsel en dood de zondige natuur beperkt. De natuurwetenschap is dan gebaseerd op het waarneembare en meetbare en op het herhaalbare van het experiment. Gods Woord dat de schepping uit het niets deed ontstaan, is uiteraard noch waarneembaar noch door experimenten herhaalbaar. Een (theïstische-)evolutionist kan Gods openbaring over zijn schepping (Gen 1-2; Ps 33:9 en Joh 1:1-3,10a) per definitie nooit wetenschappelijk weerleggen – een Bijbelgetrouwe creationist kan haar niet wetenschappelijk bewijzen. Maar “het geloof” in God, de almachtige en aan zijn Openbaring “ … is een bewijs van de dingen die men niet ziet” (Heb 11:1).
Als Genesis 1-3 geen geopenbaarde, historische waarheid zou zijn … I. Jezus Christus – nog geloofwaardig?
* Jezus Christus getuigt van Zichzelf dat Hij de Waarheid is en de Waarheid spreekt (Joh 14:6; 8:45-46; 18:37). De Here zei, dat de levende God “leven in Zichzelf heeft” en “leven geeft”, evenals Hijzelf (Joh 5:26). Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zegt de Here dan niet dat (ook) materie leven in zichzelf heeft en ook niet dat de dood leven voortbracht?
* Jezus Christus getuigt, dat Hij niet uit Zichzelf spreekt: “Wat Ik dan spreek, spreek ik zó alsde Vader Mij gezegd heeft (Joh 12:49-50). Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zou de Zoon dan in opdracht van en over de Vader ten aanzien van de mens zeggen, dat “de Schepper van het begin der schepping hen als man en vrouw gemaakt heeft” (Mc 10:5; Mt 19:4)? Daarmee bevestigt de Here toch dat het bericht over de oorsprong van de mens (Gen 1-2) Gods openbaring is en niet een of andere ‘ervaringskennis van mensen uit de vierde of vijfde eeuw’ (vóór Chr.), zoals iemand dacht.
Omdat Jezus Christus, de Zoon, door de Vader gezónden was, de woorden van de Vader ontving en doorgaf, sprak Hij “de woorden Gods” (Joh 3:34). Daarom kon de Here zeggen: “Het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de jongste dag” (Joh 12:48). Slaat dat niet ook op zijn Woord over God als Schepper van de mens, compleet als man en vrouw en van het begin van de schepping? Valt dan niet ook de idee dat de mens van dieren (apen) afstamt onder het oordeel van het Woord?
* “Van den beginne was de duivel een mensenmoordenaar … hij is een leugenaar en de vader van de leugen,” zei de Here (Joh 8:44). Als het bedrog van de duivel voor de zondeval van de eerste mens, Adam, geen historisch feit zou zijn, maar een of andere ‘theologische reflectie’, hoe kon de Here dan indirect naar Genesis 3 heen wijzen en het bericht bevestigen?
* De Here Jezus Christus, die de Waarheid is, zegt: “Die Mij gezonden heeft, is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld” (Joh 8:26,28). Sprak de Here dan niet ook de waarheid die Hij van de Vader “gehoord” had, toen Hij de tijd voor Zijn wederkomst op aarde vergeleek met die voor de zondvloed ten tijde van Noach (Mt 24:36-39; ook 2Pe 3:6)? Daarmee bevestigde toch Gods Zoon, dat Noach een historische figuur is en de zondvloed geen mythe.
II. Gods Woord – nog betrouwbaar?
* Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zegt Jezus Christus dan in zijn gebed tot God de Vader: “Uw Woord is de Waarheid”, zonder enige uitzondering daarop te maken (Joh 17:17)? Waarom zegt de Here niet: Uw Woord is de Waarheid behalve over de schepping, de oorsprong van het leven en van de mens, de zondeval van de eerste mens en de oorsprong van de dood als Gods oordeel, evenals over de zondvloed?
* Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, hoe kon de apostel Paulus in Klein Azië de mensen die hem en Barnabas als goden wilden vereren, “verkondigen” dat ze zich van hun afgoderij moesten “bekeren tot de levende God, die hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is,gemaakt (3) heeft” (Hnd 14:15-17)? Hoe kan men vanuit een theïstisch-evolutionisme oproepen tot bekering tot de Schépper, Wetgever en Rechter, zoals Hij zich in Genesis 1-3 heeft geopenbaard (Jak 4:12)?
* Als God niet de Schepper van de complete, eerste mens Adam zou zijn, hoe kon de apostel Paulus Gods Woordopenbaring citeren: “De eerste mens is uit de aarde” (Gen 2:7; 1Kor 15:47)? Als Adam “de éérste mens” was, hoe kunnen er dan mensen vóór Adam hebben bestaan? Paulus kon de openbaring van de Schrift citeren, dat God “uit één enkele het hele menselijke geslacht gemaakt heeft”, waarbij hij niet bedoelde ‘uit één enkele aap het hele menselijke geslacht liet ontwikkelen’, gezien de context (Hnd 17:26)? Als theoloog, die bewust “alles geloofde wat in de wet (inclusief Gen 1:1-3!) en in de profeten geschreven staat”, kon hij immers moeilijk verkondigen, dat het menselijke geslacht zich ‘langzaam via evolutie uit dieren hoger ontwikkeld’ had (Hnd 24:14).
De apostel Paulus schrijft ter argumentatie: “Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva” (1Tim 2:13; Gen 2:7,21-23). Hoe kon hij dat weten en zeggen anders dan op grond van Gods openbaring in Genesis 2, die hij serieus nam? Paulus, één van de grondleggers van het leerfundament van de Gemeente van Christus, spreekt over Adam en Eva als over historische personen – niet, omdat hij ‘niet beter wist’ of ‘misleid’ was.
* De apostel Paulus verkondigde in Athene God als de Schepper, die “zelf aan allen leven enlevensadem en alles geeft”. Als Genesis 2:7 geen historisch feit zou zijn, hoe zou Paulus het gewaagd hebben deze geopenbaarde waarheid de Griekse filosofen, wetenschappers en anderen in Athene te verkondigen? Bovendien had hij als fundament de eerste profetie over de “knecht des Heren” (Jezus Christus), waarin God zich als Schepper presenteert en zegt: “… die aan de mensen … de levensadem en de geest geeft” (Hnd 17:24-25; Jes 42:5-7; Ps 104,30a).
* De arts en geschiedschrijver Lucas vermeldt in zijn geslachtsregister Adam als historische persoon en als vader van Set – precies zoals hij Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Sem, Noach en Henoch enz. als historische personen weergeeft (Lc 3:23-30). Als theïstische-evolutie al deze in Lucas 3 genoemde mensen als historische personen erkent, waarom dan de selectieve uitsluiting van Adam als eerste historische persoon, zoals beschreven in Genesis 1-3?
Judas, halfbroer van Jezus als mensenzoon, citeert “Henoch, de zevende van Adam af” in verband met diens profetie over de wederkomst van de Here “met zijn heilige tienduizenden om alle goddeloosheid te straffen” (14). Hij neemt daarbij de waarheid van Gods Woordopenbaring aan, dat niet alleen Henoch, maar ook Adam een historische figuur is.
Johannes knoopt aan bij Jezus’ woord over de duivel en bij Gen 3: “De duivel zondigt van den beginne” (1Joh 3:8; Joh 8:44).
Paulus vergelijkt de misleiding van Eva, de vrouw van de eerste Adam, door de listige slang met de misleiding van de Gemeente van Christus, de hemelse Bruid van de tweede Adam doordezelfde listige slang (2Kor 11:2-4; Gen 3).
Petrus karakteriseert in de zin van Christus de duivel als de tegenstander die rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden (1Pe 5:8).
Dat betekent, dat deze drie apostelen de duivel en zijn listige misleiding en bedrog “vanaf het begin”(in het paradijs) als geopenbaarde historie erkennen en Christus’ woord serieus nemen (Joh 8:44). Hoe kan men de (huidige) listige misleiding van de Gemeente van Christus ten diepste verstaan, als men Genesis 1-3 niet letterlijk neemt?
* Als God niet de Schepper, Wetgever en Rechter vanaf de éérste mens zou zijn (Jak 4:12), hoe kon Adam Gods gebod in het paradijs overtreden en aan zijn Schepper ongehoorzaamworden, waardoor de zonde in de wereld binnenkwam, die dus zonde tegen God zijn Schepper was en is (Rom 5:12-18)? Hoe kon Paulus weten en zeggen dat Eva “misleid” en Adam “ongehoorzaam” geweest was, anders dan door Gods openbaring in Genesis 3, die hij serieus nam (1Tim 2:14; Gen 3:1-6,13)?
* Wanneer de Schrift zegt dat het God Zelf is die “de schepping aan de vergankelijkheid onderworpen heeft” ten gevolge van de ongehoorzaamheid van de eerste mens Adam tegenover zijn Schepper (Rom 8:20-22), hoe kan dezelfde God tegelijk een ‘macro-evolutie (4) van vooruitgang’ op gang gebracht hebben en nog steeds stimuleren? Hoe zijn de zichtbare neergang en “de wet van verval” te verenigen met een ‘steeds hogere ontwikkeling van soort tot soort’ door een evolutieproces?
* De apostel Petrus schrijft, dat het mensen “willens en wetens ontgaat, dat door het Woord van God de hemelen er sinds lang geweest zijn en de aarde, die uit en door water bestaat, waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, is vergaan … Maar de tegenwoordige hemelen en aarde worden door hetzelfde Woord … ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en de ondergang van de goddeloze mensen” (2Pe 3:5-7). Wat is daarin anders geopenbaarde waarheid dan allebei?
III. Gods openbaring over de oorzaak van de dood – betrouwbaar?
Als God niet Schepper, Wetgever en Rechter vanaf de eerste mens zou zijn, hoe kon God Adams ongehoorzaamheid veroordelen met de dood – waardoor het hele nageslacht van Adam eenmaal moet sterven – als hij (‘zoals wij’) het gedrag ‘van de dierlijke voorouders geërfd’ zou hebben (Gen 2:16-17; 3:1-11; Heb 9:27)?
* Wanneer de Schrift, zegt, dat “de zonde de prikkel van de dood is”, hoe kan dan de dood ‘de prikkel van een evolutieproces van steeds hogere levensvormen’ geweest zijn al vóór de ongehoorzaamheid van de eerste mens tegenover zijn Schepper (1Kor 15:56)? De Schrift openbaart wel, dat “de dood als koning geheerst heeft vanaf Adam … ” – maar niet vanaf het begin van een evolutieproces (Rom 5:14). De waarheid is en blijft: “Want de dood is er door een méns … zij sterven allen in Adam” (1Kor 15:21,22).
* Wanneer de Schrift, die de Waarheid is, zegt dat de dood Gods oordeel over deongehoorzaamheid van de eerste mens Adam is, hoe kan dan de dood ‘Gods instrument van macro-evolutie’ zijn (geweest)? Wanneer de dood “de laatste vijand is die vernietigd (5) zal worden (1Kor 15:24), hoe kan de dood dan bij wijze van spreken ‘de eerste vriend’ zijn, immers van begin af aan onmisbaar voor ‘hogere ontwikkeling van de ene soort naar een andere’?
IV. De onafscheidelijke Bijbelse “Adam – Christus” samenhang – ongeloofwaardig?
* De apostel Paulus schrijft: “Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw …” (Gal 4:4). Hoe had hij daarin de vervulling van Gods belofte na de zondeval van Adam en Eva in het paradijs tegenover hun Schepper (Gen 3:15) kunnen herkennen, wanneer Genesis 1-3 geen geopenbaarde geschiedenis zou zijn?
* Als God niet de Schepper van Adam, “de eerste mens” is, hoe kan dan de Schrift spreken van Jezus Christus als “de tweede mens” (1Kor 15:47)? Zonder “eerste mens” geen “tweede mens”. Is de eerste Adam geen historische figuur, maar een mythologische, hoe moeten we dan Jezus Christus, de tweede mens, verstaan?
* Wanneer voor de ongehoorzaamheid van de eerste mens Adam tegenover zijn Schepper al mensen geleefd zouden hebben en gestorven zouden zijn, hoe kan dan de Schrift “de gehoorzaamheid van de ene (Jezus Christus) ten aanzien van Gods wet tegenoverstellen aan “de ongehoorzaamheid van de éne” (Adam) tegenover Gods gebod (Rom 5:15-19; Fil 2:8)? “Zoals in Adam alle sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (6) (1Kor 15:21-22).
* Als de dood niet het oordeel van God de Schepper over de ongehoorzaamheid van de eerste mens is, maar ‘Gods instrument van macro-evolutie’, hoe kon God dan zijn Zoon na diens plaatsvervangende dood aan het kruis uit de doden opwekken (1Kor 15:1-5)? En hoe kon Jezus Christus “de dood te niet doen” (2Tim 1:10, zie voetnoot 2), de dood overwinnen en ons door zijn zondoffer aan het kruis hebben “vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de wet van de dood”, als de dood juist cruciaal voor ‘verticale evolutie in hogere levensvormen’ is (1Kor 15:54-57; Rom 8:3; 2Tim 1:10)?
Als Jezus Christus alles geschapen heeft, hoe zou dan Hij, die het Leven is, Leven geeft en “de sleutel van de dood heeft”, zelfs na Golgotha en Pasen ‘door de dood macro-evolutie’ kunnen aandrijven (Op 1:7)? Wat betekent tegen de achtergrond van een ‘theïstische evolutie’ Zijn getuigenis: “Ik ben de opstanding en het leven; … Wie in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh 11:25-26; ook 5:21)? Waar blijft de dood als voorwaarde voor verticale ‘hogere ontwikkeling’?
* Als God niet de Schepper is, waarom heeft Hij dan aan zijn verlost volk Israël hetsabbatgebod gegeven met als argument:
“Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; dáárom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die” (Ex 20:8-11; 31:17)? Aan het eind van de intensieve werkweek moest het volk toch gedenken, dat Israëls Verlosser niemand minder dan de Schepper Zelf is (20:1,11)!
De apostel Paulus schrijft, dat het Jezus Christus is, door wie God alles geschapen heeft: “Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Kol 1:15-16). Is dat alleen de ‘visie van Paulus op de schepping’ respectievelijk ‘zijn standpunt’ dat hij aan de gelovigen ‘wilde opleggen’? Of geloven we nog in Gods openbaring aan de apostelen en profeten die in Zijn opdracht het leerfundament van de Gemeente moesten leggen (Ef 2:20; Gal 1:12)?
Bovendien introduceert de verheerlijkte Verlosser, de Here Jezus Christus, Zichzelf aan de gemeente in Laodicea: “Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin (oorsprong, oorzaak) van de schepping Gods” (Op 3:14). Jezus Christus, de Schepper, is de Verlosser door wie wij kinderen van God worden – de Verlosser is de Schepper! Johannes 1:12 is niet te scheiden van 1:1-3,10! Schepper en Verlosser zijn één!
Waar zegt de Schrift, dat de mens deze Godgegeven onafscheidelijke eenheid van Schepper en Verlosser mag scheiden en dan een keuze tussen beiden kan maken? Hoe kan een christen zeggen, dat hij in Jezus Christus als zijn goddelijke Verlosser gelooft, maar tegelijkertijd zeggen dat hij, zich baserend op wetenschappelijke kennis (die echter berust op een naturalistisch-mechanistisch geloof), Hem niet kan (en wil) accepteren als de goddelijke Schepper die door het Woord, door Zichzelf alles geschapen heeft (Ps 33:6,9; Joh 1:1-3)? Hoe ziet de Schrift een dergelijke keuze (Spr 30:5-6; Jr 8:9; 1Kor 2:19-21)?
* De apostel Paulus maakt bekend: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. Dit alles is uit God” (2Kor 5:17). De “nieuwe mens” in de gelovige is “naar het beeld van zijn Schepper” (Kol 3:10). Als de volmaakte schepping van de eerste mens, Adam, “naar Gods beeld” (Gen 1:26; 2:27; 5:1-2) geen geopenbaard feit is, is dan ook de “nieuwe schepping in Christus”, de “nieuwe mens, die naar God geschapen is” dan ook geen Bijbels feit (Ef 4:24)?
V. De Openbaring van het wezen van God en van Gods Zoon staat op het spel
God openbaarde zich aan zijn knecht Mozes – nota bene na de afgoderij met het gouden kalf van het volk Israël onder Aäron – in de eerste plaats als de barmhartige, genadige, lankmoedige, groot van goedertierenheid, de zonde vergevend, en daarna als de heilige en rechtvaardige die de schuldige niet onschuldig houdt en als straf tuchtigt (Ex 34:5-7).
Jezus Christus getuigde: “Ik en de Vader zijn één” en “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh 10:30; 14:9). De Here zei van Zichzelf: “Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11:28-30). De Schrift zei al profetisch over Hem: “Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders …” (Jes 53:7; ook 1Pe 2:22-23).
