INTELLIGENT DESIGN – ONVOLDOENDE IDENTITEIT

Wat is Intelligent Design?

Evolutionisten zijn zeer beslist over wat Intelligent Design (ID) volgens hen inhoudt. Volgens Richard Dawkins, de huidige professor ‘Public Understanding of Science’ aan de Universiteit van Oxford, betekent het dat ‘het te onwaarschijnlijk is … dat iets in de natuur door toeval is ontstaan’. Rechter John Jones veroordeelde het lesgeven over Intelligent Design aan de Dover Area School in Pennsylvania en noemde ID ‘vermomd creationisme’. Met stelligheid beweren de media, dat Intelligent Design en Creationisme aan elkaar gelijk zijn en bovendien, dat zij beide even gevaarlijk zijn en tegengewerkt moeten worden.Voorstanders van Intelligent Design omschrijven hun werkterrein anders. William Dembski doet dat door de retorische vraag te stellen: “Kunnen objecten, zelfs als niets over hun ontstaan bekend is, kenmerken in zich dragen die op een betrouwbare manier wijzen op een intelligente oorzaak?”Het Discovery Institute omschrijft ID als volgt: “De theorie van ID behelst dat bepaalde eigenschappen van het heelal en van levende wezens het beste door intelligent ontwerp verklaard kunnen worden en niet door een ongeleid proces zoals ‘natuurlijk selectie”. Voor het overgrote deel wordt ID gezien als een belangrijk verweer tegen de neo-Darwinistische evolutie. De argumenten van Intelligent Design rusten voornamelijk, maar niet alleen op het begrip onherleidbare complexiteit. Er bestaan veel misverstanden over onherleidbare complexiteit. De opvatting van tegenstanders van ID is dat onherleidbare complexiteit betekent dat volgens de voorstanders van ID sommige organen zo complex zijn, dat het onwaarschijnlijk is dat deze zijn geëvolueerd. Daardoor kunnen ze erop wijzen dat sommige onwaarschijnlijke gebeurtenissen toch mogelijk zijn en wordt, volgens deze foute uitleg, evolutie door onherleidbare complexiteit niet uitgesloten. Maar dit is niet wat de voorstanders van ID bedoelen met onherleidbare complexiteit. Wat zij met deze term bedoelen, is dat bepaalde mechanismen niet teruggebracht kunnen worden tot simpeler mechanismen en dat het daarom niet mogelijk is dat zij zijn geëvolueerd.Welbekend is het voorbeeld van de muizenval, dat Michael Behe gebruikte als analogie voor onherleidbare complexiteit. Hiermee beschrijft Behe een proces in twee stappen om te bepalen of een biologisch systeem onherleidbaar complex is.De eerste stap bij het bepalen van onherleidbare complexiteit is het nader aanduiden van zowel de functie als alle onderdelen van het systeem.Bij de tweede stap van het bepalen of een systeem onherleidbaar complex is, stel je de vraag of alle onderdelen nodig zijn om de functie te kunnen uitvoeren.In zijn analogie van de muizenval toont Behe aan dat ieder onderdeel van de muizenval bijdraagt aan de werking van het geheel en dat de muizenval niet als een muizenval kan functioneren, als één van de onderdelen ontbreekt.Professor Stuart Burgess heeft een aantal biologische mechanismen op onherleidbare complexiteit geanalyseerd. Een opvallend voorbeeld is dat van het menselijke kniegewricht, dat uit een vierbandsmechanisme bestaat. Een vierbandsmechanisme kan zich niet stapsgewijs ontwikkeld hebben, beginnende vanaf een twee- of driebandsmechanisme. Het is daarom de conclusie van Burgess dat de menselijke knie niet geëvolueerd kan zijn.Dit soort voorbeelden is overal in de biologie terug te vinden. Bijvoorbeeld, toen deze auteur les op school kreeg, werd hem geleerd dat cellen in principe kleine klodders gelei zijn. Maar dit is niet het geval. De eenvoudigste levende cellen zijn hoogst complexe en hoogst geordende systemen die meer gelijkenis vertonen met een groot industrieel complex of een productie-fabriek dan aan kleine klodders gelei. Voorstanders van ID zoals Behe hebben aangetoond dat onherleidbare complexiteit, zelfs op cellulair of moleculair niveau, niet beperkt zijn tot geïsoleerde voorbeelden, maar een fundamenteel onderdeel zijn van de gehele biologische wetenschap. Aldus is de biologie op het meest elementaire niveau diepgaand anti-evolutionair, ongeacht de verdraaiingen die evolutionaire wetenschappers eraan geven.

Beloften van Intelligent Design
Intelligent Design lijkt zo veelbelovend. Volgens Phillip Johnson is het de ideale methode om de evolutietheorie te ontkrachten.
De belangrijkste uitspraak van deze theorie – die funeste beweringen voortbracht als zou de mensheid het gevolg zijn van lukrake materiaalenergieën – is dat door een combinatie van genetisch toeval in het wilde weg en natuurlijke selectie, extreem complexe organismen konden voortkomen uit een simpel beginsel. Ik heb beargumenteerd dat deze uitspraak niet alleen onbewezen is, maar ook in tegenspraak met de overweldigende bewijslast is.
Door veel mensen wordt ID gezien, als iets waarmee de evolutietheorie bestreden kan worden. In de recent toegejuichte rechtzaken in Amerika probeerden besturen van een aantal scholen het voor elkaar te krijgen om in hun klassen naast de evolutietheorie, ook Intelligent Design te mogen onderwijzen. Het is opvallend hoeveel emotionele reacties dit onderwerp opriep. De tegenstanders van ID beweerden dat de voorstanders van ID de lessen over de evolutietheorie uit de klassen wilden laten verwijderen, hoewel dit niet het geval was. De rechter oordeelde dat het toestaan van ID in de klaslokalen een schending zou zijn van het Constitutionele Amendement, vaak gezien als instituut om de scheiding tussen kerk en staat te beschermen. De rechter achtte ID een religieuze beschouwing, ondanks het protest van de ID-beweging. Answers in Genesis (AiG) neemt het standpunt in dat het onbehoorlijk is om te proberen onderwijzers te dwingen om de evolutietheorie (of ID) te onderwijzen, als zij daar zelf niet in geloven. “Hoewel AiG de inspanningen ondersteunt die zouden kunnen bijdragen tot meer academische vrijheid en twijfel over het onderwijzen van de evolutietheorie op scholen, geloven we niet dat het nuttig is om wetenschappelijke docenten (van wie velen evolutionist zijn) onderwijs te laten geven over alternatieve ideeën.”
Desondanks moet ID gezien worden als ‘religieus neutraal’. In een artikel in de Britse Daily Telegraph zegt ID-voorstander Dr. Stephen Meyer:
“In tegenspraak met sommige mediaverslagen is ID niet een op religie, maar een op bewijs gebaseerde, wetenschappelijke theorie over de oorsprong van het leven. Volgens Darwinistische biologen als Richard Dawkins van de universiteit van Oxford, “geven levende systemen de schijn weer te zijn ontworpen met een doel.” Maar volgens de moderne Darwinist is deze schijn van ontwerp bedrieglijk, omdat het zuiver ongeleide proces van natuurlijke selectie dat in willekeurige mutaties doorwerkt, alleszins in staat is tot het voortbrengen van ontwerpgelijkende structuren in levende organismen.
Daaraan tegengesteld schrijft ID het heelal en levende wezens bepaalde eigenschappen toe die het best zijn te verklaren met een scheppende intelligentie. Deze theorie vormt geen uitdaging voor evolutie, maar betwist wel Darwins idee dat biologische verandering in zijn geheel blind en ongestuurd is. Deze poging tot religieuze neutraliteit wordt door sommigen – zoals Meyer – als een sterk punt van ID gezien, maar door anderen juist als het grootste probleem.

De identiteit van de Intelligente Ontwerper
Het grootste probleem voor christenen – en christelijke creationistische organisaties zoals Answers in Genesis – is het ontbreken van de identiteit van de ‘Intelligente Ontwerper’. Volgens Johnson is dit hiaat juist een deugd.
“Ik voelde geen verplichting mijn eigen mening op te geven over het ontstaan van het leven of over hoe de complexiteit van planten en dieren heeft kunnen ontstaan vanuit simpeler levensvormen.”
Deze ambivalentie (= twee verschillende mogelijkheden hebben) wordt ook gehoord in de verklaringen – of non-verklaringen – van religieus geloof van andere ID-voorstanders. Hoewel sommige ID-voorstanders evangelisch christen zijn, zijn er ook die dit niet zijn. Velen zijn zelfs helemaal geen christen. Er wordt bewust geen aanwijzing vanuit de ID-beweging gegeven welke Intelligente Ontwerper het ontwerp voor zijn rekening nam: Jahweh, Allah, Ahura Mazda of misschien zelfs buitenaardsen. Meer nog, veel voorstanders van ID zijn geen tegenstanders van de evolutietheorie, maar zien de Intelligente Ontwerper meer als een soort “God van de gaten”, iemand die kortstondig ingreep ten tijde van een evolutieproces.
Voor evangelische christenen hoort de identiteit van de Intelligente Ontwerper van cruciaal belang te zijn. Creationisten publiceren artikelen over zowel theologie als wetenschap, omdat het niet gaat over een of andere vage ontwerptheorie, maar over de fundamentele waarheid van het boek Genesis én de rest van de Bijbel.

Schepping en het Evangelie
De tien geboden worden vaak gezien als het fundament van de Bijbelse moraal. In slechts een van deze geboden geeft God een reden waarom Hij dit gebod oplegt. Dit is in het vierde gebod, waarin Hij gebiedt om een van de zeven dagen van de week heilig te houden.
“Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag: daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die (Exodus 20:11).”
God legt uit dat Hij dit vierde gebod geeft, omdat Hij een patroon uitzette, toen Hij de hemel en de aarde schiep. Indien Genesis 1 slechts mythologie is, hoe kunnen we dit gebod dan aannemen? Als we de dagen van de schepping niet letterlijk kunnen nemen, dan kunnen we dit gebod ook niet letterlijk nemen. En als één gebod ondermijnd wordt, dan valt ook het geheel en daarmee ons fundament voor een bijbelse moraal.
Bovendien geloofde Jezus duidelijk dat de eerste hoofdstukken van Genesis waar zijn. Volgens zijn omschrijving vond de schepping van Adam en Eva plaats in de tijd “van den beginne” (Mattheüs 19:4) en Hij noemde de geschiedenis van Abel, toen Hij verwees naar de “grondvesting der wereld” (Lucas 11:50,51). Indien er werkelijk miljoenen jaren van dood vóór Adam, Eva en Abel zouden liggen, dan zouden de woorden van Jezus niet betrouwbaar zijn. Maar als de chronologie van de Bijbel juist is, dan waren Adam en Eva werkelijk ‘van den beginne’ en was Abel bij ‘de grondvesting der wereld’. De verklaring waarbij de woorden van Jezus als correct worden gezien, moet de juiste zijn, indien we geloven dat Jezus de Zoon van God is. Daarom moet het zeer sterk benadrukt worden dat het geloven aan miljoenen jaren ongeloof in de woorden van Jezus betekent. Het is niet voldoende om te zeggen dat we niet in evolutie geloven. We moeten het complete pakket in zijn geheel aanvaarden, zoals het in de Bijbel staat, omdat dit is wat Jezus geloofde. Een geloof, dat de dagen van de schepping figuurlijk of als lange eeuwen ziet, is in strijd met een juist verstaan van de Bijbel.
Van de christelijke leiders van vandaag – zelfs diegene die zichzelf evangelisch noemen – zijn er teveel die een compromis hebben gesloten met de seculiere wetenschap. Ze hebben gefaald om zich te houden aan de autoriteit van de Bijbelse waarheden, terwijl ze deze autoriteit verkondigen vanaf de preekstoel. De predikanten die tegen de evolutietheorie zijn, maar zeggen dat men niet hoeft te geloven in scheppingsdagen van 24 uur, zeggen in feite: “U kunt het woord van God geloven zolang het de wetenschap niet tegenspreekt.” Een dergelijke christelijke leider verheft de woorden van een feilbare mens (de seculiere wetenschappers) boven het woord van God.
In Genesis 3 wordt de komst van Jezus beloofd, direct na de eerste zonde. God zei tegen de slang, Satan:
“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen (Genesis 3:15).”
In het Hebreeuws verwijst het woord ‘zaad’ op andere plaatsen naar het nageslacht van een man. We weten ook dat biologisch gezien, ‘zaad’ van de man komt. Maar het feit is dat God bij het gesprek met Adam en Eva de belofte gaf dat er Iemand zou komen die Satan zou vernietigen; iemand met een aardse moeder, maar geen aardse Vader. Dit is de belofte van de maagdelijke geboorte van de Heiland. Na de allereerste zonde volgde direct de allereerste belofte van redding. Deze redding komt niet van zomaar een ‘Intelligente Ontwerper’. De boodschap van het Evangelie zit in de kern van de juiste weergave van het scheppingsverhaal in Genesis. Daarom staat het letterlijk lezen van Genesis boven de moderne dwaling van of compromissen met dat Bijbelboek. De compromissen bieden een onjuist verlossingsplan. Het letterlijk lezen van Genesis met zes letterlijke dagen van 24 uur wijzen ons op de juiste wijze naar de Verlosser. Weigering om te accepteren wat God letterlijk zegt in zijn Woord, is in feite een compromis met het Evangelie en is daarom een vals evangelie.

