Wie hebben de meeste invloed op de kinderen/jongeren: de formele opvoeders (gezin/kerk/school) of de informele opvoeders (leeftijdsgenoten en massamedia)? Enkele statistieken met verrassende conclusies en uitdagingen.

B&O magazine, dec. 2003, door drs. R.H. Matzken
Om te beginnen is daar het onderscheid tussen de formele opvoeders: gezin/kerk/school en de informele opvoeders: de peergroep (leeftijdsgenoten) en de media. Wanneer de puberteit begint, zijn beide groepen al minstens even groot, soms al veel eerder.

Er zijn gelukkig nog plaatsen waar gezin, school en kerk nog op elkaar afgestemd. Maar dikwijls is dat niet meer zo en wordt het standpunt van het gezin door de andere formele opvoeders: de kerk en de school niet bevestigd, soms zelfs tegengesproken,

Veel belangrijker is de vorming die kinderen al op jonge leeftijd krijgen van hun vriendjes en klasgenoten, wat we vanuit het Engels aanduiden als ‘de peergroep’. En niet te vergeten, de media, van Harry Potter tot het Internet.

Een voorbeeld. Een moeder belt ons op: “Mijn zoontje van vier zit de hele dag achter de computer, spelletjes doen. Wat vindt u daarvan?” Ons antwoord luidt: “Om te beginnen nogal eenzijdig. Een jongen moet ook buiten spelen, vriendjes hebben, om zich te ontwikkelen. Maar vertelt u eens: wat voor spelletjes doet hij met de computer?” Waarop het antwoord komt: “Dieren doden met de computer.” Als het bloed over het scherm loopt, krijgt de speler krachtpunten waarmee hij ingewikkelder opdrachten kan uitvoeren. U moest eens weten wat een jongen van vijf dan al in zijn mars heeft, de hele occulte catechismus die hij ook kan toepassen! Dus antwoorden wij: “Als hij zeven jaar is, doet hij het zonder computer. En als hij een tiener wordt, zijn dieren niet meer voldoende.” Daar keek zij dan wel even van op, en terecht! Meer hierover leest u in het Occult zakwoordenboek, zojuist in derde druk verschenen.

Hieronder volgt de impressie van de moeders (aantal ingevulde formulieren 42)

Formele opvoeders

0 – 3

4 – 6

7 – 9

10 – 12

13 – 15

16 – 18

Gezin

100%Geborgenheid

70%Geborgen
Voorbeeld

40%Weerbaar
Voorbeeld

30%Weerbaar
Voorbeeld

22½% Weerbaar
Voorbeeld

17½%

           Voorbeeld

Kerkelijke gemeente

5%
Regels
Kennis

7½%Regels
Kennis

7½%Kennis
Regels

7½%
Kennis
Regels

School/beroep

10%Sociale
Contacten

20%
Kennis
Vorming

20%Kennis
Vorming

20%Kennis
Vorming

20%Kennis
Vorming

Totaal formeel

100%

80%

65%

57½%

50%

45%

 

Informele opvoeders

0 – 3

4 – 6

7 – 9

10 – 12

13 – 15

16 – 18

Peergroep
(leeftijdsgenoten,
de straat)

10%Sociale
Vorming

20%Sociale
Vorming

25%Sociale
Vorming

30%Sociale
Vorming

32½%Sociale
Vorming

Massamedia(waaronder Internet)

10%Wereld
Oriëntatie

15%Wereld
Oriëntatie

17½%
Wereld
Oriëntatie

20%Wereld
Oriëntatie

22½%Wereld
Oriëntatie

Totaal informeel

20%

35%

42½%

50%

55%

Vaak kijken de ouders hiervan op, maar in veel gevallen hebben de informele opvoeders al aan ’t begin van de puberteit tweemaal zo veel invloed als de formele opvoeders bij elkaar.
Gewetensvormers en gewetensschenders 
Vanaf het zesde jaar loopt het aandeel van het gezin al sterk terug. Daarom moet de opvoeding thuis gericht zijn op bijbelse waarden en normen, om kinderen weerbaar te maken tegen invloeden van buitenaf. Zodra kinderen onder invloed van anderen komen, wordt opvoeding een strijd, een ‘battle for the mind and for the heart’. In Amerika wordt die strijd alleen al door de evolutietheorie voor driekwart van de jeugd gewonnen! En de neigingen van het hart worden voor het merendeels al gericht (= ontwricht) door de porno-industrie en andere uitingen van hedendaags hedonisme (genot is het hoogste levensdoel).

Van jongs af aan staan onze kinderen dan ook tussen ‘gewetensvormers’ en ‘gewetensschenders’. Soms hebben ouders daarbij de steun van hun school, vaak ook niet. Soms kan de christelijke gemeente hen erin bijstaan, maar dikwijls heeft het onderwijs daar geen hoge prioriteit. Niet zelden voelen ouders zich daarin helemaal alleen staan. Wat zouden wij onze kinderen graag die strijd besparen tot zij bijvoorbeeld 12 jaar zijn! Maar helaas, zo is de wereld niet (meer). Wij staan nu eenmaal in de strijd en die gaat ook aan onze (jonge) kinderen niet voorbij. Hiervoor verwijzen wij naar enkele van de EDUkaternen van Bijbel & Onderwijs:
* Opvoeden tot weerbaarheid vanuit het Evangelie
* Geloofsopvoeding in de 21e eeuw.
Geloofsopvoeding in de 21e eeuw
Mijn leraar pedagogiek in Amerika schreef het boek: ‘How should we then Educate?’ In die titel zullen veel ouders zich herkennen, die vaak zelf geen een bijbelse geloofsopvoeding hebben gehad. “U zegt wel dat wij het Evangelie aan onze kinderen moeten doorgeven, maar wat doen wij nu als wij dat zelf niet persoonlijk kennen?” Geloofsopvoeding begint dus met de ouders zelf. Alleen dan bent u geloofwaardig en relevant, zodat uw kinderen – en later uw tieners – het van u willen aannemen en gemotiveerd zijn het zich persoonlijk eigen te maken.

De woorden van Paulus in 2 Timotheüs 3:15-17 zijn van toepassing op allen die vanuit de Bijbel hun kinderen/leerlingen willen onderwijzen in de navolging van Christus. Om te beginnen om hen de weg der verlossing te leren kennen, door het geloof in Jezus Christus (vs 15). Sinds ruim tien jaar gebruiken enkele tientallen scholen de godsdienstmethode ‘De Bijbel in de Basis’ (TORAH, EVANGELIE, PROFETEN en APOSTELEN), met de drievoudige doelstelling:
* de Bijbel leren kennen
* vertrouwd raken met bijbelse waarden en normen
* vormen van een bijbels wereldbeeld en een christelijke levensstijl.

In vs 16 noemt Paulus nog meer punten op waarvoor de Bijbel ‘nuttig’ is. Hiermee raken we aan de kern van de geloofsopvoeding in de 21e eeuw, namelijk om vanuit een openheid jegens de leefwereld van de kinderen weerstand op te bouwen vanuit Gods Woord. Daarmee kunnen we om te beginnen de invloed van de ‘informele opvoeders’ verminderen, maar onze kinderen worden ook toegerust om voor hun geloof ‘uit te komen’ in een wereld die niet zozeer vijandig als volslagen onwetend is!


Waar is onze opvoeding op gericht?

Daarom zetten wij de doelstellingen van de christelijke opvoeding nog eens op een rijtje. Voor gezin, kerk en school, en vaak als alternatief voor de peergroep of de media:

* van het leven kunnen genieten, zonder anderen te beschadigen

* ontplooien van de talenten die God ons gegeven heeft

* goede relaties met het andere geslacht en zo mogelijk met de peergroep

* weerbaar tegen de sekten, het occulte en New Age

* bestand tegen de bekoring van alcohol, nicotine, drugs, gokken enz.

* in staat om voor zichzelf te zorgen en waar mogelijk anderen te helpen

* betrokken bij het behoud van natuur en milieu

* een goed en kritisch staatsburger zijn

* voorbereid op de toekomst en de ontmoeting met God

* altijd bereid tot verantwoording van de hoop die in ons is.

Waarom zou dit onmogelijk zijn? Wij hebben een God die zich specialiseert in het onmogelijke. Dat moet onze jeugd toch zeker aanspreken. Ga er dan voor!!

Om te kunnen bepalen of de boeken van Harry Potter wel of niet de principes van hekserij weergeven, moeten we eerst vaststellen wat hekserij is. De Encyclopedia of Witches & Witchcraft zegt: “Hekserij is geen verenigd of samenhangend geheel. Het kent geen centraal gezag of centrale liturgie. De verschillende stromingen hebben alle hun eigen rituelen, filosofie en overtuiging… Het komt steeds vaker voor dat mensen zichzelf in ‘de Kunst’ (the Craft) inwijden en deze zelfstandig uitoefenen in plaats van als lid van een ‘coven,als lid van een groep heksen…”
Sommige moderne heksen geloven helaas dat er krachten binnenin jezelf liggen die je kunt aanboren; anderen geloven dat je krachten kunt aftappen van natuurkrachten. Weer anderen dat je kunt putten uit krachten die door geesten of door een godin worden gegeven. De hekserij van nu is erg eclectisch (= het is beste uitkiezend). Maar het tragische is dat al deze verschillende opvattingen in meer of mindere mate in de boeken van Harry Potter worden beschreven.
De vraag is dus, hoe we vat kunnen krijgen op de betekenis en inhoud van hekserij? Als eerste kunnen we kijken naar wat heksen doen. In de boeken zien we hoe Harry Potter krachten beïnvloedt, toverspreuken uitspreekt, toverdranken mengt en met geesten praat om zijn zin te krijgen. Ook hedendaagse heksen oefenen macht uit op krachten en doen veel van dezelfde dingen die Harry Potter doet, hoewel zij dit mogelijk anders zullen benoemen.
In de Encyclopedia of Witches & Witchcraft staat bijvoorbeeld: “Voor heksen en heidenen is toverij een deel van hun dagelijks leven. De wereld zelf is magisch … Niet alle heidenen en heksen bedrijven dezelfde vorm van magie. Waar de één de voorkeur geeft aan ceremoniële magie, heeft de ander een voorkeur voor volksmagie en weer anderen hebben een voorkeur voor ecologische magie, die gebaseerd is op natuurlijke aard-energieën en geesten die bij het land horen…” Maar een feit is dat alle heksen geloven in en gebruikmaken van de macht van magie.
Tot in hoeverre komen de praktijken in de boeken van Harry Potter overeen met die van de hedendaagse heksen? De Encyclopedia of Wicca & Witchcraft zegt“Tegenwoordig worden ook kruidkunde, waarzeggerij, toverij, ceremoniële rituelen, healing, toverdranken en contact met gedienstige geesten (geesten van dieren) of met elementaire geesten (geesten van aarde, lucht, vuur of water) gerekend tot de vaardigheden binnen hekserij.”
Als deze twee encyclopedieën een accurate omschrijving geven van wat heksen geloven en praktiseren, dan zijn Harry Potter en zijn vrienden een rolmodel voor de soorten hekserij die door de hedendaagse èchte heksen worden uitgeoefend.

we ons niet met toverij mogen inlaten en dat we mensen die aan toverij doen, die toverspreuken uitspreken, waarzeggen, in contact staan met geesten of met de doden spreken, niet mogen imiteren?

Ja, dat is zo. God waarschuwt ons voor deze zaken. In Deuteronomium 18 vinden we een hele lijst met occulte zaken waarvan God zegt: “Gij zult niet leren doen naar de gruwelen van die volken” (Deut. 18:9). Het Hebreeuwse woord ‘leren’ betekent: bestuderen, gewoon raken te doen, instrueren of opleiden tot. Ik geloof dat kinderen die de boeken van Harry Potter lezen onbewust toverij aanleren of geconditioneerd worden deze te aanvaarden.
God zegt: “Gij zult niet leren doen naar de gruwelen van die volken.” De New American Standard Version, de New International Version en de Revised Standard Version van de Bijbel vertalen het Hebreeuwse woord ‘asah’ allemaal als ‘imiteren’. Dit betekent dat we niet op dezelfde manier mogen handelen als mensen die zich met occulte praktijken bezighouden. In het Nieuwe Testament lezen we wie en wat we wèl moeten imiteren: “Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede (3 Joh. 11).” Hier is het Griekse woord ‘mimeomai’ vertaald als ‘imiteren’, in de zin van een mimespeler of acteur die het gedrag van iemand anders nadoet.
Dit woord gebruikt Paulus in zijn brieven, wanneer hij schrijft: “Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg (I Korinthiërs 11:1).” In Efeze 5:1 zegt Paulus: “Weest dan navolgers Gods… en wandelt in de liefde, zoals ook Christus…”
Zoals we als christenen geleerd hebben om Christus met ons doen en laten te imiteren, zo waarschuwt God ons in Deuteronomium 18:9-11 waar Hij spreekt over wat we niet horen te imiteren. Hij geeft in deze verzen een lijst van negen occulte praktijken die niet door zijn volk geïmiteerd, nagevolgd, mogen worden.
Als eerste zegt Hij: “Onder u zal niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel.”
God geeft ons deze aanwijzingen, omdat Hij van ons houdt en wil dat we bij Hem komen. We vertrouwen dat Hij ons beschermt en leiding geeft aan ons leven. Hij wil niet dat we ons tot andere machten of geestelijke wezens wenden.

Ik denk dat van de negen zaken die hier door God worden verboden, ik van acht – en zo niet van alle negen – kan hardmaken dat ze worden beschreven in de boeken van Harry Potter.