De apostel Paulus, die geleerd had om juist in zwakheden te roemen, opdat de kracht van de opgestane Christus in hem en door hem openbaar zou worden, zei over de Here: “Hij is gekruisigd uit zwakheid …” (2Kor 13:4). Door zwakheid tot kracht, door kruis naar de kroon, door lijden tot heerlijkheid. Hoe is de idee van overleving van de sterkste op grond van een ‘natuurlijke selectie’ door een egoïstische, meedogenloze ‘strijd om het bestaan’ met eliminatie van de minst aangepaste, zwakke ooit te verenigen met het karakter en de gezindheid van het Lam Gods, die onze Verlosser en Schepper is? De seculiere Professor David Hull schreef in het tijdschrift Nature:
“Het evolutionaire proces is vol toeval, onzekerheid, onvoorstelbare verkwisting, dood, leed en wreedheden. God (de God van de theïstische evolutie) is niet een liefdevolle God die zich om zijn schepselen bekommert. Hij is onverschillig, verkwistend, bijna diabolisch. Hij is vast en zeker niet die God, tot wie ook maar iemand zou willen bidden”.(7)
Het is de oude apostel Johannes gegeven om in een visioen de eeuwige God op Zijn troon te zien. De 24 oudsten werpen zich voor Hem neer om Hem te aanbidden, zeggende:
“Gij, onze God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht, want
Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen” (Op 4:9-11).
God geve dat wij in dit leven op aarde Hem als Schepper en Verlosser in Christus erkennen, liefhebben en dienen met ons hele hart, met onze hele wil en met ons hele verstand.
Els Nannen
Zie ook Studiengemeinschaft Wort und Wissen: www.wort-und-wissen.de (e-mail: sg@wort-und-wissen.de)
1) Grieks: archè: begin, oorsprong, oorzaak
2) Rom 11:36; 1Kor 8:6; Kol 1:15-17; Heb 1:1-2,10; 2Pe 3:5; Ps 24:1-2
3) Grieks: poieoo: maken, tot stand brengen, scheppen4) ‘Macro-evolutie’ is het geloof dat de ene soort uit de andere soort voortkomt. Zgn. ‘micro-evolutie’ wil uitdrukken dat
binnen de soorten verandering en ontwikkeling kan plaatsvinden en plaatsvindt. Het is verwarrend dat sprekers en
schrijvers het vaak over ‘evolutie’ hebben, zonder duidelijk te vermelden wat ze daarmee bedoelen, ook als ze
creationisten, die ‘macro-evolutie’ ontkennen, bestrijden.
5) Grieks: katargeoo: buiten werking stellen, doen ophouden, afschaffen, verwijderen, te niet doen. Niet ‘onttronen’.
6) Alan Morrison: No Adam – No Christ. What Happens when we deny that Genesis 1-3 is History? www.diakrisis.org ,
June 23,2003
7) D.J. Hull: The God of the Galapagos. Nature 352, 1996 (6335), p 486. Citaat in Henry M. Morris III: Five Reasons to
Believe in Recent Creation .Institute of Creation Research, Dallas, Texas, 2008,31 www.irc.org
Darwin en Darwinisme
Enkele gegevens over het Europese denken
Het darwinisme kwam niet uit de lucht vallen. Er ging heel wat aan vooraf. In het Europese denken is er naast de Bijbel altijd een brede parallelle stroom geweest vanuit de Renaissance, die het Griekse denken als maatgevend beschouwde. De eerste wetenschappers waren allen belijdende christenen, tot ver in de 19e eeuw toe. In hun werk werden zij voortdurend geconfronteerd met de realiteit, waardoor zij voor al te grote dwalingen behoed werden. Aan de universiteiten had je wetenschappen als theologie, filosofie en rechtsgeleerdheid. Zaken als geologie en biologie werden bedreven door geïnteresseerden, meestal in hun vrije tijd. Er waren wel professoraten, maar die mag je beschouwen als erebaantjes die toegang gaven tot de ‘upper class’. Geregeld onderwijs daarin bestond niet. Vanuit de Renaissance zie je, dat het denken zich verzelfstandigt. Men wilde van God, Bijbel en kerk af. De theologie heeft dit kennelijk gemist. De ‘Verlichting’ heeft de grond voor de wetenschap gezocht in de ‘benedenverdieping’, het denken van de mens. Dat was het geestelijk klimaat in de tijd waarin Charles Darwin opgroeide.
Natuurwetten in plaats van God
Zoals Newton natuurwetten had gevonden voor de hemelruimte, vond men, dat ook het hele leven vanaf ontstaan tot nu toe door natuurwetten geregeerd zou worden. Later werd dat ‘evolutie’ genoemd. Darwins grootvader, Erasmus Darwin, en een zekere Lamarck hadden hun visies gepubliceerd. Er was echter geen mechanisme bekend, dat die evolutie zou kunnen sturen. Het werd urgent om een verklaringstheorie te vinden die niets meer met Bijbel, kerk en geloof te maken had. Veel intellectuelen geloofden daar al eeuwenlang niet meer in, maar ze moesten zich daar toch nog in schikken, wegens gebrek aan een alternatief.
De invloed van Charles Lyell
Charles Lyell (1797-1875) was een rijke advocaat, die graag als een goed christenmens te boek stond, maar die in brieven aan vrienden schreef dat “…we af moeten van de geschriften van Mozes”, waarmee hij bedoelde, dat een recente schepping in zes dagen, een wereldwijde vloed, maar ook Gods wetten op de Horeb, uit het bewustzijn van de Europeanen moest worden uitgewist. Iemand met een dubbele agenda dus. Hij kende al wel enkele naturalistische ontstaanstheorieën over het leven, maar het probleem was, dat zoiets veel tijd kostte. En daar ging hij wat aan doen. Charles had tijd en geld genoeg en reisde Europa rond om aan de hand van zijn bevindingen een boek over geologie te schrijven. Hij ging daarbij uit van de stelling: het heden is de sleutel tot het verleden. De snelheid waarmee thans klei, zand, grind e.d. worden afgezet, is ook maatgevend voor het verleden. Nu als die snelheid 1 mm per jaar is en we hebben een afzettingsdikte van 1 kilometer, dan duurde dat dus een miljoen jaar. En zo bouwde hij dus aan de voor evolutie benodigde tijd. Hij benoemde zichzelf al doende tot een geologisch expert. Hij publiceerde zijn bevindingen van 1830-1833 in een driedelig werk ‘Principles of Geology’. Omdat hij zelf buiten schot wilde blijven, moest hij iemand zien te vinden die een geloofwaardige theorie over het ontstaan van het leven wilde publiceren. En daarvoor bood zich, zonder zelf het te beseffen, iemand aan.
De mens Charles Darwin
Charles Darwin (1809-1882), kleinzoon van de eerdergenoemde Erasmus Darwin, was een intelligent en beminnelijk mens, onzeker over zichzelf, geneigd tot hypochondrie (= neiging om voortdurend ten onrechte te denken, dat men allerlei ziektes heeft), maar met een goede dosis eerzucht. Orthodox in geloof, maar zeker niet fanatiek. Hij geloofde in schepping en zondvloed. Op zijn 16e heeft hij 2 jaar in Edinburgh medicijnen gestudeerd en in 1828 werd hij naar Cambridge gestuurd voor een opleiding theologie. In die tijd was zo’n job eigenlijk voor de mislukkelingen, maar het betaalde goed. Daar las hij Paley’s boek over de natuurlijke theologie en raakte meer geïnteresseerd in biologie. De gelovige bioloog ds. John Henslow bracht hem in contact met Adam Sedgwick, die geologie doceerde in Cambridge. Na drie verknoeide jaren verliet Darwin Cambridge om zich te vestigen als dorpspriester op het Engelse platteland. Maar toen nam zijn leven een totaal andere wending. Hij werd gevraagd om enkele jaren als ‘naturalist’ mee te varen met het schip de ‘Beagle’.
De reis met de ‘Beagle’
In tegenstelling tot de algemeen geaccepteerde mythe heeft deze reis volgens zijn biografe, Gertrude Himmelfarb, geen enkele bijdrage geleverd aan het ontstaan van Darwins boek. Anderen moesten hem later wijzen op de ‘Darwin-vinken’. Hij wist zelf niet eens precies welke beesten hij gezien had op de verschillende Galapagos-eilanden. Na vijf lange jaren stapte Darwin in 1836 aan wal. Juist voordat hij op 27 december 1831 uitzeilde, kreeg hij van Henslow het eerste deel van Lyells boek over de geologie, “maar”, zei Henslow, “je moet er niets van geloven.” Het grootste deel van die tijd was Darwin op het land bezig met het verzamelen van gesteenten en fossielen, want zijn grootste belangstelling lag toch bij de geologie. Intussen dacht hij over de verschillende levensvormen na, vroeg zich af waarom er op verschillende plekken verschillende dieren leefden en filosofeerde daarover, mogelijke verklaringen zoekend. Daarover heeft hij veel geschreven in zijn notitieboeken.
De ‘Origin of Species’
De duistere figuur achter Darwin is Charles Lyell. Hij was een meester in het op de achtergrond blijven en anderen voor zijn karretje te spannen. Darwin was in het bezit van al zijn werken over geologie. Deel 1 had hij tijdens zijn reis bestudeerd. Het lezen van deel 2 bracht hem op het idee het in zijn Origin uit te werken. Iemand schreef eens: deel 2 van Lyells ‘Principles of Geology’ is werkelijk de ‘Origin’, maar zonder darwinisme. Bij het lezen van dit deel kreeg Darwin de hele theorie uitgespeld, behalve het mechanisme van de natuurlijke selectie. Darwin begon nu feiten bij de theorie te zoeken. Hij werkte zijn aantekeningen om tot het raamwerk voor een boek. Lyell stond er zo met zijn neus bovenop, dat Darwin eens verzuchtte: ‘Als ik mijn gedachten terugdenk, weet ik niet welk deel van mijzelf is en welk van Lyell.’ Maar de liefde van Lyell bekoelde, toen hij in de gaten kreeg dat Darwins werk atheïstische trekjes begon te vertonen. Het moest wel Mozes’ boeken ondergraven, maar niet openlijk antichristelijk worden. Lyell wilde in de ogen van het publiek een net en christelijk mens blijven lijken. Bij de verschijning in 1859 was er grote oppositie vanuit de Engelse maatschappij. Wetenschappers vonden het beneden de maat. Dat was en is het ook. Het is geen wetenschappelijke verhandeling over het ontstaan van de soorten, maar een breedsprakige natuurfilosofische verhandeling, met tal van frasen als “het is gemakkelijk in te zien dat…”, “…is het niet moeilijk voor te stellen dat…”, maar met geen enkel echt wetenschappelijk statement, laat staan een bewijs voor enige stelling. Darwin bouwde in de tekst allerlei veiligheden in voor het geval dat nieuwe vondsten zijn opvatting zouden falsificeren. Darwin en zijn vrienden, inclusief Lyell, waren op het gebied van wiskunde en logica eigenlijk vergulde nullen. Prof. Thompson schreef in het voorwoord van de uitgave in 1956: ‘Het succes van het darwinisme ging gelijk op met afname van wetenschappelijke integriteit.’ Want gaf Darwin nu een theorie over het ontstaan van de soorten? Niet in het minst. Hij probeerde de variatie op soortniveau – die hij als kweker goed kende – te extrapoleren (= een reeks of een verhouding uitbreiden of voortzetten buiten het oorspronkelijke gebied) naar een evolutie van soort naar soort in opklimmende zin en beweerde, dat dat mogelijk was, als er maar tijd genoeg beschikbaar was. Nu, die tijd had Lyell verschaft, dacht hij (en denken velen nog).
Hoe het evolutionisme zich verspreidde
Lyell kocht bij verschijning heel wat exemplaren op en stuurde die aan ‘dissidente’ anglicaanse geestelijken, want zo zei hij: ‘De anglicaanse kerk van binnenuit nemen, scheelt 50 jaar harde strijd.’ En dat bleek waar. Geen enkel nieuw wetenschappelijk feit, geen doorwrochte – tenminste enigszins geteste – theorie prijkt in Darwins werk, het boek vervulde in hoofdzaak de functie van schaamlap en afleidingsmanoeuvre. Toch werd Darwins boek gepropageerd als het ultieme bewijs van een naturalistische oorsprong van het leven. Maar dat was het niet en is het nog steeds niet. Door een slechte gezondheid verdedigde Darwin zijn werk niet zelf, maar liet dat aan Thomas H. Huxley (1825-1895) over. Deze vond Darwins oplossing weliswaar ontoereikend, maar bij gebrek aan beter bood hij zich aan om het werk te verdedigen. Hij deed dat zo fanatiek dat hij de bijnaam “Darwins buldog” kreeg. Lyell en zijn vrienden, die een groepje (de X-club) vormden binnen de Royal Society, kregen medestanders van Darwin op belangrijke posten aan de Britse universiteiten benoemd. Daardoor stierf het protest in de wetenschappelijke wereld langzaam uit. De theologen zonnen op middelen om zich aan de nieuwe situatie aan te passen.
De aanpassingen in de christelijke wereld
Veel anglicaanse geestelijken waren niet erg gemotiveerd om de langzaam veld winnende opvattingen van Darwin te bestrijden. Dus werden er redeneringen bedacht om de theologie aan te passen aan het kennelijk nieuwe paradigma. Enkele ‘oplossingen’:
Een ‘gat’ tussen Genesis 1:1 en 2. In dat gat moeten dan de geologische lagen en de hele evolutie terechtkomen. Dood en verderf vóór Adam; onzekerheid over de eerste mens: een ‘hominide’ (= op een mens lijkend wezen) waarin een ‘ziel’ geplaatst? Hoezo zonde en dood? Waarom Jezus eigenlijk?
Dagen zijn tijdperken. Ja, maar hoe konden de kruiden en de bomen van dag 3 een tijdperk lang zonder licht van de zon? Theïstische evolutie. Een populaire verlegenheidsoplossing: God gebruikte de wrede evolutieprocessen om te scheppen. Dood en verderf gingen vooraf aan Adam en Eva. Ook hier alleen maar problemen. De dood als straf op de overtreding komt hier in de lucht te hangen. En dus ook Jezus’ werk en Gods plan in bredere zin. Wat winnen we hiermee?
De huidige situatie
Met grote ferventie en toenemende agressiviteit is Darwins idee de westerse wereld opgedrongen. Wie zich niet conformeert, wordt geëxcommuniceerd. De voorbeelden van uitsluiting en broodroof zijn talloos. Openlijk wordt verklaard dat de ‘wetenschap’ thans dient om het materialisme te bevorderen. Ik citeer uit een uitspraak van de Amerikaanse bioloog Richard Lewontin:
“…door onze à priori toewijding aan materiële oorzaken worden we gedwongen om een onderzoeksapparaat en een set concepten te creëren, die materialistische uitkomsten produceren, onverschillig hoe erg ze tegen het normale logische denken ingaan en hoe verwarrend en inconsistent ze zijn voor de niet-ingewijden. Bovendien is dat materialisme absoluut, want we kunnen geen goddelijke voet tussen de deur toestaan.”
(Billions and billions of demons, The New York Review of Books, 9-1-1997).
Tegen deze geest hebben wij te strijden. Een geest die geen compromissen kent, die lacht om onze aanpassingen van de Bijbelse boodschap, een geest die ongedeelde toewijding aan het materialistische, atheïstische dogma vereist en die dat dogma als het enige wil toegelaten hebben aan onze (ook christelijke) scholen en universiteiten.
Ons antwoord
Wat moet ons antwoord als christenen zijn? Ik denk in de eerste plaats: zorgen voor kennis, wetenschappelijk juist en up-to-date. In de tweede plaats: niet buigen voor deze tirannie, maar deze in woord, geschrift en gebed bestrijden. In de derde plaats: een rechtmatige plek opeisen voor het op de Bijbel gebaseerde geluid in opleiding en wetenschap en ons niet laten ontmoedigen. We hebben waarheid en realiteit aan onze kant. Er is momenteel zoveel wetenschappelijk bruikbaar materiaal op het gebied van wis- en natuurkunde, kosmologie, geologie, paleontologie, geschiedenis en recentelijk ook biologie, dat wijst op een jonge aarde, een jong heelal en recent begin van het leven, dat er geen enkele behoefte is om te buigen voor het dictaat van het atheïstisch-materialisme. Veel van dit materiaal is recent en op dit ogenblik nog niet geheel gereed voor publicatie. Maar in dit jaar zal er heel wat op de markt komen. Ook wordt eraan gewerkt dat dit wetenschappelijk vakwerk zal doordringen tot de in het kader van het Darwinjaar alom georganiseerde discussiedagen, tv-programma’s en seminars. Daarnaast verschijnen er regelmatig dvd’s over verschillende onderwerpen, die aantonen dat het Bijbelse geluid voluit wetenschappelijk verdedigbaar is. Er is alle reden om de strijd met het exclusieve dogma van het evolutionisme niet uit de weg te gaan, maar die strijd vol moed, hoop en geloof aan te vatten. De keizer heeft geen kleren aan!
Rinus Kiel
Natuurwetenschappers (Schriftgelovige) uit het verleden
Bijbelgetrouw/creationistisch
Vele grote wetenschappers in het verleden waren creationisten en in dit opzicht evenzeer Bijbelgetrouwe christenen – mannen die net zo aan de inspiratie en autoriteit van de Bijbel geloofden als in de Godheid van Jezus Christus en aan Zijn verlossingswerk.
Zij geloofden, dat God alles op bovennatuurlijke schiep, elk met zijn eigen complexe structuur in verband met zijn eigen uniek doel. Zij geloofden, dat zij als wetenschappers “achter Gods gedachten aan dachten”. Ze leerden de wetten en processen van de natuur tot eer van God en voor het welzijn van de mensheid te verstaan en te beheersen. Zij geloofden en beoefenden de wetenschap op precies dezelfde wijze als huidige creationisten doen.
Op de een of andere manier was deze geestelijke instelling geen hindernis voor hun verplichting tegenover de ‘wetenschappelijke methode’. Feit is dat een van hen, Sir Francis Bacon, beschouwd wordt als degene die de wetenschappelijke methode geformuleerd heeft!
