Haar boek Dicht bij Jezus is ook in ons land gewild. In de Middernachtsroep, februari 2015 wordt de Duitse versie besproken.

Al enige tijd doet in evangelische gemeenten in de Duitstalige wereld een boek met meditaties van Sarah Young de ronde: Ich bin bei dir – 366 Liebesbriefe von Jesus. Hoe Bijbels of christelijk is het eigenlijk?

Het boek is tot bestseller verklaard en heeft al een tweede deel en ook een kinderversie. In het kader van een conferentie over Bijbelse profetie met als thema ‘esoterie’ kwam er een vraag naar een beoordeling van het boek met meditaties van Sarah Young. Omdat ik het tot dan toe niet kende, kon ik niet direct antwoord geven. Maar ik heb het een paar dagen later ter informatie gelezen. De belangrijkste informatie vond ik in de inleiding. Daarin vertelt Sarah Young over haar persoonlijke proces van het in de loop der jaren steeds meer ervaren van de tegenwoordigheid en het spreken van Jezus, zodat ze tegenwoordig in staat is om Gods stem direct te horen.

Haar eerste ervaring had ze tijdens een nachtelijke wandeling bij het licht van de maan in de Zwitserse bergen. “Plotseling had ik het gevoel dat een warme golf me omhulde. Ik werd me bewust van een heerlijke tegenwoordigheid n ik reageerde onwillekeurig met het fluisteren van ‘Lieve Jezus’. … Op dat moment wist ik dat ik God toebehoorde” (pag. 6-7).

De tweede belevenis vond plaats toen zij om het einde van een liefdesrelatie treurde en in de nacht een boek van Catherine Marshall met de titel Beyond Ourselves las. Plotseling voelde ze zich “niet meer alleen. Ik knielde op mijn hotelkamer naast het bed en voelde hoe een overweldigende tegenwoordigheid vol van vrede en liefde mij aanraakte. Ik wist dat Jezus bij me was en dat Hij met me mee leed. Het was ongetwijfeld diezelfde ‘lieve Jezus’ die ik in de Alpen had beleefd” (pag. 7).

Zestien jaar later ging ze, daartoe aangezet door een voor de deur staande beroepsmatige verandering in Australië, “opnieuw op zoek”. Een boek van Andrew Murray spoorde haar aan om voortdurend de ervaring van Gods tegenwoordigheid te willen opdoen. Omdat Murray de nadruk legde op een stille, ongestoorde gemeenschap met God, begaf ze zich met een Bijbel, een boek met overdenkingen, een potlood en wat koffie in de tegenwoordigheid van God.  Ze schrijft dat “God Zich aan me begon te openbaren” terwijl ze wachtte (pag. 9).

In de nieuwe dienst kregen zij en haar gezin met zware geestelijke strijd te maken en daarom werd het bidden om bescherming voor haar bijzonder belangrijk. Op een morgen stelde ze zich beeldend voor hoe “God ieder van ons beschermde” (pag. 10). Haar dochter, zoon en echtgenoot waren “door Gods tegenwoordigheid omhuld, die er uitzag als een gouden licht. Toen ik voor mezelf bad, werd ik opeens omgeven door een stralend licht en een diepe vrede. Ik verloor elk gevoel van tijd, toen ik Gods tegenwoordigheid op deze intensieve manier ervoer” (pag. 10). In elk geval hier behoort de lezer wakker te worden. Het visualiseren, dat Sarah Young tijdens het bidden praktiseerde, behoort tot de praktijken van het sjamanisme en de esoterie, waarin men probeert om de zichtbare, maar vooral de onzichtbare wereld werkzaam te laten worden volgens eigen innerlijke beelden.

Omdat ik zelf een jaar of tien in de esoterie heb gezeten, weet ik hoe zulke methoden werken. Ze geven je het gevoel van een echte belevenis, bevorderen de gedachte dat je vrij over Gods werkzaamheid kunt beschikken en dat je meer kunt opwekken en ervaren dan ooit.
Deze verlokking brengt een toenemende openheid voor de invloed van (ver) leiding vanuit de onzichtbare wereld met zich mee. De Bijbel geeft ons nergens enige aanwijzing om ons in de een of andere vorm God, Zijn bescherming of Zijn genezing voor te stellen. Met zo’n methode denken christenen de kloof tussen geloof en aanschouwen te kunnen overwinnen. Ze voelen zich veilig omdat ze zich op God of Jezus Christus richten en beseffen niet dat ook satan, zoals Paulus het in 2 Korinthe 11:3 beschrijft, via onze gedachten kan en wil werken om ons af te brengen van de eenvoud en de zuiverheid ten opzichte van Christus. Deze laatste door Young beschreven belevenis (ik zou het eerder een initiatie noemen) geeft een doorbraak naar een mediamieke activiteit, die men ‘naar God luisteren’ noemt.

“In datzelfde jaar begon ik het boek God Calling te lezen, een meditatieboek dat twee anonieme ‘luisteraarsters’ hebben geschreven. Deze vrouwen wachtten met pen en papier in de hand stil in Gods tegenwoordigheid en schreven boodschappen op die zij van Hem kregen”(pag. 11). Vergelijk dat eens met de volgende handleiding onder het kopje ‘Opleiding van mediums’: De leerling “begint met een kort gebed, leest een stuk uit de heilige Schrift en denkt over het gelezene na. Daarna houdt hij zijn hand met een potlood op een voor hem liggend vel schrijfpapier en wacht zonder enige geestelijke spanning af. Als hij zich gedrongen voelt tot het opschrijven van gedachten die hem met grote zekerheid geïnspireerd worden, schrijft hij die op” [Johannes Greber, Der Verkehr mit der Geisterwelt (Zürich: A. Brunner Verlag, 1932), pag. 133]. Gefascineerd als ze was door de al opgedane ervaringen, schijnt Sarah Young niet meer in staat te zijn geweest om in te zien dat dit een sjamanistische praktijk is, een typische vorm van medium zijn.

Alleen al het feit dat de auteurs anoniem zijn, had bij haar een belletje moeten doen rinkelen. De esoterie biedt talrijke dergelijke boeken aan. Een van die boeken, getiteld Die neue Zeit ist jetzt (“De nieuwe tijd is nu”, Smaragd Verlag, 2002), is bijvoorbeeld doorgegeven door een geest met de naam Sananda. Hij beweert, dat hij hier op aarde als Jezus heeft geleefd. Ook zijn boodschappen zijn in de ik-vorm geschreven. Zo zegt hij: “De volkomenheid van de Al-Ene ligt achter de woorden. Die is in de stilte te vinden. Die is te vinden … als je je openstelt voor  wat er is” (pag. 106). Ook Young roept in haar overdenkingen de lezeressen steeds weer op om met een open geest te komen of om zich open te stellen.

Het persoonlijke luisteren en beleven werd steeds belangrijker voor haar. Zij schrijft: “Ik wist wel dat God door de Bijbel tot me spreekt, maar ik verlangde naar meer. … Ik besloot om met een pen in de hand naar God te gaan luisteren en op te schrijven wat Hij volgens mij zei” (pag. 11). Vanaf dat moment verwachtte ze de aanwijzingen van God niet meer met of via de Bijbel, maar alleen nog persoonlijk. Terwijl ze aan het begin nog onzeker was, kwamen de boodschappen al gauw meer en meer “ongehinderd”. Ze voert deze ervaringen terug op het toepassen van Psalm 46:11, waar staat: “Geef het op en weet dat Ik God ben!”

“Dit regelmatige luisteren naar God heeft mijn relatie met Hem veel meer verdiept dan enige andere geestelijke oefening” (pag. 13). Met deze uitspraak en het feit dat de overdenkingen in de ik-vorm zijn geschreven plaatst zij het Woord van God onder haar persoonlijke luisteren. Omdat ze echter wel van mening is dat het Woord van God de maatstaf moet zijn waaraan ze de gehoorde woorden meet, bewijst ze die met verschillende Bijbelverzen die dikwijls in haar opkwamen als ze naar God luisterde.

Samengevat geeft dit boek de volgende boodschappen door:

  1. God spreekt slechts in de stilte.
  2. Het persoonlijke spreken van God (ervaring) staat boven het Woord van de Bijbel.
  3. Door het gebruiken van de ik-vorm stelt ze haar woorden voor als de ware woorden van Jezus en verleent ze zich daarmee de schijn van een nieuwtestamentische profetes die openbaringen van Jezus doorgeeft.
  4. De lezeressen worden indirect aangespoord haar na te doen en zo verleid om mediums te worden.
  5. Door je alleen maar open te stellen, leer je passiviteit aan, geen waakzaamheid en geen zin om het Woord van God te bestuderen.
  6. Het doel van haar meditaties is dat de lezeressen Gods liefde en vrede genieten. Wie de moeite neemt om de meditaties niet alleen dagelijks, maar ook achter elkaar door te lezen, zal vaststellen dat het gaat om heel veel zoetige uitspraken die ons in goede gevoelens van veiligheid wiegen en telkens herhaald worden.