De eerste waarschuwing betreft de afschuwelijke praktijk van kinderoffers ter voldoening van een of andere heidense god om geheime krachten of kennis van de toekomst te verkrijgen.
In The Bible Background Commentary of The Old Testament van InterVarsity Press staat te lezen: “…De polytheïstische religies van het oude Nabije Oosten… geloofden in een onpersoonlijk oerrijk dat de bron zou zijn van alle kennis en krachten… Ze probeerden contact te krijgen met die wereld om daar kennis en macht uit te verkrijgen.” Ze probeerden die kracht als het ware ‘af te tappen’.
Met andere woorden: de heidenen in het Nabije Oosten geloofden dat ze contact konden maken met en gebruik konden maken van de geheime krachten van het universum door het offeren van een mensenleven, hetzij een kind of een volwassene.
Maar is dit niet wat J.K. Rowling beschrijft in die schokkende scène in het vierde deel van de boekenserie? In deze scène wordt Harry’s vriend Cedric vermoord, opdat een kwaadaardige ceremonie kan plaatsvinden waarin een deel van het gebeente van Voldemorts vader uit het graf wordt genomen, de arm van een knecht wordt afgehakt en bij Harry bloed wordt afgenomen, zodat de boosaardige heer Voldemort de magische kracht zal hebben om een nieuw opgewekt lichaam te vormen. Voldemort kan hier, dankzij de bloedige ceremonie, uit de geheime krachten van het universum putten. (Boek 4, pag. 636 – 643, Engelse uitgave (e.u)).
Het tweede gebruik dat door God in Deuteronomium 18 wordt verboden is waarzeggerij. Hierbij wordt in objecten als kristallen bollen, spiegels, theebladeren of dierlijke ingewanden gekeken om inzicht te krijgen in toekomstige gebeurtenissen. Op Zweinstein leert Harry waarzeggerij, met inbegrip van het kijken in kristallen bollen en het gebruik van een magische spiegel. Waarzeggen kan ook door contact met de geestenwereld, zodat je inzicht krijgt in de toekomst. Dit gebeurt in het derde Harry Potter-boek, wanneer Madame Trelawney bezeten is door een geest die door haar spreekt en gebeurtenissen voorspelt die uitkomen tijdens Harry’s leven. (Boek 3, pag. 29, e.u.). Dit is waarzeggerij door contact met geesten.
Het derde gebruik dat God verbiedt, is wichelarij (toverij). Volgens de omschrijving kon een tovenaar geesten of geestverschijningen bezweren, toverdranken bereiden, werken met kleine beeldjes en vloeken uitspreken waarmee hij dood, ziekte, geluk of ongeluk over iemand zou kunnen brengen. Is er sprake van het gebruik van banvloeken in de boeken van Harry Potter? Het antwoord is: ‘Ja.’ Herinner je je dat Harry de CruciatusVloek leerde in zijn les over ‘verweer tegen de duistere machten’? Hij sprak deze vloek uit over een spin, die het uitschreeuwde en over de grond rolde van de pijn. (Boek 4, pag. 214, Engelse uitgave). Deze vloek wordt door Voldemort op Harry gelegd. (Boek 4, pag 66, e.u.) Voor zijn tante gebruikt Harry een mildere vloek. (Boek 3, pag. 29, e.u.)
Het uitleggen van voortekenen is het vierde gebruik dat God in Deuteronomium 18 veroordeelt. Bij deze praktijk tracht men verborgen kennis te verkrijgen. Dat kan zijn door het lezen van theebladeren of de ingewanden van een dier. Er bestonden veel voortekenen die ‘gelezen’ konden worden.
Soms kwamen voortekenen van mensen die aan hekserij deden. Hekserij is de vijfde toepassing die in Deuteronomium 18 wordt veroordeeld. Hekserij heeft te maken met toverij of het uitspreken van betoveringen. Dit werd gedaan om de krachten van de natuur of van andere goden of geesten te manipuleren. Het Hebreeuwse woord betekent letterlijk “iemand bindt iemand anders” door het gebruik van magische woorden. Dit is de betekenis van een betovering. Zien we Harry Potter betoveringen uitspreken en voortekenen verklaren? Het antwoord is: ‘Ja.’ In al de vier boeken worden ze door Harry en zijn vrienden geleerd en gebruikt.
De volgende drie waarschuwingen van God in Deuteronomium 18 zijn: wees geen medium, wees geen spiritist en wees niet iemand die de doden om raad vraagt. Een medium beoogt macht of informatie te verkrijgen van geesten; een spiritist praat met en consulteert geestelijke wezens; en iemand die de doden om raad vraagt, probeert contact te leggen met en informatie te krijgen van overleden mensen. Al deze drie zaken worden door God verboden en toch vinden we ze alle drie vele malen beschreven in de boeken van Harry Potter.
Het is mijn overtuiging dat als we God willen gehoorzamen, we onze kinderen geen boeken moeten geven die hen informeren over deze occulte praktijken waardoor kinderen worden geconditioneerd om ze na te doen.3. Sommige christenenbeweren dat het fictieve gedrag van een paar verzonnen kinderen in een duidelijk onrealistische omgeving geen echte toverij is; het is maar een vorm van fictieve, stereotype magie
De boeken van Harry potter zijn zeker een avonturensprookje. Maar een beoordeling en overweging van alle bewijsmateriaal, toont naar mijn vaste overtuiging aan dat deze boeken onze kinderen op een subtiele manier leren wat de principes van hekserij, het occulte en de toverij zijn. Er zijn echter enkele gerespecteerde christelijke leiders en schrijvers die het hier niet mee eens zijn. Ik zou de redenen waarom zij zeggen vóór de Harry Potter boeken te zijn, eens nader willen bekijken.
Ten eerste weten we dat God in Deuteronomium 18 het onderwijzen en het bedrijven van zaken als hekserij, betoveringen uitspreken, waarzeggerij en contact met geesten, veroordeelt. Alle christenen zijn het ermee eens dat God deze dingen veroordeelt. Maar sommigen gaan verder door te beweren: “We gaan er niet vanuit dat het fictieve gedrag van een paar verzonnen kinderen in een duidelijk onrealistische omgeving, toverij is. Het is maar een vorm van fictieve, stereotype magie die gebruikt wordt in de boeken en geen serieuze, levensechte toverij of occultisme. Echte toverij en het occultisme komen van bovennatuurlijke krachten of van geesten. Maar in de boeken van Harry Potter gaat het over het ontwikkelen van krachten waar iemand mee geboren is. En dus leren deze boeken de kinderen geen hekserij of tovenarij.”
Maar ik zeg ook niet dat alleen het lezen van de boeken van Harry Potter tovenarij is. Wel geloof ik dat het kinderen kan brengen tot het experimenteren met hekserij of toverij. Kinderen die deze dingen lezen zonder waarschuwing dat de verhalen reële ideeën en principes van hekserij bevatten, blijven onbeschermd. Het stelt ze open voor gedachten als: “Wat zou er gebeuren als ik hetzelfde deed als Harry Potter?” Juist door deze ontvankelijkheid voor de wereld van hekserij raken de meeste mensen voor het eerst verwikkeld in de hekserij.
We moeten ons realiseren dat wanneer iemand zich tegenwoordig wil gaan bezighouden met hekserij, er vooral voor kinderen veel manieren zijn waarop ze dit kunnen doen. Veel heksen raken bijvoorbeeld betrokken bij de hekserij, omdat ze een beroep doen op magische krachten, die volgens hen natuurlijke krachten zijn of krachten die binnenin henzelf liggen. Andere heksen kwamen in de hekserij terecht, omdat ze krachten gebruikten die volgens hen door geesten of door goden worden gegeven. Anderen gaan ervan uit dat objecten of wezens krachten bezitten waaruit getapt kan worden.
De Encyclopedia of Witches & Witchcraft legt uit hoe eenvoudig het is om aan toverij te doen: “In zijn meest eenvoudige vorm is toverij het magisch beïnvloeden van natuurlijke krachten en machten om te verkrijgen wat men verlangt.” Dit is precies wat Harry Potter en zijn vrienden doen. Ze beïnvloeden, naar zij geloven, natuurlijke krachten en machten, om hun eigen doelen te bereiken.
De Encyclopedia of Witches & Witchcraft geeft nog meer bewijs dat het fantasieverhaal van Harry Potter de werkelijke gedachten en praktijken van heksen weergeeft, als deze zegt: “Andere heksen geloven ook in het ontwikkelen van psychische krachten die binnenin henzelf liggen opgesloten… Psychische ontwikkeling is een zeer bruikbaar middel. Het helpt om zaken van niet-natuurlijke aard te kunnen onderscheiden. Dit is van belang, omdat wanneer iemand magie bedrijft, hij of zij op een zeker moment niet-natuurlijke wezens zal gaan waarnemen.”
Dus in deze encyclopedie wordt toegegeven dat moderne heksen die zich psychisch gaan ontwikkelen – krachten die alle mensen van nature zouden bezitten – zich moeten realiseren dat dit kan leiden tot het uiteindelijk waarnemen van wezens die van niet-natuurlijke aard zijn. Hiermee worden geesten of spoken bedoeld. En dat is precies wat Harry Potter overkomt, naarmate hij opgroeit en ouder wordt.
De Encyclopedie wijst er verder op dat: “Kennis van verschillende kruiden, betoveringen, tovermiddelen en toverspreuken helpt om het vermogen om energieën te besturen verder te perfectioneren.” Dit principe van hekserij komt telkens terug bij wat Harry in de boeken doet. Wat ik dus wil zeggen is dit: niet alle heksen geloven in goden, godinnen of geesten. Sommigen wel, maar niet allemaal. Niet alle heksen raken op dezelfde manier betrokken bij hekserij. Er zijn verschillende manieren om erbij betrokken te raken en men kan er verschillende overtuigingen op na houden. Maar wanneer een kind wil meedoen met de hedendaagse hekserij, hoeft hij of zij alleen maar te proberen om zijn psychische krachten te ontwikkelen, of kruiden te mengen, of toverspreuken uit te spreken of energieën te beïnvloeden – net zoals Harry. In deze zin zeg ik dat Harry Potter en zijn vrienden voordurend nadoen wat moderne heksen doen – en daarmee onze kinderen leren hetzelfde te doen.

4. Wat zeg je tegen christelijke schrijvers die beweren dat als het fout is om Harry Potter te lezen, je als christen dan ook geen Sneeuwwitje of andere sprookjes waar spoken of heksen in voorkomen mag lezen?

Sommige christenen zeggen dat het vast wel goed is om Harry Potter te lezen, want anders zouden christenen lang geleden ook allang stelling hebben genomen tegen Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen,Doornroosje, C.S. Lewis, Tolkien en andere sprookjes waarin heksen en spoken voorkomen. Maar in Sneeuwwitje wordt de heks ‘De Boze Heks’ genoemd en ze wordt niet in een goed daglicht gezet. Kinderen leren niet uit het verhaal welke toverspreuken ze zei of waar ze haar kracht vandaan haalde. Harry Potter daarentegen is een tovenaar en Hermelien een heks en de hekserij die ze bedrijven, wordt op een positieve manier neergezet.
Waarmee de vraag rijst: “Hoe zit het dan met de zogenaamde ‘goede heksen’ die in verscheidene verhalen optreden? Is het wel in orde om Witte Magie te beoefenen vergeleken met Zwarte Magie?” We moeten ons ervan bewust zijn dat wat God betreft zowel witte, als zwarte magie wordt afgewezen, aangezien in beide gevallen gebruik gemaakt wordt van krachten uit bronnen (boze geesten) waar God ons voor waarschuwt. Iemands bedoelingen (goed, liefdevol enz.) om te genezen, te beschermen of te voorzien in de één of andere nood door middel van zogenaamde ‘witte’ magie, vormen geen geldige reden om machten buiten God aan te spreken of op te roepen. Volgens de Bijbel zijn deze krachten er opuit om ons te vernietigen, ongeacht wat we voor hen doen. De vraag is alleen: geloven we God of niet?
Vroeger werd er over goede of slechte heksen kort en niet gedetailleerd geschreven. Niemand hoeft er iets op tegen te hebben, wanneer in een verhaal een heks genoemd wordt. Pas als kinderen niet meer weten of heksen nou goed of slecht zijn, moeten wij in overeenstemming met de bijbel gaan optreden.
Ook mogen we niet uit het oog verliezen dat de kinderen van vroeger niet omringd werden door een cultuur die ondergedompeld is in televisieprogramma’s en tekenfilms over hekserij en occultisme. Ze hadden in hun klas geen kinderen die betoveringen uitspraken, met geesten spraken of liefdesdrankjes maakten. Maar dat is tegenwoordig allemaal anders.
De boeken van Harry Potter gaan veel verder dan de kinderverhalen van vroeger. In de Potter boeken is de hoofdpersoon, zoals Harry, waar de lezer zich gewoonlijk mee identificeert, tovenaars. Niet alleen stelt J.K. Rowling kinderen gelijk aan heksen, ze geeft ze ook gedetailleerde informatie over hoe deze kinderen denken en hoe hun krachten en hun wereldbeeld zich ontwikkelen. Daarom wil ik ouders aanraden om – ongeacht welk boek kinderen in verwarring brengt over zogenaamde ‘goede heksen’ tegenover ‘boze heksen’ – hekserij altijd aan te wijzen, als iets dat slecht is en door God wordt afgewezen. Nogmaals, het is veelbetekenend dat hekserij op zich in de boeken van Harry Potter nooit iets ‘slechts’ is of als een groot kwaad genoemd wordt. Het is toch verwarrend voor kinderen, wanneer ze leren dat zowel Harry, ‘een goede tovenaar’, als Voldemort, ‘een boze tovenaar’, beiden hun krachten aan de zelfde bron ontlenen. (Boek 4, pag. 697, e.u.)
Ik zou er als christen aan willen toevoegen dat ik niet geloof dat het verkeerd is om onze verbeelding te gebruiken. Het is bijvoorbeeld in orde, als je je een voorstelling maakt van hoe het zou zijn om met een denkbeeldige vriend (-in) te trouwen. Maar God heeft wel bepaalde beperkingen aan onze verbeelding gesteld.
Jezus waarschuwt ons in Mattheüs 5:27 dat we onze verbeelding niet zondig mogen gebruiken, als Hij zegt: “U hebt gehoord dat er gezegd is: gij zult niet echtbreken, maar Ik zeg u: een ieder, die een vrouw aanziet om haar begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.” Er zijn dus beperkingen die God aan onze verbeelding stelt. Uit Psalm 94:11 en Psalm 139:2-23 weten we dat God onze gedachten kent en dat Hij daarover verantwoording van ons vraagt (2 Korinthiërs 10:5).
Dus welke beperking legt God ons op, als we ons heksen en spoken voorstellen in onze gedachten? Het is één ding om ons een voorstelling te maken van hoe ze eruit zien, maar we mogen het onze verbeelding niet toestaan ons zo mee te slepen dat we ernaar gaan verlangen om met spoken te praten of zelf een betovering uit te proberen om te kijken wat er dan zou gebeuren. We mogen niet uitgaan van de gedachte: “Zou ik macht kunnen uitoefenen over dingen of andere mensen?” Het probleem met de boeken van Harry Potter is dat ze niet alleen een levendig beeld scheppen van hoe hekserij in zijn werk gaat, maar ook deze praktijken voorstellen als iets goeds. Dit zal voor sommige kinderen niets uitmaken. Maar veel anderen zullen verleid en gemotiveerd worden om dingen die Harry Potter doet, zelf uit te proberen.