Conclusie
De argumenten van Intelligent Design zijn zeker van groot belang. Er zijn wetenschappelijke redenen om niet in de evolutietheorie te geloven. Maar ongeloof in de evolutie is niet hetzelfde als een reddend geloof. Deze onderwerpen hebben alleen betekenis in een context van bijbelse waarheid. Een wetenschappelijke theorie over Intelligent Design is ontoereikend en leidt niet tot redding. We kunnen de uitleg van de schepping in Genesis beter benaderen vanuit de context van de Bijbel, de morele wet en Gods plan tot redding door Jezus Christus.

Door Paul Taylor,
Hoofd media & publications,
Answers in Genesis (UK/Europe)
Oktober 2006
Vertaling: Melanie van der Vlis en John van Berghem

 

Wat is uw identiteit? U zult uw wenkbrauwen fronsen of misschien voor de vuist weg zeggen: “Ik ben Nederlander, of ik ben gereformeerd”! (met of zonder toevoeging). Van Dale spreekt over “eenheid van wezen”. Dat is in deze tijd hoogst interessant. Is er nog wel éénheid van wezen? Vroeger lag alles vast. Je bent gereformeerd? Dan stem je de Anti-Revolutionaire Partij. Ben je Hervormd? Dan de Christelijk Historische Unie. Katholiek? De K.V.P. Alles duidelijk en vastgelegd.

Inleiding

Er zijn nog wel denominaties die trachten hun identiteit vast te houden. Ze hebben hun eigen scholen, hun eigen jeugdsoos, hun eigen kerk . Maar het is bijna niet meer vol te houden. Als de jeugd uitvliegt en in onze pluriforme samenleving terecht komt, zetten ze zich vaak af tegen de vastliggende patronen, onze oude vertrouwde identiteit. Sinds de jaren zestig hebben de filosofen immers geroepen: “Doe wat je wilt!”(Alester Crowley) Het is als een olievlek over de wereld gegaan. En met die olievlek zijn we met z’n allen onze identiteit, ons wezen en onze ziel kwijtgeraakt.
We zijn individuen geworden, de gezinnen zijn uit elkaar gerukt door de eisen van de maatschappij. Moeders moeten mede de hypotheek opbrengen van een veel te duur huis en misschien moeten er wel twee auto’s bekostigd worden, omdat ieder op tijd op zijn of haar werk moet zijn. Intussen laten we de opvoeding over aan onze “baboeska’s”, hetzij aan jonge juffies van amper twintig in de crèche of aan ónze ouders en dus hun grootouders…
Onze ‘vrijheid’ heeft een hele hoge prijs! Het heeft onze identiteit volkomen verbleekt en zelfs te niet gedaan. We weten niet meer wie we zijn en waar we voor staan!

Overdreven?
Is dit niet een veel te somber beeld? Moeten we dan terug naar een maatschappij, waar vader “het vlees snijdt” en moeder “thuis moet blijven” om de snotneuzen te vegen?
Het is een karikatuur! Dit vertekende beeld is ons opgedrongen uit allerlei hoeken: het feminisme, het socialisme en ook de moderne theologie en ga zo maar door! Er is ons vrijheid beloofd en we zijn slaven geworden van de maatschappij en van de krachten die daar werken. En we kunnen vrijwel niet meer terug!

Een “ooggetuige verslag”
Als 23 jarige trad ik de (basis)schoolwereld binnen. Dat was in de late sixties. (Ja, ik ben nu 62 jaar).
Ik heb die stormachtige cultuuromslag meegemaakt van de Beatles, Rock-and-Roll en de vermeende vrijheid. Het kostte me toen bijna m’n huwelijk, als God niet had ingegrepen en we niet tot levend geloof in de Here Jezus waren gekomen. Ik werd een overtuigend christen en stond als zodanig ook voor de klas van een protestantse school. De directeur in die jaren, adviseerde me niet naar die hervormde kerk te gaan, maar naar die àndere. Ik wist toen nog niets van identiteit!

Ik herinner me het als de dag van gisteren die conferentie waarbij alle onderwijzers en onderwijzeressen vertegenwoordigd waren van onze schoolvereniging. Het moet in de jaren 80 geweest zijn. Er was een meneer uitgenodigd, ik meen van de Stichting Leerplan Ontwikkeling . Hij hield een vurig pleidooi voor onze medelanders, een woord dat ik toen voor het eerst hoorde. We moesten respect voor ze hebben en we beaamden het allen. Toen riep hij op, onze medelanders vooral niet te plagen met de verhalen over Jezus, dat bracht hen in de moeilijkheden, in een identiteitscrisis! We konden wèl over alle verhalen spreken vóór Abraham, want die hadden we gemeenschappelijk! Maar Jezus…
Misschien wilt u het niet geloven, maar het is werkelijk waar: een vijftigtal collega’s applaudisseerden luid instemmend! Zelf had ik toen nog geen theologie gestudeerd, had toen zelfs nog geen levende relatie met de Heer, maar ik voelde aan dat dit niet kon; dat hier verraad gepleegd werd. Ik heb nog een vijftal jaren met plezier alle verhalen aan de kinderen verteld, ook over de Here Jezus. Elke morgen zongen we samen en trapte ik op het oude harmonium en de kinderen zongen uit volle borst. Trouwens, dat gebeurde ook nog bij mijn collega’s achter de tussendeuren.

Het middelbaar onderwijs
Ik had en heb een geweldige interesse voor alles wat met biologie te maken had. En dus studeerde ik dat vak. Dan nam je en-passant natuur – en scheikunde mee en dus duurde het niet lang of ik trad de oude vertrouwde christelijke mavo binnen. Ik had intussen honger gekregen naar Gods Woord. Ik ging theologie studeren.
Als gelovige presteerde ik het de kinderen consequent te leren, dat we geen zoogdieren waren, maar door God geschapen mensen, met wie God een doel heeft. “Vissen-vogels-amfibieën-reptielen-zoogdieren-mensen” verscheen prompt op het bord.
Het leerboek hield een verhaal, dat wij als mensen van ééncellige zeewiertjes afstamden en dat we pootjes gekregen hadden en dat de schubjes veren werden en dat onze betovergrootvader een aap was.
In de schriften liet ik echter opschrijven, dat wij ons wezenlijk van de dieren onderscheiden, doordat wij een geest bezitten, die ons doet beseffen dat God bestaat en ons geschapen heeft. Alle ouders accepteerden nota bene zulke aardrijkskunde- en biologieboeken!
Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik stom verbaasd was dat er nooit een ouder is geweest in die tientallen jaren (!), die hier ook maar één bezwaar tegen heeft gemaakt. Is dat niet merkwaardig? Ik ben zo bang, dat de ouders geen tijd meer hebben te controleren, wat hun kinderen op school nog leren. Misschien waren ze wel blij, dat er zo’n rare leraar was, die dat nog durfde te zeggen. Immers, hun dominee zei toch ook al, dat de Genesisdagen wel duizenden jaren moesten zijn, omdat de wetenschap dat “zo bewezen had”? Zij wisten het als ouders toch ook niet meer? En daarmee waren ook zij hun identiteit kwijt…

De kinderen uit de jaren tachtig
Maar de kinderen uit de jaren tachtig werden groot. De kerk zei hen niets meer en zij verlieten het oude vertrouwde pad en gingen de wereld in. De post-christelijke wereld. Ach, ze waren eindelijk vrij van allerlei “musts”. Ze moesten naar de catechisatie, waar ze langdurig moesten discussiëren over abortus en euthanasie. En: “Stel je nou eens voor, dat je als meisje verkracht werd, dan moest je er toch wel wat aan doen? ”
De jonge mensen wilden (seksuele-) vrijheid en namen die ook. De ouders hielden hun hart vast, maar wisten ook niet meer hoe het moest. De kinderen van de buren mochten toch ook om drie uur ’s nachts thuiskomen? Dan moest jij je dochter toch ook wel mee laten gaan? De pubers moesten naar de kerk, tot ze veertien/vijftien waren , daarna wilden ze alleen maar uitslapen. De dominee? Die zei hun niets…De jeugdsoos? Uit de tijd.

De kinderen uit de jaren 80 gingen naar de pedagogische academie. Ze studeerden voor “leraar”, want “onderwijzeressen”, laat staan “kleuterjuffen”, was oubollig. Ze gingen naar hele grote academies, vaak gefuseerd met andere pedagogische instituten. Er was en is dan een afdeling voor de christelijke variant en één voor de openbare. Leraren van beide denominaties gaven aan beide ‘kanten’ les, want christelijk rekenen of taal bestaat toch niet? De identiteit ligt in handen van de docent Levensbeschouwing. Daar leerden en leren onze (toekomstige-) onderwijzers en onderwijzeressen van alles! Ze leren over Boeddha, over Hindoeïsme, Islam en ook nog over Jezus (…). (Waarmee ik weer chargeer)

Mijn eigen dochter heeft nèt de academie achter de rug. Ze deed als gelovig meisje (Dank u Heer!) vaak verslag van wat zo’n docent leerde. Hoofdkenmerk: “Je moet ieder in zijn waarde laten…er leiden vele wegen naar Rome.”
Weg is ook de laatste mogelijkheid een identiteit te ontwikkelen…En deze jongen mensen, die vaak los zijn van welke godsdienstige opvoeding dan ook, zijn de groepsleerkrachten van nu! Zij moeten identiteit overdragen, die ze zelf niet meer hebben!

Ik besef, dat mijn verhaal somber is. Ik besef ook, dat er nog wèl scholen zijn, die staande willen blijven in deze identiteitsloze wereld van schijnvrijheid. Er zijn reformatorische scholen die met alle kracht die ze in zich hebben, tegen de tijdsstroom in roeien. Ik bewonder ze.
Er worden evangelische scholen opgericht, waar elk vak getoetst wordt en afgestemd wordt op het evangelie. Ik heb er de zaterdagopleiding voor (toekomstige-) docenten gevolgd. En ik bewonder ze. Er worden ouders wakker en sturen hun kinderen, vaak over grote afstand, naar een Bijbelgetrouwe school. Ik heb groot respect voor ze! Er IS hoop, ook al is het een “klein kuddeke” dat het ziet!

Hoelang hèbben we die vrijheid nog? Heel veel mensen bewonderen een Hirsi Ali : zij ‘stáát’ tenminste ergens voor. En we beseffen niet, dat zij ‘er voor staat’ dat elke religie, dus ook de onze, achter gesloten deuren haar vrijheid moet hebben. En Nederland klapt in de handen, zoals destijds de onderwijzers op die conferentie. Kom namelijk niet met het evangelie naar buiten, val een ander daarmee niet lastig! Laat iedereen in zijn waarde! Ook een Theo van Gogh en met hem mevrouw Hirsi Ali! Fundamentalisme blijkt immers zeer bedreigend te zijn!
Het duurt niet lang meer, of ook de reformatorische scholen en de evangelische scholen, die een identiteit willen uitdragen, zullen beperkt worden. Men probeert het steeds weer door te peuteren aan artikel 6 van de grondwet, dat ons nog vrijheid van godsdienst of levensbeschouwing verzekert. Immers, we moeten het moslimfundamentalisme toch proberen in te dammen?

Godsdienstleraar
Ik studeerde theologie. Eerst een 8 tal jaren aan een evangelische opleiding in het land. Later een 4 tal jaren aan een reformatorische. Ik heb er mijn graad gehaald en ben bijzonder gevormd door beide identiteiten. Wie Gods Woord als leidraad aanvaard heeft, ontwikkelt een rotsvaste identiteit die door de wereld misverstaan wordt als fundamentalist. Identiteit is daarmee bijna een vies woord geworden!
Naast biologie ging ik steeds meer godsdienstonderwijs geven. Ik genoot er van. Er kwam een nieuwe generatie kinderen, namelijk een generatie kinderen die werkelijk van God en de Bijbel bijna niets meer weet! Ik zat op een algemeen christelijke school. De reformatorische- en de evangelische scholen staan werkelijk voor hun identiteit, die wil ik in deze niet te kort doen!

In mijn situatie groeide en groeit een nieuwe generatie kinderen op, die wèrkelijk weer open staan voor de Bijbelse boodschap! Ze vragen naar het “hiernamaals”, naar hemel en hel, naar engelen en demonen, naar glaasje draaien en naar gebedsverhoring en naar wie God is!