Wat hier ontbreekt is niet alleen de realiteit van het lijden van Jezus aan het kruis, maar ook verwijzingen naar eventueel lijden door de navolging. Men wordt opgeroepen tot een spiritualiteit van de directe ervaring, waarbij het aanschouwen (ervaren, voelen) boven het geloof staat.

Elke Kamphuis

Bron:Middernachtsroep, februari 2015

 

Enkele gegevens over Young: Sarah Young studeerde filosofie, psychologie en bijbelwetenschappen. Samen met haar man, Steve, woont ze in Perth, in Australië, waar ze leiding geven aan een Japanse gemeente.

 Sprookjes

 

Het kan zijn dat sprookjes een heikel onderwerp zijn. Graag wil ik wel een aantal gedachten over dat fenomeen met u delen. Waar ze vandaan komen, is eigenlijk onbekend. In het algemeen gaat men er van uit dat het volksvertellingen zijn die van persoon tot persoon doorgegeven werden. Er zit wel een duidelijke tendens in. In sprookjes komen altijd wel betoverde of toekomstvoorspellende voorwerpen (kristallen bollen) of waterplassen voor. Die magische voorwerpen brengen vaak iets goeds (rijkdom, voedsel) voort, maar die voorwerpen worden steevast bewaakt door een heks of een andere boosaardige persoon.

 

Wat opvalt bij de tegenwoordige sprookjes, zoals die van Disney, is dat er vaak een Grieks mythologische achtergrond in meespeelt. Deze sprookjes worden veelal aangepast aan de maatschappij. Vandaar dat ze steeds meer een occulte lading krijgen. Persoonlijk denk ik dat The Lord of the Rings – in ons land bekend onder de naam “In de Ban van de Ring” – van Tolkien ook daaronder valt. Er zijn christenen die de moderne sprookjes promoten, omdat er een Bijbelse waarheid in zit.

In sprookjes zien we dat goed en kwaad een strijd uitvechten op een manier die als “christelijk” wordt omschreven. Dat vind ik erg en een teloorgang voor het Bijbels verantwoord denken.

 

Maleficent (Malafide in het Nederlands), een Amerikaanse avonturen-fantasiefilm (2014), is een nieuwe versie van de Walt Disney-animatiefilm achtergrond sprookjesDoornroosje uit 1959. In deze film wordt het sprookje verteld vanuit het oogpunt van de heks Malafide. Waarom is zij zo geworden? Wat is de oorzaak? Is ze niet door de omstandigheden zo geworden? De Volkskrant omschreef de film als een geslaagde nuancering van het kwaad. Zo wordt er in sprookjes een boodschap meegegeven die steeds verder afdwaalt van de Bijbelse waarheid. Waarschuwt de Bijbel niet voor  mensen die het kwade goed en het goede kwaad zullen noemen?

Kun je sprookjes aan je kinderen voorlezen of kun je hen op de waarde ervan wijzen? Let wel dat ze veelal hekserij, magie, vervloekingen en duistere machten bevatten. Dat aan het eind het goede overwint, vind ik juist het gevaar ervan. Lopen kinderen dan niet het gevaar dat ze  occulte zaken gaan zien als zaken die te overwinnen zijn, mits je maar goede dingen doet?

 

Sprookjes zijn dan ook niet zo onschuldig, zoals ze zich voordoen. Blijft de verborgen boodschap niet achter in de hoofden van de kinderen?

 

 

Jos Hobé

 

 

WILLIAM PAUL YOUNG

 

De Canadese auteur Young is in. De twee boeken, De uitnodiging en De oversteek, vinden gretig aftrek in ons land. In het Amerikaanse blad Christianity Today stond  in maart 2013  een interview met de auteur. Nu niet een uitleg van de titel, de karakterbeschrijving, de flashbacks, het perspectief of de thematiek in zijn romans, maar zijn denken. Toen hem werd gevraagd: “Wat volbracht Jezus aan het kruis en in de opstanding?” antwoordde Young: “Het was God in de handen van boze zondaars. Dat is de zin die ik zou gebruiken. Ik ben geen type voor plaatsvervangende straf, maar ik ben een plaatsvervangend type. Ik zie de Vader niet Zijn toorn uitstorten over de Zoon. Ik zie het menselijke ras zijn wraak uitstorten over de Zoon. Dus ik denk dat de enige hoop voor de hele kosmos is wat de Zoon verkiest te accepteren, huiverend aan het instrument van onze grootste toorn. Hij ontmoette ons op de diepste, meest duistere plaats.”

 

w p young

David Cloud van wayoflife.org. reageert (5 april 2013) daarop: “In deze brij van afgoderij gebruikt Young de term “plaatsvervangend lijden”, maar geeft hem een andere betekenis dan de betekenis uit de Bijbel, die simpelweg stelt: Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.  (Jes 53:5) Toen Young werd gevraagd: “Maar de Bijbel is doordrenkt van woorden over goddelijke toorn, niet alleen in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament, hoe verklaart u dat?” antwoordde Young gladjes: “Ik ben in het geheel niet tegen toorn, maar wat voor mij is veranderd, is het volgende: Ik ben opgegroeid binnen een gedachtegoed dat leerde dat toorn straffend en vergeldend van aard is. Ik zie het nu als herstellend.”

 

Dus Young gebruikt de term “toorn” maar  geeft het een compleet andere betekenis dan wat we in de Schrift vinden. Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. (Rom 1:18) Door deze dingen komt de toorn van God over de ongehoorzamen. (Col 3:6) Want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan? (Op 6:17) En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs.  (Op 20:15)

 

Besturen en ouders wees alert op de vrijheid van onderwijs.

De pedagogische tik kan in de politiek niet meer op sympathie rekenen. Althans, als het gaat om de relatie tussen ouders en kinderen. In de relatie tussen de overheid en scholen is de pedagogische tik juist razend populair. De overheid denkt vaak beter dan de scholen zelf te weten wat goed is en wat scholen zouden moeten doen. Het vermanende vingertje wordt regelmatig geheven en waar nodig wordt een corrigerende mep uitgedeeld. Wat staat scholen in zulke omstandigheden te doen? En welke rol kunnen ouders spelen? Voor alle betrokkenen bij het onderwijs is er voldoende reden om alert te zijn en zich op deze vragen te bezinnen.

►Pedagogisch-didactische visie
Het hart van de school klopt in de visie op het kind, de manier waarop onderwijs gegeven wordt en de inhoud die aan bod komt. De wetgever heeft deze hartfunctie daarom vanouds goed willen beschermen. Pedagogische en didactische vrijheid zijn een kostbaar goed, omdat zij erkenning geven aan de diepste overtuiging van burgers. scholenOverigens zijn ook deze vrijheden niet onbeperkt. Er zijn wettelijke grenzen die in acht genomen moeten worden. De  leraar die een pedagogische tik uitdeelt, gaat bijvoorbeeld over de grens van de strafwet heen.

De pedagogisch-didactische vrijheid van scholen is de afgelopen jaren sluipenderwijs ingesnoerd. In de praktijk ervaren professionals in de school minder ruimte dan in de handboeken onderwijsrecht nog keurig beschreven staat. Neem bijvoorbeeld de kleuterjuf die zich gedwongen voelt een Citotoets af te nemen bij haar vierjarigen. Dat strijdt met haar visie op de ontwikkeling van het kind, maar gezien de opstelling van de inspectie lijkt er voor haar weinig te kiezen. Of denk aan de directeur die zich ongemakkelijk voelt bij de eenzijdige inzet op opbrengsten voor rekenen en taal. Hij vreest dat de brede ontwikkeling van leerlingen onder druk staat. Leerlingen komen volgens hem bovendien niet naar school om alles uit zichzelf te halen en maximale leerwinst te boeken.

Vanuit het perspectief van pedagogisch-didactische vrijheid zijn ervaringen als deze opvallend. Er is een gapende kloof ontstaan tussen de ervaring van vakmensen en de juridische kaders voor het onderwijs. Dat is echter niet het gevolg van wetten van de overheid. De verklaring ligt in het feit dat de inspectie haar eigen visie aan scholen oplegt. Terwijl de voedsel- en warenautoriteit enkel de kwaliteit en de niet de smaak van producten toetst, gebruikt de onderwijsinspectie voor haar beoordeling niet alleen de wet, maar ook haar eigen opvattingen. De zogenaamd verplichte kleutertoets is hiervan een sprekende uiting. De wet kent helemaal geen plicht om een kleutertoets af te nemen, wat recent nog door de Tweede Kamer is bevestigd. De inspectie heeft die norm zelf geformuleerd. Scholen doen er daarom kennelijk goed aan door te vragen bij criteria waar zij moeite mee hebben en te onderzoeken wat werkelijk harde verplichtingen zijn. Laten schoolleiders en leraren zich niet bij voorbaat neerleggen bij wat als wens van de overheid gepresenteerd wordt!

►Sociale ontwikkeling en veiligheid
Nauwe betrokkenheid van de overheid is in veel gevallen goed te begrijpen. Neem nu het pesten. De overheid wil natuurlijk geen onbewogen toeschouwer zijn bij dit ingrijpende maatschappelijke probleem. Het leed dat leerlingen elkaar aan kunnen doen, staat hoog op de politieke agenda, mede door de tragische gebeurtenissen op diverse scholen. Bewindspersonen tonen graag hun daadkracht en betrokkenheid door het treffen van nieuwe maatregelen. De legitimatie daarvoor is dan dat de overheid volgens de Grondwet aanhoudend zorg moet dragen voor het onderwijs.