5. Wie geloven nog meer dat de boeken en films van Harry Potter de werkelijke principes van hekserij weergeven?

Warner Brothers!
Een van de woordvoerders van Warner Brothers, de makers van eerste Harry Potter film, zei tijdens een persconferentie: “De film geeft een nauwkeurig beeld van zaken die in de hekserij gebeuren.”

6. Wat zeg je tegen christenen die beweren dat de magie in de Harry Potter-boeken puur ‘mechanische magie’ is?

Een christelijke leider heeft eens gezegd dat het geen kwaad kan om de Harry Potter-boeken te lezen, omdat de magie die erin beschreven wordt puur ‘mechanisch’ is. Ik neem aan dat hij met ‘mechanische magie’ zoiets bedoelt als een goochelaar die een konijn uit een hoge hoed tevoorschijn tovert, of iemand die een kaarttruc doet. Ook zei hij: “Harry en zijn vrienden hebben geen contact met de bovennatuurlijke wereld” en dus vindt hij dat kinderen deze boeken wel kunnen lezen.
Maar het lijkt mij dat er op veel plaatsen in de Harry Potterboeken zonder meer sprake is van contact met de bovennatuurlijke wereld, bijvoorbeeld in de scène met de docent Waarzeggerij, professor Trelawney, inHarry Potter en de gevangene van Azkaban. Harry moet een eindexamen Waarzeggerij afleggen. Hij gaat de klas binnen en kijkt in een grote, kristallen bol en hij moet tegen professor Trelawney vertellen wat hij ziet. Hij zal slagen op basis van wat hij ziet. Harry stelt professor Trelawney teleur door net te doen of hij iets ziet. (Maar verderop in het boek komt zijn verzonnen voorspelling wel uit!). Hij wordt weggestuurd. Dan, als hij zijn tas pakt om de klas te verlaten, schildert J.K. Rowling het volgende beeld van wat gebeurt:

Achter hem klonk een harde, schorre stem. “VANNACHT GAAT HET GEBEUREN.” Professor Trelawney zat verstijfd in haar stoel; haar ogen stonden wazig en haar mond hing slap. “W…w-wat zegt u?” zei Harry.
Maar het leek ofprofessor Trelawney hem niet hoorde. Ze begon met haar ogen te rollen. Harry raakte in paniek. Ze zag eruit, alsof ze elk moment een soort beroerte kon krijgen. Hij aarzelde, overwoog om naar de ziekenhuisvleugel te rennen – en toen sprak professor Trelawney weer, met diezelfde harde, schorre stem, die helemaal niet klonk als haar eigen stem.
“ALLEEN EN ZONDER VRIENDEN LIGT DAAR DE DUISTERE HEER, VERLATEN DOOR ZIJN VOLGELINGEN. ZIJN DIENAAR WAS DEZE TWAALF JAAR GEKETEND. VANNACHT, VOOR MIDDERNACHT… ZAL DE DIENAAR EROP UIT GAAN OM ZICH MET ZIJN MEESTER TE HERENIGEN.”
Het hoofd van Professor Trelawney viel voorover op haar borst. Ze maakte een soort grommend geluid. Harry zat erbij en staarde naar haar. Toen, tamelijk onverwachts, kwam het hoofd van professor Trelawney met een klap overeind.
“Het spijt me, beste jongen,” zei ze dromerig, “de warmte, weet je… Ik geloof dat ik even ben weggedoezeld…”
Harry zat erbij en staarde naar haar.
“Is er iets, lieverd?”
“U- u vertelde me net dat de Duistere Heer weer zal opstaan…. Dat zijn dienaar naar hem zal terugkeren…”
Professor Trelawney keek hem totaal verbijsterd aan. 
(Pagina 324, e.u.)

Hier wordt professor Trelawney in bezit genomen door een of andere geest. Ze raakt in een trance, haar ogen vliegen open, iets neemt bezit van haar en een vreemde stem die Harry niet herkent, spreekt door haar heen. Ze doet als een medium. In de occulte wereld heet dit bezeten zijn door geesten of ‘channeling’.
Een geest profeteert door professor Trelawney van bepaalde gebeurtenissen die ook echt gaan gebeuren. We zien hier dus een duidelijke beschrijving van contact met de geestenwereld in de Harry Potter-boeken. Het is geen ‘mechanische’ magie die door J.K. Rowling gepresenteerd wordt.

7. Harry Potter heeft zo veel kinderen weer aan het lezen gezet; dan kun je toch niet zeggen dat deze boeken slecht zijn?
Dit is dezelfde redenering die John Stossel, een journalist voor ABC News, in een item gebruikte. Daarin zegt hij: “Het is vreemd dat volwassenen zich zo druk maken over een boek dat kinderen meer dan enig ander boek weer aan het lezen gezet heeft.” In een zondagavondspecial van een uur lang op 11 november 2001, stelde Katie Couric van NBC dat Harry Potter de kinderen weer ‘kennis had laten maken met de verloren kunst van het lezen’. Maar ik vind de redenering van John Stossel en Katie Couric vreemd. Iedereen wil graag dat kinderen lezen en gemotiveerd worden om te lezen. Maar niemand zegt: “Het maakt niet uit wat de kinderen lezen, zolang ze maar lezen.”

Dr. John Ankerberg

Beknopte kenmerken van antroposofisch onderwijs en of een christen hieraan kan deelnemen.


Van tijd tot tijd bereikt ons het verzoek om informatie over Rudolf Steinerscholen. “Als bijbelgetrouwe christenen weten we dat er veel niet goed is in deze vorm van onderwijs. . . Graag zouden wij wat meer informatie ontvangen, speciaal vanuit het standpunt van christenen.” 
Wij staken ons licht op bij een leraar, die al jaren op een Vrije school lesgeeft en bij een christen die zelf de hele Vrije school heeft doorlopen en noteerden enkele wezenlijke kenmerken van het antroposofisch onderwijs.

Iedere dag begint met een spreuk waarin de verbondenheid met de aarde en het goddelijk wezen van de natuur wordt uitgedrukt… “ik schouw diep in de ziel, waar de mens de geest een woning geeft.”

Rudolf Steiner leert je eigen goddelijke natuur te ontplooien en daar uitdrukking aan te geven. Dit gebeurt vooral bij het bewegingsonderwijs (euritmie) en bij het schrijf- en tekenonderwijs (bijvoorbeeld mandala’s en lemniscaten).
De geest wordt ontplooid door allerlei soorten mythologische verhalen, met name uit het boeddhisme en het hindoeïsme. Jammer genoeg leent de Bijbel zich daar niet zo voor, die is niet mystiek genoeg… hoewel de uitgever Christofoor veel bijbelse verhalen tot mystiek heeft bewerkt.

Wij hopen dat u door dit beknopte antwoord inzicht krijgt in de gevaren van de Rudolf Steiner scholen. Zelf constateren wij hoezeer het gedachtegoed van deze scholen zich steeds meer naar andere scholen verbreidt. Zo herkennen wij in de methode Schrijfdans diverse technieken van concentratie voor lichaam en geest. Beslist niet waardevrij dus, maar ‘spirituele uitingen’ van een leer die haaks staat op het christelijk geloof.

 

Iedereen heeft het over (het herstel van) waarden en normen. Dit document laat zien hoe de Bijbel de bron is van waarden en normen in onze samenleving; hoe deze waarden en normen worden opgebouwd en hoe dat in de praktijk wordt toegepast.

Waarden en normen zijn weer bespreekbaar. Desastreuze ontwikkelingen binnen onze maatschappij vereisen een stellingname. Ook de leden van de Tweede Kamer debatteren over deze begrippen. In het maatschappelijke leven zijn duidelijke kentekenen die noodzaken tot ingrijpen in verband met de veiligheid van burgers. Vragen die hierbij oprijzen, zijn: Kunnen Joodse mensen met een keppeltje nog ongestoord op straat lopen? Is fietsen of lopen in bepaalde wijken risicovrij? Moeten winkels in bepaalde wijken inderdaad sluiten i.v.m. de veiligheid van personeel en klanten? Tolereer je, dat leerlingen soms de grofste straattaal richting docenten gebruiken? Je kunt stellen dat waarden en normen de kwaliteit van de samenleving moeten bepalen. De grote vraag is welke waarden en normen je hanteert. Ons land bestaat uit diverse groeperingen en godsdiensten. Zijn er gedragsregels die voor iedereen gelden? B & O is een christelijke organisatie. Wat sta je dan voor?

Waarden en normen vormen de cultuur waarin zowel individu als samenleving als geheel functioneren. Ze vormen een herkenbaar patroon. Eeuwenlang hebben ze hun plaats in de westerse samenleving gehad. Waar ze gaan ontbreken, ontstaat chaos. De politie kan momenteel van de 1,3 miljoen misdrijven per jaar maar een kwart in behandeling nemen. Slechts een klein gedeelte wordt tot een oplossing gebracht. Wie denkt hierbij niet aan zinloos geweld, vernielingen in treinen, stadions en schoolgebouwen?

Overigens moeten we spreken van waarden en normen en niet omgekeerd. Je draagt bij tot onduidelijkheid als je eerst normen noemt. De tijdgeest, het postmodernisme, stelt dat ieder zijn eigen normen hanteert.

Normen worden gedefinieerd als maatstaven, regels, richtsnoeren, modellen. In de opvoeding en het onderwijs zijn normen onderdeel van de opvoeding. Normen staan echter niet op zichzelf, maar zijn afgeleid van waarden. Je krijgt daardoor bij christenen, humanisten, moslims verschillen. De begrippen gerechtigheid, tolerantie, barmhartigheid worden niet hetzelfde ingevuld. We zullen ons dus eerst moeten richten op het begrip waarden.

Een woordenboek zegt dat waarden een neerslag zijn van de zedelijke, geestelijke, religieuze en esthetische betrekkingen tussen mensen.

Wat is echter de bron van die zedelijke, geestelijke, religieuze en esthetische betrekkingen tussen mensen? Of waar komen ze vandaan? Dat is fundamenteel in de discussie die nu gevoerd wordt. Een christen denkt anders over o.a. het begrip tolerantie dan een moslim. Op het ogenblik blijken de grootste verschillen te liggen tussen

o moderne en postmoderne waarden en

o  islamitische en westerse waarden.

Lange tijd golden de joods-christelijke waarden in onze samenleving. Sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw is daar langzamerhand verandering in gekomen.

Onze Nederlandse rechtsstaat was gebaseerd op twee bronnen:

o  de Bijbel en

o het Grieks-Romeinse denken.

Dit heeft geleid tot een democratische samenleving waarvan de bevolking eeuwen heeft geprofiteerd. Natuurlijk is dit niet gegaan zonder extremen, maar het bleek wel stabiel. Kort samengevat kunnen we stellen dat de Bijbel de grondslag van onze waarden en normen is. Denk maar aan de vele gezegdes en uitdrukkingen in onze taal. Daarnaast is ook de geschiedenis een belangrijke bron. Via de renaissance kregen de oude Griekse en Romeinse cultuur aandacht. Je ziet het o.a. in de kunst terug. Verder kreeg ook de verlichting invloed, bijvoorbeeld in het breken van de absolute staatsmacht en de scheiding van kerk en staat. In de westerse cultuur hebben deze invloeden elkaar redelijk in evenwicht gehouden. Ze hebben ons land behoed voor karikaturen en extremen. Voorbeelden van zulke karikaturen zijn: absoluut gezag, intolerantie en individualisme zonder duurzame relaties. Generaalsregimes en revoluties zijn gelukkig in ons land onbekend. Landen als Frankrijk, Duitsland en staten in Zuid-Amerika weten hier meer van. Anarchie en dictatuur zijn daar geen onbekende verschijnselen.