Die “algemeen christelijk school” verschoot mettertijd van kleur. De statuten werden veranderd. De school stond op grond van “de joods-christelijke traditie”. Wat dat dan ook zijn mocht. Nooit geweten, dat ik een “joodse traditie” met me meedraag. (Hun cultuur bewonder trouwens ik voor een groot deel.)
Van hoger hand werd de godsdienstmethode “Verhalenderwijs” ingevoerd. Daarmee werd ik geconfronteerd met het feit, dat ik nu de kinderen moest leren dat de Bijbel een “verhalenboek” is. De verhalen zijn “wel waar, maar niet waar gebeurd” en de kenners onder ons herkennen daarin de moderne theologie, waardoor kerken leeglopen… Immers, als het NIET waar gebeurd is, dan is het aan de interpretatie van de lezer, welke identiteit men aanneemt (…)
Tegenwoordig leiden vele wegen naar Rome, of naar de berg Fuji, of naar Boeddha (…) Een collega Godsdienst was dan ook zéér gefascineerd door het boeddhisme…

Géén identiteit leidt weg van de Here en vervreemdt van de Here Jezus als Verlosser en Zaligmaker. Nog even en het wordt ons verboden te verkondigen, dat “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”[Joh 14:6], omdat het te exclusief en te discriminerend is!
Ik nam de vrijheid de godsdienstmethode “evangelical” te maken, laten we zeggen: bijbelgetrouw. De hoofdstukken bleven, de titels ook. Evenals de indeling… maar Jona was nu een profeet, die werkelijk geleefd had en werkelijk in een zeemonster stierf vanwege zijn ongehoorzaamheid aan z’n opdracht…maar door God uit de dood werd opgewekt, om Ninevé te redden van de eeuwige dood… Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachte [Mt 12:40].
Jawel! Die sprongen maakte ik. Het evangelie werd gebracht! De schriften werden volgeplakt met alternatieve, evangelikale lesschema’s.

Intussen zat ik in spanning af te wachten wat er gebeurde. Welke ouder zou er gaan protesteren? Er kwam NIEMAND!
Het kwam uit heel andere hoek. Collega’s Godsdienst , op de andere lokatie, “vergaten” mij uit te nodigen voor de godsdienstvergaderingen. Heel vreemd. En toen er een fusie op komst was, werd ik verplicht verplaatst naar een school in de naburige stad, onder hetzelfde bestuur.
Ik heb daar nog een tweetal jaren rondgereden met een karretje. Er lagen 30 bijbels op en 4 dikke mappen met omgewerkte lesschema’s. Ik reed van lokaal naar lokaal, tussen de kinderen door. Het wende, ook al was het allemaal wel erg vreemd.

Op een dag werd ik bij de directeur geroepen: “Jij volgt de godsdienstmethode niet,” was het onderwerp. Ik toonde hem mijn schrift: alle onderwerpen stonden er in die ook in het boek staan. Daarmee was hij tevreden gesteld…Had hij dan niet gelezen, wat er op die stencils stond?
Ik kwam in de “commissie identiteit”. Er werden gesprekken gevoerd met de directie van de r-k school en die van de protestantse. Ik kon niets doen. Helemaal niets! De protestante directeur deed een poging de dagopeningen middels “de Zoutkorrel” te redden. Een zeer vrijblijvend boekje, dat op zeer verschillende manieren gebruikt kan worden en daarom een grote populariteit geniet in protestants Nederland. Het boekje werd afgewezen en daarmee verdween het laatste stukje identiteit. De protestantse middelbare school verdween uit twee grote steden in het oosten van het land en werd opgenomen onder de grote landelijke r-k paraplu. Er wordt niet meer gebeden, niet meer gezongen, geen dagopeningen meer gehouden. En kerst? Dat is gezellig eten en drinken met soms een musical met een thema over “vrede”. Jezus staat buiten de deur en Zijn klop wordt niet eens meer gehoord!

Toen ik op een bijeenkomst, in het bijzijn van de vakbond en een dertigtal collega’s, vroeg wat ik als godsdienstleraar moest onder het nieuwe r-k bestuur, zei de directeur: “Ga jij maar solliciteren!”
Dat was de waardering die ik na ongeveer dertig jaar trouwe dienst en een inzet van meer dan 100%, kreeg. Maar onze beloning is dan ook niet van mensen, maar van de Here God!

Gebed
Ik heb het in gebed gebracht bij de Here. Daarna heb ik gezocht naar open deuren. De evangelische school in het midden van het land, wilde mij wel ‘hebben’, maar had geen plaats. De Bijbelschool bewaart mijn sollicitatie nog steeds zorgvuldig.
Toen stonden er op een avond broeders op de stoep. Of ik voorganger wilde worden in een dorp in Drenthe. Aan die oproep heb ik voldaan, want ik hoorde daar de stem van de Here in!
God voorziet. God is getrouw, als wij onze identiteit maar niet inleveren voor die van de wereld…
Ik mag de gemeente nu vijf en een half jaar dienen. Gemakkelijk? Nee, de weg achter de Here is niet de gemakkelijkste, maar wel de mooiste!

Niet zo lang geleden mocht ik spreken op een jongerendag. Er kwam een ouder naar me toe. “Weet u, dat ik het schrift van mijn zoon, dat u op school hebt behandeld, in mijn auto heb liggen? Het bemoedigt en leert mij nog alle dagen…

Dank u Heer!

ds. A.Wagenmakers

 

Lezing over het gebruik van de moderne media in het onderwijs. Directe aanleiding hiertoe zijn de ontwikkelingen rond kennisnet en de computer in de klas.

Huidige stand van zaken
Enkele jaren geleden heeft het ministerie van onderwijs een project gestart, dat tot doel heeft iedere leerling in het basis- en voortgezet onderwijs toegang te geven tot internet. Hiervoor is op het wereld wijde web een ruimte ingericht dat de naam ‘Kennisnet’ draagt. Daarbij worden de leerling onderwerpen aangeboden die samenvallen met de lesstof op school. De computer wordt gebruikt bij het maken van opdrachten, werkstukken en het verdiepen van kennis. Alle 12.000 instellingen binnen het onderwijs krijgen een snelle internetverbinding, om jongeren gelijke kansen te bieden in het informatie aanbod. Op dit moment worden de laatste scholen van een aansluiting voorzien. Eind 2001 moet dat klaar zijn.


Didactische voordelen van Kennisnet
Kennisnet biedt onmiskenbaar een groot aantal voordelen. In het verleden was er nogal verschil tussen scholen door verschillende vormen, verschillende regio’s, verschillende populatie, verschillende achtergronden. Het plan om met Kennisnet alle scholen een gelijk startpunt te geven is daarom op zichzelf een goede ontwikkeling richting gelijkwaardig onderwijs. Bovendien krijgen scholen zo een enorm aanbod van documentatie, dat anders afhankelijk was van de inzet van ouders in een documentatiecentrum (DC). Mits deze informatie met dezelfde zorgvuldigheid en begeleiding als in het DC wordt aangeboden, biedt het grote voordelen voor alle leerlingen.

Binnen Kennisnet is het aanbod vooral gericht op de inhoud van de lessen en de leeftijd van de gebruikers. Hierdoor hoeft er minder “gesurft” te worden. Men moet echter niet de illusie hebben dat Kennisnet ook een veilige omgeving is. Men moet wel inloggen met de schoolgegevens, maar men kan net zo makkelijk het Kennisnet verlaten, waarna het hele web toegankelijk wordt.

Een aantal van de genoemde nadelen daagt leerkrachten en ouders uit om samen te werken en ideeën uit te wisselen. Ook op de leerlingen wordt in die mate een beroep gedaan: samenwerken en leren van elkaar in het gebruik van de computer (tutoring). Ouders kunnen betrokken worden bij het onderhouden van de computers, bij het vormen van visie over het gebruik, bij het begeleiden tijdens vaste internet-uren binnen de school.

Pedagogische nadelen van Kennisnet
In dit stukje gaan we voorbij aan de zeer hoge eisen aan financien (ten dele voor rekening van de overheid) en het beslag op het personeel (moeten de scholen zelf opbrengen). Wij beperken ons tot enkele pedagogische facetten.

Het gebruik van de computer, maar ook de tv en video binnen het onderwijs, vraagt bezinning en visie van het team. Hoeveel tijd, op welk moment en voor welke leerlingen gebruik je de media. Wanneer er niet van tevoren wordt nagedacht, komt het er in de praktijk al snel op neer dat de vlotte leerlingen die klaar zijn met hun werk ook met de computer bezig mogen. Terwijl die computer ook voor de uitvallers en juist voor de middenmoot geschikt is!

Internet heeft het gevaar in zich dat mensen niet leren omgaan met het informatieaanbod. Daarom is het goed dat kinderen dat jong leren, zodat zij internet en andere media goed kunnen gebruiken voor waar zij het voor nodig hebben. Het is maar de vraag of kinderen in de basisschoolleeftijd het vermogen hebben om het enorme kennisaanbod ook daadwerkelijk te verwerken. Er komt al zo veel op hen af. Moet daar dan deze extra bron ook bij?

De praktijk leert dat de snelle leerlingen die klaar zijn met hun leertaak, de computer mogen gebruiken voor het verzamelen van informatie over werkstukken, hobby’s en vrije tijd. Deze leerlingen vergroten zo hun voorsprong op hun klasgenoten die niet sneller klaar zijn, en de computerbeurt voorbij zien gaan. Dit vraagt van de onderwijzer begeleiding, visie, zorgvuldige registratie en inzet!

Het laatstgenoemde nadeel is niet het minste! Wat te denken van de uitwerking op de taalontwikkeling van de kinderen. Internet doet vooral een beroep op het vermogen plaatjes te herkennen (beeldcultuur), of delen van zinnen, korte omschrijvingen. Kinderen hoeven dus niet volledig te formuleren, en zien het ook niet volledig voorgedaan. Dit heeft nu al zijn weerslag op ons taalonderwijs en de taalontwikkeling van het kind. Dit wordt versterkt, doordat ook de maatschappij niet stimulerend werkt (reclame en SMS zijn ook voorbeelden van snelle beeldende communicatie).


Discussie en voorlopige conclusies
Tijden de avond hebben we met elkaar een gesprek gehad, waarin voor- en nadelen werden afgewogen. Voor sommige leerlingen is het informatieaanbod juist uitdagend en stimulerend. Voor leerkrachten biedt internet veel interactieve lessen, ideeën van collega’s, ondersteuning van de leerstof.
Gebruik en het voordeel van Kennisnet kan mogelijk gemaakt worden door een goede samenwerking tussen ouders en team, door jong en oud. Dit vraagt echter leiding en visie door de directie/bestuur.

Duidelijkheid in afspraken en regels, structuur en gebruik is een voorwaarde voor het gebruik van de computer in de klas. Ook hierin kunnen ouders participeren door aan te geven hoe er thuis met de PC wordt omgegaan.
Het blijkt absoluut nodig te zijn om van tevoren te bezinnen op de tijdsduur en de intensiteit waarmee er wordt geïnternet. Alleen dan krijgen leerlingen gelijke kansen voor het gebruik en ook alleen dan is de hoeveelheid informatie niet extra, maar aanvullend, ondersteunend en in plaats van.
Voor alle media, ook tv, video, games en andere spelletjes geldt: doe het samen, leer het samen. Jong geleerd is oud gedaan. Uiteindelijk zal achterdocht in de omgang met de PC en internet niet de juiste invalshoek blijken te zijn, maar nuchtere waakzaamheid is absoluut.

P. van Dijk


Nadere informatie
Internetgids, voor christenouders, door Brian Lang en Bill Wilson.
Vierkante ogen, opgroeien met tv en pc, door Patty Valkenburg.
En als we nou weer eens gewoon gingen opvoeden, door Gitty Feddema en Aletta Wagenaar

 

Mijn tienerzoon van 17 is een leuke jongen met een heel eigen prachtig karakter en ik ben superblij dat ik hem van God heb gekregen om te begeleiden tot volwassenheid. Maar de laatste maanden begin ik me behoorlijk zorgen te maken over zijn internetgebruik. Ik moet even iets vertellen over de geschiedenis. Hij heeft maanden elke zaterdag en andere vakantiedagen keihard gewerkt bij het Dolfinarium om zijn eigen computer bij elkaar te sparen. Dit ervoer ik als een unicum in ons gezin. Eerder had hij nooit zo’n blijk gegeven van volharding en spaarzucht. Hij kreeg het voor elkaar zoveel te sparen dat hij een 19 inch monitor kon betalen en een computer met behoorlijk veel ruimte op de harde schijf.
We spraken af dat hij 4 uren per dag mocht besteden aan websitebouw, schoolopdrachten en spellen, als hij trouw zijn trompetles en leerwerk en zijn huishoudtaak bleef doen. Hij beloofde dit natuurlijk grif. Nu wij enkele maanden verder zijn, moet ik de bedroevende resultaten onder ogen zien: de trompet wordt nauwelijks meer aangeraakt, schoolopdrachten worden opeens net voor of net over de deadline gemaakt, dat wil zeggen, dat hij zomaar ’s avonds om een uur of elf aan de opdracht begint en dan blijkt dat het dermate veel tijd kost dat de nachtrust er bij inschiet en zoonlief om 4 uur ’s morgens in bed duikt, zich verslaapt, zich naar school haast en de opdracht inlevert.
Dat is nog niet het ergste. Het vervelendst is de steeds weerkerende discussie over de verdeling van tijd over “nuttige” zaken en spellen doen. Deze spellen houden meestal in dat er mensen, soldaten, monsters of wat voor wezens dan ook gedood moeten worden om bepaalde doelen te halen. Ik begin te vrezen dat het mooie lijf, de ziel en het prachtige karakter van mijn lieve zoon wordt aangetast door dit nieuw verworven eigendom.