Bij al die goede bedoelingen verdwijnt het risico van emotiepolitiek echter gemakkelijk uit beeld. De emotie van het moment leidt er snel toe, dat voorstellen worden gedaan die de verantwoordelijkheid van scholen miskennen en die bij nader inzien ook geen oplossing bieden. De overheid werkt daarmee de utopie in de hand dat met haar maatregelen een belangrijke stap in de bestrijding van het probleem wordt gezet. Met de herhaaldelijke nadruk op wetenschappelijk bewezen effectieve methoden tegen pesten wordt waarschijnlijk vooral het diepe besef overschreeuwd, dat voor dit probleem geen eenvoudige, panklare oplossing mogelijk is. Het doet in ieder geval onvoldoende recht aan de betrokkenheid en ervaring van scholen. Alsof scholen zelf niet doordrongen zijn van de noodzaak om pesten zoveel mogelijk te bestrijden!
scholen2
Inmiddels lijkt de politiek als het gaat om pesten voor een belangrijk deel bijgedraaid. Staatssecretaris Dekker ziet namelijk af van een verplichting voor scholen om een wetenschappelijk bewezen effectief programma te gebruiken. Scholen houdenruimte voor hun eigen methode en aanpak. Dat klinkt natuurlijk goed, maar het is geen reden om achterover te leunen. Hoewel de wettelijke verplichting achterwege blijft, wil de bewindsman zijn doel nog steeds bereiken. Bemiddelende instanties als de koepelorganisaties voor het basis- en voortge

zet onderwijs vervullen hierbij een belangrijke rol. Ze hebben gepleit voor meer ruimte voor scholen, maar in hun alternatieve plan krijgen de wetenschappelijk bewezen effectieve methoden nog steeds een zwaar accent. Laten scholen er dus voor zorgen dat zij via deze achterdeur niet alsnog invloeden in huis krijgen die zij liever niet zien. Onder de aanbevolen wetenschappelijke methoden zit bijvoorbeeld ook de Kanjertraining. Dit programma lijkt meer sympathie voor de daders dan voor de slachtoffers van pesten te kweken. Overigens leeft bij de inspectie de behoefte om de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen over de volle breedte beter in kaart te brengen. Daarvoor is zelfs een leerstoel opgericht. De inspectie onderkent namelijk, dat het bijzonder lastig is om het sociale domein op zinvolle en betrouwbare wijze in kaart te brengen. Merkwaardig genoeg weerhoudt dat haar niet om scholen hierop steeds kritischer te bevragen. De inspectie verwacht eigenlijk dat scholen niet alleen voor rekenen en taal, maar ook voor sociale opbrengsten genormeerde systemen gebruiken. Het is wellicht overbodig om te vermelden dat hier meer sprake is van een hobby dan van wettelijke normen.

►Seksuele diversiteit
De Tweede Kamer heeft meer dan gemiddeld belangstelling voor het onderwerp seksualiteit in het onderwijsprogramma. Na jarenlang gedram onder aanvoering van D66 zijn de kerndoelen voor het onderwijs op dit punt gewijzigd. Uiteraard boden de kerndoelen op verschillende punten al aanknopingspunten, maar een Kamermeerderheid had kennelijk behoefte aan meer houvast. Dat heeft geleid tot de formule dat leerlingen respectvol om leren gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit. Op die formulering zou natuurlijk genoeg af te dingen zijn. Zo is de vraag opgeworpen of perverse vormen van diversiteit ook op respect moeten kunnen rekenen. Gelukkig is het maatschappelijk klimaat inmiddels weer zo ingesteld dat bijvoorbeeld pedoseksualiteit geen acceptabele praktijk meer is.

Naast de invloed van de overheid doen ook de media zich behoorlijk gelden in de school. Het programma Dokter Corrie van Schooltv is een bekend voorbeeld. Het thema seksualiteit wordt hierin door deze ‘dokter’ op wansmakelijke en pedagogisch miserabele wijze aan de orde gesteld. Het is bijna verwonderlijk dat de artsenorganisatie nog geen procedure is gestart tegen de grapjurk die in witte jas allerlei flauwe geintjes maakt. In ieder geval is het beschamend dat dit programma met belastinggeld en ondersteuning van zogenaamde experts gemaakt wordt. Staatssecretaris Dekker heeft gelijk dat de publieke omroep minder aan plat vermaak zou moeten doen. Dokter Corrie onderstreept zijn stelling. Het zou een prima idee zijn als de subsidiekraan voor dit programma dicht zou gaan. Helaas lijkt dat ook weer niet de bedoeling van Dekker. Hij liet juist zijn neus zien bij Dokter Corrie, nadat een groep ouders in Den Haag protest tegen het programma had aangetekend.

Dat de overheid haar verantwoordelijkheid in dit geval niet neemt, moet scholen er des te meer toe nopen hun verantwoordelijkheid serieus te nemen. Het is in dat licht toch wat merkwaardig dat sommige leraren met beschuldigende vinger naar de overheid wijzen, terwijl zij het programma Schooltv zelf aanzetten in de klas. Hier geldt wel degelijk: er zit een knop op die ‘tv’. Niemand dwingt scholen om Dokter Corrie te kijken. Van leraren mogen we juist verwachten dat zij het materiaal voor de les kritisch onderzoeken. Het geestelijke welzijn van de kinderen is immers in het geding! Als scholen hierin te weinig verantwoordelijkheidsgevoel tonen, kan het nodig zijn dat ouders een pedagogische tik uitdelen. In alle liefde en vriendelijkheid uiteraard, vanuit een gedeelde missie.

Wat ten aanzien van Dokter Corrie geldt, is overigens ook van toepassing op het onderwerp seksuele diversiteit. Bij de wijziging van de kerndoelen is uitdrukkelijk bepaald dat scholen de kerndoelen naar eigen inzicht onderwijskundig en inhoudelijk mogen invullen. Scholen hebben de vrijheid om een benadering te kiezen die past bij de eigen professionele en identiteitsgerelateerde keuzes en de schoolspecifieke visie en context. Dat mag door christelijke scholen opgevat worden als een uitnodiging om hun Bijbelse boodschap te blijven doorgeven en niets aan de kracht af te doen. Er is voor deze scholen geen enkele reden om bang te zijn voor de inspectie, als zij de Bijbelse boodschap op respectvolle wijze overdragen aan de leerlingen. Het geeft geen pas om het verwateren van de boodschap te rechtvaardigen met het verweer dat de ervoor ruimte door de overheid beknot is.

►Tot slot
Uit het voorgaande blijkt dat allerlei instanties en verwachtingen zich bij de school aandienen. Sommige scholen zien door de bomen het bos niet meer. Hoeveel vrijheid hebben we, wat zijn werkelijk harde grenzen? Andere scholen gaan eenvoudig uit van een beperktere vrijheid dan hen toekomt. Het risico is in beide gevallen groot dat de missie en de visie van de school in de knel komen. Gelet op het belang van Bijbels onderwijs is een alerter opstelling van besturen, professionals en ouders broodnodig. Scholen kunnen richting de overheid de vinger leggen bij de grenzen die in acht genomen moeten worden. Ouders kunnen hun vinger opsteken om scholen bij de les te houden. Gezamenlijk houden zij het schip op koers, tot zegen van de leerlingen in het bijzonder en tot nut van de maatschappij in het algemeen.

Gijsbert Leertouwer LLM, BA

 

 

 

Kinderen en occulte beïnvloeding

Afbeelding van nl.forwallpaper.com

 

 

 

 

Het signaleren van occulte beïnvloeding, wat tot occulte belasting bij kinderen in de basisschoolleeftijd kan uitgroeien, neemt toe. Hoe gaan (christelijke) basisscholen daarmee om, wat houdt het in en wat zouden ze kunnen doen?

Op vrijdagmiddag 31 oktober 2014 deed ik een laatste stagebezoek van die week op een christelijke basisschool. Met de geachte dat we denken aan Maarten Luther die bijna 500 jaar geleden de Kerkhervorming inluidde, waren kinderen van groep 7 en 8 in de hal van de school met zwarte kleden bezig om hun presentatie voor Halloween voor te bereiden die halverwege de middag zou plaatsvinden. ‘Bizar’, was de gedachte die in me opkwam.

’s Avonds op het Jeugdjournaal kreeg ik meerdere taferelen te zien van Halloween die dezelfde dag hadden plaatsgevonden op basisscholen in Nederland: kinderen gekleed als spoken die elkaar met stokken en zelfgemaakte geweren te lijf gingen onder het geschal van griezelkreten omlijst met griezelmuziek op de achtergrond. Een woordvoerder gaf aan dat kinderen tegenwoordig wel gewend raken aan de omgang met enge dingen. Bij dit item werd uitvoerig uit de doeken gedaan hoe het komt dat dit feest in Nederland zoveel aandacht krijgt. Ook de Volkskrant van die week verhaalde van de opmars van Halloween. De oktobernieuwsbrief van B&O waarschuwde ons ook al.