Het is duidelijk dat christelijke waarden en normen afwijken van humanistische. Zo heeft het Bijbels denken geen evolutionistisch mensbeeld. Nee, de mens is geschapen, is rentmeester van de schepping en eenmaal zal hij God verantwoording daarvoor moeten afleggen. Het humanisme daarentegen gaat uit van de autonome mens d.w.z. hij is zichzelf tot wet en erkent niemand boven zich. De humanisten kwamen in de 19e eeuw tot een maatschappelijke orde. Zij hadden een afkeer van een totalitair systeem. De kerk als religieus instituut en de partij als politiek instituut mochten niet een waardensysteem opleggen aan de burgers. Landen waarin de kerk dat heeft kunnen doen, zijn veel van haar soms ontwikkelde burgers kwijtgeraakt. Denk aan de Hugenoten die moesten vluchten voor de intolerante rooms-katholieken. Het grote voorbeeld van het zich onderwerpen aan de partij was de situatie in de voormalige communistische landen van Oost-Europa. Waarden en normen dwingend opleggen, kunnen we kortweg omschrijven met het woord: fundamentalisme!

Tegen het einde van de 20e eeuw waren wij vertrouwd met een systeem waarbij het humanistisch gedachtegoed is doorgeslagen naar extreem individualisme. De slagzin was “een mens is pas volledig mens, als hij van een geen ander mens afhankelijk is”. Daarbij bepaalt in wezen ieder voor zichzelf wat de waarden en normen zijn. Tegenover elke vorm van leiding (Educare) wordt dan “authentiek levensgevoel en zelfontplooiing” gesteld (Educere). Maatschappelijk wordt dit aangeduid als “postmodernisme”. Deze stroming ontkent het bestaan van vaststaande waarden. De politieke kleur hiervan was “paars”. Met “gedogen” als één van haar belangrijkste kernwoorden werd het ontkennen van waarden en normen als “politiek correct” voorgesteld. Gevolgen hiervan zijn duidelijk merkbaar.

Sinds kort zijn wij geconfronteerd met het zgn. islamisme, dat de waarden en normen van de islam als superieur beschouwt. Volgens hun leiders zal het Westen nooit op eigen kracht het niveau van de islam bereiken. Daarom moet de westerse beschaving worden “getransformeerd” via een externe of culturele invasie van de islam. Als hefboom worden de gematigde moslims gebruikt die zich bevinden in het vacuüm tussen de echte islam en de uitgeholde westerse waarden en normen.

Moet daarom het herstel van waarden en normen in Nederland niet tot stand komen vanuit het eeuwenlang succesvol evenwicht tussen de extremen van individualisme en fundamentalisme? De overheid wil echter geen zedenmeester zijn. Deze houding heeft geleid tot een vergaande ontwaarding van de samenleving waarbij zelfs burgerlijk fatsoen op straat en respect voor het bezit van de ander tot een heel laag niveau zijn gezakt. De overheid start nu een maatschappelijke discussie met het oog op herstel en handhaving van die gedragsregels. Zij moet echter niet vergeten, dat zij door God is aangesteld als Zijn dienares (Romeinen 13). Zij mag niet haar eigen wetgeving en rechtspleging bepalen! We kunnen tot de volgende stelling komen: Fundamentalisme? Nee! Fundamenteel? Ja!


In Exodus 20 staan de tien geboden. In de theocratie van Israël gold deze wet als fundament. God was de hoogste Gezagsdrager. Wie deze wet navolgde, werd gezegend (Deuteronomium 29 en 30). In het Nieuwe Testament staat niet deze wetgeving centraal, maar de Middelaar van een nieuw verbond, Jezus Christus (Hebreeën 12). De nieuwtestamentische gemeente is niet meer onder de wet, maar onder de genade (Romeinen 6). De opgestane Heer bepaalt onze waarden en normen. Zijn Geest overtuigt ons van goed en kwaad.

Velen menen, dat de tien geboden nog gelden. Dat blijkt alleen al hieruit dat deze geboden, samen met het Romeinse recht ten grondslag liggen aan de West-Europese rechtsstelsels. In de door B & O samengestelde godsdienstmethode “De Bijbel in de basis” zijn de Tien Geboden verwoord vanuit het begrip “respect”. Het volgende schema ontstaat.

1-2 respect voor Gods eer 5 respect voor je ouders 8 respect voor de grens tussen mijn en dijn
3 respect voor Gods Naam 6 respect voor het leven 9 respect voor de waarheid
4 respect voor Gods dag 7 respect voor het huwelijk 10 respect voor het eigendom van een ander

Het moet u opgevallen zijn dat het woord “respect” tegenwoordig in andere zin wordt gebruikt, namelijk als gedogen van hen die tegen al deze basiswaarden ingaan. Bepaalde politieke partijen, zowel rechtse als linkse, doen regelmatig aanvallen op die waarden. U weet wat de gevolgen zijn.

Gelet op het voorgaande ontwikkelen wij een model van Bijbelse waarden. Zij geven de bouwstenen voor een Bijbels mens- en wereldbeeld. Dit beeld wordt opgebouwd vanuit de drie kenmerken van Gods goedheid:

o  Heiligheid,

oLiefde,

oWaarheid.

Deze kenmerken komen overeen met de drie ambten van Jezus Christus:

o  Koning,

o  Priester,

o Profeet.

Het Bijbelse model:

HEILIGHEID (KONING)
Als je uitgaat van dit kenmerk, noemen we als waarden: gerechtigheid, gezag en zinvolheid.
Afgeleide normen kunnen zijn: rechtvaardigheid, respect, evenwichtigheid.

LIEFDE (PRIESTER)
De waarden bij dit kenmerk kunnen zijn: barmhartigheid, verantwoordelijkheid, vrijheid.
Als normen kun je noemen: begrip voor de ander, tolerantie en herkansing.

WAARHEID (PROFEET)
Tenslotte de waarden bij dit kenmerk: betrouwbaarheid, voorzichtigheid, onderscheiden.
De normen bij de WAARHEID zijn: eerlijkheid, zelfbeheersing, hoop.

We kunnen het geheel in een tabel plaatsen. Als u de pijlen volgt, komen bovenstaande kenmerken duidelijk terug.

Kenmerken van Gods goedheid?

Heiligheid (Koning)

Liefde (Priester)

Waarheid (Profeet)

Waarden 

Gerechtigheid

Barmhartigheid

Betrouwbaarheid

Normen  Rechtvaardigheid Begrip voor de ander Eerlijkheid
Waarden 

Gezag

Verantwoordelijkheid

Voorzichtigheid

Normen  Respect Tolerantie Zelfbeheersing
Waarden ?

Zinvolheid

Vrijheid

Onderscheiden

Normen  Evenwichtigheid Herkansing Hoop

Al deze bovengenoemde waarden en normen staan niet op zichzelf, maar vormen een samenhangend geheel. Het beklemtonen van één of enkele van deze begrippen (bv. vrijheid of gezag) leidt doorgaans tot extremen (bv. anarchie of dictatuur). Voor het vinden van het juiste evenwicht is behalve kennis ook wijsheid van God nodig. Deze wijsheid leert ons met tegenstellingen om te gaan. Als dit niet gebeurt, belandt men in eenzijdigheden en uitersten, tot schade van de ander, van menselijke relaties en van de samenleving.

In de tabel staat steeds tussen haakjes wat het gevolg is van het verlaten van Bijbelse waarden en normen.

Kenmerken van Gods goedheid?

Heiligheid (Koning)

Liefde (Priester)

Waarheid (Profeet)

Waarden 

Gerechtigheid (Criminaliteit)

Barmhartigheid (Egoïsme)

Betrouwbaarheid
(Corruptie)

Normen Rechtvaardigheid
(Onrechtvaardigheid)Begrip voor de ander
(Onbegrip)Eerlijkheid
(Bedrog)

Waarden 

Gezag
(Anarchie)

 

Verantwoordelijkheid (Jaloezie)

Voorzichtigheid
(Losbandigheid)

 

Normen Respect
(Verachting)Tolerantie
(Haat)Zelfbeheersing
(Driften)

Waarden 

Zinvolheid
(IJdelheid)

 

Vrijheid
(Discriminatie)

Onderscheiden
(Verblinding)

Normen Evenwichtigheid
(Chaos)Herkansing
(Afschrijven)Hoop
(Wanhoop)

 

 

 

Het begrip waarden is niet meer voor iedereen duidelijk. Wat voor de één waarden zijn, noemt de ander onwaarden, en omgekeerd. B&O geeft aan volgens welke bijbelse criteria waarden kunnen worden opgebouwd.

Dit is een samenvatting van de toespraak die drs. J. J. Bakker op 11 juni 1998 hield voor de ledenvergadering van Bijbel & Onderwijs te Amersfoort.
Inleiding
Veel opvoeders, ouders, schoolbestuurders en leerkrachten verkeren in onzekerheid over de waarden en normen die zij aan hun kinderen moeten meegeven. Die onmacht is vaak richtinggevend voor de opvoeding. In de tijd dat de zuilen afbrokkelden, werden de eerste geluiden gehoord over een gebrek aan vormend vermogen in het onderwijs. Waar het relativisme ingang vond, is de morele ontwikkeling in de hoek terechtgekomen van de persoonlijke opinie, het individuele geweten, kortom van de keuzevrijheid.

Nu zijn waarden en normen niet zomaar uit de lucht komen vallen. Het zijn kristallisaties van het cultureel erfgoed, belangrijk voor mens en maatschappij. Ze beïnvloeden elke dag en elk moment het denken en doen van mensen. Wat mensen denken (hun ideeën, opvattingen, meningen over iets) komen we tegen in het begrip waarden: opvattingen over wat goed, juist en nastrevingswaardig is. Wat mensen doen, komen we tegen in het begrip normen: globaal geformuleerde gedragsvoorschriften.

Het grote probleem hierbij is dat mensen heel verschillend denken over wat goed en nastrevingswaardig is. Wat de één goed noemt, noemt de ander slecht. Wat de één als norm verheft, hoeft niet per definitie voor de ander te gelden. Hiermee zitten we in de kern van ons onderwerp. Wat de één waarde noemt, is voor de ander onwaarde.


Spanningsveld
De profeet Jesaja schetst bovenstaand spanningsveld in hoofdstuk 5, wanneer hij zijn zesvoudige wee uitspreekt. In vers 20 meldt hij: “Wee degenen, die het kwade goed heten en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen en licht tot duisternis; die het bittere tot zoet *stellen en het zoete tot bitterheid!” Wat binnen de christelijke gemeenschap heel lang vanzelfsprekend was, is dat nu niet meer. Wanneer in een conflict over identiteit iemand zich beroept op de Bijbel (zoals dit in de statuten van veel scholen voorkomt), is het antwoord vaak: “Dat is uw inzicht, wij denken daar anders over.” De vroeger vrij algemeen aanvaarde Bijbelse normen vallen weg, want in deze postmoderne tijd mag iedereen zijn eigen authentieke waarden en normen uitvinden. Wanneer het licht verdwijnt, treedt al gauw de schemering en duisternis in. Daarin valt ook de weerstand tegen vreemde invloeden weg en neemt men al gauw zijn toevlucht tot allerlei dwalingen. Daarbij vallen enkele zaken sterk op:

1. De invloed van de media, met name de elektronische media: televisie, computer en internet. Achter de computer surfen op internet en de werkelijkheid beleven als ‘virtual reality’. Dit laatste betekent dat de gebruiker met behulp van de computer zich zijn eigen werkelijkheid schept. Een voorbeeld is de tekening van een huis dat in drie dimensies wordt afgebeeld en waarin de gebruiker kan ‘rondwandelen’ om op die manier zijn nieuwe leefomgeving te beleven. Veel kinderen voeren in hun computerspelletjes allerlei opdrachten uit (zoals ‘dieren doden met de computer’). Iedere geslaagde poging levert punten op die worden omgezet in kennis, wijsheid en energie, waarmee de volgende (moeilijker) opdracht wordt uitgevoerd.

2. In dialoog met de wereldreligies werken aan een nieuwe wereldethiek. Hierbij wordt de bron, de Bijbel, vervangen door het doel, een voor allen leefbare wereld. Veel scholen hebben godsdienstonderwijs vervangen door ‘levensbeschouwelijke vorming’. In een schoolgids van een christelijke school las ik onlangs de volgende passage: “Een kind moet leren betekenis te geven aan de werkelijkheid door het opwekken van een spirituele levenshouding. Vanuit een persoonlijke aandrang op zoek gaan naar Iets of Iemand groter dan jezelf en hiermee zin verlenen aan de eigen ervaringen.” Dat is puur New Age-denken. Bij dezelfde school las ik bij het vak gymnastiek “… dat kinderen via yoga en transcendente meditatie tot zichzelf moeten komen en zo het goddelijke in hen weten te onderkennen en dat in te zetten voor hun dienst aan de medemensen.” Daarmee belanden we bij het volgende punt.

3. Beschikken over ‘kosmische energieën’. Sinds 1990 zijn allerlei zaken uit de psycho-therapie (vooral van het Jung-denken) het onderwijs binnengeslopen. De ingang was vaak de zorgkant van het onderwijs: door middel van remedial teaching om leer- en gedragsproblemen te verhelpen. Dit klemde des te meer bij het grote aantal kinderen waarvoor dit gold, als gevolg van het project ‘Weer Samen naar School’ (WSNS).

Naderhand zijn deze psycho-technieken uitgebreid tot het reguliere onderwijs. Onder de verzamelnaam Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP) maken kinderen, in een staat van trance, een ‘reis naar binnen’ met als doel: in contact te komen met hun eigen ‘spirituele bronnen van wijsheid, kennis en energie’. Tal van kinderboeken (gepropageerd tijdens de Kinderboekenweek) maken de kinderen hiervoor rijp en sommige lees- en schrijfmethoden spelen hierop in door gebruik te maken van spirituele technieken.