Generatie M
Lange tijd heb ik gedacht dat het mogelijk was mijn kinderen niet mee te laten sleuren door de multimediale samenleving, maar ik moet tot de conclusie komen dat ook zij behoren tot de Generatie M. Het is een grote zegen om in deze tijd te leven met zoveel ingangen tot bronnen van kennis. Ik vind het geweldig dat er zoveel mooie mogelijkheden zijn door internet- en computergebruik, maar tegelijkertijd vind ik het verschrikkelijk dat ook het misbruik ongelooflijk snel groeit. Het overweldigt mensen en zuigt hen mee regelrecht van God vandaan. Ik ben verplicht tegenover God, mijn man en mijn kinderen en al die andere ouders van tieners mijn ogen open te doen en na te gaan denken over de uitdaging die Generatie M aanreikt. Om op te staan en te gaan zoeken naar een nieuwe manier om onszelf en onze kinderen bewust te maken van de mogelijkheden en de gevaren van ons computergebruik. Tot mijn schrik heb ik ontdekt dat ook ik zelf ruime tijd schenk aan het beantwoorden van emails en het zoeken van informatie op het net en laatst zelfs mijn msn-mogelijkheid weer geactiveerd heb. Nog even en ook ik ben meegesleurd in de grote Multimediale stroom.

Redenen
De redenen dat kinderen en tieners binnen korte tijd verslaafd raken aan de computer zijn legio. Het lijkt heel erg veilig om in de beslotenheid van je eigen huis te kletsen met anderen via de pc. Je kunt anoniem meedoen in allerlei chatboxen. Je kunt met enige afstand meedoen in forums over allerlei interessante onderwerpen. Het maakt dat je zonder al te veel hobbels te hoeven nemen, meedoet in een sociaal circuit en dat voelt, alsof je een geaccepteerd mens bent. Je kunt je ‘vriendenkring’ eindeloos blijven uitbouwen en altijd wanneer het jou uitkomt contacten onderhouden. Niet alleen met msn- of chatbaxcontact, maar ook met allerlei spellen is het mogelijk om in teamverband te kletsen en te spelen. Het geeft heel veel plezierige spanning in je leven. Je zegt dingen die je op het schoolplein en in het verdere echte leven niet zo snel zou durven zeggen. Het kan je een machtsgevoel geven. In ieder geval geeft het een constante afleiding van de werkelijke wereld. Dit gevoel van plezier sluit naadloos aan bij de leugen die de Satan aan Eva vertelde: als je ervan eet, zul je als God zijn! Je hebt het gevoel dat alles mogelijk is, zonder dat je zelf echt gekend wordt. Je wilt dit gevoel elke dag en elk moment en als je op dit punt bent aangekomen, blijk je een verslaafde te zijn. Er is sprake van internetverslaving, als iemand met internetgebruik doorgaat, ondanks dat het problemen op één of meer levensterreinen veroorzaakt.

Gevolgen op korte termijn
Er zijn geen exacte cijfers van jongeren die internetverslaafd zijn, voorhanden. Wel heeft men onderzoek gedaan onder internetgebruikers. Nederland neemt de derde plaats in, als men kijkt naar het percentage internetgebruikers van 2 tot en met 17 jaar. 25 procent van de internetgebruikers zegt langer door te gaan dan men van plan was. 8 procent geeft aan wel eens tevergeefs geprobeerd te hebben het aantal uren te beperken en 7 procent geeft aan zich rusteloos en geïrriteerd te voelen, als ze niet kunnen internetten. Dit geeft voor een deel weer wat de korte termijn gevolgen zijn. Je verliest alle besef van tijd, je leeft in een soort roes. Je lijdt aan controleverlies, je kunt niet meer stoppen; er is een constante drive om door te gaan. Belangrijke taken komen in het geding. Het schoolwerk begint er onder te lijden. Je krijgt slaapgebrek en je krijgt last van ontwenningsverschijnselen, je voelt je onrustig en je bent snel boos.

Lange termijn gevolgen
Tieners zijn geneigd zich onzeker te voelen over hun uiterlijk. Zij plaatsen hun foto op allerlei sites, bijvoorbeeld HappyGirls.nl. Als ze dan complimenten krijgen, voelen ze zich gewaardeerd en krijgen meer zelfvertrouwen. Bij de groep horen is de belangrijkste reden om dit te doen. Voor zwak emotioneel-sociaal functionerende kinderen kan dit uitmonden in het zich laten misbruiken door anderen op allerlei manieren. De schoolresultaten zijn op den duur niet om over naar huis te schrijven. Voortdurend slaapgebrek zorgt ervoor dat er op allerlei gebied slecht gefunctioneerd wordt. Op lichamelijk terrein is er het gevaar van rsi, dat tegenwoordig CANS heet, maar in de slechtste vorm weinig toekomst meer biedt. De relaties en vriendschappen in het werkelijke leven verslappen en verdwijnen. Op geestelijk gebied kan er sprake zijn van groeiende onverschilligheid ten opzichte van God en weerstand om nog de bijbel te lezen of te bidden of deel uit te maken van een positieve jeugdgroep.

Tieners en het gepest via de computer
Stampend van boosheid komt een meisje mijn klas binnen. Ze schreeuwt tegen twee van haar klasgenoten de meest vreselijke dingen. Ik vraag wat er aan de hand is. Ze kan alleen nog maar roepen dat het echt afgelopen moet zijn met dat gepest. Later begrijp ik wat er aan de hand is. Al wekenlang zijn groepjes meiden elkaar via msn en sms aan het beschelden en pesten. Het gaat dag en nacht door. En op school komt het uiteindelijk tot een uitbarsting. Leerkrachten en ouders kunnen dan proberen met de leerlingen afspraken te maken, maar het kwaad is geschied. Het lijkt soms of jonge mensen niet begrijpen wat het met de ander doet, als ze zich bedienen van deze manier van machtsuitoefening. Soms handelen ze uit verveling of ze hebben zelf problemen of ze voelen zich eenzaam en depressief. Uit allerlei gevoelens kan multimediaal misbruik ontstaan. Het is zo snel en gemakkelijk dat ze zich amper verantwoordelijk voelen voor wat zij hebben gedaan. De grenzen zijn te snel overschreden en voor de gepeste is het moeilijk om nieuwe grenzen op te richten, waardoor de pester zijn of haar gevoel van macht weer verder kan exploiteren.

Cyberslave
Internetverslaving bestaat in vier vormen: cyberseks verslaving, cyberrelatie verslaving, internetspellen en informatiezucht. Naast alcohol, drugs, roken, gokken en eten is internetverslaving een relatieuithollende verslaving. De belangrijkste factoren die we kunnen aanwenden om onze tieners te weerhouden van risicogedrag op dit gebied liggen dan ook in de relationele sfeer. Familie, leerkrachten, leeftijdgenoten, klasgenoten, sportvrienden en andere vrienden kunnen er voor zorgen dat er toch gewerkt wordt aan het bouwen van relaties op alle niveaus. Maar ook het aanleren en oefenen van sociale vaardigheden als ‘nee’ kunnen zeggen, een standpunt kunnen bepalen en uiten, op de hoogte zijn van feiten en alternatieven kunnen aandragen, kunnen er zeker voor zorgen dat de computer niet de god in ons leven wordt.
Onlangs bleek in een uitzending van het tv-programma Zembla dat lang niet alle tieners het verschil zien tussen fantasie en werkelijkheid, Zo ontstaat een pornografische jeugdcultuur, waarin onvrijwillige seks en verkrachting steeds normaler worden. Na Zuid-Korea blijkt Nederland de meeste tieners te hebben met een vaste internetverbinding: 95% van de jongeren onder de 25 jaar heeft toegang tot het internet. Zij hebben tv, dvd, playstation en/of x-box, een mp3-speler, een mobiele telefoon, liefst met ingebouwde cam en natuurlijk de pc. Op profielsites als Sugababes staan meer dan twee miljoen jongerenprofielen. Het zijn complete jongerenplatforms met profielpagina, foto-tools, discussieforum en weblogs. De politie meldt dat het aantal zedendelicten met minderjarigen via internet in 2004 is verviervoudigd. Dit aantal is nog veel verder gestegen.
Jongeren zijn beïnvloed door het geweld op tv en in video- en internetgames. Zij berokkenen anderen schade of worden zelf makkelijker slachtoffer. Jongeren tussen de 11 en 16 jaar die een moeilijke thuissituatie hebben, zijn eerder geneigd om risicogedrag te vertonen, zowel in het werkelijke leven als in de virtuele wereld, alleen is de drempel in de laatste sfeer nog veel lager om dingen uit te proberen.

Geen verontschuldigingen
Afgelopen 2 jaren intensief bezig gehouden met de oorzaken, verschijningsvormen en gevolgen van risicogedrag van de jeugd. Doordat zij letterlijk horen en zien hoe de jongeren geestelijk, lichamelijk en sociaal kapot gaan aan hun eigen verkeerde keuzes hebben zij een lessenserie ontwikkeld die aan scholen en jeugdclubs wordt aangeboden: No Apologies. Het uiteindelijk doel van het geven van deze lessen is: de jongeren er van bewust maken dat er een keuze mogelijk is in deze wereld. Het hoeft niet zo te zijn dat je ten opzichte van je ouders, je toekomstige partner en kinderen je moet verontschuldigen voor je (vroegere) leefwijze. Je mag kiezen! Je kunt “nee” zeggen tegen zaken die niet goed voor je zijn. Ruim honderd vrijwilligers zijn getraind om deze lessen aan te bieden in een jeugdweekend of een deel van de week op scholen. Reacties van mensen ouder dan 16 zijn vaak: had ik dat allemaal maar geweten, toen ik 13 was! En reacties van deze leeftijd zijn heel positief.

Mijn oog gericht op Jezus.
De beste manier om kinderen iets te leren is niet preken, maar zelf doen wat ik zeg. Als ik zelf een verslaafde ben, heb ik geen recht van spreken. Dat betekent dat vaders en moeders die de gevaren van internetgebruik onderkennen zeker hun eigen leven onder de loep moeten leggen. Ik moet mezelf afvragen of ik niet te lang met de laptop op schoot zit en met anderen in contact ben. Ik moet mij afvragen of ik genoeg investeer in de relatie met mijn man en kinderen. Als ikzelf moeite heb om daarin verstandige keuzen te maken, hoe kan ik dan de volgende generatie begeleiden?
Er is heel veel nood onder de jeugd. Ik hoop dat ik kan voorkomen dat mijn zoon werkelijk een verslaafde blijkt te zijn. Ik hoop dat hij goede keuzes gaat maken. Het enige dat ik heb gedaan is: eisen dat de computer in de huiskamer staat en grenzen stellen aan het gebruik en bijsturen, als ik denk dat de grenzen worden overschreden. En wat ik gedurig doe is: bidden. Vragen aan God of Hij mij en deze prachtige jongen bij wil staan in onze zoektocht naar (geestelijke) volwassenheid en ons wil vormen naar Zijn beeld.

Frea Kroese

Dit artikel is gericht op jongelui en het is bedoeld om afstand te scheppen met de magische aspecten van deze hype
Tussen dreuzel en tovenaarsleerling
Dus jij bent ook een Potterfan? Voelt vast en zeker spannend en geheimzinnig om met zoveel jongens en meisjes en volwassen mensen hetzelfde te lezen en te bekijken. Heb je wel eens gedacht dat wat Harry allemaal kan, écht is? Misschien niet alles, maar wel een beetje, toch? Mag ik je eens iets vertellen?

Het lijkt mij best wel eng en griezelig om echt mee te maken wat Harry doet. Ik geloof het ook best wel een beetje. Niet alles natuurlijk. Ik heb nog nooit iemand met een Nimbus 2000 door de lucht zien vliegen, of op een onzichtbaar perron zien instappen. Maar die spreuken en die enge dreigende stemmen…..Daar krijg ik kippenvel van!
Ze zeggen dat het ook voor een groot deel écht waar is! Dat er dingen zijn die we niet kunnen zien maar wel kunnen voelen. Soms zijn we bijvoorbeeld bang voor iets onder ons bed. Dat is er niet, maar dat voelen we wel. Zo zijn er ook dingen die we voelen, niet kunnen zien, maar die wél echt zijn. Bijvoorbeeld tovenaars en heksen. Dat lijken fantasiemensen, maar ze bestaan echt!
Dat maakt me wel eens bang. Ik wil er niets mee te maken hebben. Ik ben geen saaie dreuzel maar een gewoon kind. Ik wil gewoon zijn. Ik wil geen tovenaarskind zijn. Ik wil mezelf zijn. Voetballen, computeren en m’n konijn knuffelen.

“Mam, ben ik zo saai?” vroeg ik aan mijn moeder.
“Welnee,” zei mijn moeder verbaasd. “Hoezo?”
“Ik voel me zo anders, als ik geen tovenaarskind wil zijn.”
“Maar kind, je bent wie je bent. Je mag gerust jezelf blijven. En er is Iemand in de hemel die veel van jou houdt. Dat is de Here Jezus. Niets moeilijks, geen toverspreuken. Hij heeft gezegd: “Laat de kinderen tot Mij komen.” Hij is een kindervriend. Is dat niet veel geweldiger?”

Pfoeh! Dus ik ben geen dreuzel als ik het best eng vind, die toverschool en wat daar allemaal gebeurt! Gelukkig, er is een God in de hemel die mijn leven wil leiden en mij beschermt, als ik het aan Hem vraag.
Voor wie het nog niet weet…
Harry Potter lijkt een heel normale jongen, hoewel . . . helemaal normaal is hij niet. Eigenlijk is hij heel speciaal en daarom past hij beslist niet bij zijn oom en tante (waar hij na het overlijden van zijn ouders woont), want die zijn maar gewone ‘dreuzels’.