►Symptomen
Steeds vaker vragen individuele ouders en managementleden van basisscholen ons als CHE-pabo advies hoe om te gaan met verschillend aanbod op scholen waar een spiritueel luchtje aan zit. Op de pabo behandel ik het occultisme en de gevolgen daarvan bij kinderen binnen de colleges Pedagogiek. Ook leerkrachten zien symptomen bij kinderen die hen verontrusten en de oorzaak vinden in het omgaan met transcendente en (ogenschijnlijk) occulte praktijken. Aan de ene kant wordt ‘occult’ geplakt op zaken die dat niet zijn (overschatting) en aan de andere kant zijn er ouders en leraren die het onderwerp bagatelliseren (onderschatting) en het niet serieus nemen. Sommige ouders en leraren (ook christelijke!) vinden dat het experimenteren met zaken die het bovennatuurlijke bevatten, moet kunnen. Niet wetend dat kinderen zelfs occult belast kunnen raken en daardoor symptomen krijgen die moeilijk te duiden zijn. We hebben het dan over:

  • emotionele problemen, zoals angststoornissen en depressie: angst voor het donker bij het naar bed gaan;
  • slaapstoornissen: wakker schrikken van enge dromen waarin spoken voorkomen;
  • bedplassen: in de eerste slaap ontlaadt zich het onderbewuste, als dat voor kinderen enge dingen zijn, kan de controle over de plasspieren (vooral bij jongens) verloren gaan;
  • gevoel van onveiligheid: de spookbeelden kunnen te allen tijde opdoemen en dat legt een onstabiele basis onder het grondbestaan;
  • zichtbare verschijnselen: het bewegen van gordijnen op de slaapkamer en het verschijnen van ‘spookfiguren’;
  • het horen van stemmen en het krijgen van waanideeën: het krijgen van boodschappen die aanzetten tot verkeerde handelingen (agressie, stelen);
  • concentratieproblemen: het emotioneel bezig en geobsedeerd zijn met dat wat wordt beleefd, blokkeert het werkgeheugen (zo leert ons de neuropsychologie) waardoor het opslaan van nieuwe informatie het lange-termijn-geheugen niet bereikt;
  • communicatiestoornissen: het geven van vertrouwen wordt geschonden, doordat er ‘iets tussen zit’ dat onveiligheid geeft.

Bij de ontwikkeling behoort dat kinderen soms bang zijn door de gedachte dat er iemand onder hun bed ligt. Dat is op zichzelf nog niet verontrustend, maar als daar enge dingen bijkomen, moet er een bel gaan rinkelen. Daarom is kennisname van de ernst van de problematiek van occulte beïnvloeding (belasting) iets wat bij de onderzoekshouding van een leerkracht hoort. Mijn ervaring is dat er op christelijke basisscholen te weinig kennis en onderscheidingsvermogen aanwezig is om symptomen te kunnen signaleren en te duiden. Laat staan er wat aan te doen.

Kortom, het kind vertoont verschijnselen die ook bij andere problematieken zich voordoen, als bij huiselijk geweld, incest en dergelijke. Daarom is doorvragen zo belangrijk: met welke spelletjes ben je bezig?; bij welke vrienden speel je en kom je thuis?; naar welke tv-programma/films kijk je?; wat doe je online?; met wie communiceer je met de sociale media?; welke sites bezoek je? De symptomen zijn zelfs zo misleidend dat kinderen verkeerd worden gediagnosticeerd. Kinderpsychologen weten soms ook niet welk etiketje ze moeten plakken. Het krijgen van boodschappen door stemmen in het hoofd wordt al snel geduid als psychotisch of schizofrenie. Vaak wordt het verzamelstigma ‘aan autisme verwantschap’ geplakt op symptomen van het occultisme. Kinderen die belast zijn, proberen zich (onbewust) af te sluiten van de buitenwereld om de prikkels te kunnen reguleren. Die activiteit vertekent en doet denken aan autistische trekjes.

►Methodieken
Op basisscholen worden soms methodieken gebruikt waarvan de achtergrond op zijn minst dubieus is. Je hebt een zwart gebied waarvan je weet dat het eng is, maar het grijze gebied is op zijn minst net zo gevaarlijk, omdat je niet weet wat voor gevolg het heeft en waartoe het kan aanzetten. Een voorbeeld is de Rots- en Watertraining. Goed bedoelde interventie om de groepsdynamiek in de groep een positieve wending te geven, maar als kinderen eerst vast op de grond moeten gaan staan om contact te maken met ‘moeder aarde’ en dan op de grond gaan liggen om meditatieve oefeningen te doen, kun je je afvragen welk mensbeeld eraan ten grondslag ligt. En de Friese bedenker (die onlangs op tv uitleg gaf) meldde dat de oorsprong uit de spirituele hoek komt. Wanneer kun je occult belast raken? Als er contact is met het occulte, direct of indirect. Direct door bijvoorbeeld media (films, tv, muziek, methodieken waarbij geesten worden opgeroepen) of occult belaste mensen. Indirect door beïnvloeding van anderen of doorgegeven van ouder op kind. Of het nu wit, zwart of grijs is, het is oppassen geblazen bij yoga, mandala’s, trance-doorway technieken, wichelroede, pendel-, meditatie- en concentratieoefeningen, diverse computerspelletjes, tv-programma’s en films, en jeugdliteratuur. Titels verraden de inhoud: “Huis van Anubis” (god van de Egyptische mythologie), “De graal van het kwaad”, “Kernenergie voor de duivel”, “De nacht van de draak”, “Dit huis wil bloed”, “Hekserij bij volle maan”, “Meindert Swarteziel en het bloed van de duivel”, “De geest in de glazen bol”, “De spookburcht”. Al deze middelen en methodieken zetten aan om het denken van kinderen ‘oosters’ te maken en te laten leiden naar een nieuwe wereldorde waarbij alles wat van God is uit ons bestaan wordt weggebannen.

►Hoogsensitiviteit
Dat symptomen kunnen vertekenen, geldt ook voor hoogsensitiviteit. Uit onderzoek blijkt dat er zo’n drie hoogsensitieve kinderen in een basisschoolgroep kunnen zitten. Uit de vigerende literatuur weten we, dat hoogsensitieven een extra antenne hebben voor spiritualiteit. Dat betekent niet dat ze meer kans hebben op de gevolgen van het occultisme, maar wel dat ze extra bescherming en begeleiding nodig hebben om met hun actieradius van prikkels om te kunnen gaan. Het onderscheiden van geesten is daarbij van groot belang.

►Studenten-e-mail
Eind september 2014 ontving ik van een derdejaarsstudente pabo de volgende mail, zoals ik er wel meer krijg: “In mijn stageklas zit een meisje dat vaak afwezig is, ze is vaak moe. Ze kan goed leren, maar door slaapgebrek komen de resultaten vaak niet goed naar voren. Letterlijk zei ze me vandaag: “Ik slaap vaak slecht en durf niet naar de wc. Ik ben erg bang in het donker en durf mijn bed niet uit. Soms zie ik de koelkast ineens open- en dichtgaan. Bij een vriendinnetje is dat soms ook, haar broer kan geesten zien. Soms zie ik ineens rare gezichten, ik denk dat er geesten in mijn huis zijn of bij mijn vriendin. Ineens was er een plas water, maar later zag ik ‘m weggaan. Soms lijkt het alsof mensen een masker op hebben. De broer van mijn vriendin schreef MM8 op een blaadje en legde zijn duim erop. Daardoor waren er toen geesten en kon hij in de toekomst zien…”. Ze sprak daarna over een doosje, ‘nerval’ of zoiets, waarin ze de geest van dode mensen konden bewaren. Ook dit had met haar vriendinnetje en haar broer te maken. Het meisje zit in groep 4 en is zeven jaar.”

De vraag van de studente was dat ze zich (op grond van het pedagogiekcollege in pabo-2 hierover) zorgen ging maken en vroeg hoe ze dit met haar mentrix kon bespreken die er nu alleen maar lacherig over deed.

Steeds vaker komen dit soort verhalen voor die kinderen soms argeloos in de kring vertellen bij het begin van een schooldag. Dat je er als leerkracht iets mee moet, is duidelijk.

►Mijnenveld
Het occultisme is een mijnenveld. De vraag die we ons als opvoeders en leraren kunnen stellen, is of we een risico willen lopen door te testen of er toch geen verborgen mijn ergens is. In 1 Thess 5: 22 staat: Onthoudt u van alle soort van kwaad. In Ps 34: 15 zie je dezelfde waarschuwing. Wie deze waarschuwingen negeert, loopt gevaarom door contactname ingewijd te worden in het oosterse denken dat gericht is op het spirituele, het transcendente en bovennatuurlijke.

Bij de bespreking van deze zaken in de groep met kinderen moeten we ervoor oppassen dat kinderen achter elke boom een demon gaan zien en onnodig angstig worden. Tegelijk mogen we vanuit het Evangelie wijzen op een barmhartige God Die bescherming biedt tegen occulte invloeden die, zoals Paulus vermeldt, als “geestelijke boosheden in de lucht” hangen (Efeze 6).