Zij schijnen bovendien in staat geweest te zijn om een zuivere ‘wetenschappelijke houding’ te bewaren. Het waren immers deze mannen (Newton, Pasteur, Linnaeus, Faraday, Pascal, Lord Kel-vin, Maxwell, Kepler enz.), wier onderzoekingen en analysen tot de echte wetten en concepten van de wetenschap geleid hebben, die ons wetenschappelijk tijdperk teweeg gebracht hebben.
De huidige mechanistische wetenschappers lijken eerder klein vergeleken bij deze intellectuele giganten uit het verleden. Zelfs de prestaties van een Einstein (laat staan van Darwin) zijn in vergelijking daarmee onbelangrijk. De werkelijke doorbraak, de nieuwe gebieden, de nuttigste ontdekkingen van de wetenschap werden zeker niet door creationistische motivatie van deze grote grondleggers van de moderne wetenschap aangereikt. Niemand moge veronderstellen dat zij zich alleen daarom aan God en creationisme gebonden wisten, omdat ze ‘nog geen moderne filosofieën kenden’.
Velen waren sterke tegenstanders van het darwinisme (Agassiz, Pasteur, Lord Kelvin, Maxwell, Dawson, Virchov, Fabre, Fleming enz). Zelfs zij die vóór Darwin leefden, waren al grote tegenstanders van vroegere evolutionistische systemen.
Tabellen
Om het belang van deze grote wetenschappers uit het veleden te illustreren, werden de tabellen I en II samengesteld. Deze pretenderen natuurlijk geen volledigheid. Ze zijn echter in ieder geval representatief en tonen aan dat moderne beweringen, dat geen wetenschapper een creationist en Bijbelgetrouwe christen kan zijn, onlogisch zijn.
Tabel I laat de creationistische ‘vaders’ van veel belangrijke takken van moderne wetenschap zien. Tabel II somt de creationistische nastuurwetenschappers op die voor diverse vitale uitvindingen, ontdekkingen en andere bijdragen voor de mensheid verantwoordelijk zijn. Weliswaar werden deze vergelijkingen hier en daar vereenvoudigd, want zelfs in de prille dagen van de wetenschap bracht elke nieuwe ontdekking van te voren of daarna een aantal andere wetenschappers met zich mee. Niettemin zijn er voor elk voorbeeld belangrijke redenen om de genoemde natuurwetenschapper als de hoofdverantwoordelijke persoon te noemen. In de eerste plaats was zijn medewerking heel belangrijk. Het is een ondersteuning van onze bewering, dat het geloof in de Schrift en in de openbaring daarin aangaande de schepping wetenschappelijke ontdekkingen meer bevordert dan belemmert.
In ieder geval waren de opgesomde wetenschappers strikte creationisten die zonder voorbehoud in de God van de Bijbel geloofden en zodoende aan zijn Woord. Enkelen waren ‘progressieve creationisten’, maar voor zover vastgesteld kan worden, was geen van hen een theïstische evolutionist. Ze hadden een verschillende confessionele achtergrond en leer, maar waren in ieder geval allen belijdende christenen die zich gebonden wisten aan de fundamentele christelijk leringen.
De koude opsomming van hun namen in deze geconcentreerde tabellen lijkt wat onpersoonlijk, maar zelfs de lijst alleen al is indrukwekkend.
De wetenschappelijke prestaties van de moderne creationistische natuurwetenschappers kunnen nog niet in de schaduw staan van deze vroegere creationisten, maar ze belijden in ieder geval hetzelfde geloof, hebben dezelfde motivatie en dezelfde geestelijke bronnen. De God van een Robert Boyle en van een Clerk Maxwell is nog steeds dezelfde “Schepper, die geprezen zij tot in alle eeuwigheid” (Rom 1:25).
Tabel I – Takken van wetenschap die door creationistische wetenschappers ontstaan zijn
Antiseptische chirurgie
Bacteriologie
Chemie
Computerwetenschap
Differentiaal- en integraalrekening
Dimensionale analyse
Dynamica
Elektrodynamica
Elektromagnetisme
Elektronica
Energetica
Galactische astronomie
Gasdynamica
Genetica
Glaciale geologie
Gynaecologie
Hemelmechanica
Hydraulica
Hydrografie
Hydrostatica
Ichthyologie
Insectenkunde
Isotopenchemie
Modelanalyse
Natuurlijke geschiedenis
Niet-euclydische geometrie
Oceanografie
Optische mineralogie
Paleontologie
Pathologie
Fysische astronomie
Statische thermodynamica
Stratigrafie
Systematische biologie
Thermodynamica
Thermokinetica
Omkeerbare thermodynamica
Veldtheorie
Vergelijkende anatomie
Vloeistofmechanica
Werveldier paleontologie
Joseph Lister (1827-1912)
Louis Pasteur (182-1895)
Robert Boyle (1627-1691)
Charles Babbage (1792-1871)
Isaac Newton (1642-1727)
Lord Rayleigh (1842-1919)
Isaac Newton (1642-1727)
James Clerk Maxwell (1831-1879)
Michael Faraday (1791-1867)
John Ambrose Fleming (1849-1945)
Lord Kelvin (1824-1907)
William Herschel (1738-1822)
Robert Boyle (1627-1691)
Gregor Mendel (1822-1884)
Louis Agassiz (1807-1873)
James Simpson (1811-1870)
Johann Kepler (1571-1630)
Leonardo da Vinci (1452-1519)
Matthew Manry (1806-1873)
BlaisePascal (1623-1662)
Louis Agassiz (1807-1873)
Henry Fabre (18123-1915)
William Ramsay (1852-1916)
Lord Rayleigh (1842-1919)
John Ray (1627-1705)
Bernhard Riemann (1826-1866)
Matthew Manry (1806-1873)
David Brewster (1781-1868)
John Woodward (1665-1728)
Rudolf Virchow (1821-1902)
Johann Kepler (1571-1630)
James Clerk Maxwell (1831-1879)
Nicholas Sterno (1631-1686)
Carolus Linnaeus (1707-1778)
Lord Kelvin (1824-1907)
Humphrey Davty (1778-1829)
James Joule (1818-1889)
Michael Faraday (1791-1867)
Georges Cuvier (1769-1832)
George Stobes (1819-1903)
Georges Cuvier (1769-1832)
Tabel II . Opmerkelijke uitvindingen, ontdekkingen of ontwikkelingen door creationistische wetenschappers
Absolute temperatuurscala
Biogenetische wet
Caleidoscoop
Chloroform
Classificatiesysteem
Efemeridentabel
Elektrische generator
Elektromotor
Elektronenbuis
Galvanometer
Gistingcontrole
Inenting en immunisering
Mechanische rekenmachine. Wet van Pascal
Pasteurisatie
Rekenmachine
Spiegeltelescoop
Sterftetafels
Sterren, dubbele
Sterren catalogus
Telegraaf
Trage gassen
Transatlantische kabel
Veiligheidslamp voor de mijnen
Wetenschappelijke methode
Wet van de zwaartekracht
Zelfinductie
Lord Kelvin (1824-1907)
Louis Pasteur (1822-1895)
David Brewster (1781-1868)
James Simpson (1811-1870)
Carolus Linnaeus (1707-1778)
Johann Kepler (1571-1630)
Michael Faraday (1791-1867)
Joseph Henry (1797-1878)
John Ambrose Fleming (1849-1945)
Joseph Henry (1797-1878)
Louis Pasteur (1822-1895)
Louis Pasteur
Blaise Pascal (1623-1662)
Louis Pasteur
Charles Babbage (1792-1871)
Isaac Newton (1642-1727)
Charles Babbage (1792-1871)
Williams Herschel (1738-1822)
William Herschel (1738-1822)
Samuël F.B.Morse (1791-1872)
William Ramsay (1852-1916)
Lord Kelvin (1824-1907)
Humphrey Davy (1778-1829)
Francis Bacon (1561-1626)
Isaac Newton (1643-1727)
Joseph Henry (1797-1878)
1 Vertaling door E. Nannen van artikel Prof.dr. Henry M.Morris: Bible-believing Scientists of the Past, factum, CH-Schwengeler Verlag, jan. 1985
Coöperatief leren
Op veel basisscholen wordt meer en meer coöperatief leren ingevoerd, ook wel samenwerkend leren genoemd. Aspecten uit coöperatief leren (CL) komen ook steeds meer aan bod binnen interactief rekenonderwijs en interactief taalonderwijs. Schoolbegeleidings- en adviesdiensten promoten deze concepten over het algemeen van harte. Vaak zijn het zelfs speerpunten in het didactische aanbod. Scholen accepteren veelal dit aanbod en zodoende verovert CL op veel basisscholen langzamerhand een plek. CL is gebaseerd op de theorieën van S. Kagan, en verder onderzocht door B. Slavin en later Elisabeth Cohen. Vanuit haar methode is met steun van de Europese Commissie vanaf 1996 het CL-concept voor Europa vorm gaan krijgen (1) , mede in het kader van interculturele opvoeding.
Een werkvorm…
Eric loopt door de klas. Er klinkt muziek. Hij kijkt naar het papiertje in zijn hand : ¾ deel van 80 fietsen = …… Draait het om en kijkt naar de uitkomst. Denkt even na, hoe los je die som ook alweer op? Botst bijna tegen een tafeltje, springt opzij. Wel even blijven opletten, denkt Eric bij zichzelf. Dan zet de juf de muziek uit. De leerlingen gaan naar een klasgenoot die dichtbij staat. Eric laat de som aan Maarten zien. Deze moet even nadenken en geeft dan zijn oplossing. Eric draait het kaartje om, vlak voor Maartens neus. Diens gezicht betrekt : fout. Samen bespreken ze even de beste manier om deze som op te lossen. Juf zet de muziek weer aan, Eric en Maarten wisselen hun kaartje uit en lopen weer verder door de klas.
Op veel basisscholen wordt meer en meer coöperatief leren ingevoerd, ook wel samenwerkend leren genoemd. Aspecten uit coöperatief leren (CL) komen ook steeds meer aan bod binnen interactief rekenonderwijs en interactief taalonderwijs. Schoolbegeleidings- en adviesdiensten promoten deze concepten over het algemeen van harte. Vaak zijn het zelfs speerpunten in het didactische aanbod. Scholen accepteren veelal dit aanbod en zodoende verovert CL op veel basisscholen langzamerhand een plek. CL is gebaseerd op de theorieën van S. Kagan, en verder onderzocht door B. Slavin en later Elisabeth Cohen. Vanuit haar methode is met steun van de Europese Commissie vanaf 1996 het CL-concept voor Europa vorm gaan krijgen (1) , mede in het kader van interculturele opvoeding.
Het is geen exclusieve onderwijsvorm, maar een didactische organisatie van het onderwijs die integraal (d.i. rondom, door alle aspecten heen) in de lespraktijk ingevoerd kan worden. In publicaties vanuit de V.S. wordt CL enthousiast onderbouwd: diverse onderzoeken claimen dat de leerresultaten als gevolg van CL echt beter zijn (2).
Wat is coöperatief leren?
Bij CL worden werkvormen gebruikt waarbij leerlingen in groepjes van 2 tot 6 veelal verbaal met de leerstof aan het werk gaan. De groepjes zijn bij voorkeur heterogeen van samenstelling, dus verschillende niveaus bij elkaar. Men gaat ervan uit, dat kinderen meer of beter leren, doordat ze tijdens het samenwerken goed moeten verbaliseren (opdrachten en oplossingsmanieren verwoorden: uitleggen aan een ander), actiever deelnemen aan het onderwijsleerproces (m.n. in heterogene groepjes kun je moeilijk passief blijven) waardoor ze als vanzelf :
Er wordt een beroep gedaan op zogenaamde ‘hogere’ cognitieve vaardigheden als analyseren, synthetiseren en evalueren van informatie (3) (dus wat betekent dit, pas ik het toe, wat vind ik ervan).
Mits de leerkrachten goed getraind worden in ‘activerende didactiek’ verandert hun functie : i.p.v. leider en kennisbron wordt men begeleider van processen. Leerlingen worden meer geactiveerd, zijn beter gemotiveerd en worden veel intensiever aangesproken op hun individuele kwaliteiten, allemaal aspecten die het leereffect moeten vergroten/verbeteren. Kortom, coöperatief leren zal de kwaliteit van het onderwijs beduidend verbeteren, mits goed getrainde leerkrachten het goed implementeren.
Met het volste vertrouwen in het verantwoordelijkheidsbesef van hun leerlingen geven zij een groot deel van hun eigen verantwoordelijkheid uit handen. Die moet immers veel meer bij de leerlingen zelf komen te liggen. Maar eerst vergt het een flinke investering om kinderen ook daadwerkelijk te leren samenwerken. Dat moet eerst gebeurd zijn, want samenwerken moet je leren. Het lijkt er dus op dat coöperatief leren exact de modelleerling levert waar het beroepsleven behoefte aan heeft. Dit is waar de moderne samenleving om vraagt. Vanuit de visie waar steeds meer schoolbesturen zich achter scharen, namelijk werken en leven in ‘lerende organisaties’ (4) , is een hoogst communicatief ingestelde mens nodig, die zich afhankelijk en verbonden weet met zijn naaste.
Het klinkt goed
In publicaties over CL vallen nauwelijks bezwaren te lezen. Het klinkt erg veelbelovend.
Aan deze beknopte weergave ontbreekt nog het een en ander. Een heel praktisch bezwaar is uiteraard dat invoering niet structureel genoeg plaatsvindt en borging uitblijft. Er wordt nogal wat vernieuwd in het onderwijs, vaak zonder voldoende draagvlak, bezinning en motivatie van een heel team. Bij CL worden de werkvormen dan tijdverspillende onrustveroorzakers die het onderwijs niet ten goede komen. Voorstanders menen dan ook, dat structurele invoering zeker 10 jaar nodig heeft, voordat er sprake is van effectief rendement.
Is er sprake van werkelijk ‘structureel coöperatief leren’, dan is echter sprake van het verschuiven van onderwijsinhouden. De nadruk komt te liggen op het communicatieve, interactieve aspect. Dus vindt er verschuiving plaats in autoriteit en hiërarchie: verantwoordelijkheid is verschuldigd jegens je maatje, je groepje of de groep. Het waarden- en normenpatroon wordt dan ook vandaaruit vormgegeven (sociaal geconstrueerd): de groepssamenstelling verandert regelmatig, waardoor normen en waarden voortdurend aan subjectiviteit onderhevig zijn. Er zal steeds concensusvorming plaatsvinden. Persoonlijke overtuigingen komen daarmee onder druk te staan. Hoe meer kinderen hierin opgroeien, hoe onbewuster dit proces van aanpassing en concensusvorming zal plaatsvinden. Maar wel zál plaatsvinden! Binnen de huidige tendens in onderwijs en samenleving om ook de sociale opvoeding meer op school te laten plaatsvinden is dit uiteraard een zeer bedenkelijk gegeven. Als er geen duidelijk normen- en waardenpatroon van huis uit is opgebouwd, zal een leerling binnen het concept van CL als vanzelf meegaan in het normen- en waardenpatroon van de groep. Te weinig feitenkennis en dus te weinig kritisch beoordelingsvermogen maken een groep door consensusvorming manipuleerbaar, maken een mens onmondig.
De eigenlijke bron
De basis van CL vanuit het sociaal-constructivisme (5) heeft ook gevolgen voor de inhoud van het onderwijs. Kennisinhouden en zelfs wat je objectief werkelijkheid mag noemen, worden gaandeweg steeds meer geconstrueerd/vormgegeven vanuit de leerling/de groep zelf.
Het leerproces is vooral belangrijk, de leerinhouden worden als vanzelfsprekend gezien.
Zelfreflectie (hoe heb ik dit aangepakt en hoe kan het anders/beter), zelfbeoordeling (heb ik genoeg en goed geleerd) en zelf verantwoordelijk zijn (de leerling gaat een leercontract aan, ondertekent dit ook), zijn hogere cognitieve vaardigheden die worden aangesproken.
De zgn. ‘lagere’ cognitieve vaardigheden – feitenkennis en begripsvorming – krijgen weinig ruimte. Ten onrechte, want uit onderzoek blijkt dat simpele feitenkennis van wezenlijk belang is voor het verwerken van verdere informatie (6). (via de ‘hogere’ cognitieve functies categoriseren, cognitieve flexibiliteit en abstraheren-www.jellejolles.nl) Het is een noodzakelijke basis om vaardigheden als analyseren, synthetiseren en evalueren op verantwoorde wijze toe te kunnen passen. Je moet immers juíst in de moderne maatschappij informatie snel en adequaat kunnen beoordelen op feitelijke (on)waarheden.
Leren van elkaar of..
Kinderen kunnen veel leren van elkaar. Selectief gebruik van werkvormen uit CL kan didactische meerwaarde opleveren. Uiteraard kunnen werkvormen worden ingezet om onderwijs te variëren, boeiend te houden. Een Bijbelse didactiek wijst op het leiden, het meenemen van kinderen. (Spr. 22:6, aanleren, een basis meegeven) Het kind is in feite nog onmondig en staat ook niet centraal. Werkelijke autonomie is leven binnen Gods grenzen, gerechtvaardigd in Christus en niet in jezelf. Bijbelse pedagogiek wijst ten eerste naar Christus, in afhankelijkheidsbesef van God de Vader. Hier spreekt een duidelijke gezagsverhouding uit, gehoorzaam leren zijn. Pas daarna komt de naaste aan bod.