Harry voelt zich buitengesloten, maar weet zelf niet dat hij bijzonder is . . . totdat hij brieven ontvangt om naar een speciale school voor toverkunsten te komen: de Zweinstein Hogeschool voor Hekserij en Hocus Pocus.
Daar leren Harry en zijn vrienden Ron Wemel en Hermelien Griffel alles om een volleerd tovenaar te worden. De volledige opleiding duurt zeven jaar (en zeven boeken). Daarin leren de studenten allerlei toverspreuken, bezweringen en vervloekingen, recepten van toverdranken, gedaantewisselingen, kortom, de hele hocus pocus. Op Zweinstein is toveren een manier om je te verdedigen, om achter de waarheid te komen, om mee te sporten; daar hoort toveren gewoon tot het dagelijks leven.

De avonturen van Harry lopen voor hem gelukkig altijd goed af. Dat komt door zijn toverij. Daarmee is hij beter dan zijn tegenstanders.
Maar . . . Er is helemaal geen verschil in toveren. Magische krachten blijven magische krachten. Hoe je ze ook gebruikt. Dat zeggen mensen die echt kunnen toveren. Vraag het maar na! Eigenlijk kan Harry die speciale krachten helemaal niet in bedwang houden. Ook niet met spreuken en zo. ‘Normale mensen’ (ook als je doet alsof) kunnen dat niet .
Wat vind jij?
In de boeken van Harry Potter kom je schokkende dingen tegen. Enkele voorbeelden:

Het was een stem, een stem die door merg en been ging, een stem vol angstaanjagend, kil venijn. “Kom . . . kom hier . . . ik wil je verscheuren . . . ik wil je openrijten . . .ik wil je doden.”
Het verbaasde Harry niets dat de Bloederige Baron, de uitgemergelde, starende geest van Zwadderich, die overdekt was met zilveren bloedvlekken, angstvallig gemeden werd door de andere spoken.
Terwijl de leraren zich over Joost en Henk bogen, barstte Foppe los in een lied:
“O Potter, ’t wordt steeds zotter, ’t wordt haast te dol,
Je moordt de halve school uit, gewoon voor de lol.”
De Basilisk had zich omgedraaid. Harry keek recht in zijn gezicht en zag dat zijn ogen, zijn enorme, gele, bolle ogen, waren uitgestoken door de feniks. Het bloed stroomde op de grond en de slang siste woedend, vol pijn en razernij.

Hoe reageer je daar nu op? Sommige grote kinderen vertellen je, dat ze daar best tegen kunnen, en bovendien: het is maar een verhaal! Maar ik ga ervan dromen en krijg er soms nachtmerries van. Die beelden gaan niet meer weg, het lijkt wel alsof ze steeds erger worden. Daar zit iets anders achter – maar wat?
Wat vind jij bijvoorbeeld van de dementors, de bewakers van de gevangenis van Azkaban? Zij zijn in staat om alle gelukkige gevoelens uit je weg te halen en voeden zich met de zielen van hun slachtoffers, zoals Vilijn ook toegeeft: “Ik werd sterker en sterker door dat dieet van haar grootste angsten, haar duisterste geheimen. . .”

Ik ken iemand die alle mensen bang wil maken! De duivel.
Het verhaal van Harry Potter mag dan verzonnen zijn, maar achter de verhalen zit een gruwelijke werkelijkheid. Het is de wereld van de duivel, de tegenstander van God en de mensen. De auteur, mevrouw Joanne Rowling, kan wel zeggen, dat zij er niet in gelooft, toch roepen haar boeken die wereld op: de wereld van satan en zijn demonen. Daar moet je niet mee spelen of spotten; dat hebben duizenden kinderen al meegemaakt die ‘voor de grap’ geesten gingen oproepen (bijvoorbeeld met glaasje draaien) en tot hun schrik merkten dat zij in hun macht kwamen. Wat hen werd voorspeld, kwam inderdaad uit, soms zelfs de dood. Bezweringen en vloeken blijken dan echt te werken! Sommigen leven daardoor in grote angst. Anderen krijgen ‘visioenen’ en ‘stemmen’ die hun leven kapot maken of krijgen akelige ‘opdrachten’ die ze moeten uitvoeren. Zij leerden te laat een belangrijke les:

Je moet niet denken dat je met de duivel en zijn geesten kunt spelen.

Wanneer je het toch probeert, zul je merken dat jij hun speelbal wordt.

Waar ligt de grens?
Misschien ben jij een van de velen die zich in Harry Potter herkennen. Want wie voelt zich soms niet miskend of buitengesloten? Dat geeft een speciale band en daardoor kun je goed met hem meeleven. Maar pas op! Zo kun je je ook makkelijk openstellen voor dingen uit de wereld waar Harry terechtkwam of waarin hij thuishoort. Het is echt gevaarlijk als je wordt uitgedaagd om zelf eens iets te proberen.

De schrijfster zegt niets te begrijpen van al die herrie om Harry. Over de toverij en hekserij in haar boeken zegt zij: “Mijn betoverde wereld is een wereld van de verbeelding. Ik denk dat het een morele wereld is.” Maar anderen leiden uit haar uitspraken af dat de inhoud van haar boeken haar worden ‘ingegeven’ door een echte tovermacht.
Vast staat dat zij een wereld oproept waarin men creatief met toverij omgaat en waardoor kinderen occultisme en satanisme in hun wereldbeeld opnemen.

Afblijven dus! Want – en dat zal je opnieuw verrassen! – met al die bezweringen en vervloekingen in het boek roep je echt een wereld op waarop je niet bedacht bent. De wereld waarin de Potter-boeken je leidt is geen verzinsel waarmee je kunt spelen.
In plaats van de toverspreuken die je samen met Harry zou gaan leren, maken we je attent op een krachtterm (geen vloek!) die de apostel Paulus wel eens gebruikt. Dat is de Griekse uitdrukking: me genoito. Daarmee neemt hij afstand van iets waarmee hij het helemaal oneens is en daardoor onttrekt hij zich aan de invloed ervan. In het Nederlands zouden wij zeggen:

Absoluut niet! Geen sprake van!

Verre van dat! Houd afstand!

Dat zou ook jouw idee moeten zijn als het Potter-denken zich aan je opdringt: 
Ga er niet in mee, maar onttrek je eraan. 
Je bent geen dreuzel , . . maar wordt ook geen tovenaar. 
Wees gewoon jezelf en kies voor het LEVEN dat God je biedt!

Kind op maandag is de meest-gebruikte methode voor wat vroeger heette ‘Bijbelse geschiedenis’. Tegenwoordig gebruikt men liever de term ‘geloofsverhalen’. B&O vroeg een pedagoge en een theoloog om hun reactie, door mevr. drs. M. Vrijmoeth-de Jong.
Naar aanleiding van ‘Kind op maandag’
Geloofsopvoeding in de school
Werken met ‘Kind op maandag’

Als aanvulling hierop:
Beoordeling van Kind en zondag (voor zondagsscholen) uitg. NZV, Amsterdam

Beoordeling van de methode Leven met Toekomst, uitg. Kok, Kampen

INHOUD:

door mevr. drs. M. Vrijmoeth-de Jong

1. VERANTWOORDING

2. EEN AANTAL VRAGEN

3. DE DOELSTELLINGEN VAN KIND OP MAANDAG

4. BEZWAREN TEGEN DE DOELSTELLINGEN

5. GELOOFSOPVOEDING

6. BEZWAREN TEGEN DE DIDACTIEK EN DE VERTELSCHETSEN.

7. DUIDELIJKE VOORBEELDEN


door ds. D. Westerneng

8. KIND EN ZONDAG–NEE!

9. KIND EN ZONDAG–EEN SYSTEMATISCHE WEERGAVE
door drs. R.H. Matzken

10. LEVEN MET TOEKOMST

11. BEOORDELING VANUIT DE BIJBEL

12. HET WOORD IS BEELD AAN ‘T WORDEN

Hieronder volgen de punten 1, 4 en 6/7
1. INTRODUCTIE Verantwoording
“Weten wat je doet is altijd van belang. In onderwijs en opvoeding is dat van groot belang. Maar als het gaat om het hart van onderwijs en opvoeding, kinderen leren geloven, dan is welbewust handelen van het allergrootste belang”. Deze woorden staan in het Voorwoord van de brochure, die de Nederlandse Zondagsschool Vereniging in 1992 uitgaf als handleiding bij het gebruik van de methode, die zij uitgeeft voor geloofsopvoeding in de basisschool, Kind op Maandag.

‘Kind op maandag’ is de meest gebruikte methode voor geloofsopvoeding in het basisonderwijs in Nederland. En het verheugt mij, dat de schrijvers met deze brochure een verantwoording geven van de uitgangspunten en doelstellingen, die zij bij Kind op Maandag hanteren. Schoolbesturen, ouderraden, schoolteams, ouders en anderen, die zich verantwoordelijk weten voor de geloofsopvoeding van de kinderen, die aan hun hoede zijn toevertrouwd, worden nu in staat gesteld zich op deze methode te bezinnen. Op grond van wat in deze brochure staat, kunnen ze er over nadenken en zich erover uitspreken of ze Kind op Maandag verantwoord vinden.


4. BEZWAREN TEGEN DE DOELSTELLINGEN
* De geloofsopvoeding, zoals ‘Kind op maandag’ nastreeft, neigt naar een vorming in het humanisme, met name de ontplooiing van de autonome mens.

Een dergelijk opvoedingsdoel is te vergelijken met het doel van het openbare onderwijs in de vorige eeuw, namelijk een opvoeding tot algemeen christelijke deugden. Omdat onze voorouders niet tevreden waren met een dergelijke opvoeding hebben zij geijverd voor eigen ‘Scholen met de Bijbel’.
Zij stelden als doel voor die scholen, die zij zelf moesten bekostigen, dat de kinderen God zouden leren kennen als Schepper en Vader en Jezus Christus zouden leren aanvaarden als hun Heer en Verlosser. Het onderwijs moest niet gaan om de kennis van waarden, normen en deugden, maar om het kennen van Jezus Christus als Redder van zonde en dood. Om dat doel te bereiken is de schoolstrijd gevoerd en zijn er toen grote financiële offers gebracht.

* In de doelstellingen van ‘Kind op maandag’ wordt niet gesproken over het doel de kinderen bekend te maken met de kern van het Evangelie, zoals die samengevat is in de volgende punten:
a. Wie God is. Hoe Hij zich toont in de Bijbel als Schepper, Verbondsgod, God van liefde, rechtvaardigheid, trouw en als Vader van hen, die Jezus Christus in geloof aanvaarden (Godskennis).
b. Wat zonde is. Hoe de mens van nature zich van God afkeert en Hem negeert en hoe satan en het kwaad regeren op aarde en in elk mens, die zich niet tot God bekeert (zondebesef).
c. Hoe de verzoening tussen God en mens heeft plaats gevonden door de dood van Jezus, Gods Zoon en hoe zo de mogelijkheid tot verlossing van ieder mens uit de macht van satan door het geloof in Jezus Christus ontstaan is (verlossing).
d. Dat een mens alleen vergeving van zonden en bevrijding uit de macht van satan krijgt door persoonlijk gehoor te geven aan de oproep van God tot geloof en bekering (wedergeboorte).
e. Dat God de heiligmakende en vernieuwende werking van Zijn Heilige Geest geeft in het persoonlijke en gemeentelijke leven van alle gelovigen (heiligmaking).


6/7. BEZWAREN TEGEN DE DIDACTIEK EN DE VERTELSCHETSEN

‘Kind op maandag’ in de praktijk
De tweede helft van de brochure geeft een aantal voorbeeldbladzijden, waaruit opgemaakt kan worden hoe ‘Kind op maandag’ in de praktijk werkt.
De voorbeelden in deze brochure betreffen alle een verhalenserie van een aantal weken over Abraham onder het motto “Hoe zullen zij dan wonen”, die begint in de week voor Pinksteren. De verbinding met Pinksteren wordt gelegd in het feit van het nieuwe begin. Abraham wordt door God gebracht in een land, dat dor en droog is, dat als het ware nog braak ligt. Hij moet zijn best doen om het bewoonbaar te maken. Pinksteren draagt de belofte in zich dat er vruchten zullen komen. Iedereen zal zich moeten inspannen om zijn omgeving leefbaar, bewoonbaar te maken.

De voorbeelden van vertelverhalen demonstreren precies welke bezwaren er tegen deze methode zijn in te brengen. Zonde en schuld, verlossing en vergeving komen in deze verhalen en toelichtingen niet voor. Zelfs in het geval van het verhaal van Sodom wordt alleen gesproken over tekortschieten. De mensen van Sodom denken alleen aan zichzelf en hebben niets over voor de medemens. Er is geen sprake van zonde en ongerechtigheid, van het negeren van God en Zijn richtlijnen voor het leven en helemaal niet van de rechtvaardige boosheid van de HERE over Zijn schepselen, die zich niets van Hem aantrekken en hun eigen zin doen. Kinderen leren door zulk een uitleg niet wat zonde en ellende is en dus horen ze ook niet van verlossing, bekering en vergeving. Pinksteren is in deze ‘Bijbelse theologie’ niet het verhaal van de komst van de Heilige Geest, die overtuigt van zonde en oordeel, die geloof en bekering in het hart van de mens en ook van het kind wil bewerken en die in de mens, die gelooft komt wonen en kracht geeft om vol te houden. Dat er geen oog is voor deze belangrijke daden van God, waaruit Zijn liefde en genade blijken, is het grote bezwaar tegen de methode ‘Kind op maandag’.