►Een vaste Burcht
De vijand, de boze,  rukt aan met gruwel en bedrog. Kinderen zijn een weerloze prooi voor hem en hij zal er alles aan doen om ze in deze eindtijd in zijn macht te krijgen. Bijbels pastoraat is noodzakelijk! Je zult met het kind (de leerling) aan de hand van de Bijbel na moeten gaan waarmee het in aanraking is geweest en welke gevolgen dat kan hebben. Die zonden zullen concreet aan God beleden moeten worden. (1 Joh 1: 6,7,8 en 9) Wat een bijzondere taak en verantwoording hebben ouders en leerkrachten!

Van Luther leren we dat de sterke Held terzijde staat en hoe ook de satan woedt, “éénWoord al doet hem vallen”. Immers, “Gods Woord houdt stand in eeuwigheid”. We mogen verzekerd zijn dat “noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, nochtegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig anderschepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here” (Rom 8:38, 39). We mogen vertrouwen op Gods bescherming: een vaste Burcht is onze God. Daarom geen ‘Halloween’, maar door Gods genade ‘Hervorming’ door de vernieuwing van ons denken!


Dr. J.J.Bakker

Dr. Bakker is onderwijspedagoog aan de pabo van de CHE.

 

 

Op  de site www.svchapel.org stonden twee artikelen van pastor Dennis McBride over dromen en visioenen van ‘Isa uit de Koran. Aan mevr. E. Nannen, auteur van Bijbel of Koran/De vraag naar de Waarheid (zie webshop) is gevraagd daarop te reageren.

Een visioenen-en-dromen-beweging onder moslims

Wie is de ’Isa van de Koran?

Het woord  ‘Isa in de Koran is géén vertaling van de eigennaam Jezus (Jeshua). ’Isa is ook niet de zoon van Jahweh, de ’Isa van de Koran zegt met nadruk dat Allah (van de Koran) géén zoon heeft. Deze Allah is géén vader. ’Isa is alleen een ‘schepping’ van Allah, maar géén zoon. Daarover zegt de Bijbel duidelijk: ” En zoals u gehoord hebt dat er een antichrist komt, zijn er nu ook véél anti-christen, en daaraan erkennen wij dat het de laatste ure is. Dat is de antichrist die de Vader en de Zoon loochent” (1Joh 2:18-23). Een antichristelijk kenmerk is dus de loochening, dat God de Vader van Jezus Christus en Jezus de Zoon van God is.

Wat zegt de ’Isa van de dromen en visioenen – wat zegt hij niet?

McBride die talloze vermelde dromen en visioenen onderzocht, was natuurlijk benieuwd of de ’Isa van de dromen hetzelfde verkondigt als de Jezus van de Bijbel, toen Hij de hemelse Vader op aarde diende: “Bekeert u en gelooft het evangelie” (Mk 1:15).

  1. ’Isa claimt dat hij god is (..), dus met aanspraak op aanbidding. Hij moet dus een troon hebben (vgl. Js 14:14-15; 2Ts 2:4; Op 2:13; 13:4,8,12). De Bijbelse Jezus openbaarde dat Hij de Zoon van God en God zijn Vader is.
  2. ’Isa verschijnt ‘in de gestalte van Jezus’. Daardoor veronderstellen veel moslims uit onwetendheid dat ’Isa=Jezus.
  3. Dat christenen  beide gelijkstellen is schuldige onwetendheid. Het is vooral blasfemie en bovendien het toppunt van misleiding van moslims.
  4. ’Isa spreekt graag in de Ik-vorm,  bijvoorbeeld als hij een moslim uitnodigt tot hem te komen. ’Isa beweert van zichzelf: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’. Dat is toch Bijbels!? Dan moet de ’Isa van de Koran toch wel de Jezus van de Bijbel zijn!? Of niet soms? De listige ’Isa echter laat doelbewust Jezus’ woorden weg:  “Niemand komt tot de Vader (!) dan door Mij” (Joh 14:6).
  5. ’Isa beweert dat hij de betrokken moslim ‘liefheeft’. Omdat ook een moslim alleen vriendschappelijke of echtelijke liefde kent, kan hij niets met een dergelijke uitspraak, wanneer deze niet aangevuld werd en wordt met o.a. 1Johannes 3:16.
  6. ’Isa zegt dat de betrokken moslim in hem moet geloven. Daarmee stelt hij zich op de plaats van (=anti) Jezus.
  7. ’Isa claimt: ‘Jij, moslim, behoort mij toe’. Ook hieraan wordt duidelijk dat hij “een andere Jezus” is, die de  betrokken persoon niet met zijn zoenbloed aan het kruis van Golgotha gekocht en duur betaald heeft (1Kor 6:19).

De Romeinse hoofdman Cornelius – gered door een Jezusvisioen?

Een dergelijke ‘herhaalbare’ gebeurtenis vinden promotors van Jezusdromen en visioenen in Handelingen 10.

Wie onbevooroordeeld Handelingen 10 leest, ontdekt:

  1. Cornelius was een vereerder van de God van Israël, Jahweh en bad ook geregeld tot Hem. Jahweh komt echter in de hele Koran niet voor. Mensen die geen Jood of christen zijn, bidden van huis uit dus helaas tot ‘een andere god’.
  2. Cornelius zag in een visioen “een engel van God” (10:3). Jezus is echter de Zoon van God.
  3. Deze engel verscheen aan Cornelius niet om hem te redden of om hem ‘evangelistisch voor te bereiden op het evangelie’. Hij zei dat Cornelius een zekere Simon Petrus moest uitnodigen. “Deze zal woorden tot u spreken, waardoor u en uw hele huis gered zullen worden” (10:5-6; 11:13-14). En Petrus verkondigde de gekruisigde en opgestane Jezus (10:37-43)!

Conclusie

  1. Geen enkel bericht van een visioen in het boek Handelingen rechtvaardigt de idee van een voortgaande openbaring door visioenen, dromen, profetieën e.d. tot op de huidige dag. “De Schrift plus” is en blijft anti-Bijbels.
  2. Verdringt de Jezus-visioenen-en-dromen-beweging niet Gods uniek evangelisatiemiddel: de verkondiging van het Woord van Jezus’ kruis en opstanding? En evenzo het werk van de Heilige Geest via Gods Woord?
  3. Doet de ‘Jezus’ van de visioenen en dromen hetzelfde als hij Gods Zoon zou zijn? Zo niet, is er dan niet sprake van “een andere Jezus” die niet in Bijbels opzicht de ogen opent en niet tot berouw (!) en bekering leidt?
  4. Is het niet de oude leugen dat Jezus zien overtuigender zou zijn dan het horen en gelovig gehoorzamen van Gods Woord (Rom 1:16-17; 2Tim 3:15-16)?

 

Mevr. E. Nannen

 

 

 

 

 

Samenvatting: Op sommige scholen leren kinderen mandala’s tekenen. In het hindoeïsme is de mandala één van de methoden om in contact te treden met ‘de andere wereld’.

 MANDALA’S

Ouders stellen vragen over wat mandala’s zijn en waarom leerlingen deze moeten tekenen. Kennelijk is het verschijnsel erg ‘in’, ook bij christelijke scholen. Het antwoord hierop zal menigeen verbazen.

Oorsprong
Volgens de pedagoog prof. dr. Reinhard Franzke uit Hannover worden mandala’s in bijna alle basisscholen in Duitsland gebruikt. Veel opvoeders en onderwijzers zijn overtuigd van de helende werking op de kinderen. Het woord mandala komt van het Sanskriet en betekent heilige of magische kring. Sommige mandala’s beelden Indische goden af en andere magische symbolen of Indische chakra’s. Chakra’s (Sanskriet voor raderen) zijn energiepunten in het lichaam waarmee de mens in contact kan treden met zijn etherische lichaam. Hij krijgt hierdoor aansluiting op de kosmische energievelden waarmee hij in contact treedt met de wereld der geesten.

Doel
De mandala is oertaal in zeer geconcentreerde vorm, een kunstuiting die zowel in beeld als in klank wordt uitgebeeld. Mandala’s zijn bedoeld als hulpmiddel om het bewustzijn op één punt te richten en zo te voeren tot een toestand van trance. Het helpt de kinderen om andere dimensies en wezens te visualiseren en hen zo te brengen tot zgn. uittredingen (reizen buiten-het-lichaam). Voor deze beide doelen werden mandala’s eeuwenlang door sjamanen (Siberische tovenaars) en yogi’s (Indische yoga-leraars) gebruikt. De bekende psycholoog Carl Gustav Jung heeft de mandala’s in Europa ingevoerd en gebruikte ze (in zijn psychotherapie) als middel om een ervaring te hebben met ‘de andere wereld’ en om contact te krijgen met geestelijke wezens’. Hij noemde hun taal de ‘archetypische taal’ (beelden uit de oerwereld van het bestaan), waardoor een mensenkind zijn eigen ‘authentieke’ Zelf leert kennen.