Dwarsliggen als missie
Dit klimaat vergt van ons een andere instelling dan zich als team(lid) conformeren aan datgene wat algemeen wordt aangeprezen. Het vergt een kritische instelling die kan leiden tot non-conformisme en dwarsliggen. Dat roept een aantal vragen op, die voor velen nieuw zijn en uiting geven aan onze “Bezwaren tegen de geest der eeuw”, zoals:

  • Hoe gaan we binnen de christelijke school om met die paradox van conformisme en non-conformisme?
  • Hoe stelt een christen-leerkracht zich op die wil uitkomen voor Bijbelse waarden en normen?
  • Hoe bestrijden we invloeden die haaks staan op de waarden en normen die we als christen willen uitdragen?

Dwarsliggen in dit verband kan gezien worden als een missie. Handen en voeten geven aan de pedagogische opdracht van het onderwijs betekent tegenwoordig veel dingen weren om de kinderen te beschermen tegen verleidingen die in de opleidingen niet behandeld zijn (zie Deut. 32:17b). Ja, in deze tijd moet om een begrip als ‘geborgenheid’ gestreden worden!


Spiritual character
In één van de toespraken tijdens zijn recente verblijf in Nederland riep de Jood Lance Lambert op te ageren op de verleidingen die op ons afkomen. Één van de zaken die hiervoor nodig zijn, is ‘spiritual character’, ook en vooral in de christelijke opvoeding en bij het onderwijs.

In een eerder gehouden verhaal over waarden en normen riep ik op tot verdieping van het beroepsprofiel van de groepsleerkracht bij het basisonderwijs. Naast de leerkracht als pedagoog, didacticus, teamlid en contactpersoon naar buiten, pleit ik voor de leerkracht als counselor. Onder dit laatste moet verstaan worden “hij/zij die beroepshalve of op basis van aanstelling de kinderen belangrijke zaken probeert bij te brengen als het gaat om hun geestelijk, verstandelijk, lichamelijk en maatschappelijk-sociaal welzijn.”


Conclusie
1. Ouders, weest u zich bewust van wat er op school met uw kinderen gebeurt. Luister goed naar wat uw kind vertelt en stelt u zich op de hoogte wat de school hen aanbiedt.
2. Leraren, neem niet voetstoots aan wat als ‘vernieuwing’ wordt aangeboden. Toets alles, niet alleen aan het (vermeende) resultaat, maar vooral aan de Schrift.

 

Een cijfer voor de school? meer dan presteren alleen!

Tegenwoordig ontvangen niet alleen leerlingen een cijfer op school, maar worden ook de scholen becijferd. B&O introduceert een ‘waardenwijzer’ voor de vakken in het voortgezet onderwijs, gericht op het overdragen van waarden en normen.

B&O magazine feb. 1998, door drs. R.H. Matzken

De Vereniging Bijbel & Onderwijs is het eens met de stelling dat naast de prestaties ook de vormende aspecten aandacht verdienen. Zij richt haar activiteiten dan ook in het bijzonder op waarden en normen in het onderwijs.

Nu is het in kaart brengen van zo’n waarden-overdracht heel wat moeilijker dan het meten van kwantitatieve prestaties. Toch is het noodzakelijk dat scholen, ouders en leerlingen inzicht krijgen in datgene wat er nu precies op een christelijke school belangrijker is dan prestaties alleen. Daarom is Bijbel & Onderwijs begonnen met het formuleren van criteria voor een ‘waardenwijzer’ van scholen voor christelijk voortgezet onderwijs. Deze waarden zijn immers van grote invloed op de vorming van de generatie die de 21e eeuw haar gezicht zal geven.

De identiteit van een christelijke school uit zich altijd op drie niveaus:

– de statutaire identiteit
– de geschreven identiteit
– de beleefde identiteit.

In het nu volgende voorstel valt de nadruk op ‘de geschreven identiteit’, dat is de identiteit vanuit het curriculum (leerplan) en de gebruikte methoden en materialen. Typisch onderwerpen die in een gesprek met de leraren aan de orde kunnen komen.

Wij zijn ons bewust van de nauwe relatie tussen identiteit en levensbeschouwing, die mede bepalend is voor het pedagogisch en onderwijskundig handelen. Hoewel er grote verschillen in levensbeschouwing bestaan, stelt B&O zich op het standpunt dat ieder mens oprecht is in zijn levenbeschouwing en deze tracht uit te dragen. Wij hebben ervoor gekozen ons standpunt duidelijk te maken aan de hand van één levensbeschouwing, de orthodox-christelijke met haar eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen.

Bij het maken van zo’n waarden-wijzer leek het ons minder gewenst om de ‘geschreven waarden’ in een cijfer uit te drukken. Wij denken eerder aan een genuanceerde + en – beoordeling zoals ook de Consumentengids die geeft. Ook richten wij ons vooralsnog primair op de basisvorming, dus de eerste drie jaren van een opleiding die zo wezenlijk zijn voor de persoonsvorming. Van de puber

In onderstaande tabel geven wij een eerste aanzet tot een waarden-wijzer voor een aantal vakken, zoals wij menen dat een christelijke school hieraan invulling zou kunnen geven. Wij zijn ons bewust dat anderen dit (ten dele) anders zouden invullen. Daarom horen wij graag hierover uw mening:
a. Spreekt de gedachte u aan en denkt u dat deze kan bijdragen tot een betere profilering van het christelijk onderwijs?
b. Op welke wijze zou u zaken anders formuleren, en waarom?

Voorbeeld van een Waarden-wijzer voor het Voortgezet onderwijs

Onderwerp/ vakgebied Volgens een ‘bijbelcentrische’ levensbeschouwing en de daarmee corresponderende pedagogische en didactische uitgangspunten
De Bijbel De uitleg van en het omgaan met de Bijbel wordt niet bepaald vanuit de natuurwetenschap en/of de filosofie en psychologie
Dag- en weekopeningen Men hanteert een bijbelcentrische methode of rooster waaruit zowel eerbied en ontzag als liefde en dankbaarheid doorklinkt
Godsdienst-
Onderwijs
Naast kennis van de Bijbel ook gericht op bijbels wereldbeeld en christelijke levensstijl. School gebruikt een bijbelcentrische methode. De persoon van Jezus Christus als de enige Weg en de Bijbel als Gods Woord staan niet ter discussie.
Nederlands Bij het omgaan met literatuur staat ethiek boven esthetiek.
Leerlingen leren kritisch-onderscheidend omgaan met het gedachtegoed van anderen, onder goede begeleiding.
Speciale aandacht voor christelijke auteurs en de klassieken.
Moderne talen Als bij Nederlands.
Op sommige scholen wordt de Bijbel in de moderne talen gelezen.
Kunstzinnige vorming Gericht op het centraal stellen van de heerlijkheid Gods.
Onderscheiden van de artistieke ervaring en de boodschap.
Kennismaken met de motieven van christen-artiesten.
Muziek Bewust werken aan een Bijbelse tegencultuur met een aanbod van (klassieke en eigentijdse) muziek die verheft.
Zowel van populaire als van klassieke muziek wordt uitgelegd wanneer die qua tekst of context verwerpelijk is, en waarom.
Natuur- wis- en scheikunde Gods majesteit wordt gezien vanuit de schepping via modellen van de stoffelijke wereld en de ordeningen in de schepping.
Andere visies op de natuur worden kritisch behandeld.
Biologie/Geologie en Verzorging Creationisme en evolutionisme worden beide onderwezen als hypothese. Leerlingen leren onderscheid maken tussen feiten en verklaringsmodellen.
Op verantwoorde wijze omgaan met seksualiteit.
Economie en Milieukunde Onderricht in het joods-christelijke gedachtegoed over economie.
Uitgaan van Bijbels rentmeesterschap wat betreft het beheer van de aarde. Milieufactoren zijn geen ‘vrije goederen’ maar onderdeel van de kostprijs.
Geschiedenis Acht geven op de zin der geschiedenis en herkennen van Gods hand hierin. Andere godsdiensten worden op faire wijze behandeld, maar zijn niet gelijkwaardig aan het christelijk geloof. De overheid wordt erkend als dienaresse Gods.
Maatschappijleer Inzicht in de tijdgeest en haar uitingen. Kritisch omgaan met individualisering, massamedia en directe behoeftebevrediging.
Verschil tussen tolerantie die de Bijbel leert (jegens personen) en tolerantie volgens het postmodernisme, dat alle eigen meningen een gelijke waarde toekent.
Buitenleer-Activiteiten Afstand nemen van uitingen van neo-paganisme (nieuw-heidendom) in oefeningen, cursussen, excursies, etc., zoals Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP) in al haar variaties.

 

Een pedagogische en levensbeschouwelijke beoordeling van de griezelboeken van Paul van Loon, toegespitst op de voorstellingen die in de ‘Griezelbus’ worden gegeven.

Waarheen rijdt de Griezelbus, Griezelbus, Griezelbus
(op de wijs van: Zeg, ken jij de mosselman?)

Waarheen rijdt de Griezelbus, Griezelbus, Griezelbus
Ja, waar gaat de Griezelbus naar toe met onze kind’ren?

Hij rijdt naar een duister land, Fluisterland, Kluisterland
Ja, daar gaat de Griezelbus naar toe met onze kind’ren!

Samen gaan zij naar een duister land, Fluisterland, Kluisterland
Kijk! Daar rijdt de Griezelbus! weg met onze kind’ren.

  • Daarheen rijdt de Griezelbus!
  • Uit de reclame voor de Griezelbus
  • Bloedstollend griezelplezier
  • Griezelend naar de duisternis 
    (bezoekverslagen en commentaren)
  • Griezel- en gruweltrainingen – Wat zit erachter?
  • Daniel in Zweinstein
  • Oordeelt u zelf!


Daarheen rijdt de Griezelbus!
Na de dikke Griezelbus-boeken, rijdt er nu ook een echte Griezelbus door Nederland. Daarin worden voorstellingen gegeven die zoveel mogelijk ‘net-echt’ zijn. Behalve een bus, worden ook grote zalen afgehuurd om zoveel mogelijk kinderen te laten ‘genieten’ van een middagje echt griezelen. Na een aantal try-outs, waarover ouders al eerder reageerden, onder meer in het B&O magazine van februari en december 2001, begonnen in Friesland de eerste voorstellingen. Met pech, want de voorstelling in Dokkum kon tot twee keer toe niet doorgaan: een keer vanwege een technische storing bij de Griezelbus, daarna begaven de stembanden van de verteller het. “Alsof de duvel ermee speelt” . . . Het is maar van welke kant je het bekijkt. . .


Bloedstollend griezelplezier
In een uitnodiging tot de voorstelling van de Griezelbus rekent de griezelbus-boeken van schrijver Paul van Loon “met recht en reden tot de meest populaire kinderboeken die ook menig ouder uren griezelplezier bezorgen. In het kader van de Kinderboekenweek zal De Griezelbus met deze spetterende theatervoorstelling het lokaal onveilig maken. Dat wil zeggen: als jullie opgewassen zijn tegen vijf kwartier bloedstollend plezier.”
Het pedagogisch studiecentrum van het humanistisch vormingsonderwijs te Grouw denkt dat “kinderboekenschrijver Paul van Loon wel weet wat kinderen aankunnen en wat niet. . . Griezelen is een emotie die bij kinderen hoort. Niet in de zin van bang maken of bedreigen, maar gezond leren griezelen.”

De Culturele Commissie Dongeradeel (waar Dokkum onder valt) plaatst iemand die bezwaren heeft tegen de Griezelbus terug in de Middeleeuwen. Geen index voor Paul van Loon en Harry Potter en ook geen boekverbrandingen! Een eigen mening wordt niet gegeven, want “de producent heeft mij verzekerd dat het hier gaat om een vrolijke familievoorstelling. Geen onverantwoorde gruwelijkheden, maar een spannende, kindvriendelijke musical.”
Griezelend naar de duisternis 
Hieronder geven wij de berichten die enkele ouders op hun website hebben geplaatst:

Verslagen van twee proefvoorstellingen Commentaren op de voorstellingen
23 januari 2001, Diemen
Voordat ik overga tot het beschrijven van enkele scènes, eerst even de afloop. Er werd luid gezongen en geklapt, de kinderen werd gevraagd mee te klappen: de tekst ging ongeveer zo:

“Vergeet het nooit, de griezelbus is overal, is er altijd”

“Je kwade geweten, brengt je zorgen in de nacht.”

“Is er een macht die je ervan bevrijden kan?”

Een man heeft een schilderij op de kop weten te tikken met daarop een ophanging van een (kinder?)moordenaar uit een ver verleden. Hij is verraden door zijn zoon, die op het schilderij toekijkt. In de bus was al eerder de aandacht gevestigd op een strop waaraan die man zou zijn opgehangen. De vader wil het schilderij ophangen, maar de vrouw niet. Een van de jongens in de bus moet voor hun zoon spelen (hij blijft wel zitten). Hij zou lijken op het schilderij. De moeder zegt haar zoon welterusten en de vader hangt het schilderij stiekem op. Plotseling overvalt hem een razernij en komt de geest van de opgehangen man over hem. Hij wordt wild en wil het jongetje dat onder de strop zit, de strop omdoen. Dit alles omhuld met enge muziek. (…) In een volgende scène gaat het over het vissersdorpje Gurk of Gork. Daar heeft de bevolking een vrouw een oog dichtgenaaid, omdat ze een boos oog zou hebben. Een schilder wil haar graag schilderen. Zij vraagt hem om met zijn mes haar oog open te maken. Dat is een gruwelijke scène. Zij verandert (met een masker) in iemand die anderen aankijkt en dan sterven ze.