Is de bijbel een boek waarin God tot mensen spreekt, of een boek waarin mensen over God spreken? Het antwoord op deze vraag bepaalt in grote mate je visie op Israël.

Als dat bijzondere boek niet meer is dan een weergave van hoe mensen op een bepaald moment dachten over God, dan hoeven we daar geen consequenties aan te verbinden. Deze weergave hoeft namelijk niet juist te zijn en is voor velerlei uitleg vatbaar.
Mensen die op deze manier de bijbel lezen, hechten geen waarde aan de waarheid van de verhalen. Voor hen gaat het om de lessen die we er uit kunnen halen. Zo hield een dominee zijn gehoor onlangs voor dat het niet van belang is of het volk Israël werkelijk in Egypte is geweest. Het ging er volgens hem alleen om dat wij kunnen leren van de houding van de joden in die moeilijke situatie. Volgens hem en velen met hem, is de bijbel geen geschiedenisboek, maar meer een boek met leerzame verhalen. Op die manier wordt het Woord van God eigenlijk verlaagd tot een soort sprookjesboek.

Israël gemeden
Deze manier van bijbellezen komen we ook steeds meer tegen in het christelijk onderwijs. Daarbij staat vorming van de kinderen voorop. Zaken als zonde en vergeving spelen geen rol van betekenis. Laat staan de plaats van Israël in Gods heilsplan. Israël is enkel een voorbeeld van hoe het wel of niet moet. Een verband met het Israël uit de bijbel en de huidige staat wordt daarbij uiteraard niet gelegd. Dat is zelfs onwenselijk. De berichten uit Israël stroken namelijk niet met het ‘sprookje’ van de kleine David tegen de reus Goliath. Zolang Israël onderdrukt en zwak is, kan misschien nog op onze sympathie rekenen. De bijbel leert ons immers op te komen voor de zwakke. Een Israël, dat onafhankelijk is en in militair opzicht de meerdere, spreekt minder tot de verbeelding. Eigenlijk verstoort de moderne staat Israël het ‘sprookje’ Israël. Het is mede daarom dat in sommige godsdienstmaterialen voor het basisonderwijs de naam Israël zoveel mogelijk wordt gemeden. In plaats daarvan noemt men Israël: volk van God, Judeeërs of Hebreeërs. Gaat het om het land Israël, dan wordt er bijvoorbeeld gekozen om te volstaan met ‘het land’. Zo wordt voorkomen dat de kinderen het Israël van de bijbel verwarren met het Israël ‘van het Jeugdjournaal’.

De bijbel schrappen?
Maar wat als de bijbel meer is dan een verzameling leerzame verhalen? Wat als dat boek wel geschiedkundig is en zelfs spreekt over de dingen die we vandaag de dag zien gebeuren? Dan is het juist van het allergrootste belang deze Openbaring als een Waarheidsgetrouw boek te beschouwen. Dan wordt het tijd om de bijbel niet langer aan te passen aan ons idee van de werkelijkheid, maar om de werkelijkheid te ontdekken in dat boek.
Toen de Palestijnse Bevrijdings Organisatie (PLO) werd opgeroepen haar handvest, waarin staat dat Israël moet verdwijnen, te wijzigen, zei een hoge PLO functionaris dat we van de joden toch ook niet verwachten dat ze de bijbel schrappen. Dat was een interessante opmerking. Misschien begreep deze man wel beter dan veel christenen, dat in de bijbel concrete uitspraken staan over Israël. Uitspraken die ook nu nog van toepassing kunnen zijn.

Het Woord van God staat vol met teksten over het herstel van het land en de terugkeer van de joden naar Israël. Beloften die we vandaag de dag voor onze ogen, werkelijkheid zien worden. Het is dan ook moeilijk te begrijpen dat zo veel mensen de huidige staat Israël los proberen te weken van de bijbel. Het negatieve beeld dat bestaat over de staat Israël mag daar geen reden voor zijn. Naast het feit de media op zijn zachtst gezegd een éénzijdig beeld van de gebeurtenissen in Israël geeft, moeten we toch begrijpen dat er ook in de tijd van de bijbel mensen goede en slechte beslissingen namen? Waarom verwachten we nu dan van de joden dat ze het land besturen zonder daarbij fouten te maken?

Israël in de klas
Gelukkig zijn er ook veel scholen die de bijbel wel zien als het Woord van God. Het is namelijk juist dat boek dat ons de informatie geeft die nodig is om de situatie in Israël te begrijpen. De bijbel vertelt ons waarom Israël de weg moet gaan die het gaat. En het maakt ons duidelijk welk wonder het is dat God zijn volk weer bijeenbrengt in een land dat Hij het Zijne noemt. We hoeven niet bang te zijn dat deze stof het bevattingsvermogen van de kinderen te boven gaat. De ervaring leert dat zij dat prima begrijpen. Juist het niet bespreken van deze dingen zal kinderen later, als zij naar het (openbaar) voortgezet onderwijs gaan, voor moeilijkere vragen plaatsen.

Daarnaast spelen leerkrachten een grote rol bij het voorkomen van antisemitisme.

Elie Wiesel, overlevende van Auschwitz en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, heeft gezegd dat onderwijs het enige antwoord is op jodenhaat. Het is dan ook de taak van leerkrachten om kinderen goed te informeren over Israël en laster te weerleggen.
Laten we niet voor de ‘makkelijke’ weg kiezen door Israël uit onze lessen te weren. Daarmee geven we alleen maar toe aan de wens van de Arabische wereld om de band tussen land en volk te doorbreken. Leiders in de Arabische wereld roepen op om Israël van de kaart te vegen. Laten wij er op toezien dat Israël niet van het schoolbord wordt geveegd.

Eric Vink


Jakobus, een apostel in ruimere zin, was een van de steunpilaren van de joods-christelijke gemeente in Jeruzalem (Gal. 1:19; 2:9; Hand. 15:12-21). Joodse christenen hielden vast aan de joodse levensstijl. Jakobus richt zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing, dus aan joodse christenen. Het is ook de enige brief in het NT, waarin nog sprake is van een synagoge (2:2). Die achtergrond mogen wij, juist in deze perikoop, niet uit het oog verliezen. Wat nu bedoelde Jakobus te zeggen en wat niet?

Is iemand bij u ziek?(astheneoo: zwak of ziek zijn)
Jakobus gaat er dus van uit dat ook een wedergeboren christen in dit leven op aarde ziek kan worden en ziek kan zijn. De bewering dat een kind van God niet ziek hoeft te worden of te blijven, mist iedere bijbelse grond. Nu heeft het nog een “vernederd lichaam”. Ook christenen moeten sterven (Hebr. 9:27). Het lichaam is nog niet verlost. Daarom wachten zij op de verlossing van het vergankelijke lichaam, dat eens door de Here Jezus Christus “aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig gemaakt” zal worden (Rom. 8:23; Fil. 3:21). “In die hoop zijn wij behouden. Maar hoop die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet?” (Rom. 8:24-25). De dood, en dus ook ziekte, handicap, zwakheid en ouderdomskwalen, bestaan pas op de nieuwe aarde niet meer (Op. 21:4).

God wil dat Zijn kinderen gezond zijn’ !?
Ook de bewering ‘God wil dat wij gezond, gelukkig en rijk zijn’ (zgn. prosperity gospel, welvaartsevangelie) mist iedere bijbelse grond. Hoewel een christen met alles, dus ook met zijn ziekte, naar zijn Here en Heiland mag gaan, blijft de bede: ‘Uw wil geschiede, laat Uw naam op Uw wijze in mij en door mij verheerlijkt worden!’ Wij weten immers niet altijd wat Gods bedoeling met Zijn kind is. Wij mogen persoonlijk om wijsheid bidden of voorbede voor wijsheid doen opdat onderkend wordt, wat in de concrete situatie de wil van God, de Vader, is (Jak. 1:5; Rom. 12:1,2; Ef. 5:17; Kol. 1:9). Het NT kent echter geen algemene belofte van gezondheid, die een christen dan zou mogen of zelfs zou moeten ‘claimen’. De apostel Paulus schrijft: “Dat wil God: uw heiliging, …”! (1Thes. 4:3).Gods uitdrukkelijke doel met Zijn kinderen is dat zij omgevormd worden tot gelijkvormigheid aan het karakter, aan de gezindheid van Zijn Zoon Jezus Christus. Daarom “weten wij dat God alle dingen doet meewerken ten goede” (Rom. 8:29-30). Zwakheid en ziekte worden bij “alle dingen” niet uitgezonderd. “De wil van God in Christus Jezus” is eveneens onze dankbaarheid onder alle omstandigheden (1Thes. 5:18).

Om welke zieke gaat het hier eigenlijk?
In vers 15 wordt de zieke nader aangeduid als ‘lijder’ (Grieks: kamnoon: “de gebruikelijke aanduiding voorstervenden en gestorvenen”, F. Rienecker, Sprachlicher Schlüssel zum Griechischen Neuen Testament). Het gaat hier dus uitsluitend om een zieke gelovige, die op zijn sterfbed ligt en daarom te zwak is om zelf naar de oudsten te gaan. Dus niet iedere zieke moet de oudsten van de gemeente tot zich roepen, maar hij met een fysieke tuchtiging van God, die tot de dood leidt. Bovendien wil deze letterlijk doodzieke christen vóór zijn heengaan nog een pastoraal gesprek. In Jak. 5 gaat het dus om een heel specifieke situatie en niet om een ziekbed in algemene zin. Een direct verband tussen Gods tuchtiging vanwege onbeleden zonde enerzijds en zwakheid, ziekte en dood van gelovigen anderzijds vinden wij in 1 Kor.11:27-34. De rijkere christenen zondigden bij het Avondmaal tegenover hen, die hongerig aan tafel zaten. “Daarom zijn er onder u velen zwak en ziek en er ontslapen niet weinigen”. Opmerkelijk, dat Paulus, apostel der heidenen, deze vooral heiden-christelijke gemeente niets over het joodse gebruik van medische zalving met olie schrijft.

Schuldbelijdenis op het sterfbed
“En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkaar uw zonden …” (5:16a). Het woord “daarom” laat zien dat in vers 15b sprake is van schuld, die de doodzieke nog graag wil belijden. Daaruit mag natuurlijk nooit de conclusie worden getrokken dat er bij elke ziekte een concrete persoonlijke schuld in het spel moet zijn.

De oudsten van de gemeente
Waarom moeten juist de oudsten van de gemeente worden geroepen? Waarom niet een willekeurig andere christen, eventueel uit een andere plaats, uit een ander land of ook uit een andere gemeente, bv. met een gave van genezing? De oudsten zijn leidinggevende en verantwoordelijke gelovigen, die waken over het innerlijk leven van hun gemeenteleden, dus ook over dat van (ernstige) zieken. Zij moeten rekenschap afleggen van deze taak (Hebr 12:17). Van hen wordt geestelijke rijpheid en geestelijk inzicht verwacht, zodat zij kunnen onderscheiden of de schuldbelijdenis volledig en het berouw oprecht is – niet een schijnvertoning als bij koning Saul (1Sam 15:30). Jakobus spreekt van oudsten (meervoud), misschien in verband met Deut 19:15; Matth 18:6; 2Kor 13:1. Als christenen uit de Joden wisten zij maar al te goed dat een niet beleden zonde in het leven van één het geheel aangaat, zoals bv. in Jozua 7 blijkt. De oudsten zijn gezaghebbende vertegenwoordigers van de gemeente, waartoe de (ernstige) zieke behoort. Met name de oudsten zijn als vertrouwenspersonen tevens tot geheimhouding verplicht.

De initiatiefnemer
Het initiatief moet van de ernstig zieke uitgaan: “Laat hij de oudsten tot zich roepen”, als teken dat hij met God en de naaste in het reine wil komen. Juist daarom moet deze de oudsten met hun pastorale taak roepen. In alle andere ziektegevallen mag vanzelfsprekend ook iedere christen voorbede voor een ziek gemeentelid doen. Er zullen wel nauwelijks gelovige echtgenoten, (groot)ouders, kinderen, vrienden en kennissen zijn, die nog nooit in geval van ziekte voorbede hebben gedaan. En is er ooit een predikant of voorganger die nog nooit voor een ziek gemeentelid heeft gebeden? Gebed voor zieken in de gemeente hoeft dus op zich niet ‘herontdekt’ te worden.

De voorbede van de oudsten
Na oprechte, concrete en grondige schuldbelijdenis doen de oudsten voorbede (“opdat zij over hem bidden”). De doodzieke blijft in verband met zijn zwakheid bij de voorbede in bed liggen. Er is geen sprake van handoplegging (in het NT uitgedrukt door επιθεσις των χειρων of επιτιθημι την χειρα /τασ χειρασ).Tot het profiel van oudsten behoort ook niet een bijzondere gave van genezing (1Tim 3:2-7; Titus 1:6-9). Er staat bovendien “de” oudsten in het algemeen.