Onze huidige cultuur staat hier niet meer zo afwijzend tegenover als in de tijd van de Verlichting en de secularisatie, die nog maar kort achter ons ligt. Bijbelse pedagogen waarschuwen ervoor dat mensen op deze wijze contact kunnen krijgen met de geestenwereld. De moderne spirituele pedagogen spreken van “de helende werking van mandala’s die mensen helpt bij de integratie van hun eigen persoonlijkheid”, zonder te wijzen op de gevaren van mogelijke contacten met de geestenwereld. Bij het mandala-tekenen leren kinderen “hun eigen krachtbron te ontsluiten” en ontdekken zij “hun parallellen in de hogere, kosmische werkelijkheid als hun eigen centrum of kosmogram”.

Achter dit ‘huwelijk van hindoeïsme en pedagogiek’ steekt een gevaarlijke werkelijkheid! Wij roepen ouders op hun kinderen te onttrekken aan de wereld waarvoor de Bijbel ons waarschuwt. De ernst hiervan blijkt uit de volgende Bijbelse duiding.

Een Bijbelse duiding van zgn. contacten met ‘de andere wereld’
Steeds vaker merken wij dat leraren gebruik maken van methoden die ontleend zijn aan de psychotherapie. Als vereniging Bijbel & Onderwijs richten wij ons niet op het bestrijden van symptomen, maar op het onderkennen en blootleggen van de bron waaruit dit voortkomt

Nu in onze tijd het spirituele zo’n opgang maakt, is het gevaar groot dat kinderen op school in contact met de geestenwereld worden gebracht. De verleiding waarmee de Boze mensen oproept hun eigen beperkingen te overschrijden door “als God te zijn” is altijd dezelfde. Maar de namen waaronder hij dit doet zijn aangepast aan de tijd waarin mensen leven. In plaats van Baäls en tovenaars worden nu termen gebruikt zoals ‘afdalen in het collectieve onbewuste der mensheid’ of ‘het realiseren van je authentieke zelf.’
De illusie die de mensen telkens wordt bijgebracht, is dat zij toegang kunnen krijgen tot de wereld van helende en kosmische energieën. Paulus roept ons op om die wereld te ontmaskeren door datgene wat de mensen daaruit aanspreekt bij de ware naam te noemen. Dit is niet anders dan de wereld van de Baäls uit het Oude Testament, de afgoden waarvoor de psalmen en profeten waarschuwen of de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten van Efeziërs 6.

Zowel Mozes als Paulus hebben duidelijke taal gesproken over alle pogingen die mensen in het werk stellen om de grenzen van dit bestaan te doorbreken. Daartoe citeren wij hun woorden die gesproken zijn tot Israël respectievelijk tot de christelijke gemeente. Mozes heeft tot het volk Israël gezegd:
Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen en het ons doen horen, opdat wij het volbrengen?
“En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen en het ons doen horen, opdat wij het volbrengen?” Deut 30:12-13.

Paulus verwijst hiernaar in zijn brief aan de Romeinen:
“Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? Namelijk om Christus te doen afdalen. Of: Wie zal in de afgrond nederdalen? Namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen”Rom 10:6-7

De Bijbel rekent af met alle geheimzinnigheid en noemt de dingen bij de naam. Gods Woord is heel nuchter over de gruwelijke werkelijkheid die de mensen onder de bekoring van de geestenwereld brengt. In de Heilige Schrift straalt Gods waarachtige licht over al het occulte. Haar door God geïnspireerde auteurs waarschuwen ons voor het valse licht van Lucifer en richten ons op het waarachtige licht van Jezus Christus, de stralende Morgenster. Aan het kruis heeft Hij de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd. (Kol 2:15)

 

Voor verdere informatie raadpleeg:
Dr. R. Franzke, Stilleübungen und Fantasiereise
R.H. Matzken/A. Nijburg, Met Fantasie naar de nieuwe tijd
R.H. Matzken:Charisma uit de diepte
R.H. Matzken en T.H.Ligtenberg: Occult zakwoordenboek
Op de deelsite Occult en Licht van bijbelenonderwijs.nl staat een kort overzicht over de mandala.

 

Kort overzicht van de jezuïetenorde

 

In Rome klonken op 13.03.2013 de woorden: “Habemus Papam” (Wij hebben een paus). De nieuwe paus, Franciscus, werkt onconventioneel en heeft charme. Hij is de eerste Latijns-Amerikaan op de stoel van Petrus en ook de eerste jezuïet. Men verwacht veel van hem. Een leider in de evangelische beweging is van mening dat hij de Gorbatsjov van de rooms-katholieke kerk kan worden.

Veel van wat de paus zegt, schijnt nieuw, ja bijna revolutionair. Maar men moet heel goed luisteren. Hij stelt op geen enkele manier de dogma’s en de centrale leer van de rooms-katholieke kerk ter discussie. Hij wil de kerk een nieuw elan geven, maar de essentie blijft hetzelfde.

 
Reeds tijdens het tweede Vaticaanse Concilie werd een nieuwe koers ingeslagen. De rooms-katholieke kerk is sindsdien flexibeler geworden. Door af te zien van bepaalde uiterlijke tekenen zoals bijv. het opzetten van de tiara (kroon in drie etages) door de paus is de invloed van de rooms-katholieke kerk gegroeid. Deze kerk is bereid tot de dialoog. De aanspraak, die de tiara belichaamt, is echter gebleven, namelijk de geestelijke heerschappij over alle keizers en de opperste rechtspraak. De taal is vriendelijker geworden. Men spreekt over het opnieuw evangeliseren van Europa, maar bedoeld wordt het terugbrengen tot het rooms-katholicisme.

Evangelische christenen in Italië waarschuwen voor de rooms-katholieke kerk en de nieuwe paus.

Men houdt er  nauwelijks rekening mee dat deze paus jezuïet is en strijdt voor de overwinning van de rooms-katholieke kerk.

 

1 Drie voorbeelden uit de kerkgeschiedenis

 

a.  Christina van Zweden

1689: Koningin Christina van Zweden sterft en wordt in de basiliek van de Sint-Pieter begraven. Haar bekering van het lutheranisme tot het rooms-katholieke geloof betekende een groot succes voor de machtspolitiek van het pausdom en de jezuïeten. Christina wordt in Zweden streng evangelisch (luthers) opgevoed. Als zij laat merken dat zij sympathie heeft voor de rooms-katholieke kerk, is het tijd voor de jezuïeten om in actie te komen. Twee paters reizen in het geheim naar het koninklijke hof. In 1654 treedt de koningin af en treedt heimelijk toe tot het rooms-katholieke geloof. Paus Alexander VII ontvangt Christina als een wereldse koningin en bevestigt haar in het rooms-katholieke geloof. Na haar dood krijgt zij een grafmonument in de Sint-Pieter.

b. Paderborn

Deze stad is sinds 1528/1530 evangelisch. In 1580 komen de jezuïeten naar Paderborn. Zij zetten zich vooral in voor de jeugd en hervormen het destijds nog bestaande rooms-katholieke gymnasium volgens de principes van de orde. Onder de invloed van de consequente jezuïetische pedagogiek gaan bijna alle jongeren over tot het rooms-katholieke geloof. In 1614 stichten de jezuïeten de eerste rooms-katholieke universiteit op Westfaals gebied. Paderborn wordt binnen enkele tientallen jaren omgevormd tot een rooms-katholieke stad.

c. Polen

In 1550 was Polen overwegend evangelisch. Het koningshuis echter bleef rooms-katholiek en haalde de jezuïeten het land binnen. Deze namen het educatieve werk als zielzorg, prediking en onderwijs in handen. Daardoor werden de Polen massaal voor het rooms-katholieke geloof gewonnen. In 1591 werden talrijke evangelische kerken verwoest. Afval van het rooms-katholieke geloof werd met de dood bestraft Door het werk van de jezuïeten werd een heel land voor de rooms-katholieke kerk teruggewonnen.

De jezuïeten bedreven hun zendingswerk systematisch en weldoordacht. Zij waren flexibel in hun optreden. Zij droegen geen ambtskleding. Zij bleven op de achtergrond en hechtten niet aan schitterende gewaden. Als biechtvaders kregen zij beslissende invloed in de paleizen. Bij de bouw van hun kerken hechtten zij veel waarde aan beelden. De door hen ontwikkelde barokkerken zijn ruimten vol afbeeldingen. Bij het hoogaltaar en in de kerk zijn veel heiligenfiguren, vooral Maria staat in het middelpunt. Via de kunst leiden ze de mensen weg van het Woord naar het beeld. Dit was een doelbewuste misleiding van de mensen.

 

2. De geestelijke oefening

Waaraan ontlenen de jezuïeten de kracht om de mensen blijvend te vormen? Deze kracht komt van de geestelijke oefeningen van Ignatius de Loyola (1491-1556). In 1540 erkende paus Paulus III de jezuïeten als rooms-katholieke orde. Kenmerken van de jezuïeten zijn:

  • Strenge, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.
  • De geestelijke oefeningen leiden tot een brandende zendingsijver om de mensen voor het rooms-katholicisme te winnen.
  • De geestelijke oefeningen betekenen dat men meewerkt aan het heil.