(…) een ordinair echtpaar zit op de bank en de buurvrouw, een verschrikkelijk eng iemand, vraagt of ze de babyfoon bij hen mag laten. Ze horen verschrikkelijke geluiden. De man is bang (…) en de vrouw gaat op onderzoek uit. Ze ziet een baby met een varkensgezicht en rode oogjes. De vrouw komt thuis en blijkt er net zo uit te zien. Opnieuw een angstaanjagende scène. De boodschap, ook zo gezongen: pas op met de buren, je weet nooit wat er achter de gordijnen gebeurt.

(…) vertelt over nog een vervelende jongen in haar klas. En op haar verjaardag, de volgende dag, is ook die jongen verdwenen. Ze krijgt een taart met bloederige vingertjes als kaarsjes. Vingers van die jongens die haar tante hebben vermoord.

(…) Tussendoor wordt opgemerkt dat het weer bij volle maan ideaal is voor het contact met geesten. Een man heeft een jonge vriend die gespecialiseerd is in weerwolven. Aan de kinderen wordt gevraagd wie van hen weet wat een weerwolf is, wanneer hij verschijnt, verdwijnt en hoe hij gedood kan worden.

De chauffeur van de bus, die ook wat bijrollen vervult, zei dat groep 7 of 8 de minimumleeftijd is. Jonger worden ze te bang. Maar ook bij die leeftijd worden er wel eens kinderen zo bang dat ze de bus uitvluchten.

We kunnen ons niet voorstellen dat ouders, leerkrachten en opvoeders jonge kinderen met dit soort horror in aanraking willen brengen. We zien hier ernstige gevaren en wel op verschillende terreinen. Allereerst zijn er een aantal algemene risico’s.

1. Risico’s op psychisch gebied. Niemand kan voorspellen wat de psychische reacties van kinderen zijn wanneer ze extreme angst ervaren. Het meest voor de hand liggende risico – (tijdelijke) nachtmerries – kan gedurende lange tijd aanhouden. Ernstiger verschijnselen als het ontwikkelen van fobieën en contactstoornissen zijn niet uit te sluiten. Ter illustratie een citaat uit het bovenaangehaalde verslag:

2. Risico’s voor het gedrag. Het is na enkele decennia van films en videospelletjes algemeen bekend dat het gedrag van (jonge) mensen beïnvloed wordt door hetgeen ze zien. Dat wordt bewezen door de groei van de criminaliteit onder jongeren. De gebeurtenissen in het Amerikaanse Littleton waar twee jongens geheel naar het scenario van een videospel dood en verderf zaaiden op een middelbare school, zijn een voorbeeld uit velen.

Niemand kan voorspellen in hoeverre kinderen die de Griezelbus bezoeken zich gedrongen weten een en ander te willen naspelen: dat is namelijk wat kinderen normaal doen!

3. Risico’s op moreel gebied. Onze maatschappij lijkt steeds op zoek naar sterkere prikkels. Men kan zich afvragen welke reactie de meest gezonde is: walging of waardering. Met de Griezelbus wordt kinderen voorgehouden dat dingen die niet normaal zijn maar afschrikwekkend, er ook bijhoren, gewoon voor de lol.

4. Risico’s op esthetisch gebied. Opvoeden betekent ook dat we de (goede) smaak van kinderen willen bevorderen. Het met een mes opensnijden van een dichtgenaaid oog of een verjaardagstaart met kaarsjes van bloederige vingers past daar niet in, bevordert slechts afstomping van het gevoel.

Vanuit christelijk standpunt bekeken kan men nog twee risico’s toevoegen.

5. Risico’s op zedelijk gebied. Het spelen met geesten, vampiers en weerwolven zoals in de voorstelling van de Griezelbus het geval is, brengt ons in de buurt van het occulte. In het Oude Testament wordt aan Israël ten strengste verboden zich daar mee in te laten. Het wordt een gruwel in de ogen van God genoemd. Is het niet op zijn minst opmerkelijk dat vele van de gruwelen in het Oude Testament beschreven (kinderoffers, door het vuur gaan) juist samenhangen met heidense cultussen? Christenen mogen daar de ogen niet voor sluiten.

6. Risico’s op geestelijk terrein. Niet alle kinderen reageren geschokt. Er zijn ook kinderen die dankzij dit soort voorstellingen een belangstelling voor het occulte hebben ontwikkeld en zelf op zoek gaan naar ‘geheime wetenschap’ als glaasje draaien, het ouija-bord en andere vormen van waarzeggerij. Onschuldig? Velen die zich op dit pad begaven werden jarenlang geplaagd door onverklaarbare aanwezigheden in huis, hoorden stemmen in hun hoofd en worden nu steeds meer met de drang tot zelfmoord geconfronteerd.

26 september 2001, Franeker.

Het verhaal gaat over P. Onnoval die in een vervallen huis vol zombies zit. Hij zingt een lied over volle maan, zwarte krachten en dat buiten de dood wacht. Zijn waarschuwing is: “Houd je deur op slot!”

Ondertussen komt Liselore op de ‘cirkel van licht’ af en belandt dus door nieuwsgierigheid in het huis van P. Onnoval en zijn zombies. Het kind geeft aan dat het altijd al stemmen hoort, maar dat de volwassenen haar niet geloven.

Na een lied van P. Onnoval over hoe mooi alles was, verschijnt uit de haard vol vuur iemand in het zwart met rode ogen. De haard is de poort naar de andere werkelijkheid wordt ons duidelijk gemaakt (later in het stuk zegt hij letterlijk: “Het huis is het voorportaal van mijn hel, van de werkelijke wereld.”). Het meisje kan hem niet zien.

Dan komen er een aantal flashbacks waarin naar voren komt dat P. Onnoval gepest en mishandeld werd. Ferluci (de duivel, de man uit de haard) komt in z’n leven en biedt hem het volgende aan: “Zou je geen wraak willen nemen, ze zullen bang voor je zijn” en “Je zult je dromen kunnen begrijpen”. P. Onnoval sluit een pact met de duivel en een weerwolf vermoordt alle mensen die hem iets aan hebben gedaan. Klasgenoten komen onder de trein, z’n pleegouders en z’n vriend worden vermorzeld. Dit wordt uitgebeeld in een schimmenspel, maar je hoort botten kraken en gegeten worden, je ziet het hoofd van pa nog in een wasmand e.d. Deze vermoorde mensen worden zombie. Er wordt ook een lied gezongen door de zombies waarin ze uitleggen dat zombie-zijn inhoudt dat je halverwege de dood bent.

Er ontstaat liefde tussen P. Onnoval en het kind, maar dan komt Ferluci vertellen dat alleen zotte zielen in de liefde donderen en ook wordt duidelijk dat P. Onnoval de weerwolf is. Het meisje wil bij P. Onnoval blijven, ze maakt een keuze en dan kan ze ineens ook Ferluci zien!

Volgens het kind kan Ferluci door te schrijven overwonnen worden en dan komen zijn letters op borden het podium op. Levensgroot komen aan de rechterkant van het podium de letters FER in beeld en aan de linkerkant LUC, de haard vormt de I en wij lezen dus over het hele podium L U C I F E R!!!!!! (Ferluci verdwijnt door de poort; “Ik kom terug!!”)

In de slotscène zien we ze vrolijk in de bus, kinderliedjes zingend.

· Een zombie wil bewijzen dat hij zombie is en trekt z’n oor af , hij loopt daarmee rond en laat het fladderen.

· Een zombie drinkt wijn en dat spuit z’n lichaam uit. “Ik houd ook niks meer binnen, die wormen vreten dwars door je heen”, is zijn commentaar. De wormen zie je ook uit zijn kleding hangen.

· Zombies halen verhalen op over het pak waarin je begraven ligt. Hun conclusie is dat je altijd in een goedkoop pak begraven wordt (“van C&A, nooit van Armani”) en dat die goedkope pakken zo weggerot en aangevreten zijn.

· Een zombie ziet de laatste tijd wat slecht, net of het oog vettig is en hij haalt het uit z’n kas en loopt een tijdje met zijn oog in de hand.

· De (pleeg)vader bedreigt zijn zoon, staat op een gegeven moment met een zaag boven z’n nek. Later wordt pa gedood door de weerwolf en is zelf onthoofd; zijn hoofd komt al pratend uit de wasmand zetten.

· De beste vriend van P. Onnoval wordt langzaam onder het gordijn getrokken, luid krakend wordt hij door de weerwolf verorberd, bloedspetters spatten omhoog.

· De zombies drinken uit felgekleurde schedels, met een rietje erin.

Willen we onze kinderen voorhouden dat dit soort zaken normaal zijn? Schotelen we ze niet steeds sterkere prikkels voor onder het mom van vermaak? Qua boodschap vonden wij het bijzonder schokkend: weerwolf zijn, klopgeesten (dat werden de klasgenootjes die P. Onnoval hadden gepest na hun dood), de duivel, stemmen horen, de andere werkelijkheid, zombies e.d. en dat alles speels gebracht. Het kind Liselore verbeeldt ook echt het kind dat vol onschuld en nieuwsgierigheid de andere werkelijkheid wil gaan ontdekken waarin je macht beloofd wordt.

P. Onnoval is in het stuk een schrijver en het is een anagram van P. van Loon. Je kunt je dus afvragen: heeft hij zich hier bloot gegeven; is hij het werktuig van het anagram van ferluci, lucifer dus!?! (Vergelijk Faust).

Wat kinderen in deze voorstelling meekrijgen is: ga overal op af, want je kunt zelf wel zorgen dat het goed afloopt; het kwade is de werkelijke wereld; als je dood gaat word je zombie of klopgeest (Hoe moet dat zijn voor een kind in de zaal waarvan net bijv. zijn oma is overleden? Die kwam toch in de hemel?). Wraak nemen is normaal en geoorloofd; de duivel heeft macht over alles, hij regeert; belangstelling voor het occulte levert kennis op en in ieder geval vermaak (alle erge dingen werden weer afgezwakt met een grapje).

 

Onze conclusie: Wij hadden eenmaal de pedagogiek van de hoop. 
Een generatie later groeien onze kinderen op met de pedagogiek van de angst.

Zo wordt in het begin van een programma gezongen “Houd je deur op slot!”.
Wat een tegenstelling met het liedje dat wij thuis graag zingen

“Is je deur nog op slot? Zet hem open voor God”.

Jezus is immers de Goede Herder en wil dat ook zijn voor onze kinderen.
Griezel- en gruweltrainingen – Wat zit erachter?
Prof. Dr. Reinhardt Franzke (hoogleraar te Hannover) doet sinds jaren onderzoek naar de achtergronden van occulte verschijnselen, speciaal met betrekking tot het onderwijs. In zijn gedocumenteerde studie over Hexen-, Grusel- und Ekeltraining schrijft hij onder meer het volgende:
“Bijzonder gevaarlijk is ook de soms bijna verplichte gruwel-, angst- en griezeltraining. Dit is een binnenvoeren in de psychologie van het kwaad. Het is de psychologie van de verschrikking, van de huiver, van de walging, en de angst, dat is de psychologie van de duivel en duivelsaanbidders. De griezeltraining, evenals verschrikking en gruwel zijn vaste bestanddelen van diverse magische en occulte systemen, zoals bijv. het satanisme, het Tibetaanse tantrisme en veel andere magische en geheime culten.”

God heeft voor de mens een paradijs geschapen (en opnieuw beloofd), een wereld zonder leed, ziekte, oudheid, nood en dood, een wereld zonder angst en schrik. Maar Gods tegenstander heeft slechts het tegendeel op het oog, dat is de wereld van de horror en horrorwezens, wier aanblik alleen al verschrikkelijke angsten en kwellingen geeft.
Gruwelen en griezelen, schrik en kwaad kwellen en beangstigen de normale menselijke ziel. Zij kunnen gevoelige kinderen geestesziek maken en geestelijk verwarren, ze kunnen depressies en nachtmerries veroorzaken en het leer – en prestatievermogen van de scholieren beïnvloeden. Zij zijn zelfs in staat om menselijke gevoelens zoals medelijden en meevoelen alsook het menselijke geweten te doden en daarentegen de bereidheid tot sadistische gewelddadigheden te bevorderen. In de naaste toekomst zal de geestelijke gezondheidszorg en de politie er dus nog wel een hele taak bij krijgen.

De normale menselijke reactie op griezel, gruwel en schrik is negeren of vluchten. Het feit dat basisschoolkinderen deze pedagogiek overwegend enthousiast opnemen, toont aan hoe ver verbreid de verschrikkelijke geest van de hekserij en magie al is.

Conclusie: De confrontatie met griezeldieren, griezelscènes en griezelgerechten (heksenkeuken), met horrorwezens en horrorscènes is een brutale mishandeling van de kinderziel. Gruwelweken en griezelscenario’s beschadigen en verkrachten de ziel van onze kinderen.


Daniël in Zweinstein
Er is al heel wat occults over onze kinderen uitgestort en dat gaat nog steeds door!
Nog maar kort geleden lazen ze de boeken van Kippenvel aan stukken (toen ik er een bij de bieb wilde inzien, zei de computer: dat boek is bij de binder). Dan kwamen de rages Pokemon, Halloween en Harry Potter. Nu is zijn er de Griezelbus, The Lord of the Rings en de verfilming van Narnia zonder de bijbelse achtergrond die C.S. Lewis bedoelde. Om nog maar niet te spreken van alle heksen die de kinderen ‘boeien’.