De olie (Grieks:elaion, 1. olie, als in Mat 25: 3,4; 2.zalfolie,als in Luk 7:46 en Jak 5:14)
In Israël hield men veel van geurige zalven. Men gebruikte het voor de dagelijkse verzorging, reiniging en parfumering van het lichaam. Het achterwege laten van zo’n zalving was een teken van rouw (Dan. 10:3). In de tijd van het Nieuwe Testament placht men ook gasten te zalven. Dat gebeurde op het hoofd als teken van eerbied of van liefde en dankbaardheid (Luk. 7:46,47; Matt. 26:6-13, muron, zalfolie). Voor ‘cosmetisch zalven’ van het hoofd bij vasten, zie Matt. 6:17.

De (religieuze) zalving van bepaalde personen voor een bepaalde taak in het oude Israël
Bepaalde mensen zoals koningen, priesters en de profeet Elisa werden voor hun bepaalde taak in Israël afgezonderd, toebereid en gewijd. Niet alle koningen ontvingen de zalving tot koning, alleen Saul, David, Salomo, Jehu en Joas. De enige keer dat de zalving tot koning gepaard ging met een directe werking van Gods Geest is die van David: “Van die dag af greep de Geest des Heren David aan” (1Sam. 16:13). David noemde zichzelf “Zijn (Gods) gezalfde” (o.a. Ps. 18:51). Omgekeerd noemde God David “mijn gezalfde” (Ps. 132:17). De bewering dat deze zalving met olie ‘steeds gepaard’ ging met een werking van Gods Geest, en ‘olie daarom’ een door God gegeven ‘geestelijk symbool’ is of een ‘symbool van de Heilige Geest’, óók in Jak. 5, is onjuist. In Jak. 5 is geen sprake van zalving tot een bepaalde taak.

De (lichamelijke) zalving (Grieks: aleiphoo) in de gezondheidszorg in het oude Israël
Er werd met olie gezalfd ter voorbereiding voor de begrafenis (Mark. 14:8; 16:1; Joh. 11:2; 12:3) als ook voor het balsemen van lijken (zoals dat bij Jakob is gebeurd). Zalven met olie deed men tevens ter verzachting van pijn, ter behandeling van wonden (desinfecteren) en genezing (vgl. Luk. 10:34; 2Kron. 28:15; Jes. 1:6). De door de Here Jezus uitgezonden discipelen “zalfden vele zieken met olie en genazen hen” (Mark. 6:13). Daarom sprak Jakobus tegenover de joods-christelijke oudsten over het bij de Joden gebruikelijketherapeutische zalven, letterlijk insmeren met olie (Jak. 5:14, Grieks aleiphoo).

Wij leren daaruit dat het “gelovige gebed” en medische hulp elkaar niet uitsluiten! Het is niet alleen onverantwoord, maar ook onrechtmatig om tegen een zieke te zeggen: ‘Als je wilt dat wij met je bidden naar Jakobus 5, moet je stoppen met alle medicijnen en met iedere medische behandeling, je mag ook niet meer naar de dokter gaan’. Maar het gebruik maken van de gezondheidszorg is niet een teken van ongeloof.Aan de andere kant moet men waken voor bijgeloof in de olie (‘heilige’, ‘gewijde’ of ‘gezegende’ olie!), en/of in de zalving (als ‘helend sacrament’). Ook als men beweert dat de huidige praktijk ten aanzien van zieken “gereduceerd is tot pastoraat en gebed”. Olijfolie is geen wondermiddel en zalving geen voorwaarde voor Gods ingrijpen! Het joodse gebruik van medische zalving met olie is op zich bijzaak. Hoofdzaak zijn de oprechte, concrete en grondige schuldbelijdenis van deze ernstig zieke en het gelovig gebed van de oudsten. In deze specifieke situatie is er de belofte dat het gelovig gebed de doodzieke zal redden (Grieks:sooizoo:1a voor de dood bewaren; 1b. uit een levensbedreigende situatie redden; enz. W. Bauer in: Wörterbuch zum Neuen Testament). En de Here zal hem oprichten zodat hij kan opstaan. Voor oprichten vgl. Mark. 1:31; 9:27. In direct ver-band met de verzen 14-16 volgt het voorbeeld van Elia. God kan de Zijnen tuchtigen, maar wil zijn fysieke tuchtiging opheffen na ernstige voorbede in aansluiting op verootmoediging en schuldbelijdenis. Jakobus vijf is geen beschrijving van een ‘methode’, waarmee men genezing van zieken ‘in zijn greep’ kan krijgen. Het garandeert niet genezing van zieken in het algemeen. Wij moeten ons binnen de perken van deze gegevens houden.

De nieuwtestamentische gelovige en de (geestelijke) zalving (Grieks: chrioo) met de Heilige Geest (1Joh 2:20-27)
Er zijn opmerkelijke verschillen met de zalving tot een bepaalde taak in het OT en met die in Jak 5. In het OT werden slechts enkele, bepaalde mensen met olie gezalfd, en wel voor een bepaalde taak. In het NT. is ieder kind van God gezalfd met de Heilige Geest, maar niet voor een bepaalde taak en tijd. Ze staat in verband met de mogelijkheid en noodzaak om antichristen te onderscheiden, ook als zij uit de gemeente voortkomen en loochenen dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens is (1Joh 2:22-23; 4:1-3). ‘Anti’ betekent echter niet alleen ‘tegen’, maar ook ‘in de plaats van’. Iedere verkondiging en zielszorg, waarbij de mens (zijn verstand, zijn gevoel, zijn ervaring), Maria of ook de Heilige Geest met Zijn bijzondere gaven in het centrum staatin plaats van Christus Jezus,zijn in feite antichristelijk. Om dat geestelijk te kunnen onderscheiden zijn grondige bijbelstudie en deze zalving met de Heilige Geest onmisbaar. Dat is uiteraard niet een uiterlijke, lichamelijke kwestie met olijfolie (zoals bijvoorbeeld in Jak 5, Gr.aleiphoo), maar een innerlijke, geestelijke zaak (Gr. chrioo)! Een ander groot verschil is dat het uitsluitend God Zelf is, die Zijn kind geestelijk gezalfd heeft, en wel reeds bij de geboorte uit Hem (2Kor 1:21-22). Daar komt geen mens aan te pas! Ook daarom kan in Jak 5:14 van een zalven door een méns met ‘olie als symbool’ of ‘teken (van de gaven) van de Heilige Geest’ nooit sprake zijn! Er is dan ook geen enkel bijbels voorbeeld van een persoonlijk gebed om of voorbede voor de nieuwtestamentische zalving met de Heilige Geest. Immers: “De zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u” (1Joh 2:27). Deze door God gegeven geestelijke zalving is echter geen vervanging van grondige bijbelstudie en een geheiligde levensstijl!
De zalving met de Heilige Geest van Gods kind met het oog op hen “die u misleiden” (1Joh. 2:26) verschilt ook principieel van Gods zalving van Jezus Christus voor Zijn unieke taak met Zijn unieke legitimatie als de door God beloofdeMessiasen Zoon van God Jes. 61:1-3; Luk. 4:18-21:heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld; Hand. 2:22; 10:38). Het is onjuist en misleidend om beide op één lijn te stellen om daarmee zogenaamd te ‘bewijzen’ dat wij ‘dezelfde’ taak en volmacht hebben als de Here Jezus overeenkomstig Jesaja 61 had!

Bij identificatie gaat het om veiligheid en betrouwbaarheid. Het begrip biometrie wordt o.a. nader bekeken.

 

Aanslag op markt in Bagdad ANP

Zulke koppen zijn uit onze dagbladen bekend. Door de ideologische strijd zijn velen de dupe en is van veiligheid geen sprake. In onderstaand artikel schrijft Jaap Spaans, een deskundige op het gebied van identificatie en biometrie, over de ideologische strijd en veiligheid in Nederland. Hij laat zien welke aanslag op de privacy van ons en onze kinderen plaatsvindt.

Veiligheid en betrouwbare identificatie

Om de samenleving veiliger te maken moet de overheid drastische maatregelen treffen: een ervan is de invoering van moderne identificatiesystemen op basis van computertechnologie. De komende jaren zullen we in alle sectoren van de samenleving te maken krijgen met biometrie, chiptechnologie en nummeridentificatie. Sinds de terreuraanslagen van september 2001 heeft veiligheid topprioriteit. Niet dat de samenleving voor die tijd zo veilig was. Integendeel. Al een aantal decennia is er sprake van verharding en verruwing en een toename van terreur, criminaliteit en huiselijk geweld. Zelfs op plaatsen waar men zich vroeger veilig voelde, zoals ziekenhuizen en zorginstellingen, lijkt de onveiligheid nu toe te slaan. Ook aan het onderwijs is deze zorgelijke ontwikkeling niet voorbij gegaan. Het buitenland ging ons voor met een aantal geweldsexcessen. In april 1999 vond er een bloedbad plaats op een highschool in Littleton in de VS. Twee scholieren vermoordden twaalf medeleerlingen en een leerkracht en sloegen vervolgens de hand aan zichzelf. De daders zouden zijn beïnvloed door gewelddadige spelen en videogames. In april 2002 schoot een ex-scholier van een gymnasium in de Duitse stad Erfurt veertien leraren, twee medeleerlingen en een agent dood. Ook hij sloeg de hand aan zichzelf. In januari 2004 werd een leerkracht van het Haagse Terra College vermoord. Een geschokte minister-president Balkenende verklaarde dat hier geen sprake was van een incident. ‘Het is een probleem dat dieper zit’.1 Alleen een brede aanpak van de problematiek kan nog effect sorteren. Werken aan veiligheid onder jongeren betekent dat er een beleid moet komen dat gericht is op preventie, in voorkomend geval een snelle reactie van politie en justitie en een goede nazorg.2 Goede beveiliging, betrouwbare identificatie en dossiervorming zijn belangrijke aspecten van een veiligheidsbeleid. Ten aanzien van het veiligheidsbeleid dat nu gestalte begint te krijgen, kun je stellen dat er sprake is van een identificatierevolutie. Reden dus om het begrip ‘Identificatie’ eens nader onder de loep te nemen.

Identificatie

Identificatie betekent ‘het vaststellen of verifiëren van iemands identiteit’. Toen het kabinet in 2002 besloot tot de invoering van de uitgebreide identificatieplicht, was dat onderdeel van een breed pakket aan maatregelen om Nederland veiliger te maken en criminaliteit en overlast te verminderen. In de praktijk betekent het dat vanaf 1 januari 2005 ook de scholier van 14 jaar en ouder die op weg is naar school, zich moet kunnen legitimeren. Als het om identificatie gaat, dient het begrip veiligheid overigens ruim te worden geïnterpreteerd. Ook ter voorkoming van fraude en misbruik van informatie is het van belang dat iemands identiteit op betrouwbare wijze wordt vastgesteld. Steeds meer financiële transacties vinden immers elektronisch plaats en we communiceren ook steeds vaker op afstand via (mobiele) telefoon en Internet. Overheid en bedrijfsleven worden steeds afhankelijker van deze technologie en in het verlengde daarvan is er een groeiende behoefte om informatiestromen en elektronische dossiers optimaal te beveiligen. Ik verwacht dat de komende jaren de lastige pincodes en wachtwoorden zullen verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe, meer betrouwbare identificatiesystemen op basis van biometrie en chiptechnologie.

Biometrie

Biometrische identificatie houdt in dat met behulp van een computer iemands identiteit wordt vastgesteld aan de hand van unieke lichaamskenmerken als de stem, het gezicht, de samenstelling van de iris of digitale vingerafdruk. Het unieke lichaamskenmerk wordt ‘gemeten’ en opgeslagen op een pasje of in een (centraal) computerbestand. Bij een identificatiepunt, bijvoorbeeld de toegang tot een overheidsgebouw, bedrijf of school, wordt het unieke lichaamskenmerk met behulp van een sensor gemeten en vergeleken met de opgeslagen gegevens. Als deze met elkaar overeenkomen is de identificatie geslaagd. De technologie is al ver gevorderd. Dit najaar zal in Nederland het biometrisch paspoort worden ingevoerd. Een dierentuin in het Noorden maakt vanaf 1 april 2006 gebruik van een biometrisch kenmerk, de gelaatsscan, voor de abonnementen. Toepassing van biometrie heeft een groot aantal voordelen, maar er zijn ook zwaarwegende nadelen aan verbonden. Zo kunnen biometrische gegevens worden gemeten, zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte is (stemherkenning en
gelaatsherkenning). Er zijn risico’s verbonden aan een centrale opslag van biometrische gegevens, zoals oneigenlijk gebruik van deze informatie. In november 2005 stelde de Raad van Europa, de mensenrechtenwaakhond van Europa, dat biometrie rechtstreeks raakt aan de menselijke integriteit en waardigheid. Ook het Europese Parlement pleitte onlangs voor een stevige controle op biometrische informatiesystemen. Burgers met gewetensbezwaren zullen in de toekomst geen aanspraak kunnen maken op ontheffing, bijvoorbeeld bij de verstrekking van het biometrisch paspoort. In 2005 heeft de verantwoordelijke minister dat in persoonlijke correspondentie aan mij laten weten. De afgelopen tijd zijn diverse christenen in gewetensnood geraakt, omdat zij door hun werkgevers verplicht worden gebruik te maken van biometrische beveiligingssystemen.3