De geestelijke oefeningen zijn oorspronkelijk in de vorm van een soort vakantie-kamp of retraite (vandaag zijn er ook andere vormen!), die consequent onder jezuïetische “leiding van zielen in plaats van Bijbelse zielzorg” staan, zoals Theodor Brandt duidelijk heeft aangetoond. Daarbij moeten mensen met behulp van fantasie bepaalde dingen beleven, bijv. de zwavel van het hellevuur ruiken. De leider van de geestelijke oefeningen krijgt macht over een mens. De mens wordt veranderd. Hij gehoorzaamt niet het Woord, maar beschikt over het Woord. De deelnemer onderwerpt zich tegelijkertijd aan de kerkelijke hiërarchie. Aan het einde van de eerste week volgt de algehele biecht. Dan volgt een week van “verlichting”. Door ascese en gebed moet een mystieke ontmoeting met Christus bereikt worden. Doel van de geestelijke oefeningen is, de deelnemer zo ver te brengen, dat hij zwart wit noemt, als de kerk dat zegt. Bij de geestelijke oefeningen stelt men zich open voor de machten van de duisternis.

Vandaag zijn er ongeveer 19.000 jezuïeten. Het is de grootste rooms-katholieke orde. De kerndoelen zijn de opvoeding (scholen, universiteiten, vorming van volwassenen), het werken met de media (radio, televisie, film en internet) en de retraites. De jezuïeten zoeken doelbewust de dialoog. Zij passen zich heel gemakkelijk aan. Hun basisprincipe is accommodatie, maar zij streven consequent hun doelen na.

 

Bron: Helmut Haasis, Syke in Wort und Leben, dec. 2014

 

Wat is het uitgangspunt?

 Grondslagdenken versus perspectiefdenken

Inleiding

Momenteel beleeft het protestants-christelijk onderwijs een aardverschuiving van grondslagdenken naar perspectiefdenken. Met het gevaar dat met deze aardverschuiving het christelijk onderwijs de nek om wordt gedraaid.

Populair

Zo op het eerste gezicht heeft Nederland paradoxale trekjes. Aan de ene kant gaat minder dan 20% van de bevolking regelmatig – dat is minstens eens per maand – naar de kerk. Aan de andere kant kiest ruim 60% van de bevolking voor onderwijs met levensbeschouwelijke grondslag, waarvan de helft voor protestants-christelijk en de helft voor katholiek onderwijs. Waarom kiezen ouders in deze tijd voor een christelijke school? Op die vraag wordt verschillend gereageerd: meer aandacht voor normen en waarden; minder allochtonen; in de buurt; klein en gezellig; goede resultaten; geen alternatief; staat goed bekend. Allemaal argumenten die omgekeerd ook kunnen gelden voor openbaar onderwijs. Slechts een deel van de ouders geeft aan de grondslag belangrijk te vinden. Eén reactie stemt mij daarbij tot nadenken: ‘Overigens vind ik dat er een groot verschil zit tussen christelijk onderwijs nu en in de jaren 70. Het is veel opener geworden en niet de hele dag met de Bijbel op schoot. Dat strenge is er vanaf, al zal dat per school wel verschillen. Ik vind er niets mis mee om je kind naar een christelijke school te laten gaan, ook al zou je zelf niet gelovig zijn. Je kind krijgt wat Bijbelse onderbouwing mee. Zolang dat op een relaxte manier gebeurt’.

Relaxed

Grondslag prima, zolang je er maar relaxed mee omgaat. Er niet te veel de nadruk op leggen. Ik hoor dit geluid heel veel om mij heen. De grote verhalen zijn voor velen voorbij. Samen vormen we het verhaal. Gaan we ons pad en sprokkelen we inspiratie uit tal van bronnen. Doen we wat goed voelt. Nederland gooit massaal het anker in eigen schip. Of verankert het schip hooguit nog aan andere schepen. In die beleving pas geen grondslag. ‘Christelijk’ is equivalent geworden voor ‘fatsoenlijk’. Het woord  ‘christelijk’ wordt via de afkorting ‘PC’ weggemasseerd uit de logo’s van christelijke scholen. En naast ‘christelijk onderwijs’ duiken andere, verzachtende, termen op als ‘levensbeschouwelijk onderwijs’, ‘religieus onderwijs’ en ‘christelijk geïnspireerd onderwijs’.

Onderwijs 3.0

Dat roept de kernvraag op: wat is de grondslag van het christelijk onderwijs anno 2014? Als overtuigd en enthousiast christen zou ik verwachten dat elke christelijke school als grondslag heeft dat Jezus Christus onze Heer en Verlosser is, dat de Bijbel ‘van kaft tot kaft’ waar is en dat God niet wil dat er iemand verloren gaat, maar dat ieder mens behouden zal worden. Was het maar waar. Verus, de vereniging voor christelijk onderwijs, gaat een heel andere kant op. Ze omarmt volledig de overtuiging dat een beroep op een grondslag in deze tijd niet meer past. In het mei-nummer van haar magazine breekt Guido de Bruin, één van de identiteitsadviseurs van Verus, een lans voor christelijk onderwijs 3.0. Bij christelijk onderwijs 1.0 kwam de christelijke grondslag tot uiting in alle aspecten van het schoolleven. Bij christelijk onderwijs 2.0 bleef het grondslagdenken aanwezig, maar vager, met als risico dat levensbeschouwelijke educatie een schaamlap werd. Volgens De Bruin is de tijd nu rijp voor christelijk onderwijs 3.0. Bij deze benadering wordt de grondslag ingeruild voor een gedeeld perspectief, een droom. In die droom gaat het om scholen met een keur van etnische en levensbeschouwelijke diversiteit. Scholen die bijdragen aan een maatschappij waarin mensen gelijkwaardig zijn, oog hebben voor elkaar, elkaar willen ontmoeten, voor elkaar willen zorgen en elkaars talenten benutten. Berry Hakkeling, directeur van integraal kindcentrum De Ark in Vlaardingen, wordt daarbij aangehaald, die zegt: ’In een samenleving waarin mensen ‘minder, minder, minder’ roepen is het goed als christelijke scholen juist verbinding zoeken met bijvoorbeeld het islamitisch en hindoe-onderwijs.’

Bezinning

school

Nu begrijp ik de bezinning en het verlangen naar die nieuwe verbinding wel. We leven in een tijd waarin het enkele feit van de protestants-christelijke identiteit door beleidsmakers en politiek niet meer als voldoende legitimatie wordt gezien of als een belemmering voor regionale samenwerking wordt gezien, bijvoorbeeld als het gaat om samenwerkingsverbanden ten behoeve van kleine scholen. Schoolbesturen zoeken daarom naar nieuwe verbindingen. Met het gevaar dat die nieuwe verbindingen de plaats van de protestants-christelijke identiteit op termijn gaan verdringen.

Ander perspectief

Maar niet alleen Verus omarmt het perspectief denken. Kars Veling, voormalig lid van Eerste en Tweede Kamer voor de ChristenUnie, schrijft in de essaybundel ‘Van deze tijd’ van de Stichting Steunfonds Christelijk Onderwijs het volgende: ‘Een strijd over een nog overgebleven grondslagformulering in de statuten leidt tot niets anders dan onbegrip en irritatie. Mij lijkt het vruchtbaar om dit grondslagmodel van de christelijke organisatie te vervangen door een perspectiefmodel. Ik bedoel daarmee een vorm van organisatie van christelijke activiteit die wordt ondernomen vanuit het doel.’ Veling pleit voor een ‘ankers los!’ en verwijst daarbij naar een soortgelijke ontwikkeling bij de politieke partij, de hulpverleningsorganisatie en de krant.

Eén perspectief?

Hebben het perspectiefdenken van Veling en Verus met elkaar te maken? De Bruin verwijst in zijn artikel o.a. naar die essays van Veling en van Buijs, bijzonder hoogleraar politieke filosofie en levensbeschouwing. In eerste instantie verbaast mij dat, omdat Veling in zijn betoog doelt op het dagblad, het ND. Zo op het eerste gezicht is het ND trouw aan haar grondslag gebleven. Heeft Veling dan niet een heel ander perspectief voor ogen dan Verus? Misschien wel, maar deze van oorsprong gereformeerde krant, die steeds meer voor en door niet-gereformeerden wordt geschreven en regelmatig journalistieke bijdragen uit de Volkskrant publiceert, heeft misschien wel meer op haar grondslag ingeleverd dan ze zelf wil. Naast versoepeling op het punt van kerklidmaatschap en/of binding aan belijdenisgeschriften is namelijk een veralgemenisering merkbaar die de grondslagbinding geen goed doet. De “christelijk betrokken” insteek heeft als gevolg dat bijvoorbeeld ook een rooms-katholieke bisschop zijn column kan plaatsen. Als je daarbij let op de plaats die de cultuur in al haar vormen krijgt, ligt de vraag voor de hand of het ND haar grondslag, namelijk het “Jezus Christus is Heer”, niet uit het oog heeft verloren. Zie je bij het algemeen christelijk onderwijs de verschuiving van grondslag naar perspectief duidelijker dat Jezus Christus een droom wordt en de doeleinden slechts christelijke afgeleiden worden, bij een dagblad als het ND gaat het geleidelijker. Willen we deze geleidelijke horizontalisering een halt toe roepen dan is het zaak duidelijk te zijn als bestuur, als directies en als leerkrachten. Wat willen we met onze school, met onze scholenkoepel? En hoe leggen we dat vast in statuten en beleidsnota’s? En als het gaat om de samenwerking met andere scholen, wat is dan het uitgangspunt? Het past in het raam van het postmoderne denken dat een algemeen christelijke en een rooms-katholieke school fuseren, maar is dat wel mogelijk als je je grondslag, namelijk het vasthouden aan ‘de Bijbel alleen en Jezus Christus alleen’ wilt handhaven?