Ons advies is natuurlijk in de eerste plaats om dit allemaal zoveel mogelijk te vermijden. Geef uw kinderen liever andere dingen te doen en te lezen: er zijn zoveel goede boeken, die u kunt vinden in onze brochure Rijp zonder Gifgroen.
Maar wanneer het niet te vermijden is dat uw kinderen hiermee in aanraking komen, raden wij u aan om eens goed Daniël 1 te lezen. Daniël en zijn drie vrienden: Hananja, Misael en Azarja, hoorden bij de eerste groep ballingen die naar Babylon werden weggevoerd, ver van hun vertrouwde omgeving en de lezing van de Schriften (die toen tot en met Jeremia waren voltooid). Behalve dat zij knappe knapen waren, staat van hen vermeld:

Van huis uit . . . Op grond hiervan . . .
waren zij bedreven in wijsheid

bezaten zij veel kennis

waren zij academisch geschoold

Gingen zij dienst doen in het paleis van de koning

leerden zij de geschriften en de taal der Chaldeeën

kregen zij drie jaar lang een heropvoeding.

Wat een bedreiging was dat: compleet gehersenspoeld in de tovenarij en astrologie van ‘Zweinstein’ te Babylon! Maar het wordt allemaal nog erger Zij moesten zelfs hun naam, hun identiteit, prijsgeven! Zij hadden namen die hen met de Allerhoogste God verbonden. Die namen werden hun afgenomen in ruil voor namen die hen met een afgod verbonden.

Oude naam verbonden met Israëls God Nieuwe naam verwijzend naar Babels goden
Daniël: God is mijn richter/rechter

Hananja: De HERE is genadig

Misaël: Wie is als God?

Azarja: De HERE is een helper

Beltsazar: Bel beschermt het leven van de koning

Shadrach: Inspiratie van de zon

Mesach: Hoort bij de god van de wijn

Abednebo: Dienaar van Nebo

Toch zien deze mannen een uitweg waardoor die bedreiging wordt tot een uitdaging.
Zij nemen zich voor zich niet te verontreinigen met de spijze en de wijn van de tafel van de koning, met een verrassend resultaat. Tijdens hun studie van de ‘Old Age’ van Babel was de Here God hen nabij en zo ontvingen zij kennis en verstand van de geschriften en wijsheid. Maar omgekeerd gebeurde dat ook, zodat eeuwen later de nazaten van deze magiërs, astrologen en tovenaars de ster volgden naar de nieuwgeboren Koning in de kribbe!
Na drie jaar slagen zij allemaal cum laude! Gelijk treden zij in dienst van de koning en met wijs inzicht kunnen zij de koning bij elke zaak wijze raad geven. Beter dan alle tovenaars, wichelaars en bezweerders bij elkaar, zoals blijkt uit Daniël. 2.


Oordeelt u zelf!
Hieronder volgen enkele titels van boeken waar Paul van Loon in grossiert:

De Griezelbus 
(diverse delen) 
Griezelige gasten

Griezelbeelden

Griezelverzen van gruwelrijm

Griezelige klanken

Spoken bestaan wel!

’s Nachts is alles anders

Foeksia de miniheks

Lyc-drop

De andere werkelijkheid

Vampier in de school

Bang voor vampiers?

De vampierclub

Weerwolfhandboek

Dolfje weerwolfje

 

Tegenover al dit griezelgeweld noemen wij enkele websites die al dit griezelgeweld tegen het Licht houden en adviezen geven aan ouders en scholen om de kinderen die aan hen zijn toevertrouwd, ook in deze

Als enkele goede Amerikaanse websites noemen wij
www.family.org
www.logosresourcepages.org

Vertaling van de bijdrage ‘What Literature shall we give our Children?’ tijdens het congres ‘Wereldbeeld en levensstijl–Wat laten wij onze kinderen na?’ in Yalta, De Krim, mei 2000

B&O magazine, door dr. Fawn Knight

Alle kinderen houden van een goed verhaal. Wanneer we nadenken over wat we onze kinderen laten lezen, moeten we ons afvragen: Wat maakt iets voor kinderen tot een goed verhaal? Om te beginnen is een goed verhaal iets waarvan kinderen kunnen genieten, waar ze graag naar luisteren omdat het hun wereld verruimt. Maar het plezier om te luisteren komt ook voort uit de taal die de verteller gebruikt, uit het ritme en de muziek in de woorden. Een kind dat zich nooit behaaglijk heeft genesteld bij een haardvuur, of opgerold onder de dekens, om naar een verhaal te horen, heeft iets heel belangrijks in zijn jonge leven gemist.

Los daarvan is het onze taak om iets aan onze kinderen door te geven. Een goed verhaal zal een diepgaande invloed op hun leven hebben en hen leren hoe zij over zichzelf denken en over de wereld waarin ze leven. Als deskundige op het gebied van kinderboeken leg ik de nadruk op kwaliteit. Kinderen vormen de toekomst van een land of volk en zij verdienen het beste dat wij hen kunnen bieden. Het beste is voor hen nauwelijks goed genoeg.

Kinderboeken vormen een belangrijke drager voor onze cultuur, althans de cultuur die wij aan onze kinderen willen overdragen. Via de lectuur die zij voor hun kinderen kiezen, maken volwassenen machtige keuzes over de manier waarop hun kinderen in de wereld zullen staan.


Kwaliteit in kinderboeken
Als eerste poneer ik dat goede lectuur kinderen verbeeldingskracht bijbrengt. Dat is wat anders dan wat tegenwoordig als ‘fantasie’ geldt, want verbeelding betekent: creatief denken, mogelijkheden zien. Net als onze spieren moet dat vermogen worden geoefend en dat is precies wat goede verhalen doen. Een kind dat leest of luistert, construeert het verhaal in zijn of haar denken. In zekere zin beleeft ieder kind het verhaal op zijn eigen wijze, want ieder kind is uniek. Het is God die een oneindige variatie van mensenkinderen heeft geschapen, en het scheppend vermogen, onze verbeeldingskracht, reflecteert de aard van onze Schepper. Die vermogens zijn van Hem afkomstig en moeten worden gekoesterd en ontwikkeld. Ieder verhaal is een kanaal dat de verbeelding van kinderen bevordert.

In onze cultuur, met zijn televisie, bioscoop en video, wordt het woord steeds meer vervangen door het beeld. Wanneer er wordt geschreven over het effect van deze media op onze kinderen, gaat het meestal om de inhoud, maar ik wil nu even stilstaan bij de vorm van deze uitingen van kunst. Wanneer iemand een televisieprogramma of film maakt, kiest hij de beelden uit die de kijkers zullen zien. Maar in een boek of verhaal maakt iedereen die leest of luistert zijn eigen, unieke beelden. De woorden vormen de springplank, maar pas in het denken van het kind komt het verhaal echt tot leven. Het kind wordt dus betrokken bij het verhaal zelf, het wordt mede-schepper in zijn of haar verbeelding.
Taalontwikkeling
Ten tweede is er de vorming van de woordenschat. Op tv of film is die meestal erg beperkt, want daar staat het beeld voorop. Natuurlijk wordt de kijker bij tv of film bij het verhaal betrokken, maar ik geloof dat bij een verhaal, het kind een heel andere vorm van groei doormaakt. Door middel van woorden maakt het kind kennis met een nieuwe, rijke woordenschat die zichzelf vanuit de context verklaart. (Hier geeft de auteur enkele voorbeelden uit Engelse kinderboeken, zoals die van de schrijfster Beatrix Potter).

Of het nu gaat om schrijvers voor volwassenen of voor kinderen, de echte groten onder hen gebruiken woorden als drager van hun kunst. Net als in de Bijbel, gebruiken zij krachtige, rijke, waarheidsgetrouwe taal. In de Bijbel ‘spreekt’ God en daarmee roept Hij de natuurlijke wereld tot bestaan (Genesis 1-2, Johannes 1). Daarom is taal, net als creatieve verbeelding, een gave van God en daarom moeten wij onze kinderen le mot juste, het juiste woord, geven.

Morele vorming
Het derde motief om onze kinderen goede lectuur te geven, betreft de morele vorming. Verhalen zijn een krachtige drager van moreel denken en gedrag. David Augsburger merkt op:

In alle culturen komt de zedelijke ontwikkeling rechtstreeks voort uit verhalen, meer dan uit morele uitspraken en voorschriften. Verhalen, zegswijzen en beeldspraak confronteren de ons met allerlei fundamentele zaken over sociale relaties, gezag en gehoorzaamheid, evenals verantwoorde keuzes in moeilijke situaties.

Hoewel Augsburger hier niet speciaal over kinderen spreekt, is zijn uitspraak nadrukkelijk ook op hen van toepassing. In het verhaal worden belangrijke zaken tot leven gebracht op een wijze die rechtstreeks tot het kinderhart spreekt. Wij spreken hierbij niet over vervelende zedenmeesterij, maar over echte verhalen die het begrip verrijken met goede beeldspraak die hun het leven doen verstaan. De beste kinderboeken zijn een voorbereiding op het leven zelf en gaan over de existentiële vragen waar alle mensen mee te maken krijgen.

Verhalen voeren je mee naar het echte leven waarin de ethische principes worden toegepast. Veel van Jezus’ onderricht kwam in de vorm van gelijkenissen, die over de hele wereld bekend zijn geworden. Het grootste deel van de Bijbel komt tot ons als verhalen die volwassenen en kinderen meeslepen vanwege de kracht van hun beeldspraak waarin iedereen zich herkent en die het leven uitermate verrijken.

Een boodschap van hoop
De vierde en laatste kwaliteit van kinderboeken is hoop. Eerder heb ik al gezegd dat een goed kinderboek allereerst de kinderen moet boeien. Ook moet het taalgebruik het denken van het kind verrijken. Kinderen moeten voorbereid worden op het leven zelf, zodat ze het probleem kunnen bevatten en op weg gaan naar een antwoord. Maar hoe belangrijk deze drie ook zijn, van wezenlijk belang is dat het antwoord, de uitwerking van de plot, hoop biedt.

Veel Europese volksverhalen bevatten een boodschap van hoop. Ja, zeggen de verhalen, het is soms angstig om jong te zijn en je kunt je machteloos voelen in een duistere wereld. Toch overleven de helden in deze verhalen en hun boodschap aan de kinderen is: die moeilijkheden zijn er om overwonnen te worden. Het is niet te verdedigen om kinderen een verhaal te vertellen zonder hoop.

Ik zeg niet, dat alle verhalen een happy end moeten hebben. Met name oudere kinderen en volwassenen hebben soms te maken met pijnlijke realiteiten. Zo vind ik het onzin om Romeo en Julia voor tieners te herschrijven zodat de twee geliefden elkaar tenslotte krijgen! Maar wat we onze kinderen willen nalaten, is niet alleen lectuur die het leven beschrijft, het is een boodschap van hoop! In de sprookjes van Narnia van C.S. Lewis leren kinderen dat pijn en dood realiteiten zijn, evenals oorlog en bedrog. Maar met iedere reis naar dit fantasieland leren de kinderen uit het verhaal, net als de kinderen die de sprookjesboeken van Lewis lezen, meer over God.

Wij moeten niet tevreden zijn met de boeken die we onze kinderen geven, totdat we verhalen hebben gevonden die hun de zin van het leven bijbrengen vanuit onze hoop in God.

Interview met drs W. de Haan, auteur van de bekende ‘Methode de Haan’, die effectief blijkt te zijn bij het behandelen van dyslexie en mogelijk ook bij het voorkomen ervan.

over oorzaken en genezing van dyslexie

Interview met drs W. de Haan, auteur van de bekende ‘Methode De Haan’, die effectief blijkt te zijn bij het behandelen van dyslexie en mogelijk ook bij het voorkomen ervan.

 

Naar aanleiding van onze beoordeling van lees-, taal- en schrijfmethoden hadden wij een interview met drs. W.J. de Haan, de auteur van de bekende ‘Methode De Haan’. Een opmerkelijk mens met een opmerkelijke visie die haaks staat op datgene wat sinds jaar en dag ‘onderwijspolitiek correct’ heet. “Dyslexie is een taalkundig probleem met een taalkundige oplossing.” Zijn geschriften spreken duidelijke taal: Dyslexie, het einde van een mythe; Fonologiseren veroorzaakt dyslexie; Schoolrijpheid en taalonderwijs; Taalonderwijs: analoog of analytisch . . .

Een belangrijke issue, maar wel gebracht op een manier die tegen de gangbare opvattingen ingaat. Daarom werd eind 2001 een gesprek belegd met enkele deskundigen van de Christelijke Hogeschool Ede, Methode De Haan en Bijbel & Onderwijs met als oogmerk: hoe nu verder? De resultaten van dit open en zinvol overleg zijn hierin, met instemming van betrokkenen, verwerkt.

Een korte kennismaking met drs. W.de Haan, overgenomen uit de nieuwsbrief ‘Schoolrijpheid en taalonderwijs’.

Willem de Haan is neerlandicus en taalpsycholoog. Hij begon in 1965 aan zijn studie naar de oorsprong van dyslexie met de stelling: “Geschreven taal kan niet moeilijk zijn”, omdat in die tijd de meeste mensen hun taal vrijwel foutloos schreven. Sinds vele jaren is hij voorzitter van Stichting Methode De Haan, een ideële stichting die met inzet van vele vrijwilligers verbetering van het huidige onderwijs nastreeft.

De Haan begon zijn onderzoek door veelvoorkomende fouten die mensen met taal maken te vergelijken met de gegevens over kindertaal gekoppeld aan de statische schrijftaal. Dit leverde een taalpsychologische methode op die voor iedereen leesbaar is: taal = de statische schrijftaal; psychologisch = de wijze waarop ieder individu die schrijftaal hanteert.
Op deze wijze is De Haan erin geslaagd om de structuur bloot te leggen. De resultaten die hij met moeilijklezende kinderen heeft bereikt, geven hem grond voor zijn stelling: Door de structuren van de taal als taalregels te leren, zijn leerlingen in staat foutloos te lezen en te schrijven.