Wat leren kinderen over gezagsverhoudingen bij CL en constructivisme: autoriteit te aanvaarden, op elkaar te wachten, of eens een keer niet aan bod te komen? Wat zijn de gevolgen voor de geloofshouding van de interactieve generatie? Is men in staat genade en liefde in Christus te accepteren, aan te nemen, deze liefdevolle autoriteit als noodzakelijk te aanvaarden? Of zal men gewend zijn zichzelf centraal te stellen (2 Tim 4:3)? Want dat is de contradictie in deze inrichting van onderwijs. Er wordt veel interactief en coöperatief gedaan, maar de mens met zijn persoonlijke behoeften staat voortdurend zelf centraal.
Voor leerkrachten betekent Bijbelse didactiek en pedagogiek gezag hebben – dus dienstbaar verantwoordelijkheid dragen – en professionaliteit op het vakgebied. Dit betreft procesmatige ontwikkelingen, maar zeker ook de inhoudelijke kennis, van de hoed én de rand weten!
De huidige generatie leerkrachten lijkt meer procesmatig te worden ‘gekweekt’, daar waar de oude kweekschool heeft (aan)geleerd.
Kinderen groeien op in een samenleving waar het zicht op de Bijbelse boodschap steeds slechter wordt. Denk aan de verwachting van Christus, laat staan de opname van de gemeente (1 Thess.4:16-18 e.v). Men zoekt het heil in organisaties op aarde, zowel in bedrijfsleven, kerk/gemeente én dus ook op school. En het systeem van de lerende organisatie lijkt overal antwoord op te geven. Een betere wereld staat voor ogen, met betere bedrijven, betere kerken en betere scholen.
Besluit
Het is belangrijk deze zaken te overdenken. Het is belangrijk daarbij de Bijbel ter hand te nemen als Gods Woord. We hebben onze verantwoordelijkheid hier op aarde, maar we zijn ook ‘bijwoners’. Veranderingen gaan momenteel snel en worden vrij stilzwijgend doorgevoerd.
Men hoort wel eens spreken over ‘de stille revolutie’ in het basisonderwijs.
Hoeveel ouders weten precies hoe hun kinderen les krijgen en wat de implicaties daarvan zijn?
M. van Buuren
1 Cooperative Learning in Intercultural Education Project, P. Batelaan 1997
2 Zie ook : Coöperatief leren in het voortgezet onderwijs: evaluatie van een scholingsprogramma, S. Veenman e.a., Pedagogiek, 21e jaargang o 3 o 2001 o 228-24
3 Blooms’ taxonomie, bij CL wordt hier een te geringe waarde toegekend aan feitenkennis als basis voor het verdere leren.
4 Peter Senge, Lerende scholen, Academic Service 2001
5 Luc Stevens legt veel nadruk op vraaggericht onderwijs, de leerling centraal (relatie, autonomie en competentie) en heeft hier meerdere publicaties over, o.m. Zin in school; Zin in leren. Voorts zie http://www.natuurlijkleren.org/frm_informatie.html
6 didaktief NR 10 / DECEMBER 2006, interview J. Jolles, www.jellejolles.nl
thuisonderwijs
In Nederland wordt thuisonderwijs gegeven door ouders die vrijgesteld zijn van de verplichting om hun kind in te schrijven bij een school of instelling (artikel 5 van de Leerplichtwet).
THUISONDERWIJS
In Nederland wordt thuisonderwijs gegeven door ouders die vrijgesteld zijn van de verplichting om hun kind in te schrijven bij een school of instelling (artikel 5 van de Leerplichtwet). Eén van de gronden voor vrijstelling is een richtingsbezwaar bij de ouders (artikel 5b van de Leerplichtwet). Ik wil een korte schets geven van de geschiedenis van dit onderwijs in Nederland. Ik ga niet uitgebreid in op de juridische kant van de zaak, in de literatuursuggesties vindt u meer informatie over de juridische aspecten.
Wat is thuisonderwijs?
Thuisonderwijs is een onderwijsvorm waarbij de ouders of verzorgers zorgdragen voor de ononderbroken ontwikkeling van hun kind(eren). In veel landen is thuisonderwijs een legitieme en succesvolle methode om kinderen tot geestelijke en intellectuele bloei te laten komen en hun de vaardigheden te leren die zij voor hun verdere leven nodig hebben. In de Angelsaksische landen wordt thuisonderwijs al meer dan een kwart eeuw op grote schaal gepraktiseerd. In de Verenigde Staten worden ruim een miljoen kinderen (in de leeftijd van 4-18 jaar) thuis onderwezen, in Canada 1 à 2 % van de leerplichtige kinderen en in Groot-Brittannië naar schatting 70.000 kinderen. Wereldwijd gaat het om enkele miljoenen kinderen in de leeftijd van ca. 4 tot ca. 22 jaar.
Krijgt een kind thuisonderwijs, dan wordt het onderwezen door de eigen ouders of (in het verleden vaak door) een huisleraar en soms door een combinatie van beiden (denk aan de Wereldschool). Twee voorbeelden: Groen van Prinsterer kreeg huisonderwijs van een huisleraar, vaak samen met enkele andere jongens; dr. Abraham Kuyper kreeg tot zijn twaalfde jaar thuisonderwijs van zijn ouders en bezocht daarna een gymnasium. Dr. Abraham Kuyper werd uiteindelijk minister-president en richtte onder meer een krant en een universiteit op. Als u kijkt naar deze grote mannen uit de Nederlandse geschiedenis, ziet u twee feiten geïllustreerd.
In de eerste plaats ziet u dat (t)huisonderwijs in Nederland géén nieuw verschijnsel is. Het is níet overgewaaid uit Amerika, maar werd in Nederland reeds vóór de komst van de Leerplichtwet gepraktiseerd. In de tweede plaats ziet u, dat het níet waar is dat thuisonderwijs de ontwikkeling van een kind in de weg staat en de maatschappelijke kansen van kinderen nihileert, een bezwaar dat nogal eens wordt geopperd door mensen die niet bekend zijn met de didactische aspecten en de academische perspectieven van thuisonderwijs.
Geen nieuw verschijnsel
Ik wil ingaan op het eerste punt, omdat het essentieel is in het begrijpen van thuisonderwijs en de huidige status daarvan. In 1900 kreeg Nederland haar eerste Leerplichtwet. Ouders kregen het wettelijk recht op vrijstelling wegens een gevoeld richtingsbezwaar. De schoolopziener moest nagaan of zij hun kind(eren) thuishielden wegens een bezwaar tegen het onderwijs (geoorloofd) of bijvoorbeeld om te helpen op de boerderij of om te werken (ongeoorloofd) (Sperling, 2005). Als een kind al op school zat, konden ouders alsnog een richtingsbezwaar indienen, omdat ‘de mogelijkheid niet is uitgesloten dat bij de ouders het gemoedsbezwaar is opgekomen, terwijl het kind school ging’’ (citaat uit de notulen van de Tweede Kamer, 1899).
Tevens werd -geheel los van een richtingsbezwaar- geregeld dat ‘ouders (…) vrijgesteld waren’ van de plicht tot inschrijving ‘zoolang zij de kinderen voldoende lager huisonderwijs doen genieten (…)’ (artikel 4.2, Leerplichtwet 1900). Thuisonderwijs was in de eerste Leerplichtwet (1900) een wettelijke mogelijkheid om aan de leerplicht te voldoen.
Een inperking van de oorspronkelijke bedoeling
In 1969 is de huidige leerplichtwet aangenomen. In het ontwerp van deze wet werd bovengenoemd punt als vrijstellingsgrond gehandhaafd in artikel 5a: ouders waren vrijgesteld van de plicht tot inschrijving ‘indien zij het kind voldoende huisonderwijs geven of laten geven’. Door een amendement van de PvdA werd dit lid uit artikel 5 geschrapt; volgens de indieners van het amendement, omdat huisonderwijs niet in het belang van het kind en, naar hun zeggen, uit de tijd was. Eén en ander werd níet door de indieners onderbouwd; de rapporten van de Onderwijsinspectie spraken de veronderstelling van de heren indieners tegen, er was nooit enige aanleiding tot zorg geweest in alle gevallen van thuisonderwijs die geïnspecteerd waren, aldus toenmalig staatssecretaris van Onderwijs J.H. Grosheide (ARP). Grosheide wilde niet instemmen met het amendement.
Na 1969 werden de mogelijkheden voor ouders ook via de jurisprudentie beperkt. Onder de huidige (interpretatie van de) wetgeving bestaat er voor ouders uitsluitend een mogelijk tot richtingsbezwaar. Er is geen wettelijke mogelijkheid om het onderwijs van uw kind(eren) zelf ter hand te nemen, als u als ouders ‘slechts’ of in hoofdzaak bezwaar hebt tegen de inrichting van het onderwijs (bijv. pedagogische bezwaren).
Gevolgen
Deze juridische situatie schaadt het belang van kinderen die het adaptief onderwijs hard nodig hebben, waaronder hoogbegaafde kinderen. Is de school niet in staat adaptief onderwijs te geven, dan staat u als ouder met de rug tegen de muur. Op grond van de huidige interpretatie van artikel 5b is een inrichtingsbezwaar (een bezwaar tegen de op school gehanteerde werkwijze) geen grond voor vrijstelling van de leerplicht en heeft u geen mogelijkheden om uw kind(eren) uit een situatie te halen die schadelijk is voor zijn of haar ontwikkeling. Dit is een onwenselijke situatie, die het gezag van ouders en hun mogelijkheden om datgene te doen dat in het belang van hun kind nodig is, nodeloos inperkt, in het bijzonder in situaties waar een school of onderwijsinstelling niet in staat blijkt het kind het noodzakelijke te bieden. Er zijn enkele ouders in Nederland die in overleg met de gemeentelijke leerplichtambtenaar tot een gedoogregeling zijn gekomen, hetzij ter bevordering van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van hun kind, hetzij omdat scholen zelf aangaven dat zij hun kind niet verder konden of wilden begeleiden.
Ontplooiing van de kinderen
Hierboven werd reeds aangegeven dat thuisonderwijs de ontwikkeling van een kind niet schaadt (zie voor literatuurverwijzingen de laatste paragraaf). Uit allerlei onderzoeken blijkt dat thuisonderwijs zich richt op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Juist de flexibiliteit van thuisonderwijs, de mate waarin de kinderen midden in de échte samenleving staan en de ruimte die er is om de talenten en interesses van het kind bij de vormgeving van het programma in gedachten te houden, staan borg voor een leerweg die goed past bij het kind. Hierdoor wordt de leerervaring prettig en dit vergroot de leeropbrengst. Kinderen vinden leren (weer) leuk en uitdagend. Ze zijn (weer) nieuwsgierig en nemen (weer) initiatief.
Vele vormen
Thuisonderwijs kan vele vormen aannemen. Enkele noemen we hier. Sommige ouders kiezen ervoor om hun kind het héle leertraject zélf te laten sturen. Zij bieden leerstof pas aan, als het kind er interesse in toont. Hun uitgangspunt is dat de mens van nature goed is en dat een kind om die reden vanzelf zal vragen om hetgeen hij of zij nodig heeft. Andere ouders kiezen ervoor om te werken met bestaande, al dan niet Nederlandse methoden en willen zo een doorgaande ontwikkelingslijn voor hun kind garanderen. Zij bieden leerstof actief aan als het kind daar cognitief en motorisch aan toe is en wachten niet tot het kind er zelf om vraagt.
Weer andere ouders kiezen ervoor om een veel breder onderwijspakket aan te bieden dan in Nederland gebruikelijk, bijvoorbeeld aangevuld met educatieve reizen, cursussen en een diversiteit aan maatschappelijke ervaringen (maaltijdrijden voor ouderen, meehelpen in de kerk, congressen en conferenties bijwonen of helpen organiseren, etc.). Zij zoeken voor elk leergebied datgene op, dat het beste bij hun kind, hun gezinscultuur en het onderwerp past, zij zijn de zogenaamde eclectici. Ook zij bieden leerstof en leerervaringen actief aan. Ze buiten de mogelijkheden van thuisonderwijs als didactische werkvorm uit. Zij leggen de lat hoger dan ‘slechts’ een startkwalificatie, ze willen hun kind opleiden tot een breed ontwikkelde volwassene die zijn positie in gezin, kerk en maatschappij kan innemen.
Verder zijn er ouders die een volledig curriculum inkopen en dat doorwerken met hun kinderen (vergelijkbaar met de werkwijze van een correspondentiecursus).
Er zijn ouders die een bepaalde methode volgen (bijvoorbeeld Charlotte Mason) en daar hun eigen materialen bij verzamelen.
Ouders kunnen ervoor kiezen om hun kind(eren) zo vroeg mogelijk Engels te leren, zodat zij probleemloos gebruik kunnen maken van de vele methoden die wereldwijd voor handen zijn. De oriëntatie op methoden en lesmaterialen vindt veelal via internet plaats. Het is bijvoorbeeld mogelijk om boeken in te zien via internetboekhandels. Ook voorzien veel uitgevers (in het Engelse taalgebied) in voorbeeldonderwijsplannen.
De stelling is gerechtvaardigd dat het thuisonderwijs even verscheiden is als de ouders en kinderen die er mee bezig zijn. Er zijn zeer veel mogelijkheden om thuisonderwijs vorm te geven. Er zijn ook allerlei mogelijkheden om diploma’s of certificaten te verwerven die de doorstroom naar hoger onderwijs mogelijk maken. Dit artikel laat een uitgebreide bespreking hiervan niet toe, u kunt hierover meer lezen op bijvoorbeeld GlobalLearningStrategies.org.
Ondersteuning
Mailinglijsten en ondersteuningsgroepen zijn een uitgelezen mogelijkheid voor thuisonderwijzers om ervaringen uit te wisselen, zowel nationaal als internationaal. Nederland heeft een christelijke mailinglijst voor ouders die thuisonderwijs geven of zich hierop oriënteren (dat is: overwegen binnen twee jaar met thuisonderwijs te starten): http://groups.yahoo.com/group/Jozua24v15/
Literatuurverwijzingen
Wilt u meer lezen over thuisonderwijs, dan kan ik u de volgende bronnen aanraden:
· brochure Thuisonderwijs: http://www.homeschooling.nl/brochurethuisonderwijs.pdf
· artikelen mr. Joke Sperling: www.thuisonderwijs.net/artikelen/index.html
Titels:
Vrijstelling van de Leerplichtwet op grond van richtingsbezwaren (‘05)
Jurisprudentie rond vrijstelling op grond van richtingsbedenkingen (‘06)
Thuisonderwijs in Vlaanderen: een voorbeeld voor Nederland (’04)
Thuisonderwijs in Nederland: een buitenbeentje in Europa (’05)
Het geven van thuisonderwijs is vrij. TO en art. 23 lid 2 Grondwet (’07)
· artikelen dr. H. Blok: www.thuisonderwijs.net/artikelen/index.html
Titels:
De effectiviteit van thuisonderwijs, een overzicht van onderzoeksresultaten (2002)
Is school echt zo belangrijk voor de sociaal-emotionele ontwikkeling? (2004)
· dr. B. Ray: www.hslda.org/research/ray2003/HomeschoolingGrowsUp.pdf
Homeschooling grows up (2003).
Een onderzoek naar o.m. de maatschappelijke betrokkenheid van volwassenen die als kind thuisonderwijs kregen.
E.J. Stelma-de Jong
Dit artikel is ten dele gebaseerd op de brochure ‘Thuisonderwijs’ waaraan, naast de schrijfster van dit artikel, mevrouw drs. E. Stouten heeft meegewerkt.
Knechtsgestalte van de Here Jezus
De Joden verbaasden zich en zeiden: “Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?” (Joh 7:15a; Mt 13:54; Mc 6:2). “Zij stonden versteld over Zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende, en niet als de schriftgeleerden” (Mc 1:22).
Het geheim 1. De Here Jezus vervulde de derde profetie aangaande de knecht des HEREN uit Jes 50: 4-5!
2. God heeft Zijn Zoon op aarde gezonden, zoals de Here diverse malen duidelijk zegt.
Een dienstknecht (slaaf) kan alleen spreken en handelen wat zijn meester wil – hij is van zijn meester en diens bevelen afhankelijk, iedere dag weer opnieuw. Hij kan niet zelfstandig doen en laten, wat hij wil. Ook een gezondene, een afgezant kan alleen zeggen en doen, wat zijn zender wil, dat hij zegt en doet. Hij is afhankelijk van zijn zender om te spreken en te handelen namens zijn zender. In die zin kan hij niet zelfstandig spreken en handelen.
Daarom luisterde ook de Here in knechtsgestalte “elke morgen als een leerling”. Hij kon naar waarheid zeggen:
“Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, heeft mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet … Wat Ik spreek, spreek Ik zó, als de Vader Mij gezegd heeft” (Joh 12:49-50; 7:17).
Daarom kon de Here zeggen: “Want Hij, die God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods … ” (Joh 3:34). Met andere woorden, Jezus’ woord is Gods Woord. Hij wordt zelfs “Het Woord Gods” genoemd (Op 19:13)!
Het Woord van Jezus Christus aannemen betekent dus Gods Woord aannemen. Anderzijds is verwerping van Jezus’ Woord gelijk aan verwerping van Gods Woord. De Here zei: “Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft een die hem oordeelt: het Woord, dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongste dage” (Joh 12:48; 15:22).