Chiptechnologie

De streepjescode zal geleidelijk verdwijnen en door een nieuw systeem worden vervangen. Producten zullen straks zijn voorzien van een RFID-chip (radio frequency identification) waarin informatie over het product is opgeslagen. De chips zijn aan producten of verpakkingen bevestigd en de informatie kan op afstand radiografisch worden ‘gelezen’. Via een radiosignaal gaat de informatie van de chip naar de chiplezer die leest, wat op de chip staat. De code kan worden gekoppeld aan een databestand met meer informatie over het product, zoals de houdbaarheidsdatum. Chiptechnologie kan zeer ingrijpend zijn. Bij huisdieren en paarden wordt al op grote schaal gebruik gemaakt van chipimplantatie en het systeem functioneert goed. Er is nog aanzienlijke weerstand om chips bij mensen te implanteren, maar onder druk van de groeiende behoefte aan veiligheid zal ook dat taboe snel verdwijnen. Bij implantatie van een chip bij mensen is het recht op lichamelijke integriteit in het geding. Een recht dat ligt verankerd in artikel 11 van onze Grondwet. Gelukkig begint de politiek oog te krijgen voor de ernst van de situatie. De politieke partij de ChristenUnie publiceerde in 2005 een belangrijke notitie over de relatie tussen moderne identificatiesystemen en het recht op lichamelijke integriteit.4

Nummeridentificatie

Er wordt hard gewerkt aan de invoering van een uniek persoonsnummer dat de burger zal begeleiden van de wieg tot het graf. Nog dit jaar verwacht ik de invoering van het Burger Service Nummer dat bedoeld is om de informatie-uitwisseling tussen allerlei instanties te verbeteren. Op dit moment is de overheid bezig met een voorlichtingscampagne over DigiD. Dat is een gemeenschappelijk systeem van de overheid, om de identiteit van burgers te verifiëren ten behoeve van het snel groeiende aantal digitale diensten. De identificatiesystemen die ik beschreef, kunnen niet optimaal functioneren als de burger niet onder nummer staat geregistreerd. Het unieke persoonsnummer fungeert als ‘zoeksleutel’ om informatie te verzamelen, op te slaan en uit te wisselen. Het is van belang dit proces goed te volgen. Er wordt namelijk ook steeds meer gevoelige informatie opgeslagen, bijvoorbeeld over medische diagnoses, erfelijkheid, levensbeschouwing, sociale aspecten van een persoon of gezin. Onlangs werd besloten gelaatsscans en vingerafdrukken van alle Nederlanders op te gaan slaan in een databank. Dit besluit veroorzaakte de nodige opschudding, aangezien de wetswijziging die dit mogelijk moet maken nog niet door het parlement was goedgekeurd. Als al de informatie die over ons wordt opgeslagen niet optimaal wordt beveiligd, is het risico dat er oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt aanzienlijk. Wat velen niet weten is dat er op de Nederlandse markt handelsinformatiebureaus opereren, die informatie over mensen verzamelen voor hun opdrachtgevers. Informatie kan belangrijk zijn voor sollicitaties, het afsluiten van een verzekering of andere transacties. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) dat namens de overheid toeziet op onze privacy, heeft hiervoor in het verleden bij herhaling gewaarschuwd.5 Het is mijn ervaring dat mensen vaak luchtig reageren op dit soort waarschuwingen, totdat zij er zelf in de praktijk mee te maken krijgen.

Levensbeschouwelijke kanttekeningen

De combinatie van biometrie, chiptechnologie en nummeridentificatie levert een redelijk betrouwbaar universeel identificatiesysteem op. Het betekent tegelijk, dat we door de vele elektronische sporen die we dagelijks achterlaten meetbaar en controleerbaar worden. De overheid heeft de taak de burger te beschermen (Romeinen 13) en ik ben mij terdege bewust van de vele voordelen die de moderne identificatiesystemen bieden. Wat ik verwerp is de gedachte dat zij de samenleving veilig kunnen maken.6 De afgelopen decennia heeft de computer de samenleving veroverd, maar desondanks wijzen de statistieken uit dat de veiligheid niet is toegenomen. In het gunstigste geval kun je door controle en repressie een probleem tijdelijk beheersbaar houden. Waar de mensheid ten diepste mee worstelt, is een mentaliteitsprobleem en dat is weer een gevolg van de gebrokenheid van de schepping. Ware veiligheid en geestelijke harmonie zullen er pas zijn na de terugkeer van Jezus Christus op aarde. (Romeinen 8:19-22, Openbaring 21:5, Mattheus 24). De huidige ontwikkeling plaats ik met nadruk in een bijbelsprofetisch perspectief. In Openbaring 13: 11-18 wordt een totalitair regime beschreven, dat allen die op de aarde wonen, wil verleiden. Degene die zich niet wil schikken en het merkteken weigert, zal niet kunnen kopen of verkopen. De discussie onder christenen over dit onderwerp zou de komende tijd wel eens heftig kunnen worden. Ook de felste bijbelcriticus zal niet kunnen ontkennen, dat de vervulling van dit profetische bijbelgedeelte voor het eerst in de geschiedenis technisch realiseerbaar is. Reden te over om alert te zijn en het proces waakzaam te volgen. Daarbij moeten we niet schromen om gebruik te maken van de democratische middelen die we in onze rechtsstaat ter beschikking hebben.

Bronnen
1. Nederlands Dagblad, 17 januari 2004. ‘Geweld op school geen incident’.
NRC-Handelsblad, webpagina, 1 mei 1999. ‘videogames onder vuur na bloedbad in Littleton’.
2. Justitie Magazine, december 2002. ‘Viersporenbeleid bij aanpak jeugdcriminaliteit’.
3. At Face Value. On biometrical identification and privacy. Registratieklamer en TNO, september 1999.
Identificatie. De invloed van moderne identificatiesystemen als biometrie, nummeridentificatie en chips op ons leven’. Brochure, 2005. Uitgave Jaap Spaans.
Juridische spelregels voor biometrische toepassingen, dr.mr. J.H.A.M.Grijpink. Security Management, nr. 10/2000.
De Staatscourant 31 oktober 2005 en 9 november 2005 respectievelijk: ‘Raad van Europa waarschuwt voor nadelen biometrie voor identificatie’ en ‘Biometrische gegevens niet centraal opslaan’.
Persoonlijke correspondentie met oud-minister Th. de Graaf, te vinden op de website www.jaapspaans.nl.
Maandblad Uitdaging, januari 2006. ‘Ontslag dreigt voor weigeraar van irisscan’.
Het Zoeklicht, januari 2006. ‘In gewetensnood door identificatietechnologie’.
4. RFID-Chips. Kans of gevaar?, Uitgave de ChristenUnie. Mei 2005.
Reformatorisch Dagblad, 19 juli 2005. ‘Chip in bovenarm verontrust CU’.
5. Staatscourant, 11 januari 2006. ‘CBP ziet toename massale verwerking persoonsgegevens’.
Maandblad de Oogst, september 2005. ‘Een sleepnet voor persoonsgegevens’.
De Volkskrant, 24 februari 2006. ‘Kenmerken Nederlanders in databank’.
Rapport van de Registratiekamer (thans CBP) van juli 2001 en jaarverslag van 1997: ‘Onrechtmatige handelwijze van (handels)informatiebureaus’ en ‘Gegeven de genen’ over de beveiliging van genetische informatie’.
6. Nederlands Dagblad, 19 augustus 2005. ‘Niet veiliger door ID-plicht’.

 

 

Een opmerkelijk boek: een Kinderbijbelkoran! Een boek dat ervan uitgaat dat je elkaar moet leren kennen om met elkaar te kunnen samenleven. En dat daaraan een (onmogelijke) bijdrage geeft voor het onderwijs op christelijke, moslim- en samenwerkingsscholen.

De schrijfster Francien van Overbeeke-Rippen 2000 (1932) is onderwijskundige en theologe. In 1998 promoveerde zij op de relatie tussen islam en christendom. Daarvoor werkte zij vijf jaar in Pakistan. Besproken door drs. R.H. Matzken, missioloog

De methode is multireligieus van opzet en presenteert veertig geharmoniseerde verhalen van de drie ‘ Abrahamitische geloofsgroepen’ (jodendom, christendom, islam). Hiertoe zijn de teksten uit met name de Bijbel en de Koran bijeengebracht en voor kinderen vanaf 10 jaar bewerkt. “Het doel van deze verhalen is dat gaandeweg het ‘ elkaar ontmoeten’ zal overgaan in het leren kennen, herkennen en erkennen van elkaar en elkaars heilige boeken – tenach, bijbel en koran – in hun resp. vertalingen.” “Daarom gaat dit boek over wat die religies gezamenlijk hebben, wat zij delen en niet wat deze religies scheidt.”

Bij het lezen van dit boek valt op dat, ook bij iemand die zich doctor mag noemen, de conclusie bij voorbaat voorop staat. Allah is de Arabische naam voor God en ‘dus’ gaat het om dezelfde God, de Allerhoogste. (en dat terwijl christenen uit Moslim-landen, bij al hun streven naar ‘salem’ met de moslim-meerderheid, duidelijk zijn in hun overtuiging dat islam en het christelijk geloof onverenigbaar zijn, omdat ze op essentiële punten iets totaal anders zeggen over wie God is en hoe Hij zich openbaart). Vanuit deze conclusie en overtuiging valt het niet moeilijk om de Bijbel- en Koranverhalen met elkaar overeen te stemmen en zo nodig glad te strijken. Het gevolg is een boek vaak de indruk geeft van een legpuzzel waarbij de stukjes vaak niet in elkaar passen!

Dat begint al bij de tweede les: De eerste mensen. De Bijbel leert, dat satan als engel al ruzie met God had gehad, maar de Koran leert, dat satan niet wilde buigen voor Gods mooie scheppingswerk. In de Bijbel staat, dat de slang Eva influisterde, in de Koran deed de slang dit bij Adam. In de Bijbel verleidt de slang de mens om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad, in de Koran leidt de slang de mens naar de boom van het leven. Na de zondeval leven de mensen volgens de Bijbel onder de vloek, maar in de Koran vragen zij vergeving en zei de Allerhoogste: “Als jullie voortaan doen wat Ik zeg, zullen jullie toch gelukkig zijn en niet verdwalen.” Daarmee is de islamitische boodschap dat er geen erfzonde bestaat: Adam en Eva hebben wel gezondigd, maar wij staan daar los van.

Ditzelfde stramien wordt het hele boek door gevolgd, waarbij soms heel waardevolle zaken worden opgeofferd. In de les over ‘ de nieuwe geboden’ (wat waren dan de oude?) wordt uiteengezet hoe de Mozes van de Bijbel en de Musa van de Koran de Wetgeving hebben beleefd en gebracht, maar wat de Allerhoogste nu aan zijn volk heeft geboden, wordt niet gezegd, zelfs niet dat het tien geboden zijn!

Wanneer het gaat over de persoon van Jezus Christus, is het boek eerder een kinderkoran dan een kinderbijbel. Jezus wordt nagenoeg geheel islamitisch beschreven als een voorbeeldig mens (evenals de andere profeten), door God gezonden, die opriep tot ethisch goed gedrag. Zijn wonderen worden op islamitische wijze beschreven. Dat Hij mensen de zonden vergaf, lezen wij niet, evenmin als de boodschap van de verloren zoon. We lezen nog wel van de kruisiging, maar deze is van alle betekenis ontdaan. Behalve deze islamitische Jezus, komen we uit het Nieuwe Testament verder niets tegen.

Dit boek probeert het onmogelijke te doen, namelijk samenbrengen wat niet bij elkaar hoort, ook al zijn er tal van zaken die Mohammed van de joden en de christenen heeft overgenomen. Het resultaat zal waarschijnlijk helaas tegengesteld zijn aan de bedoeling van de auteur: wel een beter begrip voor elkaars religie, maar weinig respect voor een ‘Allerhoogste’ die blijkbaar geen kans zag om de dingen ondubbelzinnig aan de mensen door te geven!

Hoe komt dit nu over op kinderen vanaf 10 jaar, die tegenwoordig heel kritisch en praktisch denken? In andere lessen, zoals wis- en natuurkunde, leren zij logisch, rationeel denken, maar ‘godsdienstige vorming’ gaat daar dwars tegenin: A is ongelijk aan B, maar dat is niet aardig en daarom stellen wij A nu maar gelijk aan B! Hiermee zal ook het respect voor het vak als zodanig dalen: “medemenselijkheid kan ook zonder die verschillende godsnamen en heilige boeken!”

In een recensie lazen wij, dat weinig christelijke scholen dit boek kunnen gebruiken, een conclusie waarmee wij instemmen. Daar vond men het jammer voor de meeste scholen ‘die nog niet zover zijn’. Wij vinden het veeleer jammer voor het boek dat pretendeert een interreligieuze dialoog tot stand te brengen. En vooral jammer voor de moslimkinderen, die op de grens van twee culturen nu juist belangstelling tonen voor Jezus Christus en die (wel of niet?) gekruisigd!

Wij kunnen slechts één aanbeveling doen: kritisch bespreken in het schoolteam en dan samen een antwoord formuleren hoe het wèl kan. Nodigt u daarvoor eens iemand uit, die vanuit de praktijk kan vertellen waarom wij ook in de 21e eeuw vasthouden aan de school met de Bijbel: multicultureel JA, multireligieus NEE!