Pelgrimbeweging

Er is nog een andere ontwikkeling die in dit verband genoemd moet worden. Identiteitsadviseur De Bruin, verbonden aan Verus, is nauw betrokken bij de beweging van de Pelgrimscholen, een vanuit Oostenrijk overgewaaid netwerk van scholen die vanuit hun visie op het goede leven hun leerlingen en studenten oriënteren op een duurzame, rechtvaardige en vreedzame wereld. In het Manifest Pelgrimscholen staat als eerste zin: ‘Wij zien de mens als een pelgrim, op weg naar een duurzame, rechtvaardige en vreedzame wereld. Als pelgrims zijn wij op weg, zonder te weten of we ons doel zullen bereiken. We geloven dat dit een zinvolle weg is, ongeacht of we het doel bereiken. Op deze weg zullen we soms flink doorlopen en de handen uit de mouwen steken en soms ook rust en verstilling zoeken.’ Verus ziet dit als de toekomst van het christelijk onderwijs en organiseert momenteel meerdaagse bijeenkomsten waarin ze leiders van christelijke scholen enthousiast maakt voor het pelgrimconcept. Het bovengenoemde Manifest is op die bijeenkomsten leidend.

 Nog Bijbels verantwoord?

Het klinkt allemaal zo mooi. Duurzaam. Rechtvaardig. Vreedzaam. Op zich allemaal ronduit Bijbelse notities. En toch: hoe bestaat het dat de Vereniging voor Christelijk Onderwijs zich inlaat met zo’n tegen de Bijbel ingaande  beweging? ‘Zonder te weten of we ons doel zullen bereiken?’ Hoe verhoudt zich dat met  de Bijbelse woorden: ’U hebt Jezus Christus lief zonder Hem ooit gezien te hebben; en zonder Hem nu te zien gelooft u in Hem en ervaart u een onuitsprekelijke, hemelse vreugde, omdat u het einddoel van uw geloof bereikt: uw redding’. Op weg naar een duurzame, rechtvaardige en vreedzame wereld? Ja, mits ook wordt onderkend dat deze wereld ooit voorbij gaat. En dat deze door zonde doortrokken wereld niet zo maakbaar is, als we als mens graag zouden willen. Het zou dan ook Bijbelser zijn om de zin als volgt te formuleren: Wij zien de mens als een pelgrim, op weg door een gebroken wereld. Op weg met een zeker doel, de toekomst van Jezus Christus in een nieuwe hemel en op een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.  Wij geloven dat dit een zinvolle weg is , waarop we elke dag in afhankelijkheid van God mogen leven, ons werken gezegend weten door God zelf en uiteindelijk Zijn nieuwe leven mogen bereiken’.

 Vergelijking met het CDA

We hebben bij het CDA gezien wat het loslaten van de grondslag betekent. Vanaf het moment dat drie christelijke partijen met elk een sterk christelijke grondslag zich in 1980 verenigden tot het CDA heeft de partij grote hoogten gekend, maar verdween tegelijkertijd de grondslag onder hun voeten. En dus werd ook binnen het CDA gezocht naar een versie 3.0 van nieuwe woorden en nieuwe beelden, waarin nog wel iets van de door Geert Wilders bejubelde ‘joods-christelijke traditie’ en het pleidooi van Jan Peter Balkenende voor het ‘normen- en waardendebat’ is te herkennen, maar de woorden over God, Jezus en de Bijbel langzaamaan verstommen. Verus wil via een vergelijkbaar pad het christelijk onderwijs van nieuw elan  voorzien. Haar nieuw perspectief geven. Een opwindend doel om samen enthousiast voor te gaan. Nieuwe woorden en nieuwe beelden. Al was het maar vanuit een institutioneel belang. Maar het 3.0-streven dat Verus voorstaat,  heeft wat mij betreft niets meer met christelijk onderwijs te maken.

Tot slot

Resteert wel de vraag hoe je in deze tijd krachtig Bijbels/christelijk onderwijs kunt bieden. Daarbij zullen we ons steeds meer af moeten vragen wat ten diepste onze grondslag is. Wat mij betreft is dat dus de Bijbel  en – kort gezegd – de erkenning dat Jezus Christus je Redder en Heer is. Binnen die grondslag kunnen gereformeerde, reformatorische, evangelische en veel protestants-christelijke scholen elkaar prima vinden. En met een gezamenlijke grondslag en een gezamenlijk perspectief schouder aan schouder  de toekomst in gaan. Denkt u daarbij ook even aan een functie in een MR, een gebedsgroep of  in een schoolbestuur. Allemaal belangrijke bouwstenen!

 

Dick Tillema

 

Recensie

 (Hoe je kind beschermen voor de newage en de  geestelijke verleiding), Berit Kjos, 336 pages, $ 14,95. Bestellen bij www.crossroad.to of bij www.lighthousetrailsresearch.com.

childKjos wil in dit boek aantonen dat kinderen op allerlei terreinen worden geconfronteerd met newage-spiritualiteit. Zij pleit ervoor dat ouders een proactieve houding aannemen om waakzaam te zijn om hun kinderen te kunnen beschermen tegen allerlei verschillende verleidingen. Daarom is het allereerst noodzakelijk dat ouders beseffen dàt hun kinderen worden geïndoctrineerd en op die manier mogelijk worden ingezogen in de new age/nieuwe spiritualiteit. Vervolgens moeten ouders zeer alert zijn op wat hun kinderen allemaal leren en meemaken om ze ook adequaat te kunnen begeleiden. Ook van groot belang is dat ouders daarin hun eigen christelijke achtergrond bekend maken en een goed voorbeeld geven aan hun kinderen. Het tweede hoofdstuk  behandelt de wapenrusting van God, hoe we als ouders ons kunnen wapenen en hoe we dit aan onze kinderen kunnen overdragen.

Telkens wordt in een hoofdstuk de gevaren van een bepaald terrein besproken en toegelicht aan de hand van voorbeelden, afgewisseld met een hoofdstuk vol praktische richtlijnen en stappenplannen hoe ouders hun kinderen op dat terrein kunnen beschermen. Zo behandelt Kjos de invloed op scholen door child1middel van schoolboeken en lesprogramma’s. Een volgend onderwerp zijn de normen en waarden die kinderen meekrijgen door behandeling van onderwerpen als evolutie en seksuele voorlichting. Vervolgens wordt gekeken naar de invloed van films, televisie en de digitale media, speelgoed en (computer)spellen, boeken, tijdschriften en muziek, dit alles aan de hand van uitgebreide voorbeelden. Op al deze gebieden kunnen kinderen te maken krijgen met een on-Bijbelse moraal, maar ook vooral met occulte invloeden in allerlei gradaties. Vooral over dit laatste onderwerp heeft men vaak niet door hoe subtiel de invloeden zijn, terwijl de gevolgen des te groter zijn. Tevens is de  gewenning al zo ver gegaan dat iets wat twintig jaar geleden duidelijk occult zou zijn, nu algemeen aanvaard wordt. Helaas is ook in de christelijke wereld er sprake van vermenging van Bijbelse en wereldse waarden. In het laatste hoofdstuk bespreekt Kjos voorbeelden die laten zien dat als iets “christelijk” genoemd wordt, dit niet automatisch betekent dat er sprake is van Bijbelse integriteit en christelijke waarden. Ook hier worden handreikingen gegeven om alert te zijn.

De eerste druk van dit boek kwam uit in 1990. Toen werden waarschuwingen als deze tegen de gevaren van newage-invloeden vaak nog weggewuifd als zijnde te ver gezocht. Zo erg zou het toch allemaal niet worden? Helaas wordt maar steeds vaker duidelijk dat het wel zo erg, zo niet erger, is geworden. In deze herziene en uitgebreidere versie uit 2013 worden de gevaren duidelijk uitgelegd, bijgewerkt met veel recente voorbeelden. Wellicht dat het voor sommige sceptici van toen ook duidelijk wordt dat de waarschuwingen destijds terecht waren en dat daarom deze waarschuwingen niet in de wind moeten worden geslagen.

Dit is een boek dat kan dienen als goede handleiding en naslagwerk voor het herkennen van gevaarlijke invloeden op allerlei terreinen, maar het is helaas alleen in het Engels beschikbaar. De belangrijkste boodschap is dat kinderen, vanwege hun beïnvloedbaarheid, een gemakkelijke prooi zijn. Ouders moeten geestelijk voorbereid zijn om de gevaren te herkennen en hun kinderen te begeleiden en te beschermen tegen de valse invloeden.