“Nadat God in het verleden vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen gesproken in de Zoon … ” – en niet: ‘alléén zolang de Zoon op aarde was, nú echter spreekt God door de Geest’ (Heb 1:1-2). De laatste keer dat God Zijn Woord, Zijn openbaring, aan Zijn Zoon gaf om deze rechtstreeks via de laatst levende apostel (Johannes) aan zijn Gemeente door te geven, was toen de Here verheerlijkt was, zittende aan Gods rechterhand: “Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om aan zijn dienstknechten te tonen … Deze heeft van het Woord Gods getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft” (Op 1:1 e.v.).
We zien dus, dat van het begin af aan God de Vader het Woord gaf aan de Zoon en dat de Zoon Gods Woord doorgaf aan de apostelen en profeten die het leerfundament van de Gemeente van Christus moesten leggen (Ef 2:20). Het laatste boek in de Bijbel is Gods laatste Woord aan de Zoon in de vorm van een rechtstreekse apostolische profetie. De Zoon heeft nooit uit Zichzelf gesproken, noch op aarde noch vanuit de hemel. Hij spreekt ook ‘nu’ niet uit Zichzelf en geeft niet eigenmachtig nieuwe openbaringen buiten de Vader om.
Gods rechtstreeks gesproken Woord aan de Zoon is geschréven Woord geworden. Sindsdien spreekt God rechtsreeks door de Schrift, en wel iedere keer, wanneer iemand Hem zoekt in de Schrift en deze wil gehoorzamen.
De Here Jezus kondigde de komst van de Heilige Geest aan. Ook de Heilige Geest is niet uit Zichzelf op aarde gekomen, maar gezonden (Hnd 2:33). Ook de Heilige Geest sprak en handelde dus niet zelfstandig, maar geheel naar de wil en in opdracht van Zijn Zender. Jezus Christus openbaarde zijn discipelen:
“Wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, … zal Hij niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hóórt, zal Hij spreken … Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik: “Hij neemt uit het Mijne en zal u verkondigen” (Joh 16:12-15).
De Heilige Geest sprak en spreekt dus ook ‘vandaag’ niet uit Zichzelf, niet buiten Christus om. Iedere geest die ‘vandaag’ spreekt via openbaringen, profetie, zogenaamde tongenboodschappen e.d. kan dus niet de Geest der Waarheid zijn. Waar God geen nieuwe openbaringen aan de Zoon geeft, kan de Heilige Geest niets uit de Zoon nemen. Sinds het God behaagde door de Zoon te spreken, heeft Hij nooit buiten Jezus Christus om door de Geest gesproken.
We zien dus, dat God de Vader aan de Zoon gaf en de Zoon uit de Vader nam, terwijl vervolgens God de Heilige Geest uit de Zoon namen en aan de geautoriseerde apostelen, de grondleggers, verkondigde. De Geest geeft nooit zelfstandig een nieuwe openbaring of profetie buiten Christus om. Aangezien God alles aan de Zoon gegeven hééft, wat Hij in Zijn soevereiniteit wilde geven, kan ook de Geest niets nieuws uit de Zoon nemen. De Heilige Geest heeft echter de taak om het geschréven Woord van God uit te leggen en in de eigen situatie of dienst te helpen toepassen.
Lucas bericht, dat toen de Here eens in Kapernaüm was “er kracht des Heren was om te genezen” (Lc 5:17). Kon de Here Jezus dan niet permanent genezingen verrichten, zoveel als Hij maar wilde? Moest God Hem er eerst in de concrete situatie en op Zijn tijd daarvoor kracht geven? Het antwoordt van de Here Jezus is duidelijk:
“Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf of Hij moet het de Vader zien doen” (Joh 5:19,30).
Jezus Christus was immers door God gezónden en had dus op bevelen van de Vader te wachten. Bovendien had Hij de gestalte van een dienstknecht aangenomen … heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis (Fil 2:5-11). En zó “is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden” (Heb 5:9).
“Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen als Hij gewandeld heeft”. Immers,
zonder Jezus Christus kunnen ook wij “niets doen” (1Joh 2:6; Kol 2:6; Joh 15:5).
E. Nannen
Genesis (Als Genesis 1-3 geen geopenbaarde geschiedenis zou zijn…)
Gods openbaring over zijn eigen scheppingswerk is niet beperkt tot Genesis 1 en 2. Ze is op veel plaatsen in de Schrift te vinden. We moeten dus de héle Schrift bestuderen en Schrift met Schrift vergelijken om Gods openbaring te leren verstaan. Gods Zoon, Jezus Christus, refereerde zo’n 25 keer aan de eerste helft van het boek Genesis – de schrijvers van het Nieuwe Testament brengen 175 citaten of verwijzingen. Zij behandelen, evenals de Here Jezus Zelf, het scheppingsbericht als geopenbaarde geschiedenis, niet als poëzie of allegorie, laat staan als een mythe.
Evolutie (verticale ontwikkelings- en afstammingsleer) als wereldbeschouwing is niet alleen een probleem in de biologie, maar ook bv. in de theologie, psychologie, pedagogie, sociologie, medische ethiek, geschiedeniswetenschap, taalwetenschap en politiek.
Inleiding
“In den beginne … God” (Gen 1:1). De drie-enige God alleen is pre-existent, vóór alles. De Schrift zegt niet: ‘In den beginne anorganische substanties’. Alleen één van beide kan pre-existent zijn: óf God óf de materie.
“In den beginne schiep God”: tijd én materie, hemel en aarde, dier en mens. Al het geschapene heeft een bovennatuurlijke, geestelijke oorsprong, maar is zelf niet metafysisch. Hoe kan het zogenaamde ‘theïstisch-evolutionisme’ dit geopenbaarde Bijbelse wereldbeeld combineren met de naturalistisch-materialistische wereldbeschouwing van de evolutieleer?
In den beginne schiep God, de almachtige, door zijn Woord: “En God sprak (zei) … ” (Gen 1:3 e.v., zes keer). “Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er” – onmiddellijk, compleet en perfect. De Schrift openbaart, dat alles door het gezaghebbende Woord van de almachtige God spontaan is ontstaan – niet via natuurlijke, evolutionaire processen gedurende miljarden jaren. Dus óf het ene óf het andere is waar. Er kan geen waarheidspluralisme zijn.
“In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God … Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit (Woord) is geen ding geworden … Het Woord is vlees (mens) geworden” (Joh 1:1-3,10,14). Jezus Christus is zowel “het Woord bij God” als “God”, ja “het Woord Gods” Zelve (Op 19:13). God heeft door Zijn Zoon alles geschapen, inclusief het leven en de mens. De verheerlijkte Jezus Christus zegt van Zichzelf: “Dat zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, “het begin (1) van de schepping Gods”(Op 3:14). De Here zegt niet, dat materie (oerknal, een oersoep of iets dergelijks) het begin is. “Want uit Hem en door hem en tot Hem zijn alle dingen”. Als men deze geopenbaarde waarheid niet aanneemt, hoe kan men er dan met de apostel aan toevoegen: “Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen”? (2)
Het Nieuwe Testament bericht over het gezag van het gesproken Woord van Jezus Christus,waarmee Hij leerde en zonden vergaf, zieken genas, de gestorven Lazarus levend uit zijn graf deed opstaan en zowel demonen als de natuur zijn bevelen kon opleggen. Op grond van geloof in Jezus Christus en in het gezag van zijn Woord zei de hoofdman in Kapernaüm in verband met zijn doodzieke knecht tot Hem: “Spreek slechts een woord en mijn knecht zal genezen” (Lc 7:7). Dat Woord is genoeg.
Bovendien heeft de Here in het gezag van het geschreven Woord van God de intensieve verzoekingen van de listige duivel in de woestijn kunnen weerstaan (Dt 8:3; 6:16; 6:13 en 10:20). Als zich hierbij de waarheid en goddelijke volmacht van Gods geschreven Woord in het vijfdeboek van de door God geroepen profeet Mozes openbaart, waarom dan tornen aan de waarheid van Gods geschreven Woord en van Gods almacht in eerste boek van dezelfde profeet (Genesis)? Zou de Here in dit opzicht ook ons moeten verwijten: “U dwaalt, want u kent de Schriften niet, noch de kracht Gods” (Mt 22,29)?
Als de Here “met een bevel” uit de hemel neerdaalt, zullen ontelbare christenen die in Christus gestorven zijn, uit de doden opstaan en met de dan levenden “in een ontelbaar ogenblik veranderd worden” en een onsterfelijk lichaam ontvangen (1Tes 4:15-17; 1Kor 15:52). Hij, de Almachtige, heeft daar geen miljoenen, laat staan miljarden jaren voor nodig, zelfs niet zes dagen!
Waarom is in het licht van deze feiten aangaande Christus’ gezaghebbend Woord het geopenbaarde bericht van het gezaghebbende Woord van dezelfde Here, waarmee Hij alles geschapen heeft dan discutabel (Joh 1:1-3; Ps 33:6,9)?
In den beginne schiep God alles uit het niets (ex nihilo): “ … dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (Heb 11:3). “Door het geloof” in de almachtige God en in zijn openbaring “verstaan wij”. Op Gods Woordopenbaring gegrond geloof betekent nooit uitschakeling van het door God gegeven verstand. Openbaringskennis gaat boven het menselijke verstand uit, maar niet tegen het verstand in.
De mens is niet alwetend, maar als schepsel en dood de zondige natuur beperkt. De natuurwetenschap is dan gebaseerd op het waarneembare en meetbare en op het herhaalbare van het experiment. Gods Woord dat de schepping uit het niets deed ontstaan, is uiteraard noch waarneembaar noch door experimenten herhaalbaar. Een (theïstische-)evolutionist kan Gods openbaring over zijn schepping (Gen 1-2; Ps 33:9 en Joh 1:1-3,10a) per definitie nooit wetenschappelijk weerleggen – een Bijbelgetrouwe creationist kan haar niet wetenschappelijk bewijzen. Maar “het geloof” in God, de almachtige en aan zijn Openbaring “ … is een bewijs van de dingen die men niet ziet” (Heb 11:1).
Als Genesis 1-3 geen geopenbaarde, historische waarheid zou zijn … I. Jezus Christus – nog geloofwaardig?
* Jezus Christus getuigt van Zichzelf dat Hij de Waarheid is en de Waarheid spreekt (Joh 14:6; 8:45-46; 18:37). De Here zei, dat de levende God “leven in Zichzelf heeft” en “leven geeft”, evenals Hijzelf (Joh 5:26). Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zegt de Here dan niet dat (ook) materie leven in zichzelf heeft en ook niet dat de dood leven voortbracht?
* Jezus Christus getuigt, dat Hij niet uit Zichzelf spreekt: “Wat Ik dan spreek, spreek ik zó alsde Vader Mij gezegd heeft (Joh 12:49-50). Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zou de Zoon dan in opdracht van en over de Vader ten aanzien van de mens zeggen, dat “de Schepper van het begin der schepping hen als man en vrouw gemaakt heeft” (Mc 10:5; Mt 19:4)? Daarmee bevestigt de Here toch dat het bericht over de oorsprong van de mens (Gen 1-2) Gods openbaring is en niet een of andere ‘ervaringskennis van mensen uit de vierde of vijfde eeuw’ (vóór Chr.), zoals iemand dacht.
Omdat Jezus Christus, de Zoon, door de Vader gezónden was, de woorden van de Vader ontving en doorgaf, sprak Hij “de woorden Gods” (Joh 3:34). Daarom kon de Here zeggen: “Het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de jongste dag” (Joh 12:48). Slaat dat niet ook op zijn Woord over God als Schepper van de mens, compleet als man en vrouw en van het begin van de schepping? Valt dan niet ook de idee dat de mens van dieren (apen) afstamt onder het oordeel van het Woord?
* “Van den beginne was de duivel een mensenmoordenaar … hij is een leugenaar en de vader van de leugen,” zei de Here (Joh 8:44). Als het bedrog van de duivel voor de zondeval van de eerste mens, Adam, geen historisch feit zou zijn, maar een of andere ‘theologische reflectie’, hoe kon de Here dan indirect naar Genesis 3 heen wijzen en het bericht bevestigen?
* De Here Jezus Christus, die de Waarheid is, zegt: “Die Mij gezonden heeft, is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld” (Joh 8:26,28). Sprak de Here dan niet ook de waarheid die Hij van de Vader “gehoord” had, toen Hij de tijd voor Zijn wederkomst op aarde vergeleek met die voor de zondvloed ten tijde van Noach (Mt 24:36-39; ook 2Pe 3:6)? Daarmee bevestigde toch Gods Zoon, dat Noach een historische figuur is en de zondvloed geen mythe.
II. Gods Woord – nog betrouwbaar?
* Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zegt Jezus Christus dan in zijn gebed tot God de Vader: “Uw Woord is de Waarheid”, zonder enige uitzondering daarop te maken (Joh 17:17)? Waarom zegt de Here niet: Uw Woord is de Waarheid behalve over de schepping, de oorsprong van het leven en van de mens, de zondeval van de eerste mens en de oorsprong van de dood als Gods oordeel, evenals over de zondvloed?
* Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, hoe kon de apostel Paulus in Klein Azië de mensen die hem en Barnabas als goden wilden vereren, “verkondigen” dat ze zich van hun afgoderij moesten “bekeren tot de levende God, die hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is,gemaakt (3) heeft” (Hnd 14:15-17)? Hoe kan men vanuit een theïstisch-evolutionisme oproepen tot bekering tot de Schépper, Wetgever en Rechter, zoals Hij zich in Genesis 1-3 heeft geopenbaard (Jak 4:12)?
* Als God niet de Schepper van de complete, eerste mens Adam zou zijn, hoe kon de apostel Paulus Gods Woordopenbaring citeren: “De eerste mens is uit de aarde” (Gen 2:7; 1Kor 15:47)? Als Adam “de éérste mens” was, hoe kunnen er dan mensen vóór Adam hebben bestaan? Paulus kon de openbaring van de Schrift citeren, dat God “uit één enkele het hele menselijke geslacht gemaakt heeft”, waarbij hij niet bedoelde ‘uit één enkele aap het hele menselijke geslacht liet ontwikkelen’, gezien de context (Hnd 17:26)? Als theoloog, die bewust “alles geloofde wat in de wet (inclusief Gen 1:1-3!) en in de profeten geschreven staat”, kon hij immers moeilijk verkondigen, dat het menselijke geslacht zich ‘langzaam via evolutie uit dieren hoger ontwikkeld’ had (Hnd 24:14).
De apostel Paulus schrijft ter argumentatie: “Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva” (1Tim 2:13; Gen 2:7,21-23). Hoe kon hij dat weten en zeggen anders dan op grond van Gods openbaring in Genesis 2, die hij serieus nam? Paulus, één van de grondleggers van het leerfundament van de Gemeente van Christus, spreekt over Adam en Eva als over historische personen – niet, omdat hij ‘niet beter wist’ of ‘misleid’ was.
* De apostel Paulus verkondigde in Athene God als de Schepper, die “zelf aan allen leven enlevensadem en alles geeft”. Als Genesis 2:7 geen historisch feit zou zijn, hoe zou Paulus het gewaagd hebben deze geopenbaarde waarheid de Griekse filosofen, wetenschappers en anderen in Athene te verkondigen? Bovendien had hij als fundament de eerste profetie over de “knecht des Heren” (Jezus Christus), waarin God zich als Schepper presenteert en zegt: “… die aan de mensen … de levensadem en de geest geeft” (Hnd 17:24-25; Jes 42:5-7; Ps 104,30a).
* De arts en geschiedschrijver Lucas vermeldt in zijn geslachtsregister Adam als historische persoon en als vader van Set – precies zoals hij Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Sem, Noach en Henoch enz. als historische personen weergeeft (Lc 3:23-30). Als theïstische-evolutie al deze in Lucas 3 genoemde mensen als historische personen erkent, waarom dan de selectieve uitsluiting van Adam als eerste historische persoon, zoals beschreven in Genesis 1-3?
Judas, halfbroer van Jezus als mensenzoon, citeert “Henoch, de zevende van Adam af” in verband met diens profetie over de wederkomst van de Here “met zijn heilige tienduizenden om alle goddeloosheid te straffen” (14). Hij neemt daarbij de waarheid van Gods Woordopenbaring aan, dat niet alleen Henoch, maar ook Adam een historische figuur is.
Johannes knoopt aan bij Jezus’ woord over de duivel en bij Gen 3: “De duivel zondigt van den beginne” (1Joh 3:8; Joh 8:44).
Paulus vergelijkt de misleiding van Eva, de vrouw van de eerste Adam, door de listige slang met de misleiding van de Gemeente van Christus, de hemelse Bruid van de tweede Adam doordezelfde listige slang (2Kor 11:2-4; Gen 3).
Petrus karakteriseert in de zin van Christus de duivel als de tegenstander die rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden (1Pe 5:8).
Dat betekent, dat deze drie apostelen de duivel en zijn listige misleiding en bedrog “vanaf het begin”(in het paradijs) als geopenbaarde historie erkennen en Christus’ woord serieus nemen (Joh 8:44). Hoe kan men de (huidige) listige misleiding van de Gemeente van Christus ten diepste verstaan, als men Genesis 1-3 niet letterlijk neemt?
* Als God niet de Schepper, Wetgever en Rechter vanaf de éérste mens zou zijn (Jak 4:12), hoe kon Adam Gods gebod in het paradijs overtreden en aan zijn Schepper ongehoorzaamworden, waardoor de zonde in de wereld binnenkwam, die dus zonde tegen God zijn Schepper was en is (Rom 5:12-18)? Hoe kon Paulus weten en zeggen dat Eva “misleid” en Adam “ongehoorzaam” geweest was, anders dan door Gods openbaring in Genesis 3, die hij serieus nam (1Tim 2:14; Gen 3:1-6,13)?
* Wanneer de Schrift zegt dat het God Zelf is die “de schepping aan de vergankelijkheid onderworpen heeft” ten gevolge van de ongehoorzaamheid van de eerste mens Adam tegenover zijn Schepper (Rom 8:20-22), hoe kan dezelfde God tegelijk een ‘macro-evolutie (4) van vooruitgang’ op gang gebracht hebben en nog steeds stimuleren? Hoe zijn de zichtbare neergang en “de wet van verval” te verenigen met een ‘steeds hogere ontwikkeling van soort tot soort’ door een evolutieproces?
* De apostel Petrus schrijft, dat het mensen “willens en wetens ontgaat, dat door het Woord van God de hemelen er sinds lang geweest zijn en de aarde, die uit en door water bestaat, waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, is vergaan … Maar de tegenwoordige hemelen en aarde worden door hetzelfde Woord … ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en de ondergang van de goddeloze mensen” (2Pe 3:5-7). Wat is daarin anders geopenbaarde waarheid dan allebei?
III. Gods openbaring over de oorzaak van de dood – betrouwbaar?
Als God niet Schepper, Wetgever en Rechter vanaf de eerste mens zou zijn, hoe kon God Adams ongehoorzaamheid veroordelen met de dood – waardoor het hele nageslacht van Adam eenmaal moet sterven – als hij (‘zoals wij’) het gedrag ‘van de dierlijke voorouders geërfd’ zou hebben (Gen 2:16-17; 3:1-11; Heb 9:27)?
* Wanneer de Schrift, zegt, dat “de zonde de prikkel van de dood is”, hoe kan dan de dood ‘de prikkel van een evolutieproces van steeds hogere levensvormen’ geweest zijn al vóór de ongehoorzaamheid van de eerste mens tegenover zijn Schepper (1Kor 15:56)? De Schrift openbaart wel, dat “de dood als koning geheerst heeft vanaf Adam … ” – maar niet vanaf het begin van een evolutieproces (Rom 5:14). De waarheid is en blijft: “Want de dood is er door een méns … zij sterven allen in Adam” (1Kor 15:21,22).
* Wanneer de Schrift, die de Waarheid is, zegt dat de dood Gods oordeel over deongehoorzaamheid van de eerste mens Adam is, hoe kan dan de dood ‘Gods instrument van macro-evolutie’ zijn (geweest)? Wanneer de dood “de laatste vijand is die vernietigd (5) zal worden (1Kor 15:24), hoe kan de dood dan bij wijze van spreken ‘de eerste vriend’ zijn, immers van begin af aan onmisbaar voor ‘hogere ontwikkeling van de ene soort naar een andere’?
IV. De onafscheidelijke Bijbelse “Adam – Christus” samenhang – ongeloofwaardig?
* De apostel Paulus schrijft: “Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw …” (Gal 4:4). Hoe had hij daarin de vervulling van Gods belofte na de zondeval van Adam en Eva in het paradijs tegenover hun Schepper (Gen 3:15) kunnen herkennen, wanneer Genesis 1-3 geen geopenbaarde geschiedenis zou zijn?
* Als God niet de Schepper van Adam, “de eerste mens” is, hoe kan dan de Schrift spreken van Jezus Christus als “de tweede mens” (1Kor 15:47)? Zonder “eerste mens” geen “tweede mens”. Is de eerste Adam geen historische figuur, maar een mythologische, hoe moeten we dan Jezus Christus, de tweede mens, verstaan?
* Wanneer voor de ongehoorzaamheid van de eerste mens Adam tegenover zijn Schepper al mensen geleefd zouden hebben en gestorven zouden zijn, hoe kan dan de Schrift “de gehoorzaamheid van de ene (Jezus Christus) ten aanzien van Gods wet tegenoverstellen aan “de ongehoorzaamheid van de éne” (Adam) tegenover Gods gebod (Rom 5:15-19; Fil 2:8)? “Zoals in Adam alle sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (6) (1Kor 15:21-22).
* Als de dood niet het oordeel van God de Schepper over de ongehoorzaamheid van de eerste mens is, maar ‘Gods instrument van macro-evolutie’, hoe kon God dan zijn Zoon na diens plaatsvervangende dood aan het kruis uit de doden opwekken (1Kor 15:1-5)? En hoe kon Jezus Christus “de dood te niet doen” (2Tim 1:10, zie voetnoot 2), de dood overwinnen en ons door zijn zondoffer aan het kruis hebben “vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de wet van de dood”, als de dood juist cruciaal voor ‘verticale evolutie in hogere levensvormen’ is (1Kor 15:54-57; Rom 8:3; 2Tim 1:10)?
Als Jezus Christus alles geschapen heeft, hoe zou dan Hij, die het Leven is, Leven geeft en “de sleutel van de dood heeft”, zelfs na Golgotha en Pasen ‘door de dood macro-evolutie’ kunnen aandrijven (Op 1:7)? Wat betekent tegen de achtergrond van een ‘theïstische evolutie’ Zijn getuigenis: “Ik ben de opstanding en het leven; … Wie in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh 11:25-26; ook 5:21)? Waar blijft de dood als voorwaarde voor verticale ‘hogere ontwikkeling’?
* Als God niet de Schepper is, waarom heeft Hij dan aan zijn verlost volk Israël hetsabbatgebod gegeven met als argument:
“Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; dáárom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die” (Ex 20:8-11; 31:17)? Aan het eind van de intensieve werkweek moest het volk toch gedenken, dat Israëls Verlosser niemand minder dan de Schepper Zelf is (20:1,11)!
De apostel Paulus schrijft, dat het Jezus Christus is, door wie God alles geschapen heeft: “Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Kol 1:15-16). Is dat alleen de ‘visie van Paulus op de schepping’ respectievelijk ‘zijn standpunt’ dat hij aan de gelovigen ‘wilde opleggen’? Of geloven we nog in Gods openbaring aan de apostelen en profeten die in Zijn opdracht het leerfundament van de Gemeente moesten leggen (Ef 2:20; Gal 1:12)?
Bovendien introduceert de verheerlijkte Verlosser, de Here Jezus Christus, Zichzelf aan de gemeente in Laodicea: “Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin (oorsprong, oorzaak) van de schepping Gods” (Op 3:14). Jezus Christus, de Schepper, is de Verlosser door wie wij kinderen van God worden – de Verlosser is de Schepper! Johannes 1:12 is niet te scheiden van 1:1-3,10! Schepper en Verlosser zijn één!
Waar zegt de Schrift, dat de mens deze Godgegeven onafscheidelijke eenheid van Schepper en Verlosser mag scheiden en dan een keuze tussen beiden kan maken? Hoe kan een christen zeggen, dat hij in Jezus Christus als zijn goddelijke Verlosser gelooft, maar tegelijkertijd zeggen dat hij, zich baserend op wetenschappelijke kennis (die echter berust op een naturalistisch-mechanistisch geloof), Hem niet kan (en wil) accepteren als de goddelijke Schepper die door het Woord, door Zichzelf alles geschapen heeft (Ps 33:6,9; Joh 1:1-3)? Hoe ziet de Schrift een dergelijke keuze (Spr 30:5-6; Jr 8:9; 1Kor 2:19-21)?
* De apostel Paulus maakt bekend: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. Dit alles is uit God” (2Kor 5:17). De “nieuwe mens” in de gelovige is “naar het beeld van zijn Schepper” (Kol 3:10). Als de volmaakte schepping van de eerste mens, Adam, “naar Gods beeld” (Gen 1:26; 2:27; 5:1-2) geen geopenbaard feit is, is dan ook de “nieuwe schepping in Christus”, de “nieuwe mens, die naar God geschapen is” dan ook geen Bijbels feit (Ef 4:24)?
V. De Openbaring van het wezen van God en van Gods Zoon staat op het spel
God openbaarde zich aan zijn knecht Mozes – nota bene na de afgoderij met het gouden kalf van het volk Israël onder Aäron – in de eerste plaats als de barmhartige, genadige, lankmoedige, groot van goedertierenheid, de zonde vergevend, en daarna als de heilige en rechtvaardige die de schuldige niet onschuldig houdt en als straf tuchtigt (Ex 34:5-7).
Jezus Christus getuigde: “Ik en de Vader zijn één” en “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh 10:30; 14:9). De Here zei van Zichzelf: “Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11:28-30). De Schrift zei al profetisch over Hem: “Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders …” (Jes 53:7; ook 1Pe 2:22-23).
De apostel Paulus, die geleerd had om juist in zwakheden te roemen, opdat de kracht van de opgestane Christus in hem en door hem openbaar zou worden, zei over de Here: “Hij is gekruisigd uit zwakheid …” (2Kor 13:4). Door zwakheid tot kracht, door kruis naar de kroon, door lijden tot heerlijkheid. Hoe is de idee van overleving van de sterkste op grond van een ‘natuurlijke selectie’ door een egoïstische, meedogenloze ‘strijd om het bestaan’ met eliminatie van de minst aangepaste, zwakke ooit te verenigen met het karakter en de gezindheid van het Lam Gods, die onze Verlosser en Schepper is? De seculiere Professor David Hull schreef in het tijdschrift Nature:
“Het evolutionaire proces is vol toeval, onzekerheid, onvoorstelbare verkwisting, dood, leed en wreedheden. God (de God van de theïstische evolutie) is niet een liefdevolle God die zich om zijn schepselen bekommert. Hij is onverschillig, verkwistend, bijna diabolisch. Hij is vast en zeker niet die God, tot wie ook maar iemand zou willen bidden”.(7)
Het is de oude apostel Johannes gegeven om in een visioen de eeuwige God op Zijn troon te zien. De 24 oudsten werpen zich voor Hem neer om Hem te aanbidden, zeggende:
“Gij, onze God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht, want
Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen” (Op 4:9-11).
God geve dat wij in dit leven op aarde Hem als Schepper en Verlosser in Christus erkennen, liefhebben en dienen met ons hele hart, met onze hele wil en met ons hele verstand.
Els Nannen
Zie ook Studiengemeinschaft Wort und Wissen: www.wort-und-wissen.de (e-mail: sg@wort-und-wissen.de)
2) Rom 11:36; 1Kor 8:6; Kol 1:15-17; Heb 1:1-2,10; 2Pe 3:5; Ps 24:1-2
3) Grieks: poieoo: maken, tot stand brengen, scheppen4) ‘Macro-evolutie’ is het geloof dat de ene soort uit de andere soort voortkomt. Zgn. ‘micro-evolutie’ wil uitdrukken dat
binnen de soorten verandering en ontwikkeling kan plaatsvinden en plaatsvindt. Het is verwarrend dat sprekers en
schrijvers het vaak over ‘evolutie’ hebben, zonder duidelijk te vermelden wat ze daarmee bedoelen, ook als ze
creationisten, die ‘macro-evolutie’ ontkennen, bestrijden.
6) Alan Morrison: No Adam – No Christ. What Happens when we deny that Genesis 1-3 is History? www.diakrisis.org ,
June 23,2003
7) D.J. Hull: The God of the Galapagos. Nature 352, 1996 (6335), p 486. Citaat in Henry M. Morris III: Five Reasons to
Believe in Recent Creation .Institute of Creation Research, Dallas, Texas, 2008,31 www.irc.org
HAPTENDO
Wat moet een christen ermee?
In Haptendo-workshops (vijf keer anderhalf uur) leren kinderen op speelse wijze en met rustige muziek op de achtergrond elkaar een ontspanningsmassage geven voor de rug, schouders, armen en handen. Ieder kind komt aan de beurt als masseur en als ontvanger. Na de workshops kunnen de leerlingen zelfstandig met de massage onder leiding van hun leerkracht aan de slag.
Beoogde effecten:
1. De neiging tot agressief gedrag (pesten) neemt drastisch af: van 15 naar 1 % (onderzoek Scandinavië).
2. Kinderen leren hun eigen grenzen ervaren, aangeven en andermans grenzen respecteren.
Achtergronden haptendo
Mevrouw Brenda Pelser-Bijleveld die onder meer haptendo-workshops verzorgt, heeft in een telefonisch gesprek verteld, dat zij de naam haptendo zelf bedacht heeft (haptein [Grieks]= aanraken; tender= zacht). Volgens haar zijn velen onbekend met hoe basaal massage is en ook met de voordelen. Graag wil zij massage toegankelijk maken. Haar opleiding heeft zij gevolgd in Holos Utrecht, waar zij onder meer klassieke massage, energetische massage, voetzoolreflexzone [1] massage, chakra-massage, focussen, pulsing en bindweefselmassage leerde. Alle technieken die ontspanning en zelfgenezend vermogen bieden, zouden activeren. Zou bij stress het stresshormoon cortisol toenemen, bij deze (rustige) massage komt het hormoon oxytocine vrij (geeft ontspanning en een geluksgevoel). Volgens mevrouw Pelser gaat het bij haptendo om een simpele massage (met kleding aan) van schouders, armen en handen, waarbij het accent ligt op een respectvol aanraken. Je moet leren je op de ander af te stemmen, als deze bijv. aangeeft: ‘Wil je wat zachter.’ Leren met je aandacht bij de hand te zijn. Je leert zelfbesef, zelfverantwoordelijkheid. Zij zegt, dat het niet om religie gaat.
Toetsing
Mevrouw Pelser volgde een 4-jarige opleiding tot Holos-masseur en maakte daarin ook kennis met oosters gedachtegoed: yoga [2] , chakra’s [3], meridianen [4] (energetische massage) e.d.
Voetzoolreflexologie is een variant van de acapunctuur, waarbij de voet als inductor wordt gebruikt (= occulte diagnostiek: waarzeggerij dat in de Bijbel uitdrukkelijk verboden wordt, zie Deut 18:10 en Jes 8:19-22).
Chakra-massage is gericht op het uitbalanceren van alle chakra’s waarmee tegelijkertijd de aura met energie gevoed wordt. Het is een heerlijk ontspannende massage die je in balans brengt en waarin het duidelijk kan worden aan welke chakra’s men extra aandacht dient te besteden om zo nog vrijer en steviger in de wereld te staan. Het gaat hierbij om een occulte diagnostiek en behandeling (heldervoelendheid). Zie Deut 18:10-12.
Bij holistic pulsing worden wiegende en pulserende bewegingen gemaakt. Door continu te worden bewogen, worden blokkades opgeheven en kan men een gevoel van samenhang ervaren. Het gaat hierbij om een intuïtieve therapie die een goed afgestemd therapeut vereist.
De methode is niet op resultaat uit, maar op bewustwording die tot heling kan leiden. In dit denken wordt een verkeerd soort (new age) holisme [5] nagestreefd. Bijbels holisme legt de nadruk op de eenheid van lichaam, ziel en geest. Bij newage-holisme zijn lichaam, ziel en geest van de mens niet alleen met elkaar, maar ook met de gehele natuur en de kosmos verbonden. De hele natuur wordt dan als een levend organisme gezien, ook wel Erda of moeder Gaia geheten. Dit holisme gaat ervan uit, dat wij allen deel uitmaken van de ene wereldziel. De Bijbel leert ons, dat God mens, dier, plant en sterren als verschillende organismen heeft geschapen: zij hebben elkaar nodig en leven met elkaar in verband.
Mevrouw Pelser deelde mee, dat zij geen chakra’s kan zien en niet zoveel van magnetiseren afweet. Volgens haar lijkt de methode van haptendo het meest op haptonomie. Het gaat om bewust voelen. De aandacht moet van het alleen denken of van gedachten die langskomen, af: ‘Ik ben meer, ik ben ook handen, aandacht voor iemand, ik voel handen …….’ Hier komt een meditatieve kant om de hoek kijken (net als bij mindfulness).
Conclusie
De Bijbel zegt heel duidelijk niet overijld de handen op te leggen [6] . Deze waarschuwing staat er niet voor niets. Een occult beïnvloed of onrein levend persoon kan op zijn beurt een ander occult of onrein beïnvloeden. Een christen dient zich verre te houden van handoplegging of massage door iemand die ook werkt met reiki, TT (= Therapeutic Touch), magnetiseren, yoga, chakra-therapie, voetreflexologie, magie, acupunctuur, meridiaanmassage en dergelijke, of door iemand die zich meer interesseert voor het newage-gedachtegoed. Ook als die persoon beweert zich niet op religieus gebied te begeven met zijn of haar therapie, of zelfs beweert een christen te zijn. Het je zomaar laten masseren door Jan en alleman is onverantwoord, want je opent je bij deze rustgevende massage (overgave!) voor invloeden van buitenaf. Voor een christen is het belangrijk ook iedere masseur (ook fysiotherapeut) die hij of zij bezoekt, eerst te toetsen. Zie 1 Thess 5:21 en 1 Joh 4:1. Bedenkelijk is ook de meditatieve kant bij haptendo. Nooit mogen wij ons verstand op nul zetten (Matt 22:37) om alle aandacht op voelen en ervaren te richten.
In haptendo wordt een weg aangeboden voor gedragsverandering (minder pesten, vriendelijker met elkaar omgaan). In dat opzicht kan het worden tot een soort heilsweg. Onwillekeurig doet de naam haptendo denken aan een weg door aanraken (do= Japans voor ‘weg’, denk ook aan judo= zachte weg). Een christen weet van slechts één weg, dé waarheid en hét leven: Jezus Christus (Joh 14:6). Alleen Hij is in staat liefdeloosheid en pestgedrag echt aan te pakken en dat tot op de wortel door bekering en wedergeboorte. Haptendo volgt een andere route en via vier stappen (instappen, verkennen, integratie, verwezenlijken [7]) kan een al zo ontvankelijk kind spelenderwijs uitkomen op een geheel andere weg die uiteindelijk afleidt van dé weg: Jezus Christus. De oosterse oplossing (hindoeïsme, taoïsme) voor het aanpakken van gedragsproblemen tapt uit een ander vaatje en zou op den duur ook nog wel eens andere effecten kunnen hebben op het gebied van lichaam ziel en geest (occulte invloed!!).
Drs. R. van der Ven, arts
1. Zie bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Occult en Licht’.
2. Yoga: zie bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Occult en Licht’.
3. Chakra’s: Sanskriet voor ‘wiel’: occulte bewustzijnscentra in het etherisch lichaam, door occulte begaafden te voelen of te zien. Zie ook bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Occult en Licht’.
4. Zie bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Occult en Licht’.
5. Zie bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Bijbel en new age’, categorie ‘Integrale school’.
6. 1 Tim 5:22: Leg niemand overijld de handen op, heb ook geen deel aan de zonden van anderen, houd u rein.
7. Zie bijbelenonderwijs.nl, deelsite ‘Bijbel en new age’, categorie ‘Transformatie’. Zie ook ‘New age handboek’ van drs. R. H. Matzken, Buijten en Schipperheijn, 1990.
Lees- en schrijfonderwijs (dyslexie)
VERANTWOORD LEES- EN SCHRIJFONDERWIJS
Inleiding
Een kind gaat vanaf de schoolrijpheid – tussen het 6e en 7e levensjaar – in groep 3 leren lezen en schrijven. Het wil dat ook graag. Alles lijkt normaal, de ouders hebben hoge verwachtingen van hun kind. Maar plotseling krijgen de ouders van school te horen dat hun kind iets mankeert. Het kan niet of met zeer grote moeite leren lezen. Het kan de klank-teken-koppeling maar niet onder de knie krijgen. ,,Nee, het is nog te vroeg om het op dyslexie te laten testen, maar we houden ons hart vast.” Dat krijgen de ouders te horen over hun kind, dat naar hun weten niets mankeert. ,,Wij hebben ons kind toch op zien groeien? Wij hebben het toch jaren om ons heen gehad? Zou het dan ook behept zijn met het virus dat dyslexie heet? Ach, wat voor toekomst gaat mijn kind dan tegemoet,” denken de ouders. Wat moeten ze anders denken, omdat ze altijd horen dat dyslexie niet te behandelen is. Dyslexie zou worden veroorzaakt door een foutje in de hersenen! Maar niets is minder waar. Het kind moet in het huidige onderwijs wel lees- en schrijfproblemen krijgen. Met een andere (traditionele) taaldidactiek zou uw kind niets mankeren. We zullen dat in de volgende hoofdstukjes aantonen:
1. het taalverwervend kind,
2. het traditionele onderwijs: kleuterschool en lagere school,
3. het huidige onderwijs: het taalverwervend en schoolrijpe kind in de groepen 1, 2,
4. het schoolrijpe kind in de groepen 3 en 4.
1.het taalverwervend kind
Er is een belangrijk breekpunt in de ontwikkeling van een kind. Tot aan de schoolrijpheid verwerft het kind de taal van de omgeving. Het gaat de taal van de omgeving spreken, als de ouders tegen het kind spreken, welke taal of welk dialect dan ook. Vanaf de schoolrijpheid leert het kind de schooltaal lezen en schrijven. We geven hier de belangrijkste ontwikkelingen in de mondelinge taal van het taalverwervend kind:
1.1 het uiten van de eerste woordjes,
1.2 het gebruik van de lidwoorden (de, het een),
1.3 het gebruik van voorzetsels (onder, boven, langs, naar, enz.),
1.4 het gebruik van het woordje IK in de gesproken taal,
1.5 het gebruik van de dubbele medeklinker (toel wordt stoel; kas wordt kast),
1.6 het mondelinge vermogen om zich steeds beter te uiten in vraag -, gewone en gebiedende zinnen.
U hebt gemerkt, dat ik de zes ontwikkelingen in de taal van het taalverwervend kind niet van data heb voorzien. Dat is ook onmogelijk, omdat ieder kind op eigen wijze de taal leert spreken. Het ene kind is vroeger dan het andere. Deze kennis is belangrijk voor het kind in de groepen 1 en 2.
2.het traditioneel taalonderwijs: kleuterschool en lagere school
Het taalonderwijs moet aansluiten bij het bekende: het mondelinge taalgebruik van het taallerend kind. Ook werd er rekening gehouden met de schoolrijpheid. Daarom was er in het traditionele onderwijs de verdeling tussen niet-schoolrijpe kinderen die naar de kleuterschool mochten en schoolrijpe kinderen die naar de lagere school moesten. Met het taalonderwijs werd gewacht, totdat de kinderen schoolrijp en daardoor tot leren in staat waren. De schoolrijpheid begint meestal tussen de leeftijd van 6 jaar en 6 maanden en het 7e levensjaar. Het was bekend, dat de leerlingen die vóór 6 jaar en 6 maanden met taal begonnen vaker bleven zitten, dan leerlingen die ná die tijd begonnen. Er waren daarom scholen die halfjaarlijkse klassen aanboden. Het zou een goed idee zijn, de halfjaarlijkse klassen weer in te voeren.
De schoolrijpe leerlingen spreken dus in eenvoudige taal, maar hun spreektaal is goed genoeg om de klassen 1, 2 en 3 door te komen. Pas in de derde klas (= nu groep 5) maakten de leerlingen ook kennis met moeilijke woorden, met spreekwoorden en gezegdes.
In de eerste klas werd volgens de methode Hoogeveen – een dijk van een methode – lesgegeven. De leerlingen kregen frontaal les en moesten dagelijks het grote-mensen-alfabet opzeggen. Vervolgens leerden ze met losse letters uit de letterdoos de woorden van het AAP, NOOT, MIES tot aan SCHA-PeN leggen. Door middel van SCHAPeN leerden ze al het gebruik van de enkele a in de open lettergreep en de uh-klank (= e in de tweede lettergreep). Het was een kleine stap om het verschil tussen MIES en MIS te leren evenals boom – bom; maan – man; kiep – kip; peen – pen; kuur – keur. Zodra zij genoeg losse woorden konden opschrijven, moesten ze zinnen lezen, daarna ook schrijven, vaak al in december van het eerste leerjaar. Door deze aanpak ontstonden er nauwelijks problemen met de dubbelzetter en de open lettergreep. Ondanks die goede taaldidactiek waren er toch enkele kinderen die niet mee konden komen. Zij waren wellicht nog niet schoolrijp, of zij begrepen niet alles van de spelling. In plaats van de klankmethode in te voeren had men er beter aan gedaan de methode Hoogeveen aan te passen, zodat ieder kind normaal had kunnen lezen en schrijven. De kinderen (één of twee in een klas van 50) die achterbleven in taalontwikkeling, noemde men ook toen al taalzwak of dyslectisch.
3.het huidige onderwijs: het taalverwervend en taallerend kind in de groepen 1 en 2
In de groepen 1 en 2 zitten zowel taalverwervende als taallerende kinderen. Zij zitten in de klas in groepjes wanordelijk door elkaar, wat onrust veroorzaakt. De taalverwervende kinderen zijn nog met hun mondelinge taalverwerving bezig, zijn nog niet schoolrijp en kunnen nog niet opzettelijk leren. Zij zijn nog bezig hun mondelinge taal te vervolmaken. Ga in dit stadium NOOIT knoeien aan het taalvermogen. Laat de natuur zijn gang gaan. Als het later in groep 3 op de traditionele manier les krijgt, zult u zien, dat deze kinderen hun taalachterstand wel inhalen. De taallerende kinderen daarentegen zijn al schoolrijp en kunnen wel opzettelijk leren. Voor deze groep, meestal hoogbegaafden, is het huidige onderwijs een regelrechte ramp. Zij krijgen dan al te maken met de verklanking, zoals dat hieronder is beschreven. In plaats van 2 jaren moeten zij 4 jaren met verklanking doorstaan. Het onderwijs kweekt op deze manier de hoogbegaafde onderpresteerder.
4.het huidige onderwijs: het schoolrijpe kind in de groepen 3 en 4
De stelling dat men moet aansluiten bij het bekende is sinds begin 1960 volledig losgelaten. Het mondelinge taalgebruik van het schoolrijpe kind is allang niet meer de norm waar men zich aan houdt. Het leert geen zinnen meer schrijven, maar krijgt wekelijks 20 woorden te leren. Dat is nutteloos, omdat het brein geen woordenboek is. Het zit als een kleuter in ordeloze groepjes in een daardoor rumoerige klas. Het alfabet is niet meer de basis van de taaldidactiek. Ook na jaren op school kan het kind het alfabet niet of met moeite foutloos opzeggen. Wat heeft het dan op school geleerd? In plaats van het alfabet leert de leerling een betekenisloos alfabetversje, dat als kenmerk heeft dat het kind daardoor alfabetletters vergeet. Waarom moeten de leerlingen leren dat de enkele a, e, i, o, u klinken als de klanken in de woordjes bal, bel, bil, bol en bul, hoewel de a, e, i, o, u in het alfabet heel anders klinken? Om ze van de wijs te brengen? Men zou het wel gaan denken! Ook gebruikt men de letternamen van het alfabet niet meer om te leren spellen. In plaats daarvan gebruikt men klanken. Een ‘vier-letter-woord’ als BOOM wordt thans in ‘3 klanken’ ontbonden (buh, o, mm). Afgezien van het feit dat 4 nooit 3 kan zijn, kan ‘buh, o, mmm’ nooit het woordje BOOM zijn, maar eventueel wel de woordjes BOM of BOMEN. Geen wonder dat de leerling over de spelling na gaat denken. Dat wordt er niet beter op, als dezelfde leerling de zgn. dubbelzetter en de open lettergreep moet schrijven. Omdat hij foute regels heeft geleerd, schrijft hij bijvoorbeeld BOOMEN i.p.v. BOMEN en BOMEN i.p.v. BOMMEN. Dat kind is niet dom, maar doet wat het heeft geleerd. Deze leerling heeft dyslexie ontwikkeld. Het zit dus niet in zijn genen, het zit in het verkeerde taalonderwijs. Vooral het kind met veel rekenaanleg is de dupe van dit onderwijs. We willen meer bètastudenten, maar die komen niet ver, omdat zij hun eigen taal dus ook een vreemde taal niet meer kunnen leren. Het verklankend taalonderwijs duurt officieel tot eind groep 4, maar in de groepen 5 – 8 krijgt de leerling steeds weer met verklanking te maken als de dubbelzetter en de open lettergreep weer moet worden uitgelegd. Dan worden de verkeerde taalregels weer van stal gehaald. Iedereen begrijpt, dat de leerling levenslang schrijfproblemen houden, tenzij de traditionele methode alsnog wordt aangeleerd.
5.conclusie
Ouders, als uw kind in de groepen 1, 2, 3 en 4 achterblijft in taalontwikkeling, laat dan NOOIT testen, maar koop een taalboekje uit de jaren vijftig. Begin met het alfabet dagelijks op te laten zeggen. Zodra dat goed gaat, laat u de woorden in dat boekje zo veel mogelijk spellen om de verklanking weg te halen. Ga dan één zin per dag dicteren. Werk met uw kind nooit langer dan 15 minuten per dag.
Drs. W. de Haan
klimaatverandering
Broeikaseffect, opwarming van de aarde, smelten van ijskappen, zeespiegelstijging, uitsterven van ijsberen en dat alles veroorzaakt door koolzuurgas (CO2), in de atmosfeer gebracht door menselijke activiteit (industrie en vervoer). Al Gore met zijn film en doemscenario’s. Het KNMI met zijn sombere voorspellingen. Elke dag artikelen, waarin we horen hoe onze zelf veroorzaakte disharmonie in de aardse atmosfeer, zonder draconische maatregelen misschien wel leidt tot de ondergang van onze cultuur. Etcetera. Ook de christelijke pers in ons land zingt vrijwel kritiekloos mee in dit depressieve koor. Wat is er aan de hand? We gaan een aantal aspecten bekijken en trekken een conclusie.
Recente klimaatonrust
Deze klimaathype is niet de eerste.
-Na WO II verslechterde het klimaat, het werd natter en kouder dan de warme jaren 40 van de vorige eeuw. Men weet dit aan de uitgevoerde atoomproeven.
-In 1972 verscheen ‘Grenzen aan de groei’, het rapport van de ‘Club van Rome’, dat op eindige voorraden van mineralen en brandstoffen wees. Dramatische maatregelen werden aanbevolen om het tij te keren.
-Daarna onrust over een mogelijke a.s. ijstijd, omdat de temperaturen over een aantal jaren schenen te dalen.
-Vervolgens paniek over zure regen, die de bossen deed uitsterven. De Fransen hielden er zelfs een Duitse uitdrukking aan over: “le Waldsterbèn”. Ook exit.
-Een nieuwe hype: het gat in de ozonlaag. Het gebruik van CFK’s, als drijfgassen, werd verboden. Maar het ‘gat’ is er nog elk jaar. Aan het eind van de zomer. Boven het zuidelijk halfrond. Het is waarschijnlijk nooit anders geweest.
En dan nu dus CO2 als boosdoener. Terecht? CO2 (koolzuur) neemt 0,04 volumeprocenten van de atmosfeer in. Daarvan is slechts een kleine (en dus beïnvloedbare) fractie het gevolg van menselijk handelen. Volgens veel plantenkundigen hebben we eigenlijk te weinig voor een optimale groei van bomen en planten. Daarom blazen vele kwekers extra CO2 in hun kassen. De geringe verhoging van het CO2-gehalte in de atmosfeer heeft geleid tot sterkere groei van tropische wouden en tot hogere opbrengsten van landbouwproducten. Wat een zegen is, gezien de slinkende graanvoorraden en het steeds stijgende aantal landen dat voedsel moet invoeren.
Wat is klimaat en wat weten we over het klimaat in het verleden?
Onder ‘klimaat’ verstaan we het gemiddelde verloop van het weer op een bepaalde plaats en over een bepaalde periode (standaard 30 jaar). Eén van de kenmerken van het klimaat is, dat het verandert. In de Romeinse tijd was het klimaat mild in Europa, later is het kouder geworden en werd Europa geteisterd door epidemieën. In die koude kwamen de Noormannen Europa plunderen o.a. voor voedsel, omdat in hun land niet voldoende graan verbouwd kon worden. Het hof van Karel de Grote (±800) moest regelmatig van stad wisselen, omdat men teveel voedsel gebruikte. Daarna de zgn. middeleeuwse warme periode van ± 1080 tot ±1450. De Noormannen stopten hun strooptochten en brachten Groenland in cultuur. Daar kon toen graan verbouwd worden, in Schotland werd aan wijnbouw gedaan. Het CO2-niveau was toen laag. Er was grote welvaart. In deze periode vallen kruistochten en Renaissance.
Vanaf ±1450 begint de ‘kleine ijstijd’, met lange strenge winters. In deze tijd viel o.a. de Reformatie, je ziet portretten van mannen als Calvijn met petten en oorkleppen, want huizen waren moeilijk te verwarmen. Het dieptepunt viel rond half de 19e eeuw. De Theems vroor ’s winters dicht tot op de bodem en er werd kermis gehouden op het ijs. De gletsjers van Les Bossons en Mer de Glace staken het Arvedal over en isoleerden Chamonix; men hield bidstonden en blies de gletsjertongen op met dynamiet.
Rond 1890 begon het weer op te warmen, met enkele schommelingen tot in de 90-er jaren van de vorige eeuw. Het warmst waren de 30-er jaren. 1998 was het warmste jaar, maar sindsdien koelt het langzaam af, alleen het laatste jaar gaat het sneller.
Is opwarming erg? Nee, over het algemeen zijn de perioden met hogere temperaturen de meest welvarende geweest.
Hoe meten we de temperatuur van de aarde?
De beste plek om de temperatuur van de atmosfeer te meten is op een hoogte van 5 kilometer. Dan kan met weerballonnen, maar nu gebruiken we ook satellieten, waardoor we een dicht meetnet hebben. Op die hoogte is de invloed van warmtebronnen op het aardoppervlak te verwaarlozen. Veel rapporten over opwarming baseren zich op metingen op het aardoppervlak. Veel van deze meetstations staan door uitbreidende bebouwing en industrialisering nu te dicht bij warmtebronnen, waardoor ze een te hoge temperatuur aangeven. Voorbeeld: in en om Parijs ligt de temperatuur altijd enkele graden hoger dan in de omtrek. De temperatuur op 5 km hoogte bereikte een piek in 1998, was enkele jaren stationair en is nu aan het dalen. De winter 2007/2008 was wereldwijd de koudste in meer dan een eeuw. Toch komt het KNMI met een rapport dat aangeeft dat de temperatuur nog steeds stijgt. Ja, in Nederland, aan de aardoppervlakte.
Als de atmosferische temperatuur daalt, blijft het water van de oceanen daarbij achter, temperatuurdaling daarvan begint pas na vele jaren duidelijk te worden. Het water van de Noordzee blijft nog op temperatuur en die oefent grote invloed uit op de temperatuur in Nederland.
Smeltende gletsjers, Amersfoort aan zee?
Gletsjers buiten de poolgebieden zijn een restant van de ijstijd en dus grotendeels een tijdelijk verschijnsel. Alpengletsjers trekken zich al lange tijd terug, maar gletsjers in Noorwegen en Nieuw-Zeeland groeien. In Nieuw-Zeeland in het afgelopen jaar zelfs dramatisch! Gletsjers groeien door sneeuwval in hun brongebied; als er minder sneeuw valt, krimpen ze. De ijskappen op Groenland en Antarctica groeien aan, de temperatuur in beide gebieden daalt nog steeds. Het Noordpoolijs, dat zeeijs is, ligt niet op een vaste plek, maar verschuift door wind en verschuivende zeestromingen. Toch is dit jaar de zuidgrens van het Noordpoolijs al in begin augustus op de lijn waar het ‘normaal’ pas begin september is. De ijsberenpopulatie is de laatste vijftig jaar verviervoudigd, ijsberen bedreigen bevolkingscentra in Noord-Canada. De tv-plaatjes van ‘smeltende’ gletsjers komen van één gletsjer in Alaska, waarvan de gletsjertong uitmondt op zee. Omdat die gletsjer snel beweegt, breken er constant stukken af die in het diepe zeewater vallen. Dat afkalven bewijst, dat de gletsjer groeit en niet dat die smelt.
Stijgt de zeespiegel? Ten eerste is dat heel moeilijk vast te stellen, ten tweede wordt dat beïnvloed door vele locale factoren en ten derde stijgt de zeespiegel op verschillende plaatsen, bijv in Zuid-Engeland, maar daalt op vele andere plekken, bijv. Schotland. Dat bij ons de zeespiegel langzaam stijgt, komt in hoofdzaak door het nog steeds dalen van de Nederlandse bodem, o.a. door bebouwing en wateronttrekking. Smeltende ijskappen hebben daarmee niets te maken.
Beïnvloedt de mens de temperatuur van de aarde?
Waarschijnlijk niet. De temperatuur van de aarde wordt bepaald door de zon. De warmteproductie van de zon is niet altijd gelijk, maar varieert in een bepaald langjarig ritme. En er is een ±11-jarig ritme van zonnevlekkenactiviteit. Sommige perioden zijn korter en heviger, andere langer en rustiger. Zonnevlekken zorgen voor ‘zonnewind’ die de kosmische straling van de aarde weghoudt. Kosmische straling bevordert wolkvorming. Dus een actieve zon betekent minder wolken en meer opwarming. Thans zijn er nauwelijks zonnevlekken.
En wat is er met broeikasgassen?
Er zijn drie gassen in de atmosfeer, die warmte kunnen vasthouden en er voor zorgen dat het niet te koud wordt en dat de temperatuur geen al te grote schommelingen doormaakt. Die gassen zijn: waterdamp (meer dan 90%), methaan (CH4, weinig) en koolzuurgas (CO2, 0,04%). De producent hiervan is de oceaan. De gehaltes van deze gassen in de atmosfeer volgt na enige tijd de opwarming van de oceanen. Dus eerst wordt het warmer (door de zon) en dan beginnen de gehaltes van de zgn. ‘broeikasgassen’ toe te nemen.
De mens beïnvloedt het gehalte aan CO2 enigszins door industriële en verkeersuitstoot en door het op grote schaal kappen van tropische wouden. Omdat het aandeel van CO2 in het totale gehalte aan ‘broeikasgassen’ zo gering is, is de menselijke invloed verwaarloosbaar.
Waardoor al die ophef?
Daarvoor zijn verschillende oorzaken:
1. Er is op grote schaal geknoeid met gegevens, doordat zij selectief gebruikt zijn om de vooropgezette(?) conclusie te ondersteunen. Correctie door de realiteit is moeilijk, omdat veel ‘gegevens’ uitkomsten van vaak falende computermodellen blijken te zijn.
2. Er is een toenemende neiging om eenmaal aangenomen veronderstellingen als feit te hanteren.
3. De eenmaal ingeslagen weg is moeilijk te verlaten, omdat er zoveel mensen bij betrokken zijn en subsidies en geldstromen die kant op gaan.
4. Er is mede door een enorm pr-budget een gigantische reclamecampagne gevoerd; denk alleen al aan de misleidende activiteiten van Al Gore met zijn rampscenario’s, die een enorme impuls hebben gegeven aan het ‘geloof’ in de klimaathype. Het is beschamend dat deze persoon een Nobelprijs heeft gekregen voor zijn leugens en misleiding; het is beschamend dat ook de christelijke pers heeft meegehuild met deze wolven in het bos en geen eigen kritisch geluid heeft laten horen.
Door al deze zaken zijn veel mensen wereldwijd misleid.
Wat is de huidige situatie?
Recentelijk hebben het wetenschappelijk tijdschrift Nature, de krant Daily Telegraph, maar ook het IPCC (de inter-gouvernementele club die de hype heeft gestart en volgehouden) en de BBC een periode van 20 jaar afkoeling voorspeld!!! Het lijkt erop of het einde van de recente klimaathype in zicht is. Er is onder de mensen een stijgend cynisme en afkeer, nu men gaat ontdekken, hoe men is gemanipuleerd door de klimaatlobby. We kunnen ons nu gaan concentreren op de angst voor een nieuwe ijstijd. . .
Misschien wordt er nu in ons land ook gestopt met onzinnige en dure investeringen om bijv. CO2 onder de grond te pompen. We hebben het spul zo hard nodig om de wereldbevolking te kunnen blijven voeden!
Conclusie
We hebben ons gigantisch bij de neus laten nemen. Miljarden euro’s zijn aan deze misleiding verspild en worden nog verspild. De goede naam van eminente wetenschappers, die vanaf het begin hiertegen waarschuwden, is door het slijk gehaald. Zij zijn door Al Gore en zijn club vergeleken met die onnozelen die nog geloven, dat de aarde plat is. Zij krijgen nu dus gelijk. Hoor ik hier al de excuses van de machtige milieu- en klimaatlobby en ook van de christelijke pers en het KNMI? Of gaan we geruisloos over tot de volgende hype? Hebben we geleerd? Laten we het hopen.
Rinus Kiel
Kwaliteit leraar heeft invloed op het behalen van een diploma
“Wat een mooi cijfer voor Engels, zeg.” “Inderdaad! Marco zegt, dat het door de manier van lesgeven van de heer W. komt.” Wie herkent niet zo’n opmerking? Regelmatig wordt bij elk onderwijs en vooral na rapportage door ouders met elkaar over schoolresultaten gesproken. De beoordeling van een leraar/lerares wordt metterdaad gewogen. Over de invloed van de docent op de leerresultaten van de leerling is uiteraard onderzoek verricht.
Marzano (2007) heeft over een periode van 20 jaar het leereffect van leerlingen (ll.) onderzocht. Dit onderzoek geeft aan wat ze na twee jaar onderwijs nog weten. Als de school zwak is en de leraar is ook nog zwak, dan weten leerlingen na 2 jaar nog maar 3% van wat ze op school hebben geleerd. Als je onderstaande tabel bekijkt, is de conclusie gerechtvaardigd, dat de professionaliteit van de leraar de belangrijkste factor is voor het leerrendement. Kijk maar naar de score bij een zwakke school en een sterke leraar. Ook de school kan uiteraard een goed effect op het leren hebben. Uit inspectierapporten op internet kun je de score voor scholen halen. Het is een slechte pr voor een school, als ze negatief scoort.
Leereffect van school en leraar (Bij modale leerling, percentielscore 50, scores tussen 0 – 100)
School & leraar: Percentielscore na 2 jaar:
Gemiddelde school & gemiddelde leraar 50
Zwakke school & zwakke leraar 3
Sterke school & zwakke leraar 37
Zwakke school & sterke leraar 63
Sterke school & sterke leraar 96
Sterke school & gemiddelde leraar 78
Sterk en zwak
Het ligt voor de hand om de begrippen ‘sterk’ en ‘zwak’ voor school en leraar te verduidelijken. Van overheidswege is dat uiteraard verwoord. “De beoordeling of een school tot de categorie zwakke of zeer zwakke scholen moet worden gerekend, baseert de inspectie op de beoordeling van de opbrengsten van de school, aangevuld met de beoordeling van de normindicatoren voor het onderwijsproces.” Ik geef u enkele indicatoren (= aanwijzingen of factoren) voor de beoordeling van de opbrengsten van een school:
*De leerlingen behalen het opleidingsniveau dat mag worden verwacht.
*De leerlingen lopen weinig vertraging op in hun opleiding.
*De leerlingen van de opleiding vmbo-b/k (of vmbo-g/t, havo, vwo) behalen voor hun centraal examen de cijfers die mogen worden verwacht.
Ook vermeld ik enkele normindicatoren – er zijn er 11 – voor de inrichting van het leerproces:
*Het leerstofaanbod in de onderbouw voldoet aan de wettelijke vereisten.
*Het leerstofaanbod in de bovenbouw is dekkend voor de examenprogramma’s.
*De leraren zorgen ervoor, dat leerlingen op een respectvolle manier met elkaar en met leraren omgaan.
*De leraren realiseren een taakgerichte werksfeer.
*De leraren leggen duidelijk uit.
Van overheidswege is gesteld (een beslisregel):
*Een school is altijd een zwakke school, als zij onvoldoende opbrengsten heeft.
*Een school is altijd een zeer zwakke school, als zij onvoldoende opbrengsten heeft én twee of meer normindicatoren van het onderwijsleerproces onvoldoende zijn.
En nu de leraar. Ik kan poneren, dat kwaliteitsonderwijs om duidelijke bekwaamheidseisen van een docent vraagt. Je moet een professionele opstelling kunnen verwachten. “Behalve dat een leraar behoorlijk wat vakkennis in huis moet hebben, moet hij die kennis ook op een goede, effectieve manier kunnen inzetten als hij met zijn leerlingen werkt. Daarbij spelen pedagogisch inzicht, didactische vaardigheid en organisatorisch talent een belangrijke rol. De omgang met de leerlingen is voor zijn werk van cruciaal belang.”
Over de man of vrouw voor de klas zijn nog meer opmerkingen te maken, maar gelet op het bovenstaande kunt u volgens mij nagaan wat met een goede of zwakke docent bedoeld wordt.
Tenslotte wil ik het begrip ‘modale leerling’ duiden. Met dit begrip wordt de grootste groep ll. bedoeld.
Uit een ander onderzoek is overigens gebleken, dat veel scholen met een tekort aan gekwalificeerde leraren te maken hebben. Dat wreekt zich. Beginnende leraren moeten hun kans krijgen. Intensieve coaching door ervaren collega’s is zeer wenselijk. Het is van een directie wijs beleid om deze collega’s niet in klassen te plaatsen waar bijzondere ervaring is vereist. Ik denk dan aan het vmbo en leerlingen met sociaal-emotionele problemen zoals ADHD en PDD-NOS.
Het tekort aan kwaliteit van de leraar oplossen
In 2007 publiceerde de Commissie leraren onder leiding van Alexander Rinnooy Kan een rapport waarin o.a. werd opgemerkt: “Het is vijf voor twaalf, de handen uit de mouwen, anders wordt de kennissamenleving een fiasco met grote sociale en economische gevolgen.” Deze commissie adviseert de volgende punten:
*de opleiding verbeteren,
*het salaris verhogen, als aanvullende scholing, prestaties en complexe werkomstandigheden daar aanleiding toe geven,
*meer gezag bij de beroepsgroep leraren,
*er is dringend behoefte aan een nieuwe balans in de machtsverhouding tussen managers en leraren.
Kwaliteitsontwikkeling
Uit onderzoek is gebleken, dat de kwaliteit van leraren in Nederland voor verbetering vatbaar is. Dit is nog zacht uitgedrukt. In omvang toenemend wetenschappelijk onderzoek wijst uit, dat voor het verbeteren van de kennis van leerling resultaten het verbeteren van de kennis en onderwijsvaardigheden van de leraren essentieel is. Het gaat in het onderwijs van nu om het creëren van een krachtige leeromgeving door leraren voor hun leerlingen. Een krachtige leeromgeving is een leeromgeving die compleet, rijk en functioneel is.
In de discussie over de kwaliteitsontwikkeling wordt er van uitgegaan, dat leraren als kenniswerkers veel aandacht geven aan hun eigen professionele ontwikkeling. Het scholingsaanbod door vakverenigingen, lerarenopleidingen, schoolbegeleidingsdiensten, pedagogische centra en particuliere onderwijsadviesbureaus is omvangrijk. Hoe intensief leraren doorleren, terwijl ze werken, is niet bekend. Volgens de Wet Beroepen in het Onderwijs (Wet BIO), ingevoerd in augustus 2006, is de leraar wettelijk verplicht aan de bekwaamheidseisen te voldoen. Deze eisen zijn in nauwe samenspraak met de leraren onder regie van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren (SBL) ontwikkeld. Bovendien worden deze onderwijsmensen in het kader van Integraal Personeelsbeleid (IPB) op school aangemoedigd om een bekwaamheidsdossier of een professionele portfolio bij te houden. De onderwijsinspectie, als extern toezichthouder, heeft op dit moment geen toegang tot deze eisen en kan derhalve moeilijk vaststellen of leraren daadwerkelijk aan de gestelde eisen voldoen. In wezen is het de leraar zelf die op basis van motivatie besluit om verdere scholing te volgen. Bij een oriënterend onderzoek bleek in de diverse onderwijssectoren een percentage tussen de 5 en 10 % naar het oordeel van de bevraagde leraren en schoolleiders te willen investeren in een masteropleiding. Zo’n opleiding kent een gemiddelde studielast tussen 15 en 20 uur per week. Het ligt voor de hand dat de docent voor zijn inspanningen iets wil terugzien: betere leerprestaties bij leerlingen, betere werkomstandigheden en materiële en immateriële beloningen.
Onderlinge verhoudingen
Doorleren in de professie maakt verschillen zichtbaar tussen collega’s onderling in de kwaliteit van de beroepsuitoefening. In de praktijk lijkt hierop een taboe te rusten. Niet alleen leraren, maar ook leerlingen weten hoe wordt lesgegeven. Het is op scholen binnen de meeste teams niet eenvoudig kwalitatieve verschillen tussen het onderwijspersoneel bespreekbaar te maken. Het is juist deze competitie tussen het personeel die door de meeste schoolleiders wordt gevreesd. Voor mensen met ambitie is deze cultuur verlammend. Talentvolle medewerkers verlaten noodgedwongen de school, omdat hun expertise niet wordt erkend. Het is bekend dat in de laatste drie decennia van de vorige eeuw vele, ja zeer veel, leraren de school verlieten. Is professionaliteit de oorzaak? Een koersverandering naar niveau – en beloningsdifferentiatie – kan tot conflicten in de school leiden. Het is echter evident dat de koersverandering gevolgd dient te worden.
Verschillende ministers hebben het lerarenprobleem de grootste dreiging van het onderwijs genoemd. Bijvoorbeeld oud-minister Loek Hermans die de markt opende voor zij-instromers. Maria van der Hoeven continueerde deze beleidslijn en bevorderde het opleiden in de school en het personeelsbeleid van de werkgevers. Ook de huidige minister, Ronald Plasterk, laat door advies te vragen aan de commissie Rinnooy Kan zien, dat hij de ernst van het probleem onderkent.
In de huidige discussie gaat het om een carrière waarin de persoonlijke en de professionele groei van de leraar centraal staat. Door velen wordt gepleit om dit voor leraren mogelijk te maken, zodat beroepsmatige prestaties kunnen worden geleverd.
De kwaliteiten van de leraar
Een leraar moet voor zijn leerlingen een doel voor ogen hebben en die tegen een leerling kan zeggen: “Jij moet daar en daar terecht komen en dit is de weg die je moet volgen om daar te komen en ik zal je daarbij helpen.” Dit noemen we ‘samengedrag.’ Duidelijk een leraar met visie. Iemand die weet waar hij het over heeft en hij kan ook verbeterpunten aanbrengen. Een leraar moet kunnen doorgroeien in z’n vakgebied. Dat betekent, dat een leraar een lerende leraar moet zijn en opleidingen gaat volgen om zich nog meer te professionaliseren.
Het investeren in leerlingen is een heel belangrijk onderdeel van het leraar zijn. Investeren betekent tijd en energie gebruiken om resultaat te krijgen. Eerst relatie, dan prestatie! Een vertrouwensband opbouwen op basis van respect, zorg naar elkaar toe, dialoog, elkaar serieus nemen, een luisterend oor, kortom betrokken zijn. Allemaal ingrediënten die nodig zijn om een vertrouwensrelatie aan te gaan. “Geen enkele leerling is een hopeloos geval.”
Stellingen
*goed leraarschap vraagt om een persoonlijke motivatie,
*een goede integratie van de persoonlijke, levensbeschouwelijke inspiratie en een verantwoord pedagogisch uitgangspunt is een eerste voorwaarde voor vitaal en duidelijk christelijk onderwijs.
Harry Vos M SEN
Gebruikte bronnen:
*Advies van de Commissie leraren ‘Leerkracht’, Den Haag 2007
*Rapportage Schuurmans, Coonen en Sonders, 2007
*Rapport ‘Educatieve masteropleidingen, beeld van een behoefte’
*Advies van de Onderwijsraad ‘Waardering voor het leraarschap’, 2006
*http://www.vo-raad.nl/vo-raad
*http://www.onderwijsinspectie.nl/nl/home