Mijnheer De Haan, hoe hebt u Bijbel & Onderwijs leren kennen?
Op de NOT (Nationale Onderwijs Tentoonstelling in Utrecht) maakte een onderwijzer mij op uw vereniging attent en sindsdien ontvang ik uw magazine.

Waarom vraagt U van Bijbel & Onderwijs of wij iets zouden kunnen doen aan wat u noemt ‘de toenemende chaotisering in het onderwijs?’
Als auteur van de ‘methode De Haan’ claim ik een oplossing te hebben voor het grote probleem van dyslexie (taalzwakte) en dyscalculie (rekenzwakte). Dat bewijzen ook de resultaten van meer dan 600 kinderen per jaar die door hun ouders of leraren naar ons bureau worden verwezen.
Maar onze werkwijze gaat in tegen al datgene wat de afgelopen decennia in ons land (en daarbuiten) als ‘onderwijspolitiek correct’ wordt ervaren. Daarom zien wij graag dat een vereniging als Bijbel & Onderwijs ons gedachtegoed zelf beoordeelt en naar buiten helpt uit te dragen.

Kunt u aan ons uitleggen wat de bedoeling is van uw ‘methode De Haan’? 
Het huidige taalonderwijs gaat uit van klanken in plaats van het alfabet. Dit fonologiseren grijpt terug op een vroegere fase in de ontwikkeling, alsof je de klanken van baby’s weer naar voren gaat halen. Dit is een vorm van regressie die later weer moet worden afgeleerd. Op die manier wordt het huidige klankonderwijs tot een belangrijke oorzaak van dyslexie. Het Protocol leesproblemen en dyslexie (2001) kan dit onvoldoende remediëren, omdat de aangereikte materialen voor de zorgverbreding eveneens gebaseerd zijn op analoge methoden. Vandaar de uitspraak: het leesplankje Aap-Noot-Mies moet terug! Als je het onderwijs verandert, vermindert de dyslexie weer tot het geringe percentage van weleer dat zijn oorzaak vindt in factoren bij het kind zelf.

Is uw methode een vorm van remedial teaching of een reguliere taalmethode?
Wij zijn begonnen om kinderen te helpen die grote moeite hebben met de Nederlandse taal. Meestal nemen hun ouders hierover met ons contact op, een enkele keer verwijst de school hen naar ons.
Daarbij blijkt altijd weer dat dyslexie een taalprobleem is dat ontstaat door de taalmethode die de school gebruikt. Alle bestaande taalmethoden gaan uit van klankonderwijs; grammatica krijgen ze pas in de bovenbouw. Wij gaan uit van analytisch onderwijs waarbij kinderen vanaf het begin de 25 taalregels van spelling en grammatica leren. De resultaten zijn verrassend en de dyslexie verdwijnt.
Op grond hiervan hebben wij een eigen taalmethode ontwikkeld die is vastgelegd in vier docentendelen: Lezen is zilver, schrijven is goud, voor de groepen 3 t/m 6. Daarnaast hebben we een remediërende set van vijf boeken, die samen met alle bestaande taalmethoden gebruikt kunnen worden.

Een tip: Als het blauwe boekje Aanvankelijk lezen en schrijven met de spellingmethode van De Haan wordt gebruikt, voordat je met de op jouw basisschool gangbare methode gaat werken, kun je eigenlijk alle methoden gebruiken. Daarmee wordt namelijk de basis gelegd waarop een kind kan voortbouwen.

Maar kinderen maken toch via klanken hun eerste woordjes?
Inderdaad, maar hiermee komen wij bij de ontwikkelingspsychologie. De ontwikkeling van een kind is geen doorgaande lijn maar verloopt in fasen. Dat wist vroeger iedereen. In de taalontwikkeling onderscheiden we diverse fasen:

1. De brabbelfase wordt afgesloten met het uiten van de eerste woordjes. (vaak 8 maanden na de geboorte). De baby ‘kent’ dan onbewust de samenhang tussen klinkers en medeklinkers.

2. Het combineren van enkele woorden tot een tweewoordzin: het krompraten verdwijnt vanzelf, als de opvoeder normaal blijft praten.

3. Een kind experimenteert met de taal door analogieën te gebruiken, bijvoorbeeld ik hoopte . . . ik loopte.

4. Meestal tussen de 6 en 7 jaar wordt een kind schoolrijp. Dan is het toe aan de volgende fase, waarbij het leert spellen vanuit het alfabet en de toepassing van de taalregels. Dan is de fase van de klanken en het analoge voorbij, dat geheimzinnige vermogen om te leren spreken. Met het gaan naar ‘de grote school’ (nu groep 3) begint de fase van de analyse.

Sinds de methode-Hoogeveen (het leesplankje) is vervangen door allerlei ‘globale methodes’, grijpen alle taalmethodes terug op datgene wat in vorige fasen werd ontwikkeld. Daarmee zijn deze in de meest letterlijke zin kinderachtig (regressief).
Het gevolg is dat tweederde van de kinderen moeite hebben met lezen en schrijven; wij noemen dit ‘taalzwakte’. Van de overige is 15% A-kind; zij leren het zichzelf, ondanks de problemen van de methodes. Een even groot percentage kan die problemen niet aan en ontwikkelt taalzwakte of dyslexie.

Wat vindt u van ons motto: Weet je wat? Ik word dyslectisch!
Heel typerend! In september gaan de kinderen van groep 3 met plezier aan het werk, want ieder kind is gemotiveerd om te leren lezen en schrijven. Met de huidige methodes komt na drie maanden, in december, de grote omslag. Dan blijkt het merendeel van de kinderen taalzwak te zijn en komen de eerste signalen van dyslexie. Veel kinderen zien er geen gat meer in en willen niet meer naar school. Anderen trekken zich terug in een eigen fantasiewereld.
Maar die dyslexie ligt niet aan de kinderen, die soms allerlei tests ondergaan die weinig helpen maar hen wel stigmatiseren. De beste test is de school zelf, namelijk via het wekelijkse onvoorbereide dictee.

Is Methode de Haan wetenschappelijk verantwoord, vergeleken met de bestaande taalmethoden? 
De bestaande taalmethoden hebben geen wetenschappelijke basis. Onze professoren lopen als blinde paarden achter Amerika aan. Bij de vroegere analytische methode gaven 2 – 4% van de kinderen blijk van taalzwakte, maar toen eind vijftiger jaren de zgn. globale taalmethode werd ingevoerd, liep dit snel op tot 10 – 15%. Deze cijfers zijn gebaseerd op onderzoekingen door prof. Van Grewel, die hierover in 1958 en 1962 publiceerde.
Het aanwijsbare verband wordt echter ontkend en de slechte resultaten worden gewijd aan te grote klassen, nog niet goed ingespeelde leraren en te weinig remedial teachers. Nonsens! Vroeger waren de klassen veel groter dan tegenwoordig en bijstand van buiten de school kwam nauwelijks voor.
Onze methode kan bogen op resultaten, zowel in de remedial teaching als op enkele scholen die van onze methode uitgaan. Er is een schoolbegeleidingsdienst (B&O heeft deze bezocht), die in staat is de resultaten te vergelijken om tot een wetenschappelijk verantwoord oordeel te komen. Maar daarbij moet men tegen een sterke stroming oproeien en niet iedereen is daartoe in staat. Dat blijkt ook wel uit het feit dat een politieke partij die hierover Kamervragen wilde stellen, mijn dossier hierover “niet meer kan vinden.”

Wat heeft Bijbel & Onderwijs hier nu mee te maken? Wij zijn immers gericht op de (christelijke) identiteit!
Inderdaad is dyslexie geen levensbeschouwelijk maar een puur methodologisch probleem. Maar de gevolgen ervan zijn wel degelijk pedagogisch en levensbeschouwelijk. Als een kind dyslectisch blijkt te zijn, zijn ouders en leraren vaak radeloos, want hiermee wordt de basis voor de verdere ontwikkeling aangetast. De weg die dan voor hen ligt is een lijdensweg van allerlei vormen van onderzoek en remedial teaching, met dikwijls als resultaat: je moet er maar mee leren leven!
Uitgevers spelen hierop in met methoden die van alles verzinnen om het lezen ‘leuker’ te maken, bijvoorbeeld met de laptop als het nieuwe ‘leesplankje’ (bij de schooltelevisie Ik Mik Loraland) of het aanboren van innerlijke bronnen zoals bij de grafologische methode Schrijfdans, of de mythe van linker- en rechterhersenhelften zoals bij edukinesiologie.
Wanneer kinderen gewoon analytisch leren lezen, zijn al die kunstgrepen overbodig. Dan is lezen en schrijven niet meer een vorm van levensbeschouwing (behoudens natuurlijk het taalgebruik), maar gewoon een methode en een didactiek, wat het altijd is geweest. Bovendien wordt dan vanuit de eerste klas (pardon, vanaf groep 3) hun kritisch denkvermogen ontwikkeld.

Hoe kijkt u aan tegen het fenomeen leesmoeders?
Een goede methode wordt gegeven door een goede onderwijzer. Daarbij zijn geen leesmoeders nodig (voor leeszwakke kinderen), evenmin als een stoet van remedial teachers en testers (voor dyslectische kinderen). Leesmoeders zijn het failliet van het onderwijs!
Dit is een indrukwekkend en uitdagend verhaal! Wat kan Bijbel & Onderwijs eventueel voor u doen?
Het eerste
 is een beoordeling van leesmethoden volgens realistische pedagogische en methodologische criteria. Het percentage dyslectische kinderen is daarvan een graadmeter.
Het tweede is uw hulp bij een wetenschappelijke onderbouwing, met name de evaluatie van scholen die gebruik maken van beide methodes: bestaande taalmethodes en de Methode De Haan. Hiertoe geef ik u de naam van een schoolbegeleidingsdienst die beide soorten scholen onder zich heeft.
Het derde is het inbrengen van de Methode De Haan bij de lerarenopleidingen (pabo’s) en hiervan een discussiestuk maken. In een enkel geval heeft een student hiervan een scriptie gemaakt.
Ten vierde. Als Bijbel & Onderwijs op levensbeschouwelijke gronden (bijvoorbeeld het gebruik van hypnotische trance in de klas) contact opneemt met de onderwijsinspectie, kan hieraan het punt van dyslexie, (on)gemotiveerdheid en zelfs home schooling gekoppeld worden.

Voor nadere informatie kan men terecht bij het secretariaat ((020-6935834 of 073-6411604) resp. op de website www.methodedehaan.nl

Een oriëntatie op de wereldgodsdiensten voor het onderwijs in een multiculturele samenleving.

door drs. R.H. Matzken, missioloog
De discussie over de multiculturele samenleving is nog steeds/opnieuw in volle gang. De visie van Bijbel & Onderwijs op het geven van onderwijs in zo’n samenleving is dezelfde als bij de invoering van het vakgebied Wereldorientatie: Multicultureel JA, multireligieus NEE.
Daarbij verwijzen wij met instemming naar het document van het Duitse theologenconvent van november 1999 te Kringen, waarvan B&O een samenvatting heeft gepubliceerd met de ondertitel: Christus de enige heilsweg: Christelijk onderwijs in een multiculturele samenleving.

In onze postmoderne tijd worden scholen steeds meer geconfronteerd met de relaties tussen de wereldreligies. In onze multiculturele samenleving eisen de niet-christelijke wereldreligies hun plaats naast het christendom. Ook klinkt de roep steeds luider om alle godsdiensten als ‘gelijkwaardig’ te beschouwen en het onderwijs te richten op datgene wat zij ‘gemeenschappelijk’ hebben, bijvoorbeeld in het streven naar een wereldethiek en zelfs de Ene Wereldreligie, als bouwstenen van de zgn. Nieuwe Wereldorde (zie hiervoor de deelsiteBijbel en new age).

Uitgaande van haar grondslag en bovengenoemd beginsel, wil Bijbel & Onderwijs scholen helpen hierin hun standpunt te bepalen. Dat standpunt luidt:

  • faire informatie geven over niet-christelijke religies (zodat aanhangers ervan zich hierin herkennen)
  • toetsen van het wezen van de niet-christelijke religies aan Gods Woord.

Speciaal voor niet-christelijke scholen zullen wij ook

  • een faire en beknopte informatie geven over het christendom.

Van de niet-christelijke godsdiensten zullen wij ons vooralsnog beperken tot de islam. Daarbij gaat het met name om een goed verstaan van het wezen van de islam, niet van de vele verschijningsvormen en karikaturen. Hiervoor verwijzen wij naar de website Huis van Islam,waarbij nader wordt ingegaan op Allah, Mohammed, Koran en politieke islam.

Datzelfde geldt ook voor het christendom, waarvan in veel gevallen alleen de uiterlijke verschijningsvorm wordt gegeven, die dikwijls een karikatuur is van het bijbelse christendom en eerlijk gezegd, de kerkgeschiedenis heeft daar ook dikwijls aanleiding heeft gegeven). Daartoe verwijzen wij naar ons leskatern: Bouwstenen van het christendom – geen religie maar een relatie.

Duidelijk is dat wij ons verzetten tegen een voorstelling van zaken alsof alle wereldgodsdiensten in feite neerkomen op even zovele verschijningsvormen van ‘het hogere’. Daarbij wordt gestreefd naar een samensmelting (syncretisme) van alle godsdiensten, inclusief de primitieve natuurreligies. Hierbij denken wij bijvoorbeeld aan het Parlement der Wereldreligies met haar aanbevelingen voor het de inrichting van de samenleving, inclusief het onderwijs. Dit thema zal aandacht krijgen in een speciale uitgave van ons B&O magazine. (april 